Rechtbank Den Haag 26-08-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24310

Essentie (gemaakt door AI)

Geregistreerd partners werken samen binnen de eenmanszaak van gedaagde. De vraag is of sprake is van een maatschap en of gedaagde alle privé-onttrekkingen naar de gezamenlijke rekening moet overmaken. De rechter oordeelt dat geen maatschap bestaat wegens ontbreken van winstverdeling en gelijkwaardigheid; vorderingen tot beëindiging/verdelen maatschapsvermogen en betaling €23.985,15 worden afgewezen. Verzoek om cliëntgegevens wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Verbod op gebruik van twee verwarrende handelsnamen wordt toegewezen, met gematigde dwangsom.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Werkten man en vrouw samen of was sprake van een maatschap - en heeft vrouw recht op € 24.000?
Geregistreerd partners hebben samengewerkt in eenmanszaak man. Vrouw stelt dat sprake is van een maatschap; man voert aan dat partijen elkaar geholpen hebben. Ktr toetst aan criteria en wijst vorderingen gebaseerd op maatschap af.

Datum publicatie08-09-2026
ZaaknummerK/4502/12120643
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Ondernemingsrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Samenwerking tussen geregistreerd partners wordt niet als een maatschap gekwalificeerd.

Volledige uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

JvdL/C

Zaaknummer: 12120643 \ RL EXPL 26-5042

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres], HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam 1],

te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. D. van Toor,

tegen

[gedaagde], HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam 2],

te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 februari 2026, met producties 1 tot en met 16;
- de reactie op de dagvaarding van [gedaagde] van 27 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 6;
- de brief van 6 maart 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de op 1 juli 2026 ingediende akte overlegging producties van [eiseres], met producties 17 tot en met 20;

- de brief van 1 juli 2026 van [gedaagde] met een aanvullende reactie, met twee bijlagen;

- de mondelinge behandeling van 13 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De kern van de zaak

2.1.

Tijdens hun relatie hebben [eiseres] en [gedaagde] samengewerkt in de eenmanszaak [handelsnaam 2] (hierna: [handelsnaam 2]) van [gedaagde]. De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of tussen hen sprake is geweest van een maatschap en of [gedaagde] op grond daarvan de volledige privé-onttrekkingen die hij uit [handelsnaam 2] heeft gedaan naar de gezamenlijke rekening van partijen moest overmaken. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake was van een maatschap en dat [gedaagde] zelf mocht bepalen welk deel van de privé-onttrekkingen hij naar deze rekening overmaakte. Daarom hoeft [gedaagde] het bedrag dat [eiseres] eist niet te betalen.

2.2.

Daarnaast moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] bepaalde cliëntgegevens moet vrijgeven en of hij moet stoppen met het voeren van de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4]. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de cliëntgegevens niet hoeft te verstrekken, omdat [eiseres] deze niet meer nodig heeft. [gedaagde] moet echter wel stoppen met het voeren van de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4].

3De feiten

3.1.

[eiseres] heeft een eenmanszaak op het gebied van financieel advies en fiscale diensten. Zij voert voor haar eenmanszaak onder meer de handelsnaam [handelsnaam 1].

3.2.

[gedaagde] heeft een eenmanszaak die boekhoudwerkzaamheden verricht. Hij voert voor zijn eenmanszaak de handelsnamen [handelsnaam 2], [handelsnaam 4] en [handelsnaam 3].

3.3.

Partijen zijn sinds [datum] 2018 geregistreerd partners.

3.4.

In de Partnerschapsvoorwaarden tussen [eiseres] en [gedaagde] van 9 juli 2019 staat het volgende:

(…)

a. De partners zijn geregistreerd in een beperkte gemeenschap van goederen.

Tot de gemeenschap behoort:

- het registergoed, (…)

Er zal tussen partners overigens geen enkele andere gemeenschap van goederen bestaan. (…)

(…)

Voorts blijft buiten de afrekening de waarde van de door een partner voor zijn/haar eigen rekening gedreven onderneming, (…).

(…)

3.5.

In een Whatsapp-bericht van 31 januari 2024 schrijft [gedaagde] aan [eiseres]:

(…)

En vanaf nu gebruiken we E-boekhouden, dus ook voor onze verkoopfacturen!! Morgen laat ik zien hoe het werkt.

(…)

3.6.

De affectieve relatie tussen partijen is in juli 2024 geëindigd.

3.7.

Op 29 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiseres] aan [gedaagde] een brief gestuurd, waarin zij hem sommeert om toegang te verschaffen tot de in e-Boekhouden.nl opgeslagen gegevens van de klanten van [eiseres]. Verder sommeert zij hem om de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] door te halen bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Tot slot staat in deze brief:

(…)

Cliënte is eigenaar van [handelsnaam 1] en verricht voornamelijk werkzaamheden op het gebied van het geven van financieel advies en het verrichten van fiscale diensten. Uw cliënt is de eigenaar van [handelsnaam 2] en verricht boekhoudkundige werkzaamheden. Uw cliënt en Cliënte hebben in de periode 2019 tot en met juli 2024 samengewerkt. In dat kader heeft Cliënte diverse klanten bij uw cliënt aangebracht. Ten behoeve van de samenwerking werd een account aangemaakt bij E-boekhouden.nl. Zowel de klantgegevens van de klanten van [handelsnaam 2] als de gegevens van de klanten van [handelsnaam 1] werden bijgehouden in het gezamenlijke account bij E-boekhouden.nl.

(…)”

4Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert - samengevat – het volgende: (i) vaststelling dat de maatschap is beëindigd per 1 oktober 2024, althans ontbinding van de maatschap wegens gewichtige redenen; (ii) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 23.985,15, althans vaststelling van de wijze van verdeling van het maatschapsvermogen en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van dit bedrag; (iii) veroordeling van [gedaagde] tot het vrijgeven van alle cliëntgegevens die toebehoren aan de in productie 11 bij de dagvaarding genoemde klanten van [eiseres], op straffe van een dwangsom van € 500 per dag; (iv) [gedaagde] te verbieden de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] te (gaan) voeren, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag; (v) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig Staffel Buitengerechtelijke Incassokosten van € 1.014,85; en (vi) veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Tussen partijen heeft geen maatschap bestaan

5.1.

Partijen verschillen van mening over de kwalificatie van hun samenwerking. Volgens [eiseres] is sprake van een maatschap. Volgens [gedaagde] is daarvan geen sprake. Hij betoogt dat partijen elkaar over en weer hebben geholpen omdat zij een affectieve relatie hadden.

5.2.

Op grond van de wet is de maatschap een overeenkomst waarbij partijen iets in gemeenschap brengen met het oog op het delen van de voordelen. 1 Dit betekent dat aan de volgende vereisten moet zijn voldaan om te kunnen aannemen dat sprake is van een maatschap: (i) een overeenkomst, (ii) samenwerking op basis van gelijkheid/gelijkwaardigheid, (iii) verdeling van de winst, (iv) inbreng en (v) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. 2 Verder geldt dat een zekere terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van een maatschapsverband als het gaat om een samenwerking tussen echtgenoten of – zoals in dit geval – geregistreerd partners. 3

5.3.

De kantonrechter oordeelt dat niet aan de vereisten van winstverdeling en gelijkwaardige samenwerking is voldaan en dat ook de andere omstandigheden van het geval niet op het bestaan van een maatschap wijzen. Daarom kan het bestaan van een maatschap niet worden aangenomen. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht.

Partijen zijn geen verdeling van de winst in [handelsnaam 2] overeengekomen

5.4.

[eiseres] betoogt dat partijen in 2018 mondeling hebben afgesproken dat [gedaagde] de volledige privé-onttrekkingen uit [handelsnaam 2] naar de gezamenlijke rekening moest overmaken. [gedaagde] betwist dit. Volgens hem mocht hij zelfstandig bepalen welke privé-onttrekking hij deed en welk deel daarvan naar de gezamenlijke rekening werd overgemaakt.

5.5.

Dat er sprake was van een mondelinge afspraak dat [gedaagde] de volledige privé-onttrekkingen naar de gezamenlijke rekening moest overmaken is niet komen vast te staan. In het licht van de betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiseres] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. Zo kon zij desgevraagd niet aangeven wanneer de mondelinge afspraak precies is gemaakt. Ook heeft zij niet toegelicht waarom partijen deze afspraak niet in de Partnerschapsvoorwaarden of een ander document hebben vastgelegd. Dat had namelijk wel voor de hand gelegen, omdat partijen in de Partnerschapsvoorwaarden iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten 4 en hebben afgesproken om hun ondernemingen bij het beëindigen van de relatie buiten de afrekening te laten. Daarom oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de volledige privé-onttrekkingen uit [handelsnaam 2] naar de gezamenlijke rekening moest overmaken.

5.6.

Dit betekent dat [gedaagde] naar eigen inzicht mocht bepalen welke privé-onttrekking hij deed en welk deel daarvan hij naar de gezamenlijke rekening overmaakte. Dit was ook hoe het in praktijk ging. [gedaagde] bepaalde zelfstandig, op basis van de financiële resultaten van [handelsnaam 2], welke privé-onttrekking hij deed. Van een formele verdeling van de winst in [handelsnaam 2] was dus geen sprake. Dit betekent dat aan één van de vereisten voor het bestaan van een maatschap niet is voldaan. En alleen al om die reden kan het bestaan van een maatschap niet worden aangenomen.

Partijen werkten niet op gelijkwaardige basis samen

5.7.

Volgens [eiseres] bepaalden partijen gezamenlijk het beleid en namen zij gezamenlijk de belangrijke beslissingen binnen [handelsnaam 2]. Zo zouden zij samen voor de software van e-Boekhouden.nl hebben gekozen. [gedaagde] betoogt dat hij het beleid zelfstandig bepaalde en alle belangrijke beslissingen nam. De keuze voor e-Boekhouden.nl zou hij ook zelfstandig hebben gemaakt. Verder zou hij zelfstandig een kantoor voor [handelsnaam 2] hebben gehuurd. Ook was hij degene die de Knab-rekening opende en daartoe als enige volledige toegang had. Tot slot bepaalde hij zelfstandig welke privé-onttrekking uit [handelsnaam 2] werd gedaan, aldus [gedaagde].

5.8.

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat partijen op gelijkwaardige basis samenwerkten. [eiseres] heeft haar standpunt dat daarvan sprake is onvoldoende onderbouwd. Zij heeft desgevraagd alleen de keuze voor e-Boekhouden.nl als voorbeeld van een gezamenlijk genomen beslissing gegeven. Dit voorbeeld overtuigt echter niet, omdat het Whatsapp-bericht van 31 januari 2024 er juist op wijst dat [gedaagde] deze beslissing zelfstandig heeft genomen. Bovendien staat [handelsnaam 2] op naam van [gedaagde], wat een aanwijzing is dat de volledige zeggenschap bij hem berust. Tot slot bepaalde [gedaagde] naar eigen inzicht welke privé-onttrekking werd gedaan (zie rov. 5.6), wat er ook op wijst dat gelijkwaardigheid ontbrak.

5.9.

Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat partijen op gelijkwaardige wijze samenwerkten. Dit betekent dat aan nog een vereiste voor het bestaan van een maatschap niet is voldaan. Ook om deze reden kan het bestaan van een maatschap dus niet worden aangenomen.

Ook de overige omstandigheden van het geval wijzen niet op het bestaan van een maatschap

5.10.

Allereerst is niet gesteld of gebleken dat [eiseres] zich tijdens de samenwerking op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een maatschap. Zelfs in de sommatiebrief van 29 oktober 2025 neemt [eiseres] nog het standpunt in dat partijen ieder eigenaar van hun eigen onderneming zijn. Dit wijst er dus niet op dat zij de bedoeling had om in maatschapsverband met [gedaagde] samen te werken.

5.11.

Verder brengt het enkele feit dat [eiseres] werkzaamheden voor [handelsnaam 2] heeft verricht op zichzelf nog niet mee dat sprake is van een maatschap. [gedaagde] heeft namelijk betoogd dat hij [eiseres] en haar eenmanszaak in vergelijkbare mate heeft ondersteund. Zo zou hij onder meer boekhoudkundige werkzaamheden hebben verricht en aangiftes inkomstenbelasting en jaarrekeningen hebben opgesteld voor de onderneming van [eiseres], haar hebben geholpen met het bouwen en onderhouden van de website van haar onderneming en voor haar onderneming diverse evenementen en workshops hebben bezocht. De omvang van de werkzaamheden die [eiseres] voor [gedaagde] verrichtte zou ook beperkt zijn geweest, omdat zij tot 2023 in de ziektewet zat en daarna tot maart 2024 drie dagen per week in loondienst werkte. Gelet op dit betoog had het op de weg van [eiseres] gelegen om de omvang van haar werkzaamheden, ook in verhouding tot die van [gedaagde], nader te onderbouwen. Dit heeft zij echter niet gedaan. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de omvang van haar werkzaamheden de normale steun en hulp binnen een affectieve relatie te boven gaat.

5.12.

Ook het factureren van klanten van [handelsnaam 2] onder de naam [handelsnaam 1] en het openen van de Knab-rekening onder die naam wijst niet op het bestaan van een maatschap. Volgens [gedaagde] gebeurde dit om verwarring bij klanten te voorkomen. De klanten waren namelijk door [eiseres] geworven en dachten met [handelsnaam 1] van doen te hebben. [eiseres] heeft deze gang van zaken niet betwist. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat deze omstandigheid niet wijst op het bestaan van een maatschap.

5.13.

Tot slot wijst ook het factureren door [handelsnaam 2] voor financieel advies dat [eiseres] aan haar eigen klanten gaf niet op het bestaan van een maatschap. Volgens [gedaagde] ging het om een bescheiden bedrag (ongeveer € 4.000 – 5.000). Bovendien heeft [eiseres] niet betwist dat [gedaagde] de aldus gerealiseerde inkomsten via de privé-onttrekkingen naar de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt. Van een aanwijzing voor het bestaan van een maatschap is daarom geen sprake.

De vorderingen die zijn gebaseerd op het bestaan van een maatschap worden afgewezen

5.14.

Op basis van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat tussen partijen geen maatschap heeft bestaan. Dit betekent dat de vordering om vast te stellen dat de maatschap per 1 oktober 2024 is beëindigd, althans om deze wegens gewichtige redenen te ontbinden, zal worden afgewezen. Dit betekent ook dat de vordering om het maatschapsvermogen te verdelen, althans de wijze van verdeling vast te stellen, zal worden afgewezen. En dit betekent weer dat [gedaagde] geen € 23.985,15 hoeft te betalen.

Er is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking of wanprestatie

5.15.

De kantonrechter zal ook de vordering tot betaling van € 23.985,15 wegens ongerechtvaardigde verrijking of wanprestatie afwijzen.

5.16.

Volgens [eiseres] is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt omdat hij niet de volledige privé-onttrekkingen naar de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt. Hij zou namelijk een bedrag van € 55.314 onder zich hebben gehouden. Daardoor zou [eiseres] schade hebben geleden, omdat zij anders over de helft van dit bedrag had kunnen beschikken.

5.17.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat van een maatschap of een (mondelinge) afspraak om de volledige privé-onttrekkingen naar de gezamenlijke rekening over te maken geen sprake is. Verder is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] in verhouding tot [eiseres] onvoldoende bijdroeg in de kosten van de huishouding. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] de inkomsten die [handelsnaam 2] ontving voor financieel advies dat [eiseres] aan haar eigen klanten gaf, niet op de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt. Het stond [gedaagde] daarom vrij om een deel van de privé-onttrekkingen naar zijn privérekening over te maken. Dit betekent dat de verrijking die hiervan het gevolg is niet ongerechtvaardigd is. En dit betekent ook dat [gedaagde] geen wanprestatie heeft gepleegd.

[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente te betalen

5.18.

De kantonrechter zal de vordering tot betaling van de hoofdsom afwijzen. Daarom zullen de vorderingen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijk rente ook worden afgewezen.

[eiseres] heeft geen belang bij vrijgave cliëntgegevens

5.19.

Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] haar toegang tot e-Boekhouden.nl afgesloten. Daarom kan zij niet beschikken over bepaalde administratieve gegevens van haar klanten. [gedaagde] betoogt dat [eiseres] al over deze gegevens beschikt, omdat hij deze al eerder uit e-Boekhouden.nl heeft gedownload en aan [eiseres] heeft verstrekt.

5.20.

Ter zitting heeft [eiseres] laten weten dat zij de ontbrekende cliëntgegevens niet meer nodig heeft, omdat deze inmiddels zijn verouderd. Dit betekent dat zij onvoldoende belang bij vrijgave daarvan heeft. 5 Daarom zal de kantonrechter de vordering tot het vrijgeven van cliëntgegevens afwijzen.

[gedaagde] mag de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] niet meer voeren

5.21.

[eiseres] vordert een verbod voor [gedaagde] om de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] te (gaan) voeren. Zij baseert haar vordering op artikel 5 Handelsnaamwet. [eiseres] voert aan dat deze namen in sterke mate overeenkomen met haar handelsnaam [handelsnaam 1]. Daarom zou de kans op verwarring aanzienlijk zijn en ten onrechte de indruk worden gewekt dat partijen nog aan elkaar verbonden zijn. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Daarom zal de kantonrechter de vordering van [eiseres] toewijzen.

5.22.

[gedaagde] heeft ter zitting laten weten bereid te zijn om de tenaamstelling van de Knab-rekening aan te passen en de registratie van de namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] in het handelsregister door te halen. Om hem gelegenheid te geven dit te doen, zal het verbod om deze namen te voeren tien dagen na de betekening van het vonnis ingaan. De kantonrechter zal als stok achter de deur een dwangsom opleggen, omdat [gedaagde] deze aanpassingen niet uit eigen beweging na het einde van de samenwerking en ook niet na de sommatiebrief van 29 oktober 2025 heeft gedaan. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de dwangsom te matigen tot € 250 per dag en te maximeren tot € 2.500.

Partijen moeten hun eigen kosten dragen

5.23.

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en het geschil de periode betreft waarin partijen een affectieve relatie met elkaar hadden, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6De beslissing

De kantonrechter

6.1.

verbiedt [gedaagde], ingaande tien dagen na betekening van dit vonnis, om de door hem bij de Kamer van Koophandel geregistreerde namen [handelsnaam 3] en [handelsnaam 4] te (gaan) voeren, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag, tot een maximum van € 2.500 is bereikt,

6.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Lee en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

2

HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 4.19.

3

Zie de uitspraak van het hof Den Haag in HR 2 april 1976, NJ 1976/450 (Modehuis Nolly).

4

Met uitzondering van hun woonhuis.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733