Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5396

Essentie (gemaakt door AI)

Hof stelt vergoedingsrecht man vast op basis van waarde woning op moment aflossing op hypotheek, zoals ook omschreven in art. 1:87 lid 2 onder b BW. Dat parlementaire geschiedenis in deze situatie art. 1:87 lid 2 onder a toepast (waarde ten tijde van verkrijging) maakt dit naar oordeel hof niet anders. Economisch gezien heeft man geïnvesteerd op moment aflossing en niet op moment verkrijging.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Dat is als beleggen met voorkennis" - en kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest
Hof stelt vergoedingsrecht man vast op basis van de waarde van de woning op het moment van aflossing (2014) en sluit daarmee aan bij de letterlijke tekst van art 1:87 lid 2 onder b BW. Parlementaire geschiedenis wederom niet gevolgd.

Datum publicatie08-09-2026
Zaaknummer200.357.192
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Familievermogensrecht; Vergoedingsrechten art. 1:87
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Partneralimentatie, correctie zakelijke kosten eigen onderneming, verdeling woning, vergoedingsrechten, bepaling omvang vergoedingsrecht op basis van datum aflossing op hypothecaire schuld o.g.v. 1:87 lid 2 BW

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.357.192 en 200.357.193

(zaaknummers rechtbank Gelderland 432773 en 445556)

beschikking van 20 augustus 2026

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. van Hunnik,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. de Vries.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 juli 2025;

  • het verweerschrift met een productie;

  • een journaalbericht namens de vrouw van 17 december 2025 met producties;

  • een journaalbericht namens de man van 5 januari 2026 met producties;

  • een journaalbericht namens de vrouw van 5 januari 2026 met een productie;

  • een journaalbericht namens de man van 12 januari 2026 met een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat,

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1995 met elkaar getrouwd.

3.2

De man en de vrouw hebben [in] 1995 huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Partijen zijn, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

Artikel 1.

1. Tussen de echtgenoten bestaat geen enkele gemeenschap van goederen, welke dan ook.

2. Slechts bestaat tussen hen een wederzijdse verplichting tot verrekening en verdeling bij helfte van het saldo van beider na te melden inkomsten en de kosten der huishouding, echter met dien verstande dat wanneer de inkomsten van (één van) beiden negatief zijn, deze buiten de verrekening blijven behoudens het hierna in artikel 3 bepaalde. (…)

Artikel 3.

1. De kosten der huishouding komen ten laste van de inkomsten van beide echtgenoten en daarna, indien en voorzover deze inkomsten ontoereikend mochten blijken naar evenredigheid ten laste van de privé-vermogens. (…)

Artikel 6.

1. Onder kosten der huishouding worden verstaan: de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, die van verzorging en opvoeding van de kinderen, de kosten van alle voor gemeenschappelijk gebruik bestemde zaken, alle Rijks- en andere belastingen voorzover deze niet het karakter hebben van vermogensheffing, alsmede de premies van schadeverzekeringen en werknemerspensioenen, alsmede die van de door één der echtgenoten afgesloten normale spaar- en studieverzekeringen voor de kinderen; genoemde

vermogensheffingen komen naar evenredigheid van de vermogens ten laste van de eigenaar van het betreffende vermogen.

2. Onder de kosten der huishouding worden niet begrepen de premies en koopsommen, verschuldigd en/of betaald wegens overeenkomsten van levens- en ongevallenverzekering, gesloten of later overgenomen door één van de echtgenoten, op het leven van één hunner. Deze premies en koopsommen komen geheel ten laste van de begunstigde echtgenoot en moeten, voor zoveel nodig, dienovereenkomstig worden verrekend.

Artikel 7.

1. Artikel 1 lid 2, artikel 3 leden 1 en 2 en artikel 4 zijn niet van toepassing gedurende de periode dat:

a. de samenwoning tussen echtgenoten duurzaam verbroken is; (…)

3.3

Op 29 februari 2024 heeft de rechtbank van de vrouw een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ontvangen.

3.4

De vrouw heeft de rechtbank, na vermeerdering van haar verzoek, verzocht:

  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

  • te bepalen in het kader van de verdeling van de overwaarde van de woning uit het depot bij de notaris aan de vrouw toekomt in totaal € 292.348,54 en het restantbedrag aan de man toekomt;

  • te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) dient te betalen van € 1.572,- per maand dan wel subsidiair € 885,- per maand dan wel een bedrag als de rechtbank juist oordeelt;

  • te bepalen dat de schuld aan de belastingdienst ter zake het kindgebonden budget over 2021 van € 1.396,- voor rekening van beide partijen komt, ieder voor de helft;

3.5

De man heeft in eerste aanleg verweer gevoerd. Daarnaast heeft de man (voor zover in hoger beroep nog relevant) verzocht:

  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

  • als wijze van verdeling en verrekening te bepalen dat:

  • uit het depot bij de notaris aan de vrouw toekomt € 22.859,56 verminderd met de helft van de kosten van het depot en vermeerderd met de depotrente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag der uitbetaling;

  • uit het depot bij de notaris aan de man toekomt € 481.819,91 verminderd met de helft van de kosten van het depot en vermeerderd met de depotrente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag der uitbetaling.

3.6

Bij beschikking voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank, na door partijen bereikte overeenstemming, de door de man aan de vrouw voor de duur van het geding te betalen partneralimentatie met ingang van 1 juni 2024 vastgesteld op € 350,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.7

Het huwelijk van partijen is op 19 augustus 2025 ontbonden door inschrijving van bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

  • bepaald dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking (13 mei 2025) € 691,- per maand aan partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen, de toekomstige termijnen steeds vóór het eerste van de maand te betalen;

  • de verdeling van de eenvoudige gemeenschap als volgt vastgesteld:

in het kader van de verdeling van de overwaarde van de woning dat uit het depot bij de notaris komt aan de vrouw € 292.348,54 toe en aan de man het restantbedrag;

de kosten voor het depot vermeerderd of verminderd met de depotrente komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft;

ieder van partijen is voor de helft draagplichtig ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst van € 1.396,-;

het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en opnieuw beschikkende:

  • de verzoeken van de vrouw af te wijzen;

  • de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 79,- per maand dan wel op een bedrag als het hof juist oordeelt, met ingang van de datum dat de beslissing op de nevenvoorziening over de partneralimentatie in kracht van gewijsde is gegaan;

als wijze van verdeling en verrekening:

  • te verstaan dat de man op grond van zijn verrekeningsbevoegdheid een recht op verrekening ten laste van de vrouw toekomt van € 136.905,76;

  • te bepalen dat de man aanspraak heeft op een vergoedingsrecht jegens de vrouw van € 22.689,01 dan wel een bedrag dat het hof juist oordeelt;

  • te bepalen dat de man recht heeft op een vergoedingsrecht jegens de vrouw van € 230.798,- dan wel een bedrag dat het hof juist oordeelt;

  • te bepalen dat de man recht heeft op een vergoedingsrecht jegens de vrouw van € 200.000,- dan wel een bedrag dat het hof juist oordeelt;

  • te bepalen dat op grond van de vergoedingsrechten van de man in totaal aan hem een bedrag uit het depot bij de notaris toekomt van € 458.960,35;

  • te bepalen dat van het restant van het depotbedrag bij de notaris van € 45.719,12 aan de man en de vrouw ieder de helft toekomt (€ 22.859,56 per persoon) uit hoofde van de eigendomsverhouding verminderd met de kosten van het depot en vermeerderd met de depotrente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 (datum depotstelling);

  • kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer en vraagt het hof om bij beschikking de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

5De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

Ingangsdatum

5. Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat de ingangsdatum van de partneralimentatie moet worden bepaald op de datum dat de beslissing over de partneralimentatie in kracht van gewijsde is gegaan.

Behoefte

5.1

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat aannemelijk is dat de vrouw niet in staat is om in haar eigen behoefte te voorzien. Met andere woorden: de vrouw is behoeftig.

5.2

De rechtbank is voor de huwelijksgerelateerde behoefte uitgegaan van, onder correctie van de kosten, een gemiddelde jaarwinst uit onderneming van € 40.472,- per jaar over de jaren 2022, 2023 en 2024, en daarmee van een NBGI (netto besteedbaar gezinsinkomen) in 2024 van € 2.950,- per maand. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 1.770,- netto per maand in 2024.

5.3

De man betwist in zijn eerste grief de gemiddelde winst en daarmee het NBGI waarvan de rechtbank voor het berekenen van de behoefte is uitgegaan. Volgens de man moet worden uitgegaan van zijn aangiften IB, waaruit volgt dat hij een fiscale winst uit onderneming had van € 28.139,- in 2022, een fiscale winst van € 20.988,- in 2023 en een fiscale winst van € 1.658,- in 2024. Verder voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte zijn bedrijfskosten heeft gecorrigeerd naar een lager bedrag. De omvang van de kosten is volgens de man inherent aan het feit dat hij zzp’er is. Volgens de man moet in redelijkheid worden uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 25.000,- per jaar, en daarmee van een NBGI van € 2.002,- per maand, waarmee de behoefte van de vrouw op € 1.201,- per maand uitkomt.

5.4

De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. De man heeft niet zoveel zakelijke kosten als hij opgeeft en heeft bovendien kosten opgevoerd die eigenlijk privé zijn. De opgevoerde kosten zijn in elk geval niet voldoende gespecificeerd en daarmee niet voldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat 2024 geen representatief jaar is gezien de operatie die de man moest ondergaan.

5.5

Het hof overweegt dat de kern van het bezwaar van de man tegen de berekening van de behoefte door de rechtbank ziet op de correctie van de kosten. Het hof zal net als de rechtbank de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024 tot uitgangspunt nemen omdat dit uitgangspunt niet tussen partijen ter discussie staat. Op basis van de belastingaangiften en met correctie van de verkeersboetes (zodat deze niet op de winst drukken) gaat het hof uit van een fiscale winst uit onderneming van € 18.286,-. 1 Het hof zal vervolgens een correctie toepassen voor de post algemene/overige kosten. Daarvoor geldt het volgende.

5.6

Het hof stelt vast dat de post overige kosten over de jaren 2019, 2020 (aangiften inkomstenbelasting) en de post diverse algemene kosten 2021 (concept resultatenrekening gemiddeld € 15.679,- op jaarbasis bedroeg. 2

5.7

Het hof stelt vervolgens vast dat uit de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2022, 2023 en 2024 blijkt dat de post overige kosten gemiddeld € 22.874,- op jaarbasis bedroeg. 3

5.8

Het verschil in overige kosten over deze perioden bedraagt € 7.195,- per jaar.

5.9

Het hof overweegt dat het op de weg van de man ligt om inzage te geven in zijn bedrijfsvoering. Daarbij heeft wel te gelden dat de man ook vrijheid heeft in de wijze waarop hij uitvoering geeft aan zijn onderneming. Met andere woorden: de man hoeft niet iedere kostenpost afzonderlijk te specificeren. Uit de stukken blijkt nadrukkelijk dat de man de post overige kosten al langdurig opvoert, ook tijdens het huwelijk van partijen. Desgevraagd heeft de man tijdens de mondelinge behandeling bij herhaling niet kunnen uitleggen waardoor de overige kosten aanzienlijk zijn toegenomen, terwijl de omzet bleef steken op een vergelijkbaar niveau. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de man stelt dat hij in 2024 door medische oorzaken veel minder heeft gewerkt en de overige kosten in dit jaar nog steeds € 20.606,- bedroegen. Dit strookt niet met de verklaring van de man dat hij vaak eten moest halen of uit eten ging en dat dit wordt geboekt onder de algemene kosten. Het hof ziet onder deze omstandigheden aanleiding de fiscale winst uit onderneming te corrigeren met het hiervoor becijferde verschil van € 7.195,-.

5.10

Op grond van het voorgaande becijfert het hof de fiscale winst van de man op € 25.481,-. Partijen zijn het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen alleen werd gevormd door de winst die de man met zijn eenmanszaak realiseerde. Dat betekent dat het NBGI in 2024 € 2,040,- bedroeg (zie aangehechte berekening).

5.11

Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm 60% nodig om in haar kosten van levensonderhoud te voorzien. Dat was € 1.224,- netto in 2024. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat € 1.364,- netto per maand in 2026.

Behoeftigheid

5.12

Met ingang van 1 november 2025 werkt de vrouw negen uur per week als kantinemedewerker. Haar inkomsten bedragen - onweersproken - € 480,- netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, in totaal € 518,- netto per maand.

5.13

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de zijde van de vrouw een behoefte resteert van € 846,- netto per maand in 2026.

Draagkracht man

5.14

De man voert aan dat de rechtbank zijn draagkracht op onjuiste wijze heeft vastgesteld en concludeert dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan met een fiscale winst van € 25.000,- op jaarbasis.

5.15

De vrouw is het met de stellingen van de man niet eens. De vrouw vindt dat de rechtbank de draagkracht van de man op de juiste wijze heeft vastgesteld.

5.16

Het hof verwijst naar de motivering die hiervoor is gegeven voor de vaststelling van het inkomen van de man bij de berekening van de behoefte. Het hof stelt verder vast dat de man over het jaar 2025 geen inzage heeft gegeven in zijn inkomenssituatie. Dit had wel op zijn weg gelegen. Het is namelijk aan de man om zijn (gebrek aan) draagkracht nader te onderbouwen.

5.17

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het inkomensbeeld over 2025 vergelijkbaar is met de jaarcijfers van 2024. De man heeft, zo voert hij aan, veel last gehad van de echtscheiding en heeft daardoor slechts twee dagen per week kunnen werken.

5.18

Op grond van het voorgaande becijfert het hof de fiscale winst van de man op € 25.481,-. Uit de berekening van het hof is de draagkracht van de man dan € 37,- bruto (€ 37,- netto) per maand (zie aangehechte berekening). Aangezien de man verzoekt de partneralimentatie op € 79,- bruto te stellen, zal het hof de man daarin volgen.

Vastelling van de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap

5.19

Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden bepaald dat er door hun huwelijk geen gemeenschap van goederen zal ontstaan (uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen). Partijen zijn wel, zoals de rechtbank heeft overwogen, op een andere manier samen eigenaar/rechthebbende geworden van een aantal goederen. Dat noemen we ‘eenvoudige gemeenschappen’.

5.20

Partijen waren sinds 15 juli 2009 samen, ieder voor de helft, eigenaar van de woning aan het [adres1] te [woonplaats] . Deze woning is op 31 mei 2024 verkocht en geleverd aan derden voor een verkoopprijs van € 1.080.000,-.

Partijen zijn het erover eens dat de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de verkoopkosten € 1.059.466,22 bedraagt. Hierop is in mindering gekomen de hypotheekschuld (volgens opgave van de geldverstrekker € 514.786,75, inclusief achterstallige rente). Het restant van de verkoopopbrengst is na een voorschot van € 20.000,- voor ieder van partijen in depot gebleven bij de notaris.

Hypothecaire lening aankoop [adres1]

5.21

Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de hypotheekschuld op het moment van levering van de woning. Op de woning aan het [adres1] is een hypotheekrecht gevestigd in verband met een door de moeder van de man aan partijen verstrekte geldlening. Deze lening bedroeg volgens de hypotheekakte van 19 oktober 2009 aanvankelijk € 361.969,15 (productie 1 bij verweerschrift man op aanvullend verzoek in eerste aanleg).

5.22

De man voert aan dat partijen niet over voldoende middelen beschikten om hun vaste lasten te voldoen. Daardoor is er een achterstand ontstaan in betaling van de rente en is de schuld zelf ook verder opgelopen. Volgens de man bedroeg de volledige schuld aan zijn moeder ten tijde van de levering van de woning € 514.786,75. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de man een overzicht van het verloop van de hypotheek (productie 4 bij verweerschrift man op aanvullend verzoek in eerste aanleg) overgelegd. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens de vrouw bedroeg de schuld aan de moeder van de man op moment van levering € 261.969,15.

5.23

Het hof stelt vast dat partijen met de moeder van de man in de hypotheekakte het volgende zijn overeengekomen:

Ten aanzien van het bedrag en de oorzaak van hetgeen de schuldeiser van de schuldenaar te eniger tijd te vorderen zal hebben, zal deze laatste zich moeten gedragen naar en als volledig bewijs genoegen moeten nemen met de door de schuldeiser conform zijn boeken getekende rekeningcourant, behoudens tegenbewijs.

5.24

Het hof stelt voorop dat een door de geldverstrekker opgesteld overzicht van het verloop van de schuld in beginsel leidend en bindend is. In deze zaak is alleen sprake van een bijzondere situatie, omdat de geldverstrekker een familielid is, namelijk de moeder van de man. Daarbij oordeelt het hof, net als de rechtbank, is ook van belang dat het overzicht van het verloop van de schuld niet door de geldverstrekker (de moeder van de man) is opgesteld, maar door de man zelf.

5.25

De man stelt dat hij door de jaren heen verschillende extra bedragen van zijn moeder heeft geleend. De man heeft echter geen bewijsstukken overgelegd van de door hem gestelde extra leningen en betalingen, bijvoorbeeld door het overleggen van notariële akten of bankafschriften. Het hof neemt hierbij verder in aanmerking dat de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat hij deze gelden uitsluitend in overleg met zijn moeder heeft geleend, met andere woorden: de vrouw was hierbij niet betrokken. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij hierin nooit is betrokken en dat zij niet wist van extra leningen. Door deze betwisting van de vrouw en het ontbreken van enige onderbouwing door de man kan niet worden vastgesteld dat deze leningen en betalingen daadwerkelijk bestaan dan wel hebben plaatsgevonden.

5.26

Wat betreft de achterstallige rentebetalingen vraagt de man het hof te bepalen dat de vrouw hier voor de helft draagplichtig voor is. In zijn overzicht van het verloop van de hypotheekschuld heeft hij een overzicht gemaakt van de renteachterstanden zoals die jaarlijks over de jaren 2012 tot en met 2023 zijn ontstaan. En voor het geval het hof de draagplicht van de vrouw op een lager bedrag vaststelt of vaststelt dat er voor haar geen draagplicht is, doet de man een beroep op verrekening.

5.27

De vrouw voert aan dat de hypotheekrente onder de kosten van de huishouding valt, die op grond van artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden naar evenredigheid van inkomen door partijen worden gedragen. Pas als het inkomen ontoereikend is komen de kosten naar evenredigheid ten laste van de privévermogens. De vrouw had geen of nauwelijks inkomen tijdens het huwelijk en zij betwist dat het inkomen van de man ontoereikend was om de hypotheekrente te voldoen. Nu de vrouw nauwelijks inkomen en ook geen of nauwelijks vermogen had, komen deze kosten voor rekening van de man, voor zover er een achterstand in de betalingen is voldaan. Voorts voert zij nog aan dat voor zover sprake is van achterstallige hypotheekrente, geldt dat wat betrekking heeft op meer dan vijf jaren geleden is verjaard; alleen over de periode mei 2019 tot mei 2024 kan nog rente worden gevorderd. Voor zover sprake is van achterstallige hypotheekrente kan dit niet meer zijn dan maximaal € 38.955.

5.28

Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak vallen hypotheekrente-termijnen onder de kosten van de huishouding. Artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden van partijen bepaalt met betrekking tot de kosten van de huishouding:

1. De kosten der huishouding komen ten laste van de inkomsten van beide echtgenoten en daarna, indien en voorzover deze inkomsten ontoereikend mochten blijken naar evenredigheid ten laste van de privé-vermogens.

2. De op grond van lid 1 ten laste van de privévermogens gekomen kosten der huishouding van een bepaald kalenderjaar kunnen slechts verhaald worden op de batige saldi tussen inkomsten en kosten der huishouding van echtgenoten in de tien kalenderjaren, volgend op het jaar met het betreffende negatieve saldo.

3. Het saldo van inkomsten en kosten der huishouding moet per kalenderjaar worden vastgesteld en verrekend vóór één november van het daarop volgend kalenderjaar.

4. Indien na deze termijn gemeld saldo niet is vastgesteld, wordt het saldo geacht nihil te zijn en wordt de verrekening van dat betreffende jaar geacht te hebben plaatsgevonden, tenzij één der echtgenoten binnen twee maanden na het verlopen van voormelde termijn daartegen bij de wederpartij bezwaar zal hebben gemaakt bij aangetekend schrijven.

5.29

Op grond van artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden van partijen moeten dus de kosten van de huishouding naar evenredigheid van het inkomen van partijen, en als dat niet voldoende is, naar evenredigheid van het vermogen van partijen, worden gedragen De man heeft echter niet inzichtelijk gemaakt wat de inkomens van partijen waren in de jaren waarover hij vergoeding vraagt. Ook heeft hij niet inzichtelijk gemaakt wat de totale kosten van de huishouding waren in die jaren, wie van partijen hoeveel daarvan heeft betaald, en hoeveel ieder had moeten betalen. Ook blijkt niet of partijen jaarlijks de afrekening volgens artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt. Daarom is niet komen vast te staan dat de vrouw te weinig heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. Het verzoek van de man tot vergoeding – en daarmee ook tot verrekening met het depot – van betaalde hypotheekrente kan daarom niet worden toegewezen.

Schenking van € 100.000,-

5.30

Zoals de rechtbank ook heeft overwogen zijn partijen het erover eens dat aan de man, op grond van een schenking van zijn ouders in 2014 waarmee een deel van de hypothecaire geldlening (voor een deel) is afgelost, een vergoedingsrecht toekomt van € 100.000,- en dat hierop de beleggingsleer van toepassing is. 4 Partijen verschillen wel van mening over de toepassing daarvan.

5.31

De man voert aan dat bij het berekenen van het vergoedingsrecht aansluiting moet worden gezocht bij de waarde van de woning op het moment van aflossing, dus de waarde in 2014. Volgens de man zijn de huizenprijzen in [provincie] tussen 2014 en 2024 verdubbeld, zodat aan hem een vergoedingsrecht van € 200.000,- toekomt.

5.32

De vrouw meent dat voor het vaststellen van het vergoedingsrecht moet worden uitgaan van de aanschafwaarde van de woning aan het [adres1] op 15 juli 2009, dus van € 625.000,-. De vrouw becijfert op grond daarvan dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt van € 172.800,- (€ 100.000,- / € 625.000,- x € 1.080.000,-).

5.33

Het hof zal het vergoedingsrecht vaststellen op basis van de waarde van de woning op het moment van aflossing (2014) zoals ook omschreven in artikel 1:87 lid 2 onder b BW. Dat de parlementaire geschiedenis in deze situatie artikel 1:87 lid 2 onder a toepast (waarde ten tijde van verkrijging) maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Economisch gezien heeft de man geïnvesteerd op het moment van de aflossing en niet op het moment van verkrijging. Hoe deze investering in de toekomst uitpakt, is dan nog ongewis. Bij aansluiting bij de waarde op het moment van verkrijging kan bij de keuze om al dan niet te investeren al rekening worden gehouden met de (dan al gerealiseerde) waardeontwikkeling. Dat is als beleggen met voorkennis en dat kan leiden tot allerlei ongewenste situaties waarbij de niet beleggende echtgenoot bewust kan worden benadeeld. Dat kan naar het oordeel van het hof niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, helemaal omdat de wettekst zelf op dit punt duidelijk is. Het hof kiest er daarom voor om aan te sluiten bij de letterlijke tekst van artikel 1:87 BW waardoor lid 2 sub b in dit geval moet worden toegepast. 5

5.34

Het voorgaande betekent dat de waarde ten tijde van de aflossing moet worden vastgesteld. De man stelt enkel dat de woning op het moment van de aflossing 2014 beduidend minder waard was gezien het algemene/gemiddelde prijspeil van de woningen in [provincie] toen, maar hij heeft dat niet specifiek onderbouwd met bijvoorbeeld een taxatierapport.

5.35

Wat betreft de praktische uitvoerbaarheid wijst het hof op artikel 1:87 lid 5 BW en zal daarom de waarde per 2014 schatten. Aangezien er in 2014 nog sprake was van de nasleep van de kredietcrisis die na de aankoop van de woning is ontstaan en die ook de huizenmarkt in negatieve zin heeft beïnvloed zal het hof de waarde per 2014 schatten op € 575.000,-. Het hof berekent het vergoedingsrecht van de man op € 187.826,- (€ 100.000,- / € 575.000,- x € 1.080.000,-).

Geldleningen ƒ 50.000,- en ƒ 25.000,- aankoop [adres2]

5.36

Op 15 juni 1992 heeft de man ƒ 50.000,- van zijn ouders geleend (welke lening op 10 september 1996 door zijn ouders is kwijtgescholden) voor de aankoop van een woning aan de [adres2] in [woonplaats] . Van deze lening heeft de man vervolgens op 15 juni 1992 ƒ 25.000,- doorgeleend aan de vrouw. Op dezelfde datum zijn partijen een samenlevingscontract aangegaan bij notariële akte. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat het gehele bedrag van ƒ 50.000,- is gebruikt voor de aanschaf van de eerste woning aan de [adres2] op 26 november 1992. Partijen gaan er allebei vanuit dat het vorderingsrecht om het geleende geld terug te vragen inmiddels is verjaard.

5.37

De man meent echter dat de bevoegdheid tot verrekening niet is verjaard door de verjaring van het vorderingsrecht. De man stelt in dat kader dat hij recht heeft op verrekening ter hoogte van de geldlening van ƒ 25.000,- te vermeerderen met de overeengekomen jaarlijkse rente van 8%, hetgeen neerkomt op in totaal € 135.905,76.

5.38

De vrouw voert in beroep daartegen aan dat zij de geldlening van ƒ 25.000,- nooit heeft ontvangen. Een betalingsbewijs hiervan ontbreekt ook. Indien en voor zover al sprake kan zijn van verrekeningsbevoegdheid doet de vrouw een beroep op de redelijkheid en billijkheid dat de verschuldigde rente nietig is dan wel dat die wordt gematigd. Partijen zijn dertig jaar met elkaar gehuwd geweest en pas in de echtscheidingsprocedure maakt de man hier aanspraak op. Het bedrag waarvan de man verrekening vraagt is volgens de vrouw buitensporig hoog. Bovendien staat de lening niet vermeld in de huwelijkse voorwaarden die dateren van 15 september 1995 of op de staat van aanbrengsten. Daarbij komt nog dat ook volgens de eigen stellingen van de man en zijn overzicht (productie 13 eerste aanleg) de gehele overwaarde van de woning aan de [adres2] is aangewend voor de huurwoning die eigendom is van de ouders van de man.

5.39

Het hof overweegt als volgt. Zoals de vrouw heeft aangevoerd, is de geldlening niet opgenomen in de huwelijkse voorwaarden of de daarbij horende de staat van aanbrengsten die partijen enkele jaren na het aangaan van de geldlening hebben opgesteld. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat (net als de man) de vrouw haar deel van de verkoopopbrengst van de eerste woning van partijen heeft geïnvesteerd in de woning die partijen vervolgens (vanaf februari 1998 tot half mei 2005) van de ouders van de man hebben gehuurd, en dat de man na het afsluiten van de lening nooit aanspraak heeft gemaakt op afbetaling dan wel betaling van rente. Gelet op deze omstandigheden mocht de vrouw er, bijna dertig jaar na het aangaan van het huwelijk tussen partijen, op grond van de redelijkheid en billijkheid vanuit gaan dat de man geen aanspraak meer zou maken op terugbetaling van de geldlening van voor het huwelijk en betaling van de rente over het geleende bedrag.

Vergoedingsrecht - overwaarde verkoop [adres2]

5.40

Op 16 februari 1998 hebben partijen de woning aan de [adres2] verkocht. Zij hebben vervolgens tot 2005 in een huurwoning aan de [adres3] in [woonplaats] gewoond. Deze woning was op dat moment in eigendom van de ouders van de man.

5.41

Tussen partijen is niet in geschil dat zij de overwaarde van de verkoop van de [adres2] hebben gebruikt om te investeren in de huurwoning aan de [adres3] . Doordat partijen hebben geïnvesteerd in een woning die zij niet in eigendom hadden, heeft er geen vermogensverschuiving tussen partijen plaatsgevonden. Daarmee kan over en weer geen sprake zijn van een vergoedingsrecht.

5.42

Voor zover de vrouw stelt dat zij aanspraak maakt op de overwaarde van de woning aan de [adres3] overweegt het hof dat partijen deze woning niet in eigendom hadden of hebben, waardoor de vrouw ook geen aanspraak kan maken op de eventuele overwaarde. Voor zover de vrouw meent dat zij aanspraak kan maken op een overwaarde van of investering in deze woning zal zij zich moeten richten tot de ouders van de man, maar die zijn in deze zaak geen partij.

Vergoedingsrecht € 230.798,- - aankoop [adres4]

5.43

Op 17 mei 2005 hebben partijen de woning aan de [adres4] gekocht. Blijkens de nota van afrekening van de notaris van 17 mei 2005 (productie 8 bij het verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek in eerste aanleg) dienden partijen bij de aankoop van de [adres4] nog een bedrag van € 217.349,89 te voldoen. Dit bedrag is door [naam1] B.V. aan de notaris overgemaakt (productie 16 bij het beroepschrift).

5.44

De man stelt dat partijen voor de aanschaf van deze woning een hypothecaire geldlening bij de ouders van de man zijn aangegaan van € 230.798,-. Ter onderbouwing heeft de man een akte van geldlening en van kwijtschelding en aanslagen schenkbelasting overgelegd (productie 9 bij het verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek in eerste aanleg).

5.45

De vrouw betwist dat het bedrag van € 217.349,89 is voldaan uit privégelden van de man. De woning is volgens de vrouw gefinancierd met een gezamenlijke hypotheekschuld en eigen middelen van € 217.349,89. Indien en voor zover de man zou hebben aangetoond dat de man privégelden heeft gebruikt voor de aanschaf van de woning kan het volgens de vrouw niet gaan om meer dan € 217.349,89.

5.46

Het hof overweegt dat de man door overlegging van de bankafschriften voldoende heeft aangetoond dat het bedrag van € 217.349,89 is voldaan uit privévermogen. Daarmee heeft de man een vordering op de gemeenschap van € 217.349,89 dan wel op de vrouw van € 108.674,95.

5.47

Tegenover de gemotiveerde betwisting heeft de man niet of in ieder geval onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat partijen het meerdere boven het bedrag van € 217.349,89 daadwerkelijk van de ouders van de man hebben ontvangen. Dit geldt met name omdat de man wél bankafschriften heeft overgelegd van het bedrag van € 217.349,89. Voor het meerdere komt de man dan ook geen vergoedingsrecht toe.

Facturen voor onderhoud woning

5.48

De man voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door de man betaalde facturen van € 5.473,36 zijn aan te merken als kosten van de huishouding en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

5.49

De vrouw is van mening dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit onderdeel van zijn verzoek, omdat door de man in zijn petitum geen concreet vergoedingsrecht is gesteld. Het hof gaat aan dit verweer van de vrouw voorbij. Hiertoe overweegt het hof dat de man een concrete grief heeft geformuleerd. De vrouw heeft zowel in haar verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk verweer kunnen voeren, zodat zij niet in haar belangen is geschaad. Het hof zal deze grief daarom inhoudelijk beoordelen.

5.50

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de samenwoning op 11 september 2023 is geëindigd. Op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden is vanaf dat moment artikel 3 lid 1 van diezelfde huwelijkse voorwaarden niet meer van toepassing. Dat betekent dat de kosten van de huishouding niet langer naar evenredigheid ten laste komen van de inkomsten van partijen komen of, als deze inkomsten niet voldoende zijn, van hun privévermogens. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de man opgevoerde kosten niet vallen onder de kosten van de huishouding.

5.51

Het hof neemt echter wel in aanmerking dat partijen deelgenoten zijn in de eenvoudige gemeenschap die de woning betreft. Dat betekent dat de verkoopopbrengst door partijen samen wordt gedeeld, en ook de kosten die met de verkoop samenhangen. Het hof acht een bedrag van € 5.473,36 ter voorbereiding van de verkoop van een woning in deze prijscategorie niet onredelijk. De man en de vrouw moeten daarvan ieder € 2.736,68 dragen zodat de man recht heeft op betaling van dit bedrag aan hem door de vrouw.

5.52

Samenvattend heeft de man dus de volgende vergoedingsvorderingen die uit de verkoopopbrengst van de woning [adres1] van € 1.059.466,22 minus de hypotheekschuld van € 261.969,15 moeten worden voldaan:

€ 217.349,89

€ 187.826,00

€ 2.736,68

€ 407.912,66

5.53

Aan partijen samen komt dus toe € 1.059.466,22 - € 261.969,15 - € 407.912,66 =

€ 389.584,41, gedeeld door twee is € 194.792,21 voor ieder van hen. Na aftrek van een bedrag van € 20.000,- dat ieder van partijen al heeft gehad, resteert er voor de vrouw een bedrag van € 174.792,21, te verminderen met de helft van de kosten van het depot en te vermeerderen met de rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024. Het restant bedrag van het depot is dan voor de man.

6De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen en slagen de grieven gedeeltelijk.

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen voor zover het de alimentatie (4.2) betreft en voor wat betreft de uitkering van de bedragen uit het depot (4.4.a) en op deze punten opnieuw beslissen, zoals hierna volgt. De overige beslissingen van de bestreden beslissing blijven in stand.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

7.1

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2025, voor zover het punt 4.2 en 4.4.a betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

7.2

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang de datum dat de beslissing over de partneralimentatie in kracht van gewijsde is gegaan als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 79,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.3

bepaalt in het kader van de verdeling van de overwaarde van de woning dat uit het depot bij de notaris aan de vrouw toekomt een bedrag van € 174.792,21, te verminderen met de helft van de kosten van het depot en te vermeerderen met de rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024, en aan de man het restantbedrag;

7.4

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;

7.6

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, H. Phaff en L. Hamer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 20 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Berekeningen behoefte:

Berekening draagkracht:

1

(€ 30.153,- + € 21.812,- + € 2.893,-) / 3 = € 18.286,-

2

(2019: € 14.656,- + 2020 € 16.179,- + 2021 € 16.201,-) / 3 = € 15.679,-

3

(2022: € 24.341,- + 2023 € 23.674,- + 2024 € 20.606,-) / 3 = € 22.874,-

4

Artikel 1:87 BW



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733