Essentie (gemaakt door AI)
Vernietiging van een no cure no pay-overeenkomst met rechtsbijstandverlener, aangegaan door minderjarige zonder ouderlijke toestemming, waarin die vernietiging wordt gehonoreerd op basis van art. 1:234 BW. Geen ongerechtvaardigde verrijking art. 6:212 BW, geen recht op redelijk loon art. 7:405 BW en beroep op redelijkheid en billijkheid art. 6:2 BW faalt. Reconventionele schadevordering wegens stress en tijdsverlies wordt afgewezen. Skandara en gedaagde worden over en weer in de proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 09-09-2026 |
| Zaaknummer | K/5003/12184814 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Apeldoorn |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Minderjarigen en vermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vernietiging overeenkomst door ouders van minderjarige. Geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking, geen recht op redelijk loon, beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt ook niet. Artikelen 1:234 BW, 6:212 BW, 7:405 BWVolledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12184814 \ CV EXPL 26-1198
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
ADVIESBUREAU SKANDARA B.V.,
te Gouda,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Skandara,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend bij [naam] .
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 maart 2026,
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie,
- de conclusie van repliek tevens antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek en repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Skandara vertegenwoordigt personen bij het behandelen van bezwaarschriften en het indienen van beroepschriften tegen verkeersboetes. Zij werkt op basis van no cure no pay. Indien een cliënt van Skandara in het gelijk wordt gesteld, krijgt de cliënt een proceskostenvergoeding toegewezen en deze wordt dan door Skandara in rekening gebracht voor haar diensten.
Tussen partijen is op 2 september 2023 via de website van Skandara een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagde] Skandara heeft gemachtigd om een Mulderboete aan te vechten. [gedaagde] was toen 16 jaar oud.
Skandara heeft ten behoeve van [gedaagde] een beroepschrift bij de officier van justitie ingediend, een telefonische hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift bij de kantonrechter ingediend.
Bij beslissing van 17 maart 2025 van het Openbaar Ministerie is de boete vernietigd omdat de zaak niet binnen een redelijke termijn door de kantonrechter is beoordeeld. Het verzoek van Skandara om vergoeding van de proceskosten is toegewezen.
Bij factuur van 12 april 2025 heeft Skandara een bedrag van € 1.100,50 bij [gedaagde] in rekening gebracht.
Op 27 augustus 2025 heeft het CVOM het bedrag van € 1.100,50 aan proceskostenvergoeding aan [gedaagde] betaald.
Op 4 december 2025 heeft (de vader van) [gedaagde] per e-mail de overeenkomst vernietigd omdat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst minderjarig was en geen toestemming had om de overeenkomst met Skandara aan te gaan.
3Het geschil
In conventie
Skandara vordert – samengevat – de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.265,58, te vermeerderen met de wettelijke rente en de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Skandara legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.
[gedaagde] is gehouden zijn betalingsverplichting uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst na te komen. Dit betekent dat hij de door hem ontvangen proceskostenvergoeding van € 1.100,50 aan Skandara dient te betalen. Subsidiair is sprake van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) , meer subsidiair heeft Skandara recht op redelijk loon voor de verrichte werkzaamheden (artikel 7:405 BW) en meest subsidiair moet het bedrag worden betaald op grond van de redelijkheid en billijkheid
(artikel 6:2 BW) . [gedaagde] is in verzuim geraakt met de betaling, zodat hij vanaf 3 maart 2026 wettelijke rente daarover verschuldigd is. Omdat de vordering uit handen moest worden gegeven is [gedaagde] daarnaast buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
In reconventie
[gedaagde] vordert veroordeling van Skandara tot betaling van € 500,00 aan schadevergoeding en de proceskosten.
[gedaagde] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.
Skandara heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld door met hem, terwijl hij minderjarig was en zonder toestemming van zijn ouders, een overeenkomst te sluiten. Er is voorts sprake van misbruik van bevoegdheid omdat Skandara, ondanks waarschuwingen van (de vader van) [gedaagde] dat de overeenkomst al is vernietigd, een procedure jegens hem aanhangig heeft gemaakt. Als gevolg van de procedure heeft [gedaagde] schade geleden in de vorm van stress en tijdsverlies, welke schade moet worden begroot op € 500,00.
In conventie en in reconventie
Partijen voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4
4. De beoordeling
In conventie en reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] gehouden is de door hem ontvangen proceskostenvergoeding van € 1.100,50 aan Skandara te betalen.
[gedaagde] stelt dat tussen partijen geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen omdat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst minderjarig was en geen sprake is van rechtshandeling die een minderjarige zelfstandig mocht aangaan. Nu zijn ouders geen toestemming hebben verleend om de onderhavige overeenkomst aan te gaan, heeft (de vader van) [gedaagde] deze buitengerechtelijk vernietigd. Daardoor ontbreekt de rechtsgeldige grondslag voor de vordering van Skandara en moet deze worden afgewezen.
Overwogen wordt dat op grond van art. 1:234 lid 1 BW een minderjarige bekwaam is om rechtshandelingen te verrichten, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt. Art. 1:234 lid 3 BW bepaalt verder dat de toestemming aan de minderjarige wordt verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.
De kantonrechter is van oordeel dat de onderhavige overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een rechtshandeling die een zestienjarige in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zelfstandig verricht. Het gaat in dit geval niet alleen om het aanvechten van een verkeersboete, maar om het aangaan van een commerciële overeenkomst met een rechtsbijstandverlener. Dat [gedaagde] door de no cure no pay-constructie geen financieel risico heeft gelopen zoals door Skandara aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het is niet doorslaggevend of de overeenkomst voor de minderjarige financieel nadelig is, maar of het aangaan van een de overeenkomst naar maatschappelijke opvattingen gebruikelijk is voor een minderjarige van zijn leeftijd, zoals het geval is bij bijvoorbeeld het kopen van levensmiddelen of studieboeken. Een overeenkomst als de onderhavige is daarmee niet vergelijkbaar. Het voorgaande betekent dat het verweer van [gedaagde] slaagt en dat de overeenkomst bij e-mail van 4 december 2025 op goede gronden is vernietigd.
De kantonrechter komt vervolgens toe aan de subsidiaire grondslag van Skandara van ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW.
Op grond van artikel 6:212 BW geldt dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is de daardoor ontstane schade te vergoeden voor zover dat redelijk is. Daarvoor is vereist dat sprake is van verrijking van [gedaagde] , verarming van Skandara, een voldoende verband tussen beide en het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond voor de verrijking.
In de omstandigheden van dit geval is geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in genoemd artikel. Weliswaar heeft [gedaagde] de proceskostenvergoeding ontvangen en heeft Skandara geen vergoeding ontvangen voor de door haar verrichte werkzaamheden, maar daarmee staat nog niet vast dat de verrijking van [gedaagde] ongerechtvaardigd is. De ontvangst van de proceskostenvergoeding vindt haar grondslag in artikel 13a lid 3 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv). Op grond van die bepaling dient een toegekende proceskostenvergoeding te worden uitbetaald aan degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. De vraag aan wie de proceskostenvergoeding op grond van de Wahv moet worden uitbetaald, moet worden onderscheiden van de vraag of Skandara op grond van een rechtsverhouding aanspraak kan maken op de vergoeding van haar werkzaamheden. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] de proceskostenvergoeding op grond van de Wahv heeft ontvangen, brengt daarom niet mee dat hij zich ten koste van Skandara ongerechtvaardigd heeft verrijkt. De subsidiaire grondslag kan de vordering daarom niet dragen.
Skandara beroept zich meer subsidiair op het bepaalde in artikel 7:405 BW en stelt dat zij, gelet op de door haar verrichte werkzaamheden, aanspraak kan maken op betaling van redelijk loon. Overwogen wordt, dat de overeenkomst tussen partijen op 4 december 2025 terecht is vernietigd. Daarmee ontbreekt dus ook de overeenkomst van opdracht die ten grondslag moet liggen aan een vordering tot aanspraak op loon zoals bedoeld in artikel 7:405 BW. De omstandigheid dat Skandara wel degelijk werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht, kan niet leiden tot een aanspraak op loon op grond van deze bepaling. De vordering is dus ook op de meer subsidiaire grondslag niet toewijsbaar.
Skandara beroept zich tot slot op de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW. Zij stelt dat uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat zij de rechtsbijstand effectief en adequaat heeft verleend en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als zij daarvoor geen vergoeding ontvangt. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat een beroep op de redelijkheid en billijkheid niet kan slagen omdat Skandara bewust een overeenkomst met een minderjarige zonder toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordigers heeft gesloten en, ondanks de bezwaren van (de vader van) [gedaagde] , zijn vordering bij de kantonrechter heeft aangebracht.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van Skandara op de redelijkheid en billijkheid ook niet slaagt.
De overeenkomst waarop Skandara haar aanspraak (in beginsel) op baseert is vernietigd. De regeling van artikel 1:234 BW strekt ertoe minderjarigen te beschermen tegen het aangaan van rechtshandelingen waaraan zij zonder toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger niet gebonden behoren te zijn. Deze bescherming zou in belangrijke mate haar betekenis verliezen indien na vernietiging van de overeenkomst via de redelijkheid en billijkheid alsnog een betalingsverplichting – met in wezen dezelfde strekking – zou kunnen worden aangenomen. Voorts weegt mee dat Skandara een professionele rechtsbijstandverlener is en wist, althans behoorde te weten, dat zij een overeenkomst met een minderjarige sloot. Het lag daarom op haar weg om voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst te verifiëren of de vereiste toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger was verleend. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [gedaagde] de ontvangen proceskostenvergoeding alsnog aan Skandara moet afdragen.
Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, treffen de nevenvorderingen (de rente en de buitengerechtelijke incassokosten) hetzelfde lot.
In reconventie vordert [gedaagde] een vergoeding van € 500,00 aan (immateriële en materiële) schade. De kantonrechter wijst deze vordering af. [gedaagde] heeft ten eerste onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat is voldaan aan de vereisten voor toekenning van immateriële schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:106 BW. De enkele blote stelling dat hij stress heeft ondervonden, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft hij ook onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden vanwege tijdsverlies.
Skandara krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] dragen. [gedaagde] is een maal op de rolzitting verschenen, daarom wordt ambtshalve een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toegekend. De proceskosten van [gedaagde] worden aldus vastgesteld en begroot op:
|
- verletkosten |
€ |
50,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
21,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
71,50 |
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Skandara worden vastgesteld en begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
174,00 |
(2 punten × € 87,00) |
|
- nakosten |
€ |
43,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
217,50 |
5De beslissing
De kantonrechter
In conventie
wijst de vordering van Skandara af,
veroordeelt Skandara in de proceskosten van € 71,50, te vermeerderen met de kosten van betekening,
In reconventie
wijst de vordering van [gedaagde] af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 217,50, te vermeerderen met de kosten van betekening,
In conventie en in reconventie
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
