Essentie (gemaakt door AI)
Klacht tegen gerechtsdeurwaarders wegens executoriaal derdenbeslag voor nog niet verschenen alimentatietermijnen en daaropvolgende afdrachtvordering aan de notaris. Vaststaat dat beslag in strijd is met art. 441 Rv (en niet gedragen door uitzondering art. 479b Rv). Voorzieningenrechter gaf een (achteraf onjuiste) voorlopige richting, maar dat ontslaat niet van eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Gegrond. Strafmaatappel slaagt: berisping vernietigd, maatregel omgezet in waarschuwing. Overige beslissingen, inclusief kostenveroordeling, blijven in‑Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 11-09-2026 |
| Zaaknummer | 200.365.014 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Tuchtrecht / aansprakelijkheid |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Klacht tegen gerechtsdeurwaarders. Executoriaal beslag nog niet opengevallen alimentatietermijnen. Art. 441 Rv. Strafmaatappel. Onjuist oordeel voorzieningenrechter. Klacht gegrond, lichtere maatregel (waarschuwing).Volledige uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.365.014/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/773354/ DW RK 25/262
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 8 september 2026
inzake
1 [appellant 1] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
2. [appellant 2] ,
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
appellanten,
gemachtigde: mr. L.R.G.M. Spronken, advocaat te 's-Hertogenbosch,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.P.M. Mol, advocaat te Son en Breugel.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarders (respectievelijk de gerechtsdeurwaarder sub 1 en de gerechtsdeurwaarder sub 2) en klager genoemd.
1De zaak in het kort
De kamer heeft de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarders, die inhoudt dat zij ten laste van klager een nietig beslag hebben gelegd en vervolgens ten onrechte op basis van dit nietige beslag aan de derde-beslagene om afdracht hebben gevraagd, gegrond verklaard en aan ieder van de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping opgelegd. De gerechtsdeurwaarders voeren in hoger beroep (uitsluitend) een strafmaatverweer. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer wat betreft de opgelegde maatregel en legt aan beide gerechtsdeurwaarders de maatregel van waarschuwing op.
2Het geding in hoger beroep
De gerechtsdeurwaarders hebben op 18 februari 2026 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing op verzet van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 19 januari 2026 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2026:8).
Klager heeft op 9 april 2026 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
Klager heeft op 12 juni 2026 aanvullende producties ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026. Gerechtsdeurwaarder sub 1, vergezeld van haar gemachtigde, en klager, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, gerechtsdeurwaarder sub 1 en de gemachtigde van klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Gerechtsdeurwaarder sub 2 is niet verschenen.
3Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 is klager veroordeeld een maandelijkse bijdrage in het levensonderhoud aan zijn ex-echtgenote te betalen.
Op 6 maart 2025 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 in opdracht van de advocaat van de ex-echtgenote van klager voor de toekomstige termijnen van levensonderhoud vanaf april 2025 ten laste van klager executoriaal beslag gelegd onder [bedrijf] (hierna: de notaris) op de executieopbrengst van een onroerende zaak.
Bij brief van 21 maart 2025 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 de notaris verzocht (het restant van) de koopsom ten bedrage van € 313.019,944 aan haar af te dragen.
Bij brief van 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van klager de gerechtsdeurwaarders verzocht dit bedrag over te maken op de derdengeldrekening van zijn kantoor. De gerechtsdeurwaarders hebben dat niet gedaan.
4De klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat gerechtsdeurwaarder sub 2 in strijd met artikel 441 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) executoriaal beslag heeft gelegd voor alimentatietermijnen die nog niet waren verschenen en dus niet opeisbaar waren. Dat is tuchtrechtelijk laakbaar, net zoals het feit dat gerechtsdeurwaarder sub 1 van de notaris heeft gevorderd dat het gehele bedrag dat hij onder zich hield aan de gerechtsdeurwaarders werd afgedragen. De gerechtsdeurwaarders houden het bedrag daarom zonder recht of titel onder zich.
De gerechtsdeurwaarders hebben, ondanks een aanmaning daartoe, geweigerd het ontvangen geld aan klager af te dragen/door te storten, zodat zij het geld onder zich houden zonder recht en/of geldige titel. Zij handelen onzorgvuldig en onrechtmatig jegens klager.
5Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing op verzet de gronden van het verzet gegrond verklaard. Aan beide gerechtsdeurwaarders is de maatregel van berisping opgelegd. De gerechtsdeurwaarders zijn daarnaast veroordeeld in de proceskosten van klager, te begroten op € 350,00 en tot betaling van € 1.500,00 aan de kamer in verband met de kosten van de behandeling van de klacht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden. Gerechtsdeurwaarder sub 1 is ten slotte veroordeeld tot betaling van het griffierecht ad € 50,00 aan klager, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Ter beoordeling voorliggende klacht
Het hof behandelt een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang. Het gaat daarbij om de klacht zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Het hof zal daarom de ter zitting in hoger beroep opgebrachte aanvullende klachten over diverse gedragingen van de gerechtsdeurwaarders die hebben plaatsgevonden na de datum van de bestreden beslissing (19 januari 2026) niet behandelen, nu deze verwijten geen onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke klacht.
De kamer heeft in de bestreden beslissing in rov. 8.2 geoordeeld dat op grond van artikel 441 Rv het leggen van een executoriaal beslag niet mogelijk is voordat een vordering opeisbaar is geworden, ook niet als de executoriale titel een veroordeling inhoudt tot periodieke betaling van een bijdrage in het levensonderhoud. De kamer heeft ook geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder sub 1 de notaris daarom ook niet had mogen verzoeken (vgl. de onder 3.3. genoemde brief) om het gehele door het beslag getroffen bedrag aan haar af te dragen. Dit verzoek is op onjuiste gronden gedaan. Het hof verenigt zich met deze oordelen.
Het hoger beroep van de gerechtsdeurwaarders richt zich uitsluitend tegen de door de kamer opgelegde maatregel. In hun beroepschrift erkennen de gerechtsdeurwaarders dat de wet het niet mogelijk maakt om, anders dan op basis van artikel 479b Rv, executoriaal (derden)beslag te leggen voor toekomstige, nog niet-verschenen alimentatietermijnen en dat het gelegde beslag dus niet op zijn plaats was; zij hadden daarom evenmin op deze gronden de gelden bij de notaris mogen opeisen. Gelet hierop zal het hof alleen de door de kamer opgelegde maatregel bespreken.
Maatregel
De gerechtsdeurwaarders hebben ter ondersteuning van hun verzoek om een mildere maatregel het volgende naar voren gebracht. De ex-echtgenote van klager is op leeftijd en zij wilde, nadat zij executoriaal beslag had gelegd voor de achterstallige alimentatietermijnen, dat tot een executoriale verkoop van een onroerende zaak had geleid, de betaling van de toekomstige alimentatietermijnen veilig stellen door beslag te leggen onder de notaris op de resterende en aan klager toekomende executieopbrengst. Toen [naam] , de advocaat van de ex-echtgenote van klager (hierna: Van Vliet), aan de gerechtsdeurwaarders opdracht gaf executoriaal derdenbeslag voor de toekomstige alimentatietermijnen te leggen, hebben de gerechtsdeurwaarders Van Vliet erop gewezen, dat dit op grond van de wet niet mogelijk is. Vervolgens is, overeenkomstig het advies van gerechtsdeurwaarder sub 1, bij de voorzieningenrechter een verzoek ingediend tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag onder de notaris voor de toekomstige alimentatietermijnen. Normaliter wordt, aldus de gerechtsdeurwaarders, na indiening van een dergelijk verzoekschrift het verlof de volgende dag verleend, maar in dit geval zag de voorzieningenrechter aanleiding om hierover op 30 september 2025 een online zitting met Van Vliet te beleggen. De gerechtsdeurwaarders zijn vervolgens door Van Vliet telefonisch op de hoogte gesteld van de uitkomst van de mondelinge behandeling, die inhield dat de voorzieningenrechter voornemens was het verzoek af te wijzen omdat op grond van artikel 480 juncto 483 Rv executoriaal beslag voor de toekomstige alimentatietermijnen zou kunnen worden gelegd. Vervolgens heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 alsnog executoriaal beslag gelegd onder de notaris. Achteraf gezien erkennen de gerechtsdeurwaarders dat zij een fout hebben gemaakt door mee te gaan in de onjuiste opvatting van de voorzieningenrechter. Het was beter geweest om aan Van Vliet het advies te geven om terug te gaan naar de voorzieningenrechter teneinde over de voorgenomen afwijzing tot het leggen van conservatoir beslag daadwerkelijk te beschikken zodat Van Vliet van de afwijzing in hoger beroep had kunnen gaan. Dat het volgen van de, achteraf gezien onjuiste, opvatting van de voorzieningenrechter hun nu zo zwaar wordt aangerekend, achten zij onjuist.
Klager ziet in de door de gerechtsdeurwaarders aangevoerde feiten en omstandigheden geen redenen om een mildere maatregel op te leggen dan de kamer heeft gedaan.
Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het relaas van de gerechtsdeurwaarders zoals weergegeven onder 5.5., zeker nu dit wordt ondersteund door een afschrift van het ingediende verzoek om verlof, gedateerd op 25 september 2024, en van de aan Van Vliet gerichte brief met de oproep voor de online zitting, gedateerd 26 september 2024.
De voorzieningenrechter was kennelijk om de een of andere reden van oordeel dat de weg van het conservatoire beslag niet de juiste was. Ter zitting in hoger beroep heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 verklaard dat zij zich door het oordeel van de voorzieningenrechter op het verkeerde been heeft laten zetten. De (kennelijk) onjuiste rechtsopvatting van de voorzieningenrechter ontslaat de gerechtsdeurwaarders echter niet van hun eigen (tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid. Zij hadden moeten uitzoeken hoe het mogelijk was dat de voorzieningenrechter een zo evident onjuist voorlopig oordeel gaf en zij hadden Van Vliet moeten adviseren de voorzieningenrechter te vragen dat voorlopige oordeel schriftelijk te motiveren en te formaliseren in een beschikking. Anderzijds is de voorzieningenrechter voor gerechtsdeurwaarders wel de rechter om te benaderen met executieproblemen, zoals blijkt uit het bepaalde in artikel 438 lid 5 Rv. Dat de gerechtsdeurwaarders zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter iets gelegen hebben laten liggen, valt daarom wel te begrijpen. Deze omstandigheid telt bij het bepalen van de maatregel in hun voordeel mee. De ernst en de gevolgen van de gemaakte fout, die zich ook nog eens bevindt op een terrein dat als het ultieme specialisme van de gerechtsdeurwaarder moet worden beschouwd, zou onder normale omstandigheden een berisping rechtvaardigen. Gelet op de verzachtende omstandigheden, waaronder ook het feit dat de gerechtsdeurwaarders in eerste instantie hun opdrachtgeefster wél juist hadden geadviseerd en geen financieel voordeel hebben ontleend aan de hele gang van zaken, acht het hof in dit geval de oplegging van de maatregel van een waarschuwing voor ieder van de gerechtsdeurwaarders toereikend, maar ook passend en geboden.
Conclusie
Nu het hof met betrekking tot de maatregel tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer in zoverre niet in stand blijven en zal de beslissing op dat punt worden vernietigd. Voor het overige zal de beslissing van de kamer worden bevestigd, inclusief de door de kamer opgelegde (proces)kostenveroordeling.
6Beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing wat betreft de opgelegde maatregel;
en, in zoverre opnieuw beslissende:
- legt aan ieder van de gerechtsdeurwaarders de maatregel van waarschuwing op,
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, O.J. van Leeuwen en O.M. Jans en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door de rolraadsheer.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
