Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5641

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Verdelen nalatenschap na vereffening. Hof past art. 21 Rv en art. 88 lid 2 Rv toe: wegens onwaarachtige verklaringen over inkomsten en niet-verschijnen van appellante telt haar verklaring alleen met schriftelijk bewijs. Vaststaat dat beide kinderen bedragen onttrekken; vorderingen van de boedel op partijen worden in de verdeling verdisconteerd. Verdeling wordt gelast conform specificatie; overige verdelingsverzoeken afgewezen. Vordering uit geldlening niet opeisbaar tot na afwikkeling; afwijzing bekrachtigd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Erfgename verschijnt niet op zitting en verklaart onwaarachtig: Hof weegt alleen schriftelijk bewijs mee
Hof past in zaak over verdeling na vereffening art. 21 en 88 Rv toe: wegens onwaarachtige verklaringen over inkomsten en niet-verschijnen telt alleen schriftelijk bewijs erfgename. Beide partijen hebben geld onttrokken. Bekrachtiging.

Datum publicatie09-09-2026
Zaaknummer200.341.172
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Vereffening nalatenschap; Verdeling;
Familieprocesrecht; Waarheidsvinding in het familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Opeisbaarheid geldlening. Verdeling nalatenschap. Onttrekkingen door (latere) erfgenamen. Art. 21 Rv. Gevolgen verbonden aan onwaarachtige verklaringen op eerdere zitting en niet verschijnen op tweede zitting erfgename.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.341.172

zaaknummer rechtbank (kantonrechter) 10720203

arrest van 1 september 2026

in de zaak van

[appellante]

die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de kantonrechter optrad als eisende partij

hierna: [appellante]

advocaat: mr. M.J. Germs

tegen

[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats2]

en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij

hierna: [geïntimeerde]

advocaat: mr. K. Coenders-El Dahri

1Het verder verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 21 oktober 2025. In dat tussenarrest heeft het hof, naar aanleiding van de gelet door partijen ingezonden stukken, opnieuw een mondelinge behandeling bevolen om de verdere voortgang van deze procedure met partijen te bespreken en hen vragen te stellen over de door hen ingezonden stukken. Het hof heeft daarbij bepaald dat partijen daartoe alle administratie die aan de door hen opgestelde boedelbeschrijvingen en bevindingen ten grondslag ligt in origineel dienen mee te brengen, zodat zij desgewenst aan het hof kan worden getoond. Voorts heeft het hof bepaald dat partijen in persoon dienen te verschijnen.

Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

1.2.

De mondelinge behandeling - de tweede in deze procedure in hoger beroep – heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026 vanaf 13:30 uur. Daarbij waren aanwezig:

- mr. Germs, namens [appellante] ;

- [geïntimeerde] in persoon, bijgestaan door mr. Coenders-El Dahri.

2De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Proceshouding [appellante]

2.1

Op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Op grond van artikel 88 lid 2 Rv kan de rechter uit de afgelegde verklaringen van partijen of uit een niet-verschijnen van (een van) partijen op de mondelinge behandeling de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Die artikelen zijn op basis van het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

2.2

[appellante] heeft geen gevolg gegeven aan het bevel van het hof om in persoon te verschijnen. Minder dan 24 uur voor aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Germs verzocht of zijn cliënte via een videoverbinding de zitting zou mogen bijwonen.

De door hem opgegeven reden daarvoor was dat zijn cliënte inmiddels permanent in [land] woonachtig is en vanwege haar werkzaamheden (zij runt aldaar een verblijf voor dieren die op haar dagelijkse verzorging zijn aangewezen) niet in staat is gebleken om (tijdig) naar Nederland/Arnhem af te reizen. Namens [geïntimeerde] is in de ochtend voor de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen eventuele digitale deelname van [appellante] . [geïntimeerde] wijst erop dat [appellante] al vanaf mei 2025 in [land] woonachtig is. Dat lijkt te worden ondersteund door haar eigen verklaring per e-mail van 7 april 2025 waarin zij aangeeft dat zij Nederland per 3 mei 2025 verlaat, overigens zonder daarbij een bestemming te vermelden (Productie G bij de brief Verslaglegging en conclusie van 6 juni 2025 namens [geïntimeerde] ). Het hof heeft het verzoek om digitale deelname diezelfde ochtend afgewezen.

Op de mondelinge behandeling heeft mr. Germs het verzoek nog nader toegelicht en herhaald. [appellante] zou alles hebben geprobeerd om de mondelinge behandeling in persoon bij te wonen maar was niet geslaagd om oppas voor haar hondenkennel te vinden en beschikte niet over een auto om de, volgens haar advocaat volgens haar zeggen, driedaagse reis naar Nederland te maken. Namens [geïntimeerde] is tijdens de mondelinge behandeling daarop naar voren gebracht dat namens [appellante] al in mei 2025 is aangegeven dat zij een eventuele zitting digitaal zou willen bijwonen. Dat is van de zijde van [appellante] niet betwist.

Het hof ziet gelet op deze gang van zaken geen aanleiding om op zijn afwijzende beslissing terug te komen.

2.3

Het hof stelt voorts vast dat [appellante] op de mondelinge behandeling van 25 november 2024 in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij nimmer een uitkering heeft ontvangen. Haar inkomstenbron kwam aan de orde in het kader van de bespreking van de achtergrond van de geldleningsovereenkomst die [appellante] en [geïntimeerde] (en hun moeder) op 7 april 2001 schriftelijk vastlegden en waarbij [geïntimeerde] geld leende van [appellante] . De door [appellante] bij de rechtbank ingestelde vordering tot nakoming van deze overeenkomst vormde de aanzet tot de onderhavige procedure in hoger beroep. Volgens [geïntimeerde] was de achtergrond van die overeenkomst - samengevat - dat [appellante] in verband met haar uitkering en toeslagen vermogen buiten zicht van de uitkerende instanties wilde houden. Ze trimde honden en liet zich daarvoor zwart betalen. [appellante] heeft verklaard dat zij altijd ‘eigen baas’ is geweest, al 25 jaar een eigen zaak heeft en nooit toeslagen heeft ontvangen.

[geïntimeerde] heeft een uittreksel uit het Handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat [appellante] op 12 april 1988 heeft laten registreren dat met ingang van 1 november 1987 de nevenvestiging met handelsnaam [naam3] en handelsnaam [naam4] is opgeheven. Een hoofdvestiging is niet bekend (productie I bij gemelde brief van 6 juni 2025). [appellante] heeft dat niet betwist.

Voorts heeft [geïntimeerde] overgelegd een kopie van een chatgesprek van [appellante] waarin zij aangeeft dat haar uitkering wordt stopgezet in verband met haar emigratie naar [land] . Het hof neemt die kopie integraal over:

[appellante] heeft dat niet betwist.

2.4

Het hof verbindt aan het niet verschijnen op de zitting en aan de onwaarachtige verklaringen van [appellante] over haar inkomsten het gevolg dat aan de verklaringen van [appellante] geen gewicht toekomt, tenzij zij met schriftelijke bewijsstukken zijn onderbouwd.

Wat er (nog) voorligt in hoger beroep

2.5

[appellante] heeft in hoger beroep gevorderd vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 8 februari 2024, toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg en verdeling van de nalatenschap van erflaatster. Op de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 heeft de advocaat van [appellante] verklaard dat de vorderingen van [appellante] ter zake van de sieraden en de inboedel van erflaatster worden ingetrokken.

[appellante] vordert aldus nog in hoger beroep:

A. dat [geïntimeerde] alsnog wordt veroordeeld om aan eiseres te betalen:

1. de hoofdsom uit hoofde van geldlening ad € 18.459,99 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening;

2. de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.161,10, vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg tot de dag

der algehele voldoening;

B. de verdeling van de nalatenschap van erflaatster als volgt vast te stellen:

- te bepalen dat het saldo op de rekening van erflaatster per 6 februari 2023 bij

helfte tussen partijen dient te worden gedeeld;

- voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig een bedrag van € 15.186,12

aan de rekening van erflaatster heeft onttrokken;

- [geïntimeerde] te veroordelen om binnen twee weken na het te dezen te wijzen

arrest een bedrag van € 7.593,06, zijnde de helft van het door hem aan de

bankrekening van erflaatster onttrokken bedrag van € 15.186,12, te vermeerderen

met wettelijke rente vanaf 2 mei 2023, althans met ingang van een door het hof te

bepalen datum;

C. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, een en ander te voldoen

binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en - voor het geval voldoening

van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de

wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

één en ander bij arrest, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

Het hof zal hierna eerst de vordering tot verdeling (sub B) beoordelen, dan de vordering ter zake de geldlening (sub A) en tot slot bepalen wie de proceskosten draagt (sub C).

De vordering tot verdeling (sub B)

2.6

Het hof heeft partijen bij tussenarrest van 21 januari 2025 in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat vereffening van de nalatenschap van erflaatster is voltooid, zodat tot haar verdeling kan worden overgegaan. Het hof heeft partijen in dat verband in de gelegenheid gesteld een door beide partijen ondertekende boedelbeschrijving van de nalatenschap (peildatum = datum overlijden erflaatster) over te leggen die voldoet aan de vereisten die art. 674 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daaraan stelt. Voorts heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om verslag uit te brengen van het verloop van de vereffening, daaronder begrepen de wijze waarop zij aan hun verplichtingen als vereffenaars invulling hebben gegeven. Bij hun brief en akte van 11 april 2025 hebben partijen elk hun eigen boedelbeschrijving overgelegd: zij konden niet tot een gezamenlijke boedelbeschrijving komen. Partijen hebben verklaard ( [appellante] bij brieven van 11 april 2025 en 6 juni 2025 en [geïntimeerde] bij akte uitlating van 11 april 2025 en bij brief van 6 juni 2025) dat alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan, zodat de vereffening is afgerond.

2.7

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de vereffening van de nalatenschap van erflaatster is voltooid en dat tot verdeling kan worden overgegaan.

Tot de te verdelen nalatenschap (peildatum is 6 februari 2023, datum overlijden erflaatster) behoren het saldo op de [rekeningnummer1] en het saldo op [rekeningnummer2] .

Het hof gaat daarbij uit van de door [appellante] in haar boedelbeschrijving genoemde bedragen nu die bedragen volgens de bijgevoegde kopieën van de bankafschriften dichter bij de peildatum liggen dan de bedragen die [geïntimeerde] in zijn boedelbeschrijving noemt. Aldus behoren tot de nalatenschap € 7,01 (saldo [rekeningnummer2] ) en € 14.610,18 (saldo [rekeningnummer1] ).

2.8

Tussen partijen is niet in geschil, wat er verder zij van de verklaring die zij voor haar handeling heeft gegeven, dat [appellante] in november 2022 € 2.000 aan de nalatenschap heeft onttrokken, zodat de nalatenschap een dienovereenkomstige vordering heeft op [appellante] . Dat bedrag zal dan ook in de verdeling worden betrokken.

2.9

Ook [geïntimeerde] heeft bedragen aan de nalatenschap onttrokken. Volgens [appellante] een totaalbedrag van € 16.212,50. [geïntimeerde] heeft erkend dat hij een bedrag van € 15.186,12 van de rekening van zijn moeder heeft ‘veiliggesteld’. Voorts heeft hij ten behoeve van de nalatenschap de factuur van de notaris ad € 1.026,38 voldaan.

Het hof zal bij de verdeling betrekken een vordering van de nalatenschap op [geïntimeerde] van

€ 15.186,12. [geïntimeerde] heeft de factuur van de notaris overgelegd en naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat die notariskosten zijn gemaakt ten behoeve van de boedel. Die factuur is door [geïntimeerde] dus terecht ten laste van de nalatenschap gebracht. Het verweer van [appellante] op dat punt is niet voldoende gemotiveerd.

2.10

Uit de stellingen van [geïntimeerde] leidt het hof af dat de nalatenschap dient te worden vermeerderd met de bedragen die [appellante] in de jaren voor het overlijden van de erflaatster ten behoeve van haarzelf ( [appellante] ) of de door haar bestuurde stichting [naam5] van de rekeningen van haar moeder heeft doen overschrijven. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] in de periode vanaf 2016 aldus van [rekeningnummer2] minstens € 18.200 en € 2000 naar de [naam5] overgeschreven, en van [rekeningnummer1] ten minste € 17.710, derhalve in totaal € 37.910. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de door hem overgelegde bankafschriften van beide rekeningen. [appellante] heeft die stelling onvoldoende gemotiveerd betwist: haar verklaring dat de bedragen betrekking hebben op contante donaties van derden voor haar [naam5] , dat haar moeder die donaties voor haar opspaarde omdat ze graag contant geld in huis had en dat [appellante] en/of haar moeder die bedragen vervolgens stortte op de rekening van de stichting wordt op geen enkele wijze onderbouwd en is ook overigens volstrekt ongeloofwaardig. Dat [appellante] voor vele duizenden euro’s boodschappen voor haar moeder deed is onderbouwd noch geloofwaardig in het licht van de onbetwiste stelling van [geïntimeerde] dat hun moeder dagelijks eten kreeg via een zorgorganisatie en dat een buurvouw de overige boodschappen voor haar deed. De stelling van [geïntimeerde] vindt wel steun in de overgelegde bankafschriften. Dat betekent dat in de verdeling wordt betrokken een vordering van de nalatenschap op [appellante] van € 37.910.

2.11

Een en ander leidt tot het oordeel dat het tussen partijen te verdelen bedrag is samengesteld als volgt:

- saldo [rekeningnummer2] (2.7) € 7,01

- saldo [rekeningnummer1] (2.7) € 14.610,18

- vordering onttrekkingen [appellante] (2.8 + 2.10) € 39.910,00

- vordering onttrekking [geïntimeerde] (2.9) € 15.186,12

Totaal € 69.713,31

Aan [geïntimeerde] komt daarom toe een bedrag van afgerond € 34.856,66 en aan [appellante] een bedrag van € 34.856,65. Bij de afronding heeft het hof rekening gehouden met de proceshouding van [appellante] . [geïntimeerde] heeft al € 15.186,12 ontvangen, zodat hij nog dient te krijgen € 19,670,54. Het hof zal daarom bepalen dat [geïntimeerde] krijgt toegedeeld de saldi van de bankrekeningen ad € 14.617,19 en een gedeelte van de vordering van de nalatenschap op [appellante] tot een bedrag van € 5.053,35. Aan [appellante] wordt het restant van de vordering op haarzelf toegedeeld, derhalve € 34.856,65. Het hof zal de verdeling van de nalatenschap aldus gelasten. Wat [appellante] overigens vordert ter zake van de verdeling (zie hiervoor 2.5 sub B) zal worden afgewezen.

De vordering ter zake van de geldlening (sub A)

2.12

In het tussenarrest van 21 januari 2025 heeft het hof al overwogen dat de vorderingen van [appellante] zoals hierboven onder 3.5 sub A weergegeven dienen te worden afgewezen. Kort gezegd komt het erop neer dat [appellante] ten onrechte stelde dat die vordering al opeisbaar was door het overlijden van de erflaatster, terwijl - ook volgens het hof - de vordering opeisbaar is als de nalatenschap is afgewikkeld. Het hof ziet geen aanleiding op die beslissing terug te komen. Het hof heeft in het tussenarrest al wel geoordeeld dat tegen het oordeel van de kantonrechter dat de geldleningsovereenkomst tussen partijen dwingende bewijskracht heeft geen grieven zijn gericht. Daarmee staat die bewijskracht vooralsnog vast.

Het hof geeft partijen in overweging om ter voorkoming van verdere advocaat- en proceskosten op basis van dat oordeel van het hof en met inachtneming van de te gelasten verdeling samen tot een definitieve afwikkeling te komen. Partijen zijn dat overigens natuurlijk niet verplicht: als zij opnieuw over de geldleningsovereenkomst willen procederen, te beginnen bij de kantonrechter, kan hen dat niet worden ontzegd.

De proceskosten (sub C)

2.13

Gelet op de familieband tussen partijen zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten in hoger beroep draagt.

De conclusie

2.14

Grief 1 van [appellante] (vordering sub A) faalt, zodat het bestreden vonnis op dat punt zal worden bekrachtigd. Grief 2 (vordering sub B) van [appellante] slaagt en het hof zal de verdeling gelasten als hiervoor onder 2.11 overwogen. De proceskosten in hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd. De vordering sub C van [appellante] zal worden afgewezen.

3De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

3.1.

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Nijmegen ), van 8 februari 2024 voor zover daar de vorderingen van [appellante] zijn afgewezen

3.2

gelast dat de nalatenschap van de moeder van partijen wordt verdeeld als weergegeven in 2.11

3.3

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen

3.4

verklaart het onder 3.2 en 3.3 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad

3.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, M.L. van der Bel en M.E.L. Klein, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733