Essentie (gemaakt door AI)
Familiezaak, kinderalimentatie, waarin de verzoeken van moeder om een bijdrage en doorstorting kinderbijslag vast te leggen worden afgewezen wegens het ontbreken van een geschil als bedoeld in art. 1:253a BW en daarmee een wettelijke grondslag. Partijen hebben duidelijke afspraken die worden nagekomen; een incidentele inhouding van € 8,52 is nadien voldaan. Voor zover moeder nakoming bedoelt, sluit dit niet aan op haar verzoek. Moeder wordt veroordeeld in de proceskosten omdat zij nodeloos procedeert over € 8,52.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 09-09-2026 |
| Zaaknummer | C/01/423396 FA RK 26-585 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Kinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW; Familieprocesrecht; Proceskosten |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Familiezaak, kinderalimentatie. Rechtbank wijst verzoeken van moeder af, omdat een wettelijke grondslag ontbreekt. Zij wordt bovendien in de proceskosten veroordeeld, omdat ze nodeloos procedeert over een bedrag van € 8,52.Volledige uitspraak
Familierecht
Zaaknummer: C/01/423396 FA RK 26-585
Kinderalimentatie
Beschikking van 17 augustus 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L. Proenings,
e n
[verweerder],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. T.H. Hermans.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift van de moeder met bijlagen 1 tot en met 9, ingediend op
13 februari 2026; -
het verweerschrift van de vader met bijlage 1;
-
het bericht van de moeder van 10 juli 2026 met bijlagen 10 tot en met 12.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
20 juli 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
2Waar gaat het over?
Wat staat vast?
De vader en de moeder zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1], geboren op [datum];
-
[minderjarige 2], geboren op [datum].
[minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de moeder. [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de vader.
Op 11 december 2023 zijn de ouders een ouderschapsplan overeengekomen. In artikel 7 van dit ouderschapsplan hebben zij afgesproken dat de vader per 1 januari 2024 maandelijks een bedrag van € 427 op een gezamenlijke kinderrekening stort. Op deze rekening storten de ouders ook de door hen ontvangen kinderbijslag.
In augustus 2025 hebben partijen nieuwe afspraken gemaakt die zij hebben vastgelegd in een overeenkomst. Zij zijn – kort samengevat - overeengekomen dat de gezamenlijke kinderrekening wordt omgezet in een rekening die alleen op naam van de moeder staat en dat zij voortaan alle verblijfsoverstijgende kosten betaalt. Verder is afgesproken is dat de ouders de kinderbijslag op deze rekening blijven storten en dat de vader de op dat moment geïndexeerde bijdrage van € 454,76 op deze rekening van de moeder stort.
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt het door vader te betalen bedrag € 475,68 per maand.
Wat ligt voor?
De moeder verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de vader per 1 december 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder dient te voldoen van in totaal € 454,76 per maand en met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage van in totaal € 475,68 per maand, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
II. te bepalen dat de vader de kinderbijslag die hij op eigen rekening voor [minderjarige 1] ontvangt binnen drie werkdagen na ontvangst dient door te storten op de rekening van de moeder, dan wel een beslissing te nemen ten aanzien van de kinderbijslag die de rechtbank in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
De vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken, althans haar deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en verzoekt de rechtbank de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.
3De beoordeling
Conclusie
De rechtbank zal de verzoeken van de moeder afwijzen en de moeder veroordelen in de proceskosten. De rechtbank gaat hierna in op de standpunten van partijen, voor zover deze voor de beoordeling van belang zijn.
Wat eraan vooraf ging
Partijen zijn aanvankelijk een ouderschapsplan overeengekomen waarin de ouders hebben afgesproken dat voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen gebruik wordt gemaakt van een gezamenlijke kinderrekening. Van deze rekening had iedere ouder een pinpas. In augustus 2025 hebben de ouders een overeenkomst getekend waarin is afgesproken dat de gezamenlijke kinderrekening wordt omgezet in een rekening die alleen op naam van de moeder staat. De moeder voldoet vanuit deze rekening de verblijfsoverstijgende kosten van beide kinderen en de vader maakt naar deze rekening het overeengekomen bedrag over.
De moeder voert aan dat zij deze procedure is gestart omdat de vader deze afspraken niet nakomt. De moeder wenst de kinderalimentatie vast te leggen in een beschikking zodat zij betaling kan afdwingen, desnoods middels het LBIO. Hiervoor ziet de moeder zich genoodzaakt zich tot de rechtbank te wenden.
Vaststaat dat de vader in september en december 2025 voor in totaal € 8,52 (waaronder schriften van de Hema van € 5,76) aan kosten voor de kinderen heeft gemaakt, waarna hij de moeder heeft verzocht dit bedrag naar hem terug te storten. Toen zij dit niet deed, heeft de vader eenzijdig besloten dit bedrag op zijn eerstvolgende bijdrage aan de kindrekening in te houden. De vader heeft het bedrag nadien (naar de rechtbank begrijpt na het starten van deze procedure) alsnog voldaan. Met uitzondering van deze twee gevallen heeft de vader onweersproken gesteld de bijdrage voor de kinderen verder consequent te voldoen. De moeder stelt dat het vaker voorkomt dat de vader eenzijdige inhoudingen doet of bedragen terugvraagt, maar zij heeft desgevraagd geen andere gevallen benoemd of aangetoond.
Geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW)?
Op zitting gevraagd naar de grondslag van haar verzoek, heeft de moeder verwezen naar artikel 1:253a BW en een uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2024.
1
Artikel 1:253a BW biedt de rechter de mogelijkheid om in het belang van de kinderen beslissingen te nemen in geschillen tussen de ouders. De rechtbank stelt vast dat de afspraken duidelijk zijn en op voornoemde incidenten na worden nageleefd. De ouders wensen deze afspraken ook niet te wijzigen. Bij deze stand van zaken is geen sprake van een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW. Om diezelfde reden gaat ook de verwijzing naar voornoemd arrest niet op in deze zaak. Dit verzoek van de moeder zal daarom wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag worden afgewezen.
Voor zover de moeder heeft bedoeld nakoming te vorderen, sluit dit niet aan bij de inhoud van haar verzoek, waarin immers wordt gevraagd een door de vader te betalen bedrag te bepalen.
De moeder heeft de rechtbank ook verzocht te bepalen dat de vader de kinderbijslag die hij ontvangt voor [minderjarige 1] binnen drie werkdagen na ontvangst dient door te storten op de rekening van de moeder. De moeder stelt dat zij de vader hier eerder aan heeft moeten herinneren en acht het wenselijk dat de rechtbank deze afspraak ook bekrachtigt. De vader stelt dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek nu hij deze afspraak nakomt.
De rechtbank zal ook dit verzoek van de moeder afwijzen. Nog los van het feit dat niet is gebleken dat de vader deze afspraak niet is nagekomen, is naar het oordeel van de rechtbank ook hier geen sprake van een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW.
Proceskosten
De vader verzoekt de rechtbank de moeder te veroordelen in de proceskosten. De vader stelt dat de moeder onnodig deze procedure is gestart, nu partijen duidelijke afspraken hebben gemaakt en deze ook nakomen. Indien er al sprake is van een achterstand, dan bedroeg deze ten hoogste € 8,52. Dat bedrag, dat de vader ondertussen heeft voldaan, staat volgens de vader in geen enkele verhouding tot de kosten die deze procedure met zich brengt. Daarnaast heeft de moeder de vader ook niet benaderd om te kijken of de procedure in onderling overleg kon worden voorkomen, maar is zij direct deze procedure gestart.
De moeder stelt dat van een proceskostenveroordeling geen sprake kan zijn gezien het uitgangspunt in familiezaken dat ieder de eigen proceskosten draagt. De moeder zag geen aanleiding eerst met de vader in overleg te treden, nu het direct na het ondertekenen van de overeenkomst in augustus 2025 volgens haar misging.
Het door de moeder vermelde uitgangspunt is juist. De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling. Hiervan kan worden afgeweken indien een partij de wederpartij onnodig in rechte betrekt of lichtvaardig procedeert. De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij als volgt.
Tussen de ouders bestaat geen juridisch inhoudelijk geschil over de hoogte van de kinderalimentatie en er is ook geen sprake van een betalingsachterstand. De enige twee keren dat er een betalingsachterstand was, bedroeg deze in totaal € 8,52. Dat is een zeer gering bedrag en dat maakt deze zaak een futiele zaak, ook in het licht van de overbelasting van de rechtbanken. Bovendien procedeert de moeder met een toevoeging, waardoor de gemeenschap ook nog eens financieel bijdraagt aan deze procedure. De rechtbank weegt verder mee dat moeder voorafgaand aan het indienen van het verzoek niet heeft geprobeerd het probleem over € 8,52 in der minne met de vader op te lossen. Ter zitting is namens de moeder verklaard dat daarvan bewust is afgezien, omdat de vader al meteen na het ondertekenen van de overeenkomst zijn afspraken niet nakwam. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de met deze procedure gemoeide kosten nodeloos door de moeder zijn veroorzaakt. De rechtbank ziet daarom aanleiding de moeder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de vader.
Boodschap van de rechter aan de ouders
De rechter wil de ouders van [meerderjarige 2] en [minderjarige 1] nog het volgende meegeven en heeft dat ter zitting ook al gedaan. Uit de stukken en ook ter zitting is gebleken dat de ouders met elkaar strijden, onder andere op het gebied van de kosten van hun kinderen. De rechter wijst partijen erop dat de wijze van vaststellen van kinderalimentatie een rekenmethode is en niet bedoeld om over iedere euro een discussie te voeren. De rechter heeft de ouders op het hart gedrukt hier direct mee te stoppen en al helemaal over dergelijke bedragen. Ook niet uit principe, zoals de vader stelt, en al helemaal niet om de kinderen hierbij te betrekken (citaat uit mail van de vader aan de moeder: “Zal de kinderen aangeven dat jij alles wilt bepalen wat er betaald moet worden en dat ze voortaan bij jou moeten zijn met deze dingen.”). Dat is namelijk niet in het belang van hun beider kinderen, zelfs schadelijk. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] horen zo min mogelijk last te hebben van de scheiding. De rechter adviseert partijen daarom hulp te zoeken als ze met elkaar blijven strijden. En tot slot: de rechtbank veroordeelt de moeder dan wel in de kosten, omdat zij nodeloos heeft geprocedeerd, maar de rechter wenst nog wel op te merken dat zij het ontzettend kinderachtig (een beter woord kan zij niet vinden) vindt van de vader dat hij zo’n gedoe heeft gemaakt van schriften bij de Hema ter waarde van een paar euro. Nog los van de vraag of dit überhaupt onder verblijfsoverstijgende kosten vallen, wijst de rechter de vader in dat kader op de overeenkomst (onder C), waarin is afgesproken dat, als de vader ervoor kiest om verblijfsoverstijgende kosten zelf te voldoen, deze voor zijn eigen rekening komen en hij geen terugbetaling van de moeder kan verlangen.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de moeder af;
veroordeelt de moeder in de proceskosten, aan de zijde van de vader tot op heden begroot op € 1.647,-, zijnde € 341,- aan griffierecht en € 1.306,- (op basis van het liquidatietarief; 2 punten ad € 653 per punt) aan salaris advocaat.
|
Dit is de beslissing van rechter mr. M.E. Allegro, tot stand gekomen in samenwerking met |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Hoge Raad 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1718.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
