Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding over onverdeeld kantoorpand. Afwijzing vordering overdracht aandelen op grond van koopovereenkomst en VSO II: voldoende aannemelijk dat koopovereenkomst is ontbonden na ingebrekestelling en dat ontbindende voorwaarde in VSO II is ingetreden. Verzoek om toestemming ex art. 1:88 lid 1 BW voor borgtocht wordt afgewezen: echtgenote heeft rechtens relevant belang gezien onverdeelde huwelijksgemeenschap. Subsidiaire vordering tot toedeling ex art. 3:185 BW afgewezen wegens belangenafweging en onzekere financiering.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 11-09-2026 |
| Zaaknummer | C/08/350385 / KG ZA 26-183 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Zwolle |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Onbevoegdheid van echtgenoten art. 1:88/89; Medewerking aan verkoop/toedeling |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering overdracht onverdeelde aandelen in pand o.g.v. koopopvereenkomst. Echtgenote hoeft geen toestemming ex artikel 1:88 BW te verlenen voor borgstelling echtgenoot voor verkrijgen financiering. Afwijzing vordering tot toedeling onverdeelde aandelen van de deelgenoten 3:185 BW.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/350385 / KG ZA 26-183
Vonnis in kort geding van 8 september 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. R. El Gamali,
tegen
1 [partij B 1],
te [woonplaats 2],
2. [partij B 2],
te [woonplaats 3],
3. [partij B 3],
te [woonplaats 4],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna partijen sub 2 en 3 samen te noemen: [partij B 2] en [partij B 3]
hierna partijen sub 1 t/m 3 samen te noemen: [partij B],
advocaat: mr. P.M. van der Lee.
1De zaak en het oordeel in het kort
[partij A] en [partij B] hebben gezamenlijk het onverdeelde eigendom van een kantoorpand. [partij A] vordert overdracht van de onverdeelde aandelen van [partij B] op grond van een koopovereenkomst en een vaststellingsovereenkomst. [partij B] vinden dat die vorderingen afgewezen moeten worden omdat de overeenkomsten volgens hen zijn ontbonden. Daar is [partij A] het niet mee eens. Beide partijen zijn van mening dat indien de overeenkomsten rechtsgeldig ontbonden zijn, het pand door de voorzieningenrechter aan hen moet worden toebedeeld. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van beide partijen afwijzen en zal hierna uitleggen waarom.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie met (voorwaardelijke) eis in reconventie;
- het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam met verwijzing van dit kort geding in de stand waarin het zich bevindt naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging eis in conventie;
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [partij B]
3De feiten
[partij A] en [partij B 1] zijn in september 2016 in gemeenschap van goederen gehuwd.
Blijkens akte van levering van 9 september 2022 hebben partijen ieder 1 / 4 onverdeeld aandeel van het kantoorgebouw aan de [adres 1] (oneven nummers) te Deventer (hierna: het pand) verworven.
en [partij B 1] hebben bij notariële akte van 31 maart 2023 huwelijkse voorwaarden opgesteld, waarbij zij elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. Zij hebben daarna een echtscheidingsverzoek ingediend. De huwelijksgemeenschap tussen [partij A] en [partij B 1] is ontbonden, maar de afwikkeling daarvan moet nog plaatsvinden.
In een vaststellingsovereenkomst van 29 november 2024 (“VSO I”) zijn [partij A] en [partij B 1] overeengekomen dat hun aandelen in verschillende (appartementsrechten op) panden aan de [adres 2], [adres 3] en [adres 4] aan [partij B 1] zullen worden toebedeeld.
In de vaststellingsovereenkomst van 29 november 2024 (“VSO II”) zijn [partij A] en [partij B 1] overeengekomen dat [partij B 1] medewerking moet verlenen aan de toedeling van haar aandeel in het pand aan [partij A], tegen vergoeding van een bedrag van € 416.923,25 door aan haar. In VSO II is (onder andere) als ontbindende voorwaarde opgenomen dat [partij B 2] en [partij B 3] meewerken aan verkoop c.q. toedeling van hun aandelen aan [partij A].
Op 3 december 2024 hebben [partij A] en [partij B 2] en [partij B 3] een koopovereenkomst gesloten. Zij zijn overeengekomen dat [partij B 2] en [partij B 3] elk hun onverdeelde aandeel in het pand aan [partij A] verkopen, tegen betaling van een koopsom van in totaal € 1.819.000,-. In de koopovereenkomst is ook een financieringsvoorbehoud opgenomen, dat geldt tot en met 1 maart 2025. De overeengekomen leveringsdatum is 30 mei 2025, of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen. Verder is in de koopovereenkomst opgenomen dat de koopovereenkomst onverbrekelijk verbonden is met VSO II.
Op de koopovereenkomst zijn ‘Algemene Bepalingen’ van toepassing waarin in artikel VI lid 2 het volgende is opgenomen:
“Indien één van de Partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen, na de dag waarop het deurwaardersexploot is uitgebracht, tekortschiet in de nakoming van een of meer van haar uit de onderhavige overeenkomst voortvloeiende verplichtingen – daaronder begrepen het niet tijdig betalen van de waarborgsom of het niet tijdig doen stellen van een correctie bankgarantie – kan de wederpartij van de tekortschietende Partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de tekortschietende Partij.”
Volgens lid 4 is de tekortschietende schuldenaar na ontbinding een boete van 10% van de koopprijs verschuldigd.
[partij A] heeft bij e-mail van 28 februari 2025 medegedeeld dat hij nog geen financiering heeft verkregen omdat er nog onvoldoende duidelijkheid is over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap met [partij B 1], maar dat hij nog steeds voornemens is de koopovereenkomst na te komen. Tot slot heeft hij verzocht of er bezwaar tegen is de termijn voor levering enkele maanden op te schuiven. [partij B 2] en [partij B 3] hebben niet gereageerd.
Op 4 juni 2025 hebben [partij B 2] en [partij B 3] [partij A] per e-mail in gebreke gesteld. In de e-mail hebben zij [partij A] in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van acht dagen alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Verder hebben zij medegedeeld dat zij de overeenkomst als ontbonden beschouwen indien [partij A] niet aan zijn verplichtingen voldoet, en dat zij in dat geval aanspraak maken op de contractuele boete van 10% van de koopsom.
Bij e-mail van 13 juni 2025 hebben [partij B 2] en [partij B 3] aan [partij A] medegedeeld dat zij de koopovereenkomst ontbinden en dat hij de contractuele boete verschuldigd is.
Bij e-mail van 10 juli 2025 heeft [partij A] bij monde van zijn advocaat aan [partij B 2] en [partij B 3] medegedeeld dat met hen besproken is dat de termijn voor overdracht niet kon worden gehaald en dat hij bovendien verwacht dat de financiering binnen afzienbare tijd rond is. [partij B 2] en [partij B 3] hebben niet gereageerd.
Op 3 december 2025 heeft [partij A] aan [partij B 2] en [partij B 3] medegedeeld dat hij uitvoering wil geven aan de koopovereenkomst en de koopsom wil betalen zodat [partij B 2] en [partij B 3] hun onverdeelde aandelen in het pand kunnen leveren.
Bij e-mail van hun advocaat van 17 maart 2026 hebben [partij B 2] en [partij B 3] aan [partij A] medegedeeld dat zij de koopovereenkomst als ontbonden beschouwen en dat zij geen medewerking zullen verlenen aan de levering van hun aandeel in het pand aan [partij A]. In dezelfde e-mail heeft [partij B 1] medegedeeld dat zij de vaststellingsovereenkomst van 29 november 2024 ontbindt omdat de ontbindende voorwaarde is ingetreden nu [partij B 2] en [partij B 3] de koopovereenkomst hebben ontbonden en [partij A] hun aandelen in het pand niet kan verwerven.
Op 5 juni 2026 heeft [partij A] [partij B 1] gesommeerd de benodigde toestemming op grond van artikel 1:88 lid 1 BW te verlenen voor de door [partij A] te sluiten overeenkomst van borgtocht met LVDH tot zekerheid van de verplichtingen van de door hem opgerichte vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) jegens LVDH voor de financiering van de koopsom van het pand. Ook heeft [partij A] [partij B 2] en [partij B 3] gesommeerd hun medewerking verlenen aan de levering van hun onverdeelde aandelen in het pand aan hem.
Op 8 juni 2026 hebben [partij B] gereageerd dat [partij B 1] niet gehouden is de gevraagde toestemming te verlenen en dat de overeenkomsten met betrekking tot het pand zijn ontbonden.
Bij deurwaardersexploot van 15 juni 2026 hebben [partij B 2] en [partij B 3] [partij A] in gebreke gesteld en gesommeerd binnen acht dagen aan zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst te voldoen. [partij A] heeft zich daarop bereid verklaard de koopovereenkomst alsnog na te komen en een aanbetaling van 10% van de koopsom onder de notaris te storten. Als voorwaarde heeft hij gesteld dat [partij B 1] haar toestemming verleent voor de borgstelling van [partij A] voor de financiering door LVDH van de koopsom van het pand. [partij B 1] heeft haar toestemming niet verleend en de levering van de aandelen van [partij B 2] en [partij B 3] aan [partij A] heeft niet plaatsgevonden.
4Het geschil
in conventie
[partij A] vordert na wijziging van eis - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B 1] te veroordelen om binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis aan eiser een bericht te doen toekomen, inhoudende haar toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 BW voor de door eiser te sluiten overeenkomst van borgtocht met LVDH tot zekerheid van de verplichtingen van [bedrijf] B.V. jegens LVDH uit overeenkomst van hypothecaire geldlening;
Primair:
II. [partij B 1] te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan verdeling van het Pand met toedeling (en levering) van haar aandeel aan eiser, tegen betaling door [partij A] van € 416.923,25,
III. [partij B 2] en [partij B 3] ieder voor zich te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis hun volledige medewerking te verlenen aan de levering van hun onverdeelde aandeel in het Pand aan [partij A], tegen betaling van de koopsom,
Subsidiair
IV. [partij B] ieder voor zich te veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis hun medewerking te verlenen aan verdeling van het Pand met toedeling (en levering) van hun aandeel aan eiser, tegen betaling door eiser aan ieder van hen (een vierde gedeelte van € 2.375.000,- =) € 593.750,-, dan wel een bedrag dat in goede justitie wordt bepaald,
In alle gevallen:
V. [partij B] ieder voor zich te veroordelen om aan [partij A] een dwangsom te betalen van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel, dat zij na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijven aan de uitgesproken veroordelingen te voldoen,
VI. Gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, bij gebreke waarvan de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis.
[partij A] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat met [partij B] is overeengekomen dat zij hun onverdeelde aandelen in het pand aan hem moeten leveren. Volgens [partij A] is de koopovereenkomst niet rechtsgeldig ontbonden en moeten [partij B 2] en [partij B 3] de koopovereenkomst nakomen. Daarnaast moet [partij B 1] haar toestemming in de zin van artikel 1:88 lid 1 BW verlenen voor de borgstelling van [partij A] voor het verstrekken van de lening aan [bedrijf] voor de financiering van het pand, omdat zij geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar weigering. Daarnaast is [partij B 1] op grond van de vaststellingsovereenkomst van 29 november 2024 gehouden haar onverdeelde aandeel in het pand aan [partij A] over te dragen. Indien de koopovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig ontbonden zijn moeten de onverdeelde aandelen van c.s. in het pand op grond van artikel 3:185 BW aan [partij A] toebedeeld worden omdat hij de meest gerede partij is voor overname van de aandelen van zijn deelgenoten. Volgens [partij A] zijn [partij B] daarom gehouden hun medewerking te verlenen aan de levering van hun onverdeelde aandelen aan [partij A]. Het spoedeisend belang van zijn vorderingen is gelegen in de omstandigheid dat met het COA een huurovereenkomst heeft uitonderhandeld, maar c.s. geen medewerking verlenen aan het sluiten van deze huurovereenkomst. Als hij de gehele eigendom van het pand heeft verworven, kan hij zonder hun medewerking deze huurovereenkomst sluiten.
[partij B] voeren verweer. [partij B] concluderen in conventie tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. Zij voeren aan dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en [partij B 2] en [partij B 3] daarom geen medewerking hoeven te verlenen aan levering van het pand aan [partij A]. Omdat de ontbindende voorwaarde in de vaststellingsovereenkomst tussen [partij A] en [partij B 1] is ingetreden, hoeft zij ook geen medewerking te verlenen aan de overdracht van haar aandeel in het pand aan [partij A]. Ook hoeft [partij B 1] haar toestemming in de zin van artikel 1:88 lid 1 BW voor de borgstelling van [partij A] voor de financiering niet te verlenen omdat dit voor haar (mogelijk) nadelige financiële gevolgen heeft. Tot slot vinden [partij B] dat niet de meest gerede partij is om het pand toe te bedelen onder meer omdat zij, gelet op hun belang van 75% in het pand, de meest gerede partij zijn voor toebedeling.
in reconventie
[partij B 2] en [partij B 3] vorderen na wijziging van eis in voorwaardelijke reconventie:
I. [partij A] te veroordelen tot betaling van de boete ter grootte van € 181.900,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2025, binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis,
[partij B] vorderen in voorwaardelijke reconventie, na wijziging van eis, om met inachtneming van de randnummers 6.5 en 6.6 van de conclusie van antwoord de gemeenschap te verdelen door:
Primair:
II. het Pand aan [partij B] toe te delen tegen vergoeding van € 593.750,-, althans een door een onafhankelijke taxateur te bepalen waarde, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-,
Subsidiair:
III. het Pand te verkopen aan een derde, tegen een door een onafhankelijke taxateur te bepalen waarde, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
[partij B] leggen aan hun vordering in reconventie ten grondslag hetgeen zij aan de conventie ten grondslag hebben gelegd. Zij wijzen er verder op dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en om die reden een boete van 10% van de koopprijs heeft verbeurd.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B], met uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van de vorderingen in conventie en reconventie is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
in conventie
Spoedeisend belang
[partij A] heeft het spoedeisend belang bij zijn vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt. Zoals hij heeft aangevoerd kan van hem niet gevergd worden een bodemprocedure af te wachten omdat hij onderhandelingen heeft gevoerd met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) om tot een huurovereenkomst voor een deel van het pand te komen. Die onderhandelingen zijn ver gevorderd maar zo lang [partij B] nog mede-eigenaar zijn van het pand kan geen huurovereenkomst worden gesloten omdat zij daaraan geen medewerking verlenen. Ook heeft [partij A] onbetwist aangevoerd dat hij sinds december 2024 de lasten van het pand draagt en dat de beheerder van het pand weigert de kosten ten laste van de (huur)opbrengsten te brengen omdat [partij B] daarvoor geen toestemming hebben gegeven. Omdat de kosten voor [partij A] oplopen heeft hij behoefte aan duidelijkheid over de vraag [partij B] hun aandelen in het pand aan hem moeten overdragen.
Toestemming artikel 1:88 lid 1 BW
[partij A] vordert [partij B 1] te veroordelen haar toestemming te verlenen in de zin van artikel 1:88 lid 1 BW voor de door [partij A] te sluiten overeenkomst van borgtocht met LVDH. Die borgstelling strekt tot zekerheid van de verplichtingen van [bedrijf] jegens LVDH uit de overeenkomst van hypothecaire geldlening voor de financiering van het pand.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 BW heeft een beschermend karakter en is bedoeld om een echtgenoot te beschermen tegen bepaalde rechtshandelingen van de andere echtgenoot die het gemeenschappelijk vermogen kunnen raken. [partij A] heeft in dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [partij B 1], zoals hij stelt, (in het geheel) geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar weigering om toestemming te verlenen omdat zij daardoor niet in haar vermogen kan worden geraakt. [partij B 1] heeft onbetwist aangevoerd dat er sprake is van een ontbonden maar nog niet verdeelde huwelijksgoederengemeenschap en dat zij in de verdelingsprocedure aanzienlijke vorderingen jegens [partij A] heeft ingesteld. Zo lang er nog geen duidelijkheid is over die verdeling, kan niet met voldoende zekerheid gezegd worden dat de borgstelling die [partij A] wenst af te geven geen risico vormt voor de huwelijksgoederengemeenschap en dus voor [partij B 1]. Gelet hierop heeft [partij B 1] een rechtens relevant belang bij haar weigering en weegt dat zwaarder dan het belang van [partij A]. Dat betekent dat de vordering van [partij A] wordt afgewezen.
Koopovereenkomst
[partij A] vordert nakoming van de koopovereenkomst door [partij B 2] en [partij B 3] en levering van hun onverdeelde aandelen in het pand aan [partij A]. Voor toewijzing van die vordering in dit kort geding is noodzakelijk dat voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter hen in een eventuele bodemprocedure zal veroordelen tot nakoming van de koopovereenkomst. Dat is onvoldoende vast komen te staan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden uitgesloten dat [partij B 2] en [partij B 3] de koopovereenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden.
In de eerste plaats is daarvoor relevant dat zij [partij A] bij e-mail van 4 juni 2025 in gebreke hebben gesteld en vervolgens bij e-mail van 13 juni 2025 hebben bericht dat de overeenkomst is ontbonden. heeft daartegen in gebracht dat aan deze ingebrekestelling geen rechtsgevolg kan worden verbonden omdat in de koopovereenkomst is voorgeschreven dat ingebrekestelling bij deurwaardersexploot moet plaatsvinden. Niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter aan dit argument voorbij zal gaan. Vaststaat dat [partij A] de e-mails wel heeft ontvangen en daarop zijn advocaat heeft laten reageren. Dat hij de e-mails zoals hij – na advocatenwissel – stelt, niet tijdig heeft gelezen omdat die in zijn ‘spambox’ terecht zijn gekomen is niet aannemelijk. Zijn voormalig advocaat heeft op 10 juli 2025 op de berichten van [partij B 2] en [partij B 3] gereageerd en heeft in zijn reactie niets over de ontvangst of een niet verwijtbare verlate kennisname van het bericht opgenomen, terwijl dat wel voor de hand had gelegen als [partij A] de ingebrekestelling niet tijdig had gelezen.
In de tweede plaats is het volgende van belang. Indien al zou moet worden aangenomen dat de e-mail van [partij B 2] en [partij B 3] niet tot ontbinding van de koopovereenkomst heeft geleid vanwege het ontbreken van een ingebrekestelling in de juiste vorm, is niet onwaarschijnlijk dat de bodemrechter desgevorderd zal oordelen dat de koopovereenkomst na de ingebrekestelling per deurwaardersexploot van 5 juni 2026, wél is ontbonden. De overeengekomen leverdatum was al (ruimschoots) verstreken, en gesteld noch gebleken is dat een andere leveringsdatum is afgesproken. Uit de koopovereenkomst volgt dat voorafgaand aan de levering de koopprijs op de kwaliteitsrekening moest zijn gestort. moest dus als eerste moest presteren. Aanknopingspunten waarom de betalingsverplichting van niet opeisbaar zou zijn heeft niet gegeven. [partij B 2] en [partij B 3] mochten dan ook van hem verlangen dat hij de koopsom binnen acht dagen na ontvangst van de ingebrekestelling bij de notaris zou storten. Anders dan [partij A] betoogt leidt het feit dat [partij B 2] en [partij B 3] geen conceptleveringsakte beschikbaar hebben gesteld of een leveringsdatum hebben genoemd er niet toe dat [partij B 2] en [partij B 3] geen termijn mochten stellen of dat hij de koopsom niet binnen die termijn hoefde te storten. heeft nagelaten toe te lichten op grond waarvan [partij B 2] en [partij B 3] verplicht waren een conceptakte te laten opstellen of een leveringsdatum te noemen. Vast staat dat niet binnen de bij deurwaardersexploot gestelde termijn (alsnog) aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft voldaan. Dat de op deze tekortkoming gebaseerde ontbinding in rechte geen stand zal houden kan gelet op het voorgaande niet zonder meer worden aangenomen. Als gevolg van de ontbinding waren [partij B 2] en [partij B 3] niet langer verplicht om hun aandeel in het pand aan over te dragen. Dat betekent dat vordering III. tot levering van de onverdeelde aandelen van [partij B 2] en [partij B 3] aan [partij A], wordt afgewezen.
Vaststellingsovereenkomst
[partij A] vordert levering van het onverdeelde aandeel van [partij B 1] in het pand op grond van VSO II, waarin het onverdeelde aandeel in het pand dat in de huwelijksgoederengemeenschap valt, aan [partij A] wordt toebedeeld. Ook voor deze vordering geldt dat [partij A] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een bodemrechter in een eventuele bodemprocedure deze vordering zal toewijzen. Zoals [partij B 1] aanvoert is in VSO II de ontbindende voorwaarde opgenomen dat [partij B 2] en [partij B 3] meewerken aan overdracht van hun aandelen in het pand aan [partij A] en volgt uit de daarna gesloten koopovereenkomst dat de koopovereenkomst onverbrekelijk verbonden is met VSO II. Vaststaat dat [partij B 2] en [partij B 3] niet meewerken aan levering van hun aandeel, en gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat zij daartoe evenmin kunnen worden verplicht op grond van de koopovereenkomst. In het verlengde daarvan moet worden aangenomen dat de ontbindende voorwaarde in VSO II is ingetreden en [partij B 1] niet langer op grond van VSO II verplicht is haar aandeel over te dragen. Dat betekent dat de vordering onder II. zal worden afgewezen.
Verdeling
[partij A] vordert subsidiair dat [partij B] worden veroordeeld hun medewerking te verlenen aan verdeling van het pand op grond van artikel 3:185 BW met toedeling en levering van hun aandeel aan [partij A].
Vooropgesteld geldt het volgende. Dat de verdeling van de gemeenschap tussen partijen (nog) niet is vastgesteld in een bodemprocedure, staat er niet aan in de weg dat in kort geding een veroordeling tot medewerking aan de overdracht van een onroerende zaak wordt uitgesproken, zoals [partij A] vordert. Ook het feit dat de toedeling en levering van het aandeel in het pand aan de andere deelgenoot een wijze van verdeling is als bedoeld in artikel 3:185 BW, staat er niet aan in de weg dat bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding een veroordeling om daartoe over te gaan kan worden uitgesproken. Gelet op het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding, wordt daarmee namelijk geen definitief einde gemaakt aan de verdeling tussen partijen.
1 De voorzieningenrechter overweegt verder dat de verdeling van een gemeenschappelijk goed op grond van artikel 3:185 BW een billijkheidsoordeel inhoudt van de rechter, rekening houdend met zowel de belangen van partijen als het algemeen belang. Voor toewijzing van een vordering als deze in kort geding moet anderzijds wel voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter desgevorderd tot een vergelijkbare verdeling zal komen, en dat het oordeel van de bodemrechter, in verband met het spoedeisend belang van degene die medewerking aan overdracht van een aandeel in een onroerende zaak vordert, niet kan worden afgewacht.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat het pand aan hem moet worden toebedeeld omdat hij daarvoor de meest gerede partij is en een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. heeft in dat verband gewezen op:
-
i) de samenhang die tussen VSO I (waarbij aan [partij B 1] aandelen in onroerend goed worden toebedeeld), VSO II (waarbij aan aandelen in een andere onroerende zaak worden toebedeeld) en de koopovereenkomst;
-
ii) zijn verplichting uit de koopovereenkomst om alle lasten die samenhingen met het pand te dragen en hij ook feitelijk heeft gedragen;
-
iii) de omstandigheid dat hij zich de met het pand gemoeide belangen in het bijzonder heeft aangetrokken, met name door veel moeite te doen om tot een huurovereenkomst met het COA te komen.
De voorzieningenrechter volgt hem daarin niet. Hoewel [partij A] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een zekere samenhang bestaat tussen de verschillende overeenkomsten, heeft het eerste argument aan kracht ingeboet nu moet worden aangenomen dat wel de gelegenheid is geboden om af te nemen, maar hij die gelegenheid – om redenen die in zijn risicosfeer liggen – niet heeft benut.
Het tweede argument overtuigt evenmin. Aan toedeling op grond van 3:185 BW kan alleen worden toegekomen in het geval dat de koopovereenkomst ontbonden is. Voor zover (meer dan zijn aandeel rechtvaardigt) de lasten van het pand heeft gedragen, moet worden aangenomen dat ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan. Bij een verdeling – op welke wijze dan ook – ligt het voor de hand dat dat wordt verrekend.
Ook het laatste argument overtuigt niet. Dat [partij A] veel tijd in het beheer van het pand en het uitonderhandelen van de huurovereenkomst met het COA heeft gestoken, zijn geen omstandigheden die in de verdeling kunnen worden meegewogen. Zoals [partij B] onbetwist hebben aangevoerd hebben partijen een beheersovereenkomst gesloten met CURO voor het beheer van het pand en is daarmee in beginsel het beheer van de afzonderlijke deelgenoten uitgesloten. [partij A] heeft die werkzaamheden op eigen initiatief en zonder toestemming van de overige deelgenoten naar zich toegetrokken. Die omstandigheden kunnen er daarom niet toe leiden tot toedeling van het pand aan hem. Daar komt bij dat [partij B] op dit moment gerechtigd zijn tot 75% van het onverdeelde aandeel in het pand en dat daartegenover een veel kleiner een eigendomsaandeel van [partij A] van 25% staat.
Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee [partij A] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk in staat is de overname van de aandelen van [partij B] te financieren. Voor de financiering van LVDH aan zijn vennootschap [bedrijf], moet [partij A] persoonlijk borg staan en daarvoor heeft hij, tot de echtscheiding is ingeschreven, toestemming nodig van [partij B 1]. Die toestemming hoeft zij zoals hiervoor overwogen, niet te verlenen. Voor het geval financiering van LVDH niet rond zou komen heeft [partij A] gewezen op een letter of intent van een investeerder uit [plaats]. De termijnen die genoemd zijn in die letter of intent zijn echter inmiddels verstreken. Ook is geen inzicht gegeven in de financiële gegoedheid van deze investeerder, waardoor er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat [partij A] deze financiering ook daadwerkelijk kan verkrijgen. Daar komt bij dat [partij A] bij de toedeling uitgaat van een waarde van het pand van € 2.375.000,-, maar dat dit ook de waarde zal zijn waartegen het pand aan zal worden toebedeeld, ligt niet zonder meer voor de hand. heeft in dit verband namelijk gewezen op een gedateerd taxatierapport (van 9 juni 2022). Verder heeft [partij A] een bericht van een taxateur van 24 juni 2026 overgelegd waarin een taxatiewaarde van € 2.325.000,- wordt genoemd. Dat die waarde tot uitgangspunt zou moeten worden genomen kan ook niet zonder meer worden aangenomen. Blijkens de beschrijving van de taxateur betreft het een voorlopige taxatie, (enkel) gebaseerd op berekeningen op basis van in een programma van de taxateur ingevoerde kengetallen, zonder dat het pand daarbij bezichtigd is en zonder dat duidelijk is welke huurstromen daarbij tot uitgangspunt zijn genomen. Omdat nog onduidelijk is wat de waarde van het pand is, is in dit kort geding ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [partij A] bij een passende (mogelijk hogere) taxatie de financiering (wel) rond krijgt.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [partij A] om [partij B] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan toedeling van het pand en levering van hun onverdeelde aandelen aan hem, worden afgewezen. Omdat de vorderingen in conventie worden afgewezen komt de voorzieningenrechter toe aan de vorderingen in reconventie.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen [partij A] en [partij B 1] zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
[partij A] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij B 2] en [partij B 3] betalen. De proceskosten van [partij B 2] en [partij B 3] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.766,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.296,00 |
in reconventie
Betaling van de boete
[partij B 2] en [partij B 3] vorderen in reconventie [partij A] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van 10% van de koopsom van het pand van € 181.900,-. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld geldt dat met betrekking tot een geldvordering in kort geding terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats is en dat [partij B 2] en [partij B 3] feiten en omstandigheden moeten stellen die meebrengen dat een zodanige voorziening vangwege onverwijlde spoed gerechtvaardigd is.
2 Tegelijkertijd geldt dat in kort geding een nevenvordering die nauw verwant is aan de hoofdvordering op grond van onverwijlde spoed kan worden toegewezen, als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, de nevenvordering niet of onvoldoende wordt betwist en de proceseconomie daarbij gebaat is.
3
[partij B 2] en [partij B 3] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit het spoedeisend belang bij hun geldvordering volgt. Ook hebben zij hun spoedeisend belang bij de hoofdvordering (de toedeling van het pand aan hen) niet onderbouwd, waardoor de voorzieningenrechter niet toekomt aan beoordeling van de vraag of de geldvordering een nauw verwante nevenvordering is die op grond van proceseconomische redenen in kort geding kan worden behandeld. Daarbij komt dat (gelet op hetgeen in conventie is overwogen) er goede redenen zijn om aan te nemen dat de ontbinding van de koopovereenkomst stand houdt, maar dat dat nog niet vast staat. Gelet op de te betrachten terughoudendheid zal de vordering worden afgewezen.
Verdeling
[partij B] vorderen (met inachtneming van randnummers 6.5 en 6.6 van de conclusie van antwoord) “verdeling van de gemeenschap door toedeling van het pand aan [partij B] tegen een vergoeding van € 593.750,- aan ieder van hen, althans een door een onafhankelijke taxateur vast te stellen vergoeding, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-”.
Zoals onder randnummer 5.9 is overwogen, is vaste jurisprudentie dat in kort geding medewerking aan overdracht van een onroerende zaak kan worden gevorderd wanneer de verdeling nog niet is vastgesteld in een bodemprocedure. De veroordeling om medewerking te verlenen aan de overdracht van een onroerende zaak maakt namelijk geen definitief einde aan de verdeling en betreft een condemnatoire uitspraak. Dat is anders wanneer de rechter, zoals hier gevorderd, zélf de verdeling vaststelt. Dat is een constitutieve beslissing omdat het de rechtstoestand van de gemeenschap verandert. Een dergelijke beslissing is gelet op het voorlopige karakter van het kort geding (in beginsel) niet mogelijk.
4 [partij B] vorderen primair in reconventie verdeling van de gemeenschap en toedeling van het pand aan hen. Die vordering betreft een vaststelling van de verdeling door de voorzieningenrechter zelf, en zal bij toewijzing een constitutief oordeel inhouden. Ook wanneer de vordering in samenhang wordt gelezen met randnummers 6.5 en 6.6 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, kan het geen condemnatoire uitspraak opleveren, omdat het onder die randnummers opgenomen stappenplan volgens de toelichting van [partij B], alleen betrekking heeft op de subsidiaire vordering in reconventie (verkoop aan een derde). Omdat [partij A] tijdens de mondelinge behandeling ook heeft opgemerkt dat de primaire vordering van [partij B] constitutief is en daarom niet kan worden toegewezen in kort geding, en [partij B] daar niet op hebben gereageerd, bestaat er voor de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om de vordering verbeterd te lezen. Daar komt bij dat ook de gevorderde dwangsom niet toewijsbaar is, omdat [partij B] toedeling door de voorzieningenrechter vorderen op straffe van een dwangsom. Daardoor is niet duidelijk onder welke omstandigheden [partij A] die dwangsom verbeurt.
Ook indien [partij B] wel medewerking zouden hebben gevorderd aan de levering van het aandeel van [partij A] in het pand, bestaat er in dit kort geding geen aanleiding om [partij A], vooruitlopend op de beslissing in een bodemprocedure, daartoe te veroordelen. Er staat onvoldoende vast dat de bodemrechter desgevraagd het pand zou toedelen aan [partij B] omdat daarvoor éérst moet komen vast te staan dat de ontbinding van de koopovereenkomst standhoudt. Dat is weliswaar niet onwaarschijnlijk (gelet op hetgeen onder 5.5 en 5.6 is overwogen), maar tegen deze achtergrond is een bevel tot medewerking aan verdeling in een kort geding een te vergaande beslissing. Dat geldt temeer nu [partij B] niet hebben gesteld dat zij een spoedeisend belang hebben bij een dergelijk bevel en niet inzichtelijk is waarom van hen niet gevergd kan worden dat zij een oordeel in de bodemzaak afwachten. Daar komt bij dat niet uitgesloten kan worden geacht dat de kaarten in een eventuele bodemprocedure anders zullen komen te liggen, omdat na echtscheiding, niet langer toestemming van [partij B 1] nodig heeft voor de gevraagde borgstelling en dan mogelijk wél de benodigde financiering rond krijgt.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen [partij A] en [partij B 1] zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
[partij B 2] en [partij B 3] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
|
- salaris advocaat |
€ |
1.766,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.955,00 |
|
6De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [partij A] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen [partij A] en [partij B 1], in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B 2] en [partij B 3] van € 2.296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
wijst de vorderingen van [partij B] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen [partij B 1] en [partij A], in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
veroordeelt [partij B 2] en [partij B 3] in de proceskosten van [partij A] van € 1.955,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B 2] en [partij B 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend
in conventie en in reconventie
verklaart het vonnis in conventie en reconventie wat de proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:2023:499.
Hoge Raad 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5519.
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522.
PHR 25 januari 2023, (concl. A-G G. Snijders) ECLI:NL:PHR:2023:106.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
