Essentie (gemaakt door AI)
Vorderingen over en weer tussen ex-samenlevers met een kind. In conventie wordt toegewezen dat gedaagde € 8.804,27 aan eiseres betaalt, bestaande uit regres op een gezamenlijke lening (WhatsApp-toezegging volledige aflossing door gedaagde), bijdrage Vitens (termijnen + helft correctie), kosten slotenmaker, en de helft van door gedaagde ontvangen kinderbijslag en kindgebonden budget wegens gedeelde lasten zonder alimentatievaststelling. Vordering over kinderopvangtoeslagschuld en verklaring voor recht hoofdontvanger afgewezen. Reconventie (ICA-korting) afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 07-09-2026 |
| Zaaknummer | 11927799 \ UC EXPL 25-8155 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vorderingen over en weer tussen ex-samenlevers met een kind.Volledige uitspraak
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11927799 \ UC EXPL 25-8155
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T. de Jong,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 september 2026 met producties 1 tot en met 4,
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie en bijlagen I, II en III,
- de conclusie van antwoord in reconventie met eisvermeerdering en producties 5 tot en met 26,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de reactie van [gedaagde] op de conclusie van antwoord in reconventie met bijlagen A tot en met H,
- de akte van [gedaagde] van 28 juni 2026 met bijlage,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
Op 3 juli 2026 is de zaak tijdens de mondelinge behandeling (zitting) besproken. Daarbij was [eiseres] aanwezig met haar gemachtigde, mr. T. de Jong. Ook was [gedaagde] aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. De mondelinge behandeling van 3 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is [eiseres] in de gelegenheid gesteld nog een akte in te dienen, zodat zij op de reactie van [gedaagde] op de conclusie van antwoord in reconventie kon reageren. [eiseres] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt op 13 juli 2026 met een brief. [gedaagde] mocht daar weer op reageren en heeft dat gedaan op 5 augustus 2026 met een brief en een productie.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat er een vonnis komt.
2De kern van de zaak
[eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad waaruit een dochter is geboren. Die relatie is nu beëindigd. [eiseres] heeft tijdens en na beëindiging van de relatie betalingen gedaan en kosten gehad waarvan ze vindt dat [gedaagde] daaraan moet bijdragen. Daarnaast vordert ze de helft van de bedragen die [gedaagde] aan kinderbijslag en kindgebonden budget heeft ontvangen en vindt ze dat [gedaagde] moet meebetalen aan een schuld aan de belastingdienst vanwege te veel ontvangen kinderopvangtoeslag. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [eiseres] en stelt een tegenvordering in. Hij wil namelijk een deel van de door [eiseres] ontvangen Inkomensafhankelijke Combinatiekorting. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] toe tot een bedrag van € 8.804,27 en wijst de vordering van [gedaagde] af.
3De beoordeling
[gedaagde] moet het door [eiseres] afgeloste leningsbedrag van € 4.253,45 aan haar vergoeden
Op 18 augustus 2022 zijn partijen gezamenlijk een lening van € 5.000,00 aangegaan bij [bedrijf] . Over dat bedrag waren zij ook rente verschuldigd. Partijen verschillen van mening over waar de volledige lening aan is uitgegeven, maar in ieder geval staat vast dat met het geld van de lening een bed en twee wasmachines zijn gekocht, een in 2022 en een in 2024. De lening is inmiddels afbetaald. [eiseres] heeft een bedrag van € 4.253,45 afgelost en [gedaagde] heeft een bedrag van € 1.166,28 afgelost. [eiseres] stelt dat zij een regresvordering
1 heeft op [gedaagde] ter hoogte van het bedrag van € 4.253,45 dat zij aan [bedrijf] heeft betaald.
Uit de overeenkomst van geldlening volgt dat partijen de lening hoofdelijk zijn aangegaan. Dat betekent dat [bedrijf] zowel [eiseres] als [gedaagde] voor het volledige openstaande bedrag kan aanspreken als een betaling niet of te laat wordt gedaan. Voor de onderlinge draagplicht geldt als uitgangspunt dat ieder de helft van de schuld draagt, tenzij partijen een afwijkende afspraak maken. Van dit laatste is in dit geval sprake. [eiseres] verwijst naar het Whatsapp-bericht tussen partijen in de periode voorafgaande aan het sluiten van de lening (productie 5 [eiseres] ) waarin [gedaagde] schrijft: “De lening die ik ga nemen ga ik betalen en ga ik verantwoordelijkheid over hebben. Jij gaat niets voor de lening hoeven en moeten bètalen.” Hieruit volgt dat [gedaagde] aan [eiseres] heeft toegezegd dat hij de volledige aflossing van de lening en betaling van de rente voor zijn rekening zou nemen. [gedaagde] voert aan dat hij met dat bericht [eiseres] niet uit haar betalingsverplichting heeft willen ontslaan. Hij zou dat alleen gezegd hebben om [eiseres] gerust te stellen, omdat partijen op dat moment niet zeker in hun relatie zaten. De kantonrechter volgt die redenatie van [gedaagde] niet. Uit het Whatsapp-bericht volgt duidelijk dat [gedaagde] zegt dat [eiseres] niets voor de lening hoeft te betalen. [eiseres] kon dat niet anders opvatten dan dat [gedaagde] haar daarmee uit haar betalingsverplichting tegenover hem heeft willen ontslaan. [gedaagde] zal daarom het door [eiseres] afgeloste bedrag van € 4.253,45 aan haar moeten betalen. De vordering wordt dan ook toegewezen
[gedaagde] moet een bedrag van € 469,85 betalen in verband met de rekening van Vitens
Van maart 2020 tot en met eind november 2023 hebben partijen samengewoond in de woning aan de [adres] . Van eind november 2023 tot oktober 2024 heeft [gedaagde] in de woning gewoond met hun dochter en zijn zoon uit een eerdere relatie. Sinds oktober 2024 woont [eiseres] met hun dochter in de woning.
Op 2 december 2024 ontving [eiseres] de jaarrekening van Vitens. Uit de jaarrekening volgt dat over de periode 2 december 2023 tot 10 november 2024 een bedrag van € 477,71 betaald moest worden bovenop de al in rekening gebrachte termijnen van in totaal € 242,00. [eiseres] heeft in totaal een bedrag van € 719,71 aan Vitens betaald. [eiseres] stelt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt is, omdat [gedaagde] degene is die in de periode van 2 december 2023 tot 10 november 2024 het meeste water heeft gebruikt, maar zij degene is geweest die alle betalingen aan Vitens heeft gedaan. Zij stelt dat [gedaagde] een bedrag van € 536,47 aan haar moet vergoeden. [gedaagde] brengt daar tegenin dat zijn gebruik in de desbetreffende periode nooit zo hoog kan zijn geweest als het bedrag dat Vitens in rekening heeft gebracht (4 keer zo hoog als het normaal gebruik van een gezin van 3 personen) en vindt dat hij dat bedrag daarom niet hoeft te betalen.
Vaststaat dat [gedaagde] (op 9 dagen na) in de periode van 2 december 2023 tot 10 november 2024 in de woning woonde. Dat betekent dat hij tenminste de maandelijkse termijnbedragen over de periode van december 2023 tot en met september 2024 moet betalen. [eiseres] heeft dat bedrag berekend op een bedrag van € 231,00 (10 x € 22,00 + € 11,00). Dat bedrag zal worden toegewezen.
Verder volgt uit de jaarrekening van Vitens (productie 3 [eiseres] ) dat de meterstand die zij heeft gebruikt op 2 december 2023 een automatische inschatting is geweest en dat de meterstand op 10 november 2024 is bepaald aan de hand van een foto-opname. Partijen hebben tijdens de zitting verklaard dat zij alleen de meterstand hebben doorgegeven aan Vitens toen zij in de woning kwamen wonen en op 10 november 2024. In de tussentijd heeft Vitens dus elk jaar de meterstand bepaald aan de hand van een automatische schatting. De jaarrekening van 10 november 2024 doet vermoeden dat Vitens ergens in de periode van maart 2020 tot november 2024 een te lage inschatting heeft gemaakt, waardoor partijen toen minder hebben betaald dan dat zij werkelijk aan water hebben verbruikt. Bij de jaarrekening van 2 december 2024 heeft daarom een correctie plaatsgevonden met als gevolg dat een bedrag van € 477,71 moet worden betaald bovenop de al in rekening gebrachte termijnen. Dit bedrag ziet dus mogelijk niet alleen op de periode dat [gedaagde] alleen in woning woonde, maar ook op de periode dat partijen samen in de woning woonde. Omdat de kantonrechter niet kan vaststellen over welke periode meer water is verbruikt dan aan maandelijkse termijnbedragen is betaald, zullen partijen deze kosten moeten delen. Dit betekent dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 469,85 aan [eiseres] moet betalen, namelijk € 231,00 + (½ x € 477,71=) € 238,85.
[gedaagde] moet de kosten voor de slotenmaker vergoeden
Van eind november 2023 tot oktober 2024 heeft [gedaagde] in de woning gewoond. Hij is eind september uit de woning vertrokken en vanaf 1 oktober 2024 heeft [eiseres] weer haar intrek genomen in de woning. Toen zij op 1 oktober 2024 haar spullen de woning in wilde verhuizen, paste haar sleutel niet meer op de voordeur. [gedaagde] had de sloten vervangen en heeft dat niet gemeld aan [eiseres] . [eiseres] heeft [gedaagde] en zijn toenmalige advocaat geprobeerd te bereiken, maar zonder succes. [eiseres] heeft daarom een slotenmaker langs moeten laten komen die de sloten heeft vervangen. Zij heeft een bedrag van € 198,44 hiervoor moeten betalen en vordert dat [gedaagde] dit bedrag vergoedt. [gedaagde] vindt dat [eiseres] op de dag zelf onvoldoende heeft gedaan om hem, dan wel zijn advocaat te bereiken en dat het inschakelen van de slotenmaker dus niet noodzakelijk was.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het bedrag van € 198,44 aan [eiseres] moet vergoeden. [eiseres] heeft de slotenmaker namelijk moeten inschakelen vanwege miscommunicatie vanuit [gedaagde] . Op 16 september 2024 schreef de toenmalige advocaat van [gedaagde] in een e-mail aan de gemachtigde van [eiseres] dat [eiseres] de woning in kan met haar sleutels. Dat dit niet klopte en [gedaagde] dit was vergeten door te geven aan [eiseres] volgt uit het tekstbericht van 1 oktober 2024 van de toenmalige advocaat van [gedaagde] (productie 19 [eiseres] ) waarin hij vermeldt: “[gedaagde] zegt dat slot idd is veranderd, dat was hij vergeten (ben nu op vakantie daarom ff snel) Groeten, [A]”. Uit het beloverzicht van [eiseres] dat zij als productie 16 heeft overgelegd, volgt dat zij [gedaagde] op 1 oktober 2024 tevergeefs heeft geprobeerd te bereiken. Volgens [gedaagde] had [eiseres] een e-mail kunnen sturen, maar de kantonrechter begrijpt [eiseres] in haar beslissing om dat niet te doen. [eiseres] had [gedaagde] op dat moment onmiddellijk nodig. Zij stond namelijk met haar spullen en een verhuisteam voor een dichte deur Haar keuze om [gedaagde] te bellen, was een logische. Omdat [gedaagde] niet opnam en zijn toenmalige advocaat ook niets kon betekenen, kon zij niet anders dan een slotenmaker inschakelen. [gedaagde] zal de kosten hiervan moeten vergoeden aan [eiseres] .
[gedaagde] moet de helft van door hem ontvangen kinderbijslag en kindgebonden budget aan [eiseres] betalen
[gedaagde] heeft altijd de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangen. Bij het uiteengaan van partijen hebben zij afgesproken dat hun dochter de helft van de tijd bij [eiseres] is en de helft van de tijd bij [gedaagde] . [eiseres] vordert daarom de helft van de door [gedaagde] ontvangen kinderbijslag en de helft van het kindgebonden budget dat [gedaagde] voor hun dochter ontving nadat zij uit elkaar waren gegaan. [eiseres] heeft berekend dat zij van [gedaagde] € 557,28 (€ 422,40 over 2024 en € 134,88 over 2023) aan kinderbijslag moet ontvangen en € 3.325,25 (€ 76,25 over 2023, € 1.425,00 over 2024 en € 1.824,00 over 2025) aan kindgebonden budget. Daarnaast vordert zij een verklaring voor recht dat zij hoofdaanvrager/ontvangstgerechtigde zal zijn van de kinderbijslag en het kindgebonden budget.
Voor de verklaring voor recht om [eiseres] hoofdaanvrager/ontvangstgerechtigde te maken van de kinderbijslag en het kindgebonden budget geldt dat hier geen grondslag voor bestaat. Die vordering is dan ook niet toewijsbaar. [eiseres] zal zelf bij de instantie die daarover gaat, moeten regelen dat zij hoofdontvanger/ontvangstgerechtigde wordt.
Voor de gevorderde bedragen aan kinderbijslag en kindgebonden budget geldt normaalgesproken dat deze toeslagen worden meegenomen in de vaststelling van de kinderalimentatie. In die situatie is er dus geen sprake van ‘een recht op’ de helft van de kinderbijslag of het kindgebonden budget. Ook niet bij een co-ouderschap. Degene die het krijgt mag het houden en daar wordt rekening mee gehouden in de berekening van de draagkracht van de ouders. In deze situatie is dat anders, want er is geen vaststelling van de kinderalimentatie gevraagd. De kantonrechter komt daarom toch toe aan de beoordeling van deze vorderingen.
Op de zitting heeft [gedaagde] gezegd dat partijen hebben afgesproken dat zij alle kosten van hun dochter deelden en dat dit ook gebeurde. [eiseres] heeft dat niet weersproken. [gedaagde] heeft aangevoerd dat partijen geen afspraak hebben gemaakt specifiek over de verdeling van de kinderbijslag en het kindgebonden budget, maar als de afspraak is dat partijen de lasten van hun dochter delen, dan moeten zij ook de baten delen. Zeker gelet op het feit dat [gedaagde] meer inkomen heeft dan [eiseres] . Dat betekent dat [eiseres] recht heeft op de helft van de kinderbijslag en van het kindgebonden budget. Over de hoogte van de vorderingen zegt [gedaagde] dat die niet klopt, maar hij licht dat niet toe. Het overzicht met bedragen dat hij op 5 augustus 2025 heeft overgelegd roept meer vragen op, dan dat het beantwoordt. De kantonrechter volgt daarom de berekeningen van [eiseres] . De vorderingen van € 557,28 en € 3.325,25 zullen dan ook worden toegewezen.
[eiseres] gaat de kinderalimentatie nog wel aanvragen dus de kantonrechter gaat ervan uit dat de rechter die de kinderalimentatie zal vaststellen, rekening zal houden met het feit dat partijen de kinderbijslag over 2023 en 2024 bij helfte hebben gedeeld en dat zij het kindgebonden budget over 2023, 2024 en 2025 bij helfte hebben gedeeld.
De schuld aan de belastingdienst voor te veel ontvangen opvangtoeslag blijft voor [eiseres]
De dochter van partijen ging tot en met 31 mei 2024 naar de kinderopvang. Hiervoor ontving [eiseres] kinderopvangtoeslag. Over de periode 2021, 2022 en 2023 heeft zij in totaal € 2.914,00 te veel aan kinderopvangtoeslag ontvangen. Zij moet dit bedrag terugbetalen aan de Belastingdienst. Een bedrag van € 1.254,00 heeft zij al afgelost, zodat nog een bedrag van € 1.660,00 over blijft. [eiseres] vindt dat [gedaagde] ook verantwoordelijk is voor de aflossing van deze schuld en vordert daarom dat [gedaagde] de helft van dat bedrag, dus € 830,00, voor zijn rekening neemt. De kantonrechter wijst deze vordering af. Het gaat namelijk om een schuld over de periode dat partijen nog samenwoonden en die op naam van [eiseres] staat. Nergens uit volgt dat partijen hebben afgesproken dat ieder de helft van deze schuld voor zijn rekening zou nemen. Op de zitting hebben beide partijen gezegd dat [eiseres] de dingen betaalde die van haar rekening werden afgeschreven of op haar naam stonden en dat [gedaagde] al het andere zou betalen. Dat is geen concrete verdeling van de kosten. De kantonrechter kan daarom ook niet vaststellen dat partijen hebben afgesproken dat ieder de helft van de opvangkosten zou dragen of dat [gedaagde] de helft van de schuld op zich zou nemen.
[gedaagde] moet in totaal een bedrag van € 8.804,27 aan [eiseres] betalen
Alle bedragen bij elkaar opgeteld maakt dat [gedaagde] een bedrag van € 8.804,27 (€ 4.253,45 + € 469,85 + € 198,44 + € 557,28 + € 3.325,25) aan [eiseres] moet betalen.
[eiseres] is geen vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd voor de door haar ontvangen Inkomensafhankelijke Combinatiekorting
[eiseres] ontvangt voor hun dochter een inkomensafhankelijke combinatiekorting. Dit is een heffingskorting die wordt verstrekt door de Belastingdienst aan alleenstaande ouders of de minstverdienende ouder in een huishouden die arbeid combineert met de zorg voor d een kind jonger dan 12 jaar. [eiseres] had recht op deze heffingskorting omdat zij de minstverdienende ouder was. [gedaagde] vindt dat hij recht heeft op de helft van de door [eiseres] ontvangen korting. Omdat hij niet beschikt over de financiële gegevens van [eiseres] kan hij niet vaststellen welk bedrag hij van [eiseres] vordert. Ook nadat [eiseres] haar aangifte inkomstenbelasting over 2023 heeft overgelegd, heeft [gedaagde] zijn vordering niet concreet gemaakt.
[gedaagde] vordert de helft van de inkomensafhankelijke combinatiekorting over een het jaar 2023, een jaar waarin partijen tot eind november nog samenwoonden. De kantonrechter wijst deze vordering af. Net zoals bij de schuld van [eiseres] aan de belastingdienst geldt dat partijen geen concrete afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de inkomsten en kosten tijdens hun relatie. Daarnaast geldt dat [eiseres] geen bedrag heeft ontvangen, het betreft een heffingskorting. Tot slot is de inkomensafhankelijke combinatiekorting een persoonsgebonden aftrek, er is daarom geen enkele reden om die aftrek te moeten delen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt
4De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.804,27,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
69134
Op grond van artikel 6:10 BW.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
