Essentie (gemaakt door AI)
PG: cassatie over spoedmachtiging uithuisplaatsing. Kind verblijft al een maand op geheime locatie in ‘drang’-kader; ouders trekken instemming in en hebben advocaat. Kinderrechter verleent spoedmachtiging zonder ouders te horen met beroep op art. 800 lid 3 Rv. Hof laat dit in stand. PG: hof past onjuiste maatstaf toe; ontbreken van voorafgaand horen is niet gemotiveerd met concreet ‘onmiddellijk en ernstig gevaar’.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 04-09-2026 |
| Zaaknummer | 26/00337 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Burgerlijk procesrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW; Familieprocesrecht; Hoor en wederhoor |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Burgerlijk procesrecht. Familierecht. Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige. Heeft de kinderrechter terecht afgezien van het voorafgaand horen van ouders? Heeft de kinderrechter na de spoedmachtiging ouders alsnog tijdig gehoord?Volledige uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00337
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
1 [de vader]
2. [de moeder]
Advocaat: mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek
tegen
1Raad voor de Kinderbescherming
2. Stichting Jeugdbescherming Brabant
Niet verschenen
1Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over een door de kinderrechter verleende spoedmachtiging voor de uithuisplaatsing van een eenjarig kind. Het kind verbleef op het moment van het verlenen van de spoedmachtiging al een maand niet meer bij haar ouders thuis omdat het eerder, beweerdelijk met instemming van de ouders (‘drangtraject’), uit huis was geplaatst op een voor de ouders onbekende locatie. Na een maand heeft een door de ouders ingeschakelde advocaat aan Veilig Thuis laten weten dat de ouders niet instemmen met de uithuisplaatsing. Daarop heeft de raad voor de kinderbescherming mondeling een spoedmachtiging uithuisplaatsing verzocht, welk verzoek een dag later schriftelijk is vastgelegd.
Voorafgaand aan het verlenen van de spoedmachtiging heeft de kinderrechter de ouders niet gehoord, omdat volgens de kinderrechter een mondelinge behandeling niet kon worden afgewacht zonder ‘onmiddellijk en ernstig gevaar’ voor het kind (art. 800 lid 3 Rv) . De ouders zijn elf dagen na de spoedmachtiging alsnog gehoord.
Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter in stand gelaten, omdat volgens het hof niet kan worden vastgesteld dat de kinderrechter op de hoogte was van het feit dat ten tijde van het verzoek om de spoedmachtiging het kind al een maand uit huis was geplaatst en de ouders bijstand hadden van een advocaat. Volgens het hof is het niet zeker dat de informatie die is opgenomen in de schriftelijke vastlegging van het verzoek, precies overeenkomt met de informatie die de raad voor de kinderbescherming mondeling aan de kinderrechter heeft verstrekt. Het was volgens het hof dan ook ‘begrijpelijk en terecht’ dat de kinderrechter heeft aangenomen dat vanwege onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind de ouders niet vooraf konden worden gehoord.
Deze oordelen bestrijden de ouders in cassatie m.i. terecht. Anders dan het hof aanneemt moet worden aangenomen dat de kinderrechter ermee bekend was dat het kind al een maand op een geheime locatie verbleef en dat daarvoor geen rechterlijke toestemming was verleend. Ook was de kinderrechter ermee bekend dat de ouders een advocaat hadden ingeschakeld, en dat de ouders het (in ieder geval op dat moment) niet eens waren met de uithuisplaatsing. Tegen deze achtergrond is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat er ten tijde van het verlenen van de spoedmachtiging sprake was van een onmiddellijk en ernstig gevaar als bedoeld in art. 800 lid 3 Rv, waardoor de ouders niet eerst konden worden gehoord. Uit de rechtspraak van het EHRM over de betrokkenheid van ouders in het besluitvormingsproces bij spoedmaatregelen volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien van het vooraf horen van ouders, namelijk alleen als dit niet mogelijk is of als dit niet wenselijk is vanwege het (veiligheids)belang van het kind. Dat zo’n geval zich voordoet, moet worden gemotiveerd aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
De klachten tegen het oordeel van het hof dat de ouders na de spoedmachtiging tijdig zijn gehoord, slagen m.i. niet (zie onder 4.24 e.v.).
Op te merken is nog dat naar aanleiding van deze zaak op 24 september 2025 Kamervragen zijn gesteld.
1
2Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten en proceshandelingen worden uitgegaan, voor zover relevant voor het cassatieberoep, deels ontleend aan de bestreden beschikking van 6 november 2025.
2
[de vader] en [de moeder] (hierna: de ouders) zijn in 2024 in Duitsland met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2024 [het kind] geboren (hierna: het kind). De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het gezag over het kind.
Op 22 juli 2025 zijn de ouders in hun woning onder invloed van drugs door de politie aangetroffen, terwijl zij op dat moment de zorg over hun kind hadden. De ouders en het kind zijn mee naar het politiebureau genomen.
3
Vervolgens is het kind door Veilig Thuis meegenomen en op een voor de ouders geheime locatie geplaatst. Het kind heeft in een periode van één maand op drie verschillende plekken verbleven. De ouders en het kind hebben elkaar in die periode (in ieder geval) twee keer gezien.
4
Op 28 juli 2025 heeft de moeder een e-mail gestuurd aan Veilig Thuis, waarin zij onder meer bezwaar maakt tegen de uithuisplaatsing van haar kind, het uitblijven van hulp of ondersteuning en de druk die op de ouders is uitgeoefend om in te stemmen met de uithuisplaatsing van het kind.
5
Bij e-mail van donderdag 21 augustus 2025 heeft een door de ouders ingeschakelde advocaat aan Veilig Thuis laten weten dat de ouders niet instemmen met de uithuisplaatsing van hun kind, en dat zij zich niet gehoord en onder druk gezet voelen. Verzocht wordt snel in overleg te gaan met de ouders.
6
Het bericht van de advocaat is op maandag 25 augustus 2025 door Veilig Thuis aan de raad voor de kinderbescherming doorgegeven.
7
Maandagmiddag 25 augustus 2025 heeft de advocaat van de ouders opnieuw een e-mail verstuurd aan Veilig Thuis, met in de CC verschillende hulpverleners. Vermeld is dat hij sinds donderdag in contact probeert te komen met Veilig Thuis, dat de onttrekking aan het ouderlijk gezag niet langer kan voortduren en dat Veilig Thuis vandaag een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter dient te verzoeken en te verkrijgen. Verwacht wordt dat deze e-mail wordt meegestuurd met het spoedverzoek.
8
Maandagavond 25 augustus 2025 heeft de raad voor de kinderbescherming de kinderrechter mondeling verzocht (i) het kind voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden; (ii) een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling of voor vier weken en (iii) om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De raad heeft de kinderrechter bovendien verzocht op deze verzoeken te beslissen zonder de ouders te horen.
Diezelfde avond heeft de kinderrechter, zonder de ouders te horen, de verzoeken mondeling toegewezen.
De mondelinge verzoeken zijn door de raad schriftelijk bevestigd op 26 augustus 2025.
9 In de inhoudelijke onderbouwing is het volgende vermeld:
“(…)
Op 25 augustus 2025 heeft de advocaat van ouders namens hen aan onder meer Veilig Thuis laten weten dat ouders niet langer instemmen met de vrijwillige uithuisplaatsing van hun dochter. In telefonisch contact tussen de RvdK en ouders, hetgeen heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025, wordt dit door ouders bevestigd.
Aanleiding voor [het kind] ’s verblijf elders is een crisissituatie op 22 juli 2025, waarbij de politie heeft waargenomen dat beide ouders onder invloed van drugs (amfetaminen, methamfetamine, GHB) waren toen zij voor [het kind] moesten zorgen – hetgeen later door middel van een drugstest is bevestigd. Bovendien werd in de wandelwagen en nadien in het rommelige huis op dat moment GHB aangetroffen.
Uit het aanmeldformulier spoedverzoek, door Veilig Thuis toegezonden aan de RvdK op 25 augustus 2025, blijkt dat een thuisplaatsing op dit moment volgens Veilig Thuis en ambulante spoedhulp (…) onveilig is. Op basis van de ontvangen stukken deelt de RvdK deze mening. Tijdens de afgelopen weken heeft ASH ondanks de ingezette hulp onvoldoende zicht gekregen op de opvoedingsvaardigheden en het drugsgebruik van ouders. Hierdoor kan redelijkerwijs nu nog niet toegewerkt worden aan een thuisplaatsing van [het kind]. Dat er onvoldoende zicht is op de opvoedingsvaardigheden van ouders, is samenvattend gesteld te wijten aan een gebrek aan samenwerking met ouders: ouders werken onvoldoende mee aan de hulp van ASH. De zorgen (drugsgebruik van ouders, onveilige situaties die daarmee ontstaan voor dochter en een vervuilde woning) die zijn waargenomen toen [het kind] bij haar ouders verbleef zijn hiermee nog niet weggenomen – zo is ook de RvdK van mening.
De RvdK vindt het in het belang van [het kind] dat haar huidige verblijfplek wordt voortgezet tot de zorgen in de thuissituatie van ouders zijn weggenomen. Ouders stemmen niet langer in met verblijf van [het kind] elders, terwijl dit volgens onder meer de RvdK wél nodig is om haar veiligheid te waarborgen.
(…)
(…)
Samenvattend gesteld blijkt uit de conceptversie van het ‘verzoek tot onderzoek’ dat er van een samenwerking tussen Veilig Thuis, ASH en ouders nauwelijks sprake is geweest. Ouders zijn onvoldoende betrouwbaar geweest in het nakomen van afspraken. Ouders zeggen afspraken met ASH af, verbreken telefoongesprekken. Hierdoor heeft [het kind] minder contactmomenten met haar ouders gehad dan aanvankelijk was voorgenomen en afgesproken. Gedurende een periode van twee weken heeft [het kind] haar ouders niet gezien. Rekening houdend met haar huidige leeftijds- en ontwikkelingsfase is dat een zorgelijke ontwikkeling. De hulp van ASH is bijvoorbeeld tijdens de afgelopen weken onderbroken omdat ouders naar Belarus zijn vertrokken en (ook op dat moment) onvoldoende zicht is op de eventuele verbeteringen in de opvoedingssituatie bij ouders.
Tijdens een huisbezoek aan ouders (juli ’25) heeft de politie een verwaarlozende opvoedingssituatie waargenomen, zo blijkt uit de stukken die de RvdK van Veilig Thuis heeft ontvangen. Politie beschrijft dat er kleding, troep, etensresten en verpakkingen in de woning lagen en vindt dit geen leefbare situatie voor een kind. Er zijn eerder door de politie zorgen waargenomen over drugsgebruik door ouders, de politie heeft onder meer op 14 juni 2025 vader buiten bewustzijn, onder invloed van GHB in de trappenhal van een appartementencomplex aangetroffen. Daarnaast heeft de politie in december ’24 een melding gekregen van geschreeuw en gooien met spullen.
(…)
Gelet op voorafgaande is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat er een ernstig vermoeden is dat [het kind] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De grootste zorgen om [het kind] zijn gelegen in de onveiligheid waaraan ouders haar hebben blootgesteld.
(…) Rekening houdend met [het kind] ’ jonge leeftijd en daarmee haar kwetsbaarheid en afhankelijkheid van de volwassenen om haar heen, is een uithuisplaatsing op dit moment nog langer noodzakelijk. Nu ouders niet langer achter de plaatsing van [het kind] kunnen staan en niet willen meewerken aan hulpverlening is een uithuisplaatsing in het gedwongen kader noodzakelijk.
De zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige wordt door haar ouders die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende geaccepteerd. Zij bevestigen in contact met de RvdK dat zij hun toestemming voor de vrijwillige uithuisplaatsing van [het kind] intrekken.
De maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling is dringend en onverwijld noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
De Rvdk verzoekt daarnaast een machtiging uithuisplaatsing voor de periode van drie maanden aangezien deze plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de genoemde minderjarige. De RvdK is van mening dat een dringend en onverwijld ingrijpen noodzakelijk is om de veiligheid van [het kind] te waarborgen.
(…)
Ouders hebben op 25 augustus 2025 tijdens telefonisch contact met de RvdK aangegeven dat zij niet langer instemmen met de vrijwillige uithuisplaatsing van hun dochter. Ouders geven in contact met de RvdK aan dat zij nooit achter de vrijwillige plaatsing van hun dochter hebben gestaan, maar dat zij tot op heden hebben ingestemd – zij voelden zich onder druk van hulpverlening/politie staan.
Omdat het horen van belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige (art. 800 lid 3 en art. 809 lid 3 BW) wordt u verzocht de beschikking per direct af te geven.
(…)”
De beslissing van de kinderrechter is op 26 augustus 2025 op schrift gesteld. In de beschikking is overwogen dat er een ernstig vermoeden is dat de ontwikkeling van het kind acuut en ernstig wordt bedreigd; dat de ouders niet langer achter de plaatsing van het kind kunnen staan en niet willen meewerken aan hulpverlening en dat daarom een uithuisplaatsing in het gedwongen kader noodzakelijk is. De maatregelen van een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing zijn dringend en onverwijld noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Volgens de kinderrechter kan een zitting niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind (rov. 4.7).
De kinderrechter heeft het kind met ingang van 25 augustus 2025 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en de GI gemachtigd om het kind uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken, dus tot 22 september 2025. De beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voor het overige heeft de kinderrechter de beslissing op de verzoeken aangehouden. De kinderrechter heeft tot slot de raad, de GI, de ouders met hun advocaat opgeroepen voor een zitting op 5 september 2025 (onder 5.5 van het dictum).
Op 1 september 2025 heeft de advocaat van de ouders de kinderrechter verzocht om intrekking, bekorting, opheffing, dan wel beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
10
Op 3 september 2025 hebben de ouders een beroepschrift ingediend bij het hof ’s-Hertogenbosch. Hierin hebben de ouders verzocht om de beschikking van de kinderrechter van 25 augustus 2025 te vernietigen voor zover deze ziet op de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing, en het inleidend verzoek van de raad hiertoe alsnog af te wijzen en om toekenning van een schadevergoeding ex art. 5 lid 5 EVRM.
Op 5 september 2025 heeft de zitting bij de kinderrechter plaatsgevonden. Daarbij waren de vader en de advocaat van de ouders aanwezig.
Bij beschikking van 12 september 2025, hersteld bij beschikking van 16 september 2025, heeft de kinderrechter geoordeeld dat de voorlopige ondertoezichtstelling van het kind en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 25 augustus 2025 terecht zijn verleend. Ook heeft de kinderrechter vanaf 22 september 2025 een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 25 november 2025, uitvoerbaar bij voorraad.
De ouders hebben op 15 september 2025 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
Verder hebben de ouders op 17 september 2025 het hof verzocht om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 12 september 2025 te schorsen (art. 360 lid 2 Rv) .
De raad voor de kinderbescherming heeft in alle drie de hogerberoepzaken op 9 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
Op 15 oktober 2025 heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Met de advocaat van de ouders is besproken dat alle stukken worden beschouwd als ingekomen in alle zaaknummers. De ouders en de GI zijn met bericht van verhindering voorafgaande aan de mondelinge behandeling niet verschenen.
Het hof heeft op 6 november 2025 een beschikking gegeven. Het hof overweegt dat het enkele feit dat er sprake was van een geheime plaatsing bij het hof grote vragen oproept over de vrijwilligheid van de uithuisplaatsing van het kind. Niet te controleren is of de ouders op 22 juli 2025 hebben begrepen wat aan hen werd gevraagd en of zij daadwerkelijk hebben ingestemd met uithuisplaatsing, gelet op de gang van zaken en het e-mailbericht van de moeder van 28 juli 2025 aan Veilig Thuis en het transcript van de ouders van het gesprek op het politiebureau. Het hof overweegt dat het dit zeer zorgelijk vindt en dat het verontrust is over het feit dat de situatie pas een maand later, na uitdrukkelijke bemoeienis van de advocaat van de ouders, aan de raad en vervolgens de kinderrechter is voorgelegd terwijl de ouders al die tijd zorgen hebben geuit over de uithuisplaatsing. Ook vindt het hof het zeer verontrustend dat het bericht van de advocaat van de ouders van 21 augustus 2025, waarin is vermeld dat de ouders niet (langer) instemmen met de uithuisplaatsing, pas op 25 augustus 2025 door Veilig Thuis aan de raad is doorgegeven. Dit betekent immers dat het kind in ieder geval van donderdagmiddag tot maandagavond zonder toestemming van de ouders én zonder toestemming van de kinderrechter uit huis geplaatst is geweest (rov. 4.5.7).
Echter, zo vervolgt het hof, de periode voorafgaande aan de procedure bij de rechtbank ligt niet ter beoordeling voor. Wel ligt voor de vraag of er op 25 augustus 2025 sprake was van een situatie waarbij de behandeling van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van het kind niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor haar. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing werd voldaan (rov. 4.5.8).
Volgens het hof moet die laatste vraag bevestigend worden beantwoord, nu een machtiging tot uithuisplaatsing passend en noodzakelijk is in het belang van het kind. Met betrekking tot het niet eerst horen van de ouders door de kinderrechter, voorafgaand aan het afgeven van een machtiging tot uithuisplaatsing, overweegt het hof dat die beslissing begrijpelijk en terecht is. Er kan niet worden vastgesteld of de kinderrechter op maandagavond 25 augustus 2025 heeft geweten dat de – al dan niet vrijwillige – uithuisplaatsing van het kind op dat moment al een maand duurde, het kind al twee keer was overgeplaatst, de ouders openstonden voor hulpverlening en zij bijstand hadden van een advocaat. Weliswaar is dit alles vermeld in de schriftelijke weergave van dit verzoek van 26 augustus 2025, maar niet kan worden vastgesteld dat de informatie die telefonisch aan de kinderrechter is verstrekt volledig in overeenstemming is met de schriftelijke weergave van het verzoek (rov. 4.5.9).
Verder is het hof van oordeel dat de ouders tijdig na de spoedbeslissing alsnog zijn gehoord. Na de spoedbeslissing van 25 augustus 2025 zijn de ouders tijdens de mondelinge behandeling van 5 september 2025 gehoord. Volgens het hof blijkt uit rechtspraak van het EHRM wel duidelijk dat ouders zo snel mogelijk betrokken moeten worden bij spoedmaatregelen, maar het EHRM heeft zich niet uitgelaten over de exacte termijn waarbinnen de ouders moeten worden gehoord. De ouders zijn binnen de in art. 800 lid 3 Rv genoemde termijn van twee weken gehoord, en dus tijdig (rov. 4.5.10).
Op grond hiervan bekrachtigt het hof de beschikking van 25 augustus 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (rov. 4.5.11).
Het verzoek om schadevergoeding is tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat de ouders ten aanzien van dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard (rov. 4.5.12).
Ten aanzien van de beschikking van 12 september 2024, hersteld op 16 september 2025, oordeelt het hof dat deze beschikking in beginsel op juiste gronden is gegeven (rov. 4.5.13). Doordat het kind inmiddels thuis is geplaatst, is echter duidelijk geworden dat het kennelijk niet nodig was om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de volledige duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Niet uit te sluiten is dat een kortere termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing ervoor zou hebben gezorgd dat er eerder stappen hadden kunnen worden gezet (rov. 4.5.14). Voldoende duidelijk is geworden dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment vanwege de ingezette hulpverlening en het feit dat niet meer is gebleken van middelengebruik van de ouders en het huis op orde is gebracht, niet meer noodzakelijk is (rov. 4.5.15). De machtiging tot uithuisplaatsing wordt dan ook beperkt tot 6 november 2025. De beschikking van 12 september 2025 wordt in zoverre vernietigd.
Het verzoek om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking van 12 september 2025 is eveneens ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling (rov. 4.5.16). Ook ten aanzien van dat verzoek worden de ouders niet-ontvankelijk verklaard.
Op 3 februari 2026 hebben de ouders, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 6 november 2025, in de zaak betreffende de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. De raad en de GI zijn in cassatie niet verschenen.
3Juridisch kader
Het cassatieberoep is gericht tegen de oordelen van het hof dat (i) de kinderrechter de ouders niet voorafgaand aan het verlenen van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing behoefde te horen, en (ii) de ouders na het verlenen van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing tijdig zijn gehoord (rov. 4.5.8-4.5.10).
Het cassatieberoep moet worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond.
Uithuisplaatsing van minderjarigen
Voor een uithuisplaatsing van een minderjarige die onder toezicht is gesteld (art. 1:255 en 1:257 BW) is op grond van de wet een machtiging nodig. Voor het verkrijgen van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige gelden twee voorwaarden.
11 Deze voorwaarden zijn opgenomen in art. 1:265b BW:
Artikel 265b
1 Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
2 De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie.
(…)
Een machtiging tot uithuisplaatsing kan dus worden verleend als (a) dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijk gesteldheid én (b) de minderjarige onder toezicht is gesteld, al dan niet voorlopig, van een gecertificeerde instelling. Uithuisplaatsing is pas aan de orde als een ondertoezichtstelling niet toereikend is.
12
Het criterium dat (a) een uithuisplaatsing ‘noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijk gesteldheid’ wordt ingekleurd door art. 8 EVRM.
13
Voor (b) het onder toezicht stellen van een minderjarige, al dan niet voorlopig, gelden afzonderlijke eisen.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen (art. 1:255 lid 1 BW) .
Een ondertoezichtstelling kan ook voorlopig worden verleend (art. 1:257 lid 1 BW) . Voor een voorlopige ondertoezichtstelling is niet nodig dat al vaststaat dat aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan, maar volstaat een ernstig vermoeden dat aan deze voorwaarden is voldaan. Daarnaast geldt dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk moet zijn om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
14
Vermelding verdient in dit verband nog dat de staatssecretaris over een voorganger van art. 1:257 lid 1 BW – art. 1:255 BW (oud)
15 – heeft opgemerkt dat een voorlopige ondertoezichtstelling dringend en onverwijld noodzakelijk moet zijn en dus alleen in bijzondere situaties voor toepassing in aanmerking komt.
16
In een beschikking van 17 oktober 2025 heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van de rechtspraak van het EHRM in verband met het nemen van beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen:
17
“3.2.1 In de klachten over de toepassing van art. 8 lid 2 EVRM ziet de Hoge Raad, mede gelet op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder een uitspraak van het EHRM van 15 april 2025
18 in een zaak tegen Nederland, aanleiding om het volgende op te merken over het bij beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen in acht te nemen recht op eerbiediging van gezinsleven (art. 8 EVRM) .
Beslissingen op grond van afdeling 4 (Ondertoezichtstelling van minderjarigen) en afdeling 5 (Beëindiging van het ouderlijk gezag) van titel 14 van Boek 1 BW en de uitvoering daarvan kunnen, en zullen in veel gevallen, een inmenging vormen in het tussen een kind en zijn ouder of ouders bestaande gezinsleven (‘family life’) zoals beschermd door art. 8 EVRM. Een zodanige beslissing zal derhalve moeten voldoen aan de in art. 8 lid 2 EVRM gestelde vereisten dat zij bij de wet is voorzien, dat zij een legitiem doel dient, zoals de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, en dat zij kan worden beschouwd als in een democratische samenleving noodzakelijk. Dit laatste vereiste vergt onder meer dat het legitieme doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt en dat daaraan een redelijke afweging (‘fair balance’) van de betrokken belangen ten grondslag ligt.
19 Een en ander geldt ook voor een beslissing op een door een ouder gedaan verzoek op de voet van art. 1:277 BW om in het gezag over een kind te worden hersteld.
20
Bij alle beslissingen waar het gezinsleven van kinderen in het geding is, komt aan de belangen van het kind groot gewicht toe. Waar het gaat om de verzorging en opvoeding van kinderen en om beperkingen in de omgang, moeten de belangen van het kind volgens het EHRM voor andere overwegingen komen.
21
Bij het beoordelen van de noodzaak om de zorg over een kind geheel of gedeeltelijk aan een ander dan de ouder of ouders toe te vertrouwen — zoals het geval is als het kind onder toezicht wordt gesteld en uit huis wordt geplaatst (art. 1:255 BW en art. 1:265a BW) — komt in het algemeen aan de nationale rechter een ruime beoordelingsruimte toe. Daarbij is van belang dat het in beginsel gaat om tijdelijke maatregelen die op zichzelf geen volledige ontneming van het gezinsleven inhouden.
22 Louter financiële problemen van een ouder vormen geen voldoende grondslag om de ouder de zorg over een kind te ontnemen.
23
Is de zorg over een kind aan een ander dan de ouder of ouders toevertrouwd, dan heeft de overheid een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk wordt herenigd. Deze verplichting gaat steeds zwaarder wegen, omdat tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de verhoudingen tussen het kind en de ouder van wie het gescheiden is. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind
24 en het grote gewicht van dat belang.
25 Alle inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëigend, het gezinsverband te herstellen (‘family reunification’).
26 Het is derhalve van groot belang dat de wijze waarop de omgang tussen het kind en de ouder of ouders wordt geregeld, daadwerkelijk, maar zonder dat het kind wordt blootgesteld aan onevenredige hardheid (‘undue hardship’), het doel dient van hereniging van kind en ouder of ouders. In het algemeen zullen daarvoor omgangsregelingen waarbij tussen de omgangsmomenten intervallen verstrijken van weken — of zelfs maanden —, niet volstaan.
27
De conclusie dat, wanneer een aanmerkelijke periode is verstreken nadat het kind oorspronkelijk onder de zorg van de overheid is gekomen, het doel van hereniging van het kind en de ouder of ouders zich niet langer verdraagt met het belang van het kind, mag slechts worden getrokken na zorgvuldige overweging en met in aanmerking nemen van de positieve verplichting van de overheid om hereniging van kind en ouder of ouders te bevorderen.
28
In het besluitvormingsproces over kinderbeschermingsmaatregelen dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met het belang van de ouder of ouders. De opvattingen en belangen van de ouders moeten naar behoren in aanmerking worden genomen en het beslissingsproces dient zodanig te zijn dat de ouders in staat zijn om tijdig gebruik te maken van beschikbare rechtsmiddelen. De ouders moeten in zodanige mate in het gehele besluitvormingsproces worden betrokken dat hun belangen naar behoren worden beschermd en zij volledig in staat zijn om hun zaak naar voren te brengen. Daarbij moet ertegen gewaakt worden dat door enkel tijdsverloop in het nadeel van ouders wordt beslist. Of de rechter een deskundige dient te raadplegen over de vraag in hoeverre omgang kan plaatsvinden, hangt af van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het is aan de rechter om het voorhanden bewijs te waarderen.
29
Het EHRM beziet bij de beoordeling van klachten over schending van art. 8 EVRM de zaak in haar geheel (‘the case as a whole’) en betrekt daarbij zo nodig in bepaalde mate ook eerdere procedures en beslissingen.
30 Daarbij is het EHRM zich ervan bewust dat deze retrospectieve wijze van beoordeling kan afwijken van die van instellingen van jeugdbescherming en rechters, die beslissingen moeten nemen op basis van de omstandigheden waarin het kind en betrokken gezinsleden verkeren op het moment van de beslissing en met het oog in de eerste plaats gericht op de toekomst.
31
De Hoge Raad snijdt deze overwegingen toe op kinderbeschermingsmaatregelen in het algemeen. Uit rechtspraak van het ERHM over specifiek uithuisplaatsingen van minderjarigen kunnen de volgende regels worden afgeleid.
32
Volgens het EHRM moet bij de beoordeling van de noodzaak van een uithuisplaatsing een afweging plaatsvinden tussen de belangen van het kind (met inachtneming van zijn leeftijd en welzijn) en die van de ouders, in het licht van alle omstandigheden van het geval.
33 Bijzonder belang moet worden gehecht aan de ‘best interests’ van het kind, die zwaarder kunnen wegen dan die van de ouders.
34 Nationale autoriteiten hebben weliswaar (in het algemeen)
35 een wijde ‘margin of appreciation’,
36 maar een uithuisplaatsing moet tegelijkertijd worden gezien als een ‘measure of last resort’ waarvoor het enkele bestaan van een andere en betere opgroeiomgeving onvoldoende is.
37 Voor een uithuisplaatsing zijn zeer uitzonderlijke omstandigheden nodig,
38 moet de impact voor het gezin zorgvuldig zijn beoordeeld,
39 en moeten mogelijke alternatieven zijn overwogen.
40 Als de uithuisplaatsing wordt gerechtvaardigd door een gevaar voor het kind, moet dit gevaar daadwerkelijk worden vastgesteld.
41 Zorgen over de veiligheid en/of stabiliteit van de situatie van ouders kunnen een uithuisplaatsing niet rechtvaardigen als andere maatregelen, zoals hulpverlening, toereikend zijn.
42
Duidelijk is dus dat voor een uithuisplaatsing in het algemeen zeer strikte voorwaarden gelden. De tekst ‘noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige’ in art. 1:265b moet in lijn met de hiervoor genoemde rechtspraak van het EHRM worden geïnterpreteerd. Dat betekent dus, onder meer, dat uithuisplaatsing van een kind een ‘measure of last resort’ moet zijn, en dat altijd moet worden beoordeeld of er andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn.
Procedurele waarborgen op grond van art. 6 en 8 EVRM bij (spoed)uithuisplaatsingen
Art. 6 en art. 8 EVRM voorzien in procedurele waarborgen voor uithuisplaatsingen van minderjarigen.
43
In de zaak Wetjen c.s. v Duitsland oordeelde het EHRM dat uit art. 8 EVRM voortvloeit dat ouders bij een uithuisplaatsing in het algemeen voldoende in staat moeten worden gesteld om met voldoende feitelijke informatie voor hun belangen op te komen en argumenten tegen een uithuisplaatsing aan te voeren, waarbij de feitelijke basis voor de beslissing over de uithuisplaatsing voldoende en niet arbitrair of onredelijk moet zijn.
44 Ook in de hiervoor geciteerde beschikking van de Hoge Raad van 17 oktober 2025 is dit punt genoemd (rov. 3.2.7).
In de zaak Saviny v Oekraïne benadrukte het EHRM dat het besluitvormingsproces voor een uithuisplaatsing in zijn geheel bezien eerlijk moet zijn en zodanig dat de belangen die art. 8 EVRM waarborgt worden gerespecteerd, en dat gewicht toekomt aan de onderbouwing van de feitelijke basis voor de uithuisplaatsing en de mogelijkheden voor betrokkenen, in het bijzonder de ouders, om voldoende te participeren in de (gehele) procedure.
45
Verder bestaat op grond van art. 6 EVRM in elke zaak over civiele rechten in beginsel het recht om publiekelijk gehoord te worden door een rechter. Dit geldt dus ook voor civiele zaken over uithuisplaatsingen van minderjarigen, zo volgt nadrukkelijk uit Moser v Oostenrijk.
46
Deze procedurele eisen brengen echter niet mee dat ouders altijd voorafgaand aan een uithuisplaatsing van een kind moeten worden gehoord. Vereist is volgens de hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM dat er voldoende mogelijkheden bestaan voor participatie van de ouders bij de besluitvorming in algemene zin.
Dat het vooraf horen niet altijd nodig is, blijkt bijvoorbeeld uit de uitspraken van het EHRM inzake Wetjen c.s. v Duitsland (ouders werden een aantal maanden na de betreffende beslissing gehoord; geen schending van art. 8 EVRM)
47 en Tlapak c.s. v Duitsland (ouders werden tien dagen na de betreffende beslissing gehoord; geen schending van art. 8 EVRM) .
48 Ook uit de uitspraak van het EHRM inzake H.K. v Finland kan dit worden afgeleid (vader werd pas ruim een maand na de scheiding van hem enerzijds en het kind en moeder anderzijds gehoord door een specifieke board en pas maanden later door een rechter).
49
In de zaak Venema v Nederland oordeelde het EHRM dat wanneer het ter bescherming van een kind in een noodgeval noodzakelijk is dat spoedmaatregelen worden genomen, het niet altijd mogelijk of vereist is dat de ouders voorafgaand aan het nemen van de maatregelen worden betrokken in de besluitvorming:
50
“93. The Court accepts that when action has to be taken to protect a child in an emergency, it may not always be possible, because of the urgency of the situation, to associate in the decision-making process those having custody of the child. Nor, as the Government point out, may it even be desirable, even if possible, to do so if those having custody of the child are seen as the source of an immediate threat to the child, since giving them prior warning would be liable to deprive the measure of its effectiveness. The Court must however be satisfied that the national authorities were entitled to consider that there existed circumstances justifying the abrupt removal of the child from the care of its parents without any prior contact or consultation. In particular, it is for the respondent State to establish that a careful assessment of the impact of the proposed care measure on the parents and the child, as well as of the possible alternatives to the removal of the child from its family, was carried out prior to the implementation of a care measure (see K. and T. v. Finland, cited above, § 166).”
In de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat het kind zich ‘in perfect safety’ in het ziekenhuis bevond, was het EHRM echter van oordeel dat de kinderbeschermingsmaatregelen niet hadden mogen worden genomen zonder dat de ouders op enig moment hun visie hadden kunnen geven (§ 96-99).
In de zaak Haase v Duitsland werd de hiervoor geciteerde overweging uit Venema v Nederland herhaald en werd bovendien het volgende overwogen:
51
“99. The Court observes moreover that, before public authorities have recourse to emergency measures in connection with such delicate matters as care orders, the imminent danger should be actually established. It is true that in obvious cases of danger no involvement of the parents is called for. However, if it is still possible to hear the parents of the children and to discuss with them the necessity of the measure, there should be no room for an emergency action, in particular when, as in the present case, the danger had already existed for a long period. There was therefore no urgency capable of justifying the District Court's interim injunction.”
Hoewel het ‘in obvious cases of danger’ zo kan zijn dat de ouders niet betrokken hoeven te worden bij het nemen van spoedmaatregelen, blijft het zo dat dat als het mogelijk is om de ouders te horen en met hen de noodzaak van de maatregelen te bespreken, er geen ruimte is om (buiten de ouders om) spoedmaatregelen te treffen.
Uit deze rechtspraak van het EHRM volgt dat ouders in beginsel moeten worden gehoord voordat beschermingsmaatregelen worden getroffen, tenzij dat niet mogelijk of niet wenselijk is. Dat het niet mogelijk of niet wenselijk is om de ouders vooraf te horen, moet wel gerechtvaardigd zijn door de feiten en omstandigheden van het geval. Het niet horen van de ouders omdat dat niet wenselijk is, moet bovendien beperkt worden tot ‘obvious cases of danger’, waarbij het gevaar daadwerkelijk is vastgesteld.
Hieruit laat zich afleiden dat de rechterlijke beslissing om de ouders niet voorafgaand aan het nemen van spoedmaatregelen te horen, met concrete feiten en omstandigheden moet worden onderbouwd.
Hoe dan ook moeten ouders (vooraf of later) in voldoende mate worden betrokken bij het beslissingsproces over de beschermingsmaatregelen, waarbij dit proces in zijn geheel moet worden beschouwd.
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt geen specifieke termijn voor het achteraf, na het nemen van kinderbeschermingsmaatregelen zonder voorafgaand horen, alsnog horen van ouders door de rechter.
Procedure voor verzoeken tot (spoed)uithuisplaatsing
Voor het verzoek om een machtiging voor een (spoed)uithuisplaatsing gelden in beginsel de algemene voorschriften van de reguliere verzoekschriftprocedure (art. 278-279 Rv) . Het verzoek moet onder meer een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust bevatten (art. 278 lid 1 Rv) . Na het indienen van het verzoek bepaalt de rechter in de regel een moment voor de mondelinge behandeling van het verzoek en belanghebbenden worden daartoe opgeroepen (art. 279 Rv) . Deze oproeping moet tegen een behoorlijke termijn plaatsvinden.
52
Aan een verzoek om een machtiging tot een (spoed)uithuisplaatsing van een minderjarige zijn specifieke eisen gesteld. Zo moeten gegevens van onder meer belanghebbenden worden opgenomen in het verzoek (art. 799 lid 1 Rv) en moeten de bescheiden worden overgelegd die kunnen dienen tot bewijs van de gestelde feiten (art. 799 lid 2 Rv) .
Art. 1:265k lid 1 BW en art. 808 Rv bepalen onder meer dat de kinderrechter een zaak over een machtiging tot een (spoed)uithuisplaatsing behandelt (zie ook art. 1:265b lid 1 BW) , dat het verzoek schriftelijk wordt gedaan,
53 en dat het verzoek kan worden ingediend zonder advocaat.
In zeer spoedeisende gevallen is het mogelijk om een verzoek tot een spoedmachtiging eerst mondeling (telefonisch) te doen en dit later schriftelijk te bevestigen. In het Procesreglement familie- en jeugdrecht is bepaald dat spoedverzoeken die mondeling zijn gedaan, op de eerstvolgende werkdag vóór 12.00 uur bij de rechtbank dienen te worden bevestigd.
54 De schriftelijke verslaglegging van het mondelinge verzoek is vereist vanuit het perspectief van hoor en wederhoor (van de wederpartij) en het schriftelijkheidsvereiste van art. 1:265k lid 1 BW.
55
Bij een verzoek om een machtiging voor een uithuisplaatsing worden in ieder geval de ouders als belanghebbenden aangemerkt, omdat de zaak rechtstreeks op hun rechten en verplichtingen betrekking heeft (art. 798 lid 1 Rv) . Een machtiging om een uithuisplaatsing raakt immers rechtstreeks hun recht op family life (art. 8 EVRM) en hun plicht en recht om een minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 lid 1 BW) .
Verder geeft art. 800 Rv voorschriften over het horen van de belanghebbenden:
56
Artikel 800
1 Tenzij de rechter aanstonds een beschikking geeft waarbij hij zich onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, wordt aan de belanghebbenden, voorzover hun woonplaats bekend is, een afschrift van het verzoekschrift en van de daarbij behorende bescheiden toegezonden en worden de belanghebbenden opgeroepen voor de behandeling. Is de woonplaats niet bekend, dan wordt bij de oproeping het verzoek kort aangeduid.
2 Voorts kan de rechter bevelen dat degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen.
3 De beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet om een minderjarige uit huis te plaatsen, een beschikking met betrekking tot de voorlopige voogdij alsmede een beschikking als bedoeld in artikel 265i, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.
Op grond van art. 800 lid 3 Rv kan een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling en tot een machtiging tot een (spoed)uithuisplaatsing dus alleen aanstonds worden gegeven als de behandeling niet kan worden afgewacht zonder ‘onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige’.
57 Als niet aan de voorwaarde is voldaan, geldt het uitgangspunt dat de rechter eerst een mondelinge behandeling gelast (art. 279 lid 1 in samenhang met art. 800 lid 1-2 Rv) .
Het criterium ‘onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige’ in art. 800 lid 3 Rv heeft betrekking op de vraag of de behandeling van het verzoek kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Dat is een andere vraag dan die of een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht, verliest een beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging om een minderjarige uit huis te plaatsen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken (art. 800 lid 3 Rv) . Het alsnog horen van de ouders is verplicht en het verzoek moet met volle inachtneming van het standpunt van de ouders volledig opnieuw worden beoordeeld.
58
Art. 800 lid 3 Rv is ingevoerd met de Wet herziening van het procesrecht in zaken van personen– en familierecht’. Lid 3 was aanvankelijk niet opgenomen in het wetsvoorstel maar is bij nota van wijziging geïntroduceerd.
59 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met de bepaling aansluiting is gezocht bij een regeling in het destijds aanhangige wetsvoorstel ‘herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen’ (23 003), waarin het criterium ‘onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige’ al was opgenomen.
60
In de toelichting is het belang van het voorafgaand horen van de ouders benadrukt en is opgemerkt dat óók in noodsituaties uitgangspunt is dat betrokkenen vooraf worden gehoord:
61
“(…) Uitgangspunt is daarbij dat zich situaties voordoen waarin ter bescherming van een minderjarige acuut ingrijpen door middel van uithuisplaatsing noodzakelijk kan zijn, zonder dat alle betrokkenen vooraf gehoord zijn. Aan de praktijk ontleend is het voorbeeld van de baby die in het ziekenhuis is opgenomen wegens ernstige verschijnselen van ondervoeding of mishandeling en die door de ouders dreigt te worden weggehaald hetgeen levensgevaar voor het kind zou betekenen. Onmiddellijk ingrijpen waarbij het kind in het ziekenhuis kan worden gehouden, ook als door de tijdsdruk het vooraf horen van de ouders niet mogelijk is, kan nodig zijn. (…)
Voorgesteld wordt om, wanneer deze situatie zich voordoet gedurende een ondertoezichtstelling, de kinderrechter de bevoegdheid te geven zonodig zonder voorafgaand verhoor een machtiging tot uithuisplaatsing aan de gezinsvoogdij-instelling te verlenen (…).
Uitgangspunt blijft niettemin dat ook in noodsituaties alle betrokkenen vooraf in de gelegenheid gesteld moeten worden hun mening kenbaar te maken. Het wetsvoorstel brengt dit tot uiting in (…) dat dit alleen dan anders kan zijn wanneer dit verhoor niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Is voorafgaand verhoor in deze omstandigheden achterwege gebleven, dan verliest de beslissing van de rechter bovendien zijn kracht na verloop van twee weken, tenzij betrokkenen binnen deze termijn alsnog in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken. (…)”
Duidelijk is hiermee dat art. 800 lid 3 Rv zo moet worden begrepen, dat alleen van het voorafgaand horen van de ouders kan worden afgezien wanneer dit verhoor niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
Op de tweeweken-termijn van art. 800 lid 3 Rv is veel kritiek geleverd.
62 In het recente Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming is voorgesteld de termijn in te korten tot één week.
63 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht dat de tweeweken-termijn moet worden ingekort vanwege een behoefte aan verbeterde rechtsbescherming.
64
De afgelopen jaren is er veel aandacht geweest voor de praktijk van (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van minderjarigen in Nederland. Uit de literatuur en ander onderzoek blijkt dat er grote zorgen bestaan over deze praktijk.
65
Zo geeft een rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd uit 2022 de volgende observatie: “De inspectie constateert dat professionals bij de RvdK en de GI’s hun werk met toewijding en deskundigheid uitvoeren. Toch wordt een beslissing tot (een aanvraag voor een machtiging tot een) gedwongen uithuisplaatsing niet altijd en niet in alle facetten op basis van zorgvuldig feitenonderzoek genomen. In geen enkele casus was het feitenonderzoek volledig op orde.”
66
En uit een factsheet van de Universiteit Leiden uit 2022 blijkt onder meer: “(…) gebrek aan rechtsbescherming [is, A-G] het belangrijkste knelpunt (…) voor burgers die te maken krijgen met een uithuisplaatsing. Denk aan spoedprocedures zonder vooraf gehoord te worden, onzorgvuldige rapporten, het gebrek aan juridische bijstand, een open rechtsgrond (een rechtsgrond die een ruime interpretatie voor uithuisplaatsing mogelijk maakt wat leidt tot rechtsonzekerheid), een kinderrechter die maar een beperkte rol heeft en niet sturend kan optreden (…).”
67 Onderzoek van de Universiteit Leiden uit 2023 benoemt verder dat rechtsbescherming vorm moet krijgen door goed contact met ouders en voldoende informatievoorziening, reeds in het beginstadium van kinderbeschermingstrajecten.
68
In 2023 heeft ook het Landelijk Overleg van Vakinhoud Familie- en jeugdrecht van de rechtbanken en de gerechtshoven een rapport opgesteld, met de titel ‘Recht doen aan kinderen en ouders’.
69 In dit rapport wordt onderzocht hoe rechters rechtsbescherming bieden in familie- en jeugdzaken. Aandachtspunten die uit het rapport blijken zijn de probleemanalyse door de rechter, de motivering van beslissingen (zeker bij spoedbeslissingen), de regierol van de rechter en het belang van waarheidsvinding. Ook is een belangrijk aandachtspunt het zorgen voor procedurele rechtvaardigheid: ouders en anderen hebben regelmatig het gevoel niet (echt) gehoord te worden door de rechter. Het rapport doet verschillende aanbevelingen, zoals het hanteren als uitgangspunt dat één rechter betrokken is bij één gezin, meer regie nemen voordat de zitting plaatsvindt en het beter (laten) verrichten van onderzoek en gratis rechtsbijstand voor ouders, goed in acht nemen wat (onder andere) ouders aan de rechter meegeven, het verrichten van onderzoek naar de mogelijkheid om betrokkenen bij spoedbeslissingen toch direct te horen, en een verkorting van de hogerberoeptermijn en die voor het alsnog horen van belanghebbenden bij spoedbeslissingen.
In 2024 is nog het Advies ‘Kinderen en ouders met recht goed beschermd’ gepubliceerd. Dit advies bevat vergelijkbare aanbevelingen als de aanbevelingen uit het rapport ‘Recht doen aan kinderen en ouders’ en doet ook verschillende aanbevelingen voor het verbeteren van de besluitvormingsprocedure die vooraf gaat aan een procedure bij de kinderrechter (in het kader van het recht op informatie, participatie en ondersteuning van betrokkenen).
70
In de literatuur zijn tot slot ook kritische geluiden over spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing te horen. Bruning e.a. menen dat meer terughoudendheid gepast is met spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing.
71 In een bijdrage in het NJB schrijft Tromp dat onvoldoende recht wordt gedaan aan het perspectief van ouders en kinderen, omdat de informatie van instanties leidend is bij het beoordelen van verzoeken, waarbij tegenspraak onvoldoende is georganiseerd en rechtsbijstand onvoldoende is gewaarborgd.
72 Van Boven e.a. benadrukken dat het horen van ouders bij spoeduithuisplaatsingen geregeld achterwege blijft, terwijl dit wel essentieel is.
73 De Boer & Bruning beschrijven verder in een publicatie verschillende onderzoeken waaruit blijkt dat er zorgen bestaan over de rechtsbescherming van ouders bij spoedhuisplaatsingen.
74
Uithuisplaatsing zonder rechterlijke machtiging met instemming ouders (“drangkader”)
In de praktijk wordt een minderjarige soms uit huis geplaatst zonder tussenkomst van de rechter, maar op basis van instemming van de ouders. Deze praktijk moet worden gezien tegen de achtergrond van het vrijwillige en wettelijke jeugdhulpverleningstraject waarin de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning voorzien. In dit preventieve jeugdbeschermingstraject wordt hulp geboden voordat er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, al dan niet met “zachte drang”.
75
In de literatuur is er veel kritiek op het zogenoemde ‘drangtraject’ bij uithuisplaatsingen. Zo signaleert Van der Zon dat er spanning bestaat tussen de strekking van de regel van art. 1:265a BW en het preventieve jeugdbeschermingstraject waarin instemming van de ouders wordt gezocht.
76 Ook Bruning, Van den Brink & Punselie noemen deze spanning en hebben in het bijzonder zorgen over het veelvuldig hanteren in de praktijk van een ‘drangvariant’ die niet uitdrukkelijk in de Jeugdwet is geregeld.
77 Verkroost is eveneens kritisch en benadrukt het belang van informed consent als wordt gehandeld op basis van (beweerdelijke) instemming van betrokkenen.
78 Zie in deze lijn tevens De Graaf, die signaleert dat er een dilemma bestaat “tussen hulp en recht” en dat bezuinigingen en werkdruk het zorgvuldig optreden van jeugdhulpverleners niet makkelijk(er) maken.
79 Ook advocaat-generaal Lückers was kritisch op uithuisplaatsingen binnen een drangtraject.
80
In de feitenrechtspraak wordt benadrukt dat daadwerkelijke instemming van ouders nodig is voor een uithuisplaatsing als geen sprake is van een ondertoezichtstelling en wordt kritisch gekeken naar ‘drangtrajecten’.
81
Ook zijn er verschillende onderzoeken en adviezen verschenen waarin kritiek wordt geuit op drangtrajecten, waarbij ook op de juridische eisen wordt ingegaan.
82
4Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van het hof in de zaak met zaaknummer 200.358.685/01 (de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing) en bestrijdt alleen rov. 4.5.8-4.5.10 van de bestreden beschikking voor zover die overwegingen betrekking hebben op art. 800 lid 3 Rv. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen.
83 Onderdeel I valt uiteen in verschillende subonderdelen.
De klachten zijn alle gericht tegen de beslissing van het hof dat de kinderrechter de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing kon geven, zonder voorafgaand de ouders van het kind te horen (rov. 4.5.8-4.5.9), en/of dat de ouders tijdig na het geven van de spoedmachtiging door de kinderrechter zijn gehoord (rov. 4.5.10).
Belang bij het cassatieberoep
In deze zaak is niet langer sprake van een lopende uithuisplaatsing. De vraag die hiermee opkomt is of de ouders nog belang hebben bij het onderhavige cassatieberoep. Dit is het geval. Aanvankelijk was de Hoge Raad van oordeel dat in een dergelijke situatie het vereiste belang bij het cassatieberoep ontbreekt.
84 Maar van deze lijn is de Hoge Raad teruggekomen.
85 De ouders hebben dus belang bij hun cassatieberoep.
Toetsingsmaatstaf in hoger beroep bij verlopen machtigingen tot uithuisplaatsingen
Voor de beoordeling van het cassatieberoep is relevant naar welk moment en op basis van welke gegevens het hof over de beslissing tot het verlenen van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing moest oordelen. In een uitspraak uit 2022 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof in zo’n geval bij de beoordeling dient uit te gaan van de situatie ten tijde van de beslissing van de rechtbank en van de gegevens waarover de rechtbank beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat.
86
Het hof moest dus beoordelen of de beslissing van de kinderrechter om de spoedmachtiging zonder de ouders vooraf te horen terecht was, op basis van de destijds bij de kinderrechter bekende gegevens en met inachtneming van het partijdebat in hoger beroep.
Onderdeel I: het al dan niet horen van de ouders voorafgaand aan de spoedmachtiging
In onderdeel I worden de volgende klachten aangevoerd, gericht tegen rov. 4.5.6-4.5.9 van de bestreden beschikking (mijn nummering):
a. het hof heeft miskend dat voor de vraag of de beslissing van de kinderrechter om op het verzoek tot uithuisplaatsing te beslissen zonder een mondelinge behandeling af te wachten, rechtens juist en begrijpelijk is, mede van belang is wat daaraan voorafgegaan is. Er zijn gevallen denkbaar waarin de situatie zó acuut is dat het horen van de ouders niet kan worden afgewacht, maar daarvan is na een maand geheime uithuisplaatsing geen sprake meer.
b. het hof hanteert in rov. 4.5.9 een onjuist uitgangspunt, door te toetsen of het oordeel van de rechtbank ‘begrijpelijk’ is. De maatstaf is niet of een dergelijke vergaande maatregel zonder hoor en wederhoor toe te passen ‘begrijpelijk’ is, maar of de behandeling van een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Daarbij moet conform vaste jurisprudentie van het EHRM de besluitvormingsprocedure als geheel ter toetsing voorgelegd kunnen worden om te bezien of de (voortduring van die) inbreuk gerechtigd is. Het hof moet dus het hele proces vanaf 22 juli 2025 toetsen en gaat ten onrechte uit van een ex nunc-toetsing op 25 augustus 2025, met als gevolg dat over de periode die daaraan voorafging rechtsbescherming in de zin van een onafhankelijke rechterlijke toets ontbreekt.
c. in rov. 4.5.9 past het hof vervolgens de maatstaf ‘of de behandeling van een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige’ ten onrechte niet toe. Dit getuigt van hetzij een onjuiste rechtsopvatting hetzij is het oordeel onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd.
Hieraan wordt in onderdeel I.3 en I.4 nog het volgende toegevoegd:
d. Onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 4.5.9 dat niet bekend is of de kinderrechter op maandagavond 25 augustus 2025 heeft geweten dat de – al dan niet vrijwillige – uithuisplaatsing op dat moment al een maand duurde, het kind al twee keer was overgeplaatst, de ouders openstonden voor hulpverlening en zij bijstand hadden van een advocaat.
e. Het hof miskent in rov. 4.5.9 dat het ervan moet uitgaan dat hetgeen door de raad voor de kinderbescherming op schrift is gesteld, volledig in overeenstemming is met hetgeen daaraan voorafgaand mondeling is meegedeeld aan de kinderrechter, omdat er anders geen toetsbare procedure plaatsheeft en rechtsbescherming ontbreekt.
f. Het hof is buiten het debat van partijen getreden, nu het verweer van de raad voor de kinderbescherming niet is geweest dat de rechter de details niet zou kennen omdat hetgeen telefonisch door de raad is medegedeeld zeer summier zou zijn geweest. Integendeel, de raad verwijst in het verweerschrift zelf naar de onderbouwing van 26 augustus 2025 en geeft aan dat dit mondeling is gedaan op 25 augustus 2025.
87 Ook in het schriftelijke verzoek van de raad van 26 augustus 2025 is vermeld dat het gaat om een opschriftstelling van het mondelinge verzoek van 25 augustus 2025. In reactie op de stellingen van de ouders in hun beroepschrift dat zij ten onrechte niet zijn gehoord door de kinderrechter, voorafgaand aan het verlenen van de spoedmachtiging, is door de raad in het verweerschrift slechts gesteld dat kinderen niet uithuisgeplaatst kunnen worden/blijven wanneer ouders hiermee niet (meer) mee instemmen, dat een thuisplaatsing van het kind niet verantwoord was, er daarom met spoed verzocht is om een ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging uithuisplaatsing. De raad heeft niet gesteld dat de kinderrechter de details niet zou kennen en/of dat de schriftelijke vastlegging van het verzoek méér informatie zou bevatten dan mondeling is meegedeeld aan de kinderrechter.
g. Het hof heeft ten onrechte essentiële stellingen van de ouders gepasseerd. In het beroepschrift hebben de ouders gesteld dat ten onrechte en zonder enige noodzaak voorbij is gegaan aan het horen van belanghebbenden en hun advocaat door het bestuursorgaan en de kinderrechter en dat die ruimte in elk geval tussen 21 en 25 augustus 2025 bestond, dat de fictie van een ‘ernstig en onmiddellijk gevaar’ niet mag worden misbruikt en dat de ouders niet eens wisten waar hun dochter was. Daarnaast hebben ouders gesteld dat Veilig Thuis Oost-Brabant, raad en kinderrechter alle tijd hadden om ouders en advocaat vooraf te horen. Van een ernstig en onmiddellijk gevaar was immers geen sprake en namens ouders was nu juist de wens gehoord te worden evident.
h. De overweging van het hof bedoeld onder d is bovendien onbegrijpelijk omdat het spoedverzoek van de raad juist was ingegeven doordat de advocaat van de ouders zich op 21 augustus 2025 en nogmaals op 25 augustus 2025 heeft gemeld bij Veilig Thuis met de mededeling dat de ouders niet instemmen met de vrijwillige uithuisplaatsing.
Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het hof gaat in rov. 4.5.8 uit van de juiste maatstaf voor de toepassing van art. 800 lid 3 Rv, namelijk of sprake is van een “onmiddellijk en ernstig gevaar”.
De toepassing van de maatstaf door het hof is echter niet juist. In de laatste zin van rov. 4.5.9 oordeelt het hof dat het begrijpelijk en terecht is dat de kinderrechter direct zonder het horen van ouders heeft beslist, omdat de kinderrechter was gebeld met de mededeling dat de ouders de toestemming voor de uithuisplaatsing van hun net éénjarige dochter hadden ingetrokken, terwijl het volgens Veilig Thuis en de raad voor haar niet veilig was om terug naar huis te keren. Hiermee miskent het hof het toetsingskader van art. 800 lid 3 Rv, namelijk dat sprake is van een onmiddellijk en ernstig gevaar dat aan het (spoedig) vooraf horen van ouders tijdens een mondelinge behandeling in de weg staat. Dat is iets anders dan de vraag of het kind terug naar de ouders kon, zonder een onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind (zie 3.35).
Dat sprake moet zijn van een onmiddellijk en ernstig gevaar dat in de weg staat aan het vooraf horen van de ouders, vormt een hoge drempel, met een mensenrechtelijke achtergrond. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het niet voorafgaand horen van de ouders gerechtvaardigd moet zijn door de feiten en omstandigheden van het geval en concreet moet worden onderbouwd (zie onder 3.20-3.25). Uit het feit dat het terugkeren volgens de raad en Veilig Thuis “niet veilig” was (rov. 4.5.9), volgt echter geenszins dat het voorafgaand horen van de ouders niet kon worden afgewacht.
Het oordeel van het hof dat voldaan is aan de maatstaf van art. 800 lid 3 Rv is ook onbegrijpelijk, nu vaststaat dat het kind op 25 augustus 2025 al een maand op een voor de ouders onbekende locatie verbleef. De kinderrechter was hiervan op de hoogte, zo blijkt uit de beschikking van 26 augustus 2025 (rov. 2.2). Alleen al hierom is niet in te zien op grond waarvan de kinderrechter heeft geoordeeld dat sprake was van een onmiddellijk en ernstig gevaar dat aan het voorafgaand horen van de ouders in de weg stond. Laat staan dat sprake was van een ‘obvious case of danger’ (zie onder 3.20-3.24).
Verder is ook niet begrijpelijk dat het hof overweegt ”dat niet kan worden vastgesteld of hetgeen telefonisch aan de kinderrechter is medegedeeld omtrent het spoedverzoek, volledig in overeenstemming is met hetgeen in de schriftelijke weergave van dit verzoek van 26 augustus 2025 is opgenomen, in het bijzonder over hoe de uithuisplaatsing tot dat moment is verlopen, hoe de ouders zich tot dan toe hadden opgesteld en dat de ouders werden bijgestaan door een advocaat”. De kinderrechter heeft in zijn beschikking van 25 augustus 2025, op schrift gesteld op 26 augustus 2025, het volgende overwogen: “De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - het mondelinge verzoek van de raad op 25 augustus 2025, gevolgd door de schriftelijke bevestiging van het verzoek met bijlagen van 26 augustus 2025, ontvangen op 26 augustus 2025.” (rov. 1.1). Ook noemt de kinderrechter het verblijf van het kind op een geheim adres (rov. 2.2) en dat de ouders de toestemming voor vrijwillige uithuisplaatsing intrekken (rov. 4.6). Nergens in de beschikking heeft de kinderrechter vermeld dat de mondeling verstrekte informatie door de raad afwijkt van de inhoud van de schriftelijke bevestiging daarvan (met bijlagen).
Uit het verweerschrift van de raad voor de kinderbescherming in hoger beroep blijkt ook niet dat de raad ter discussie heeft gesteld of het mondelinge en het schriftelijk bevestigde verzoek overeenkwamen.
88 Wel blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep dat er enige onzekerheid bestond over de mate waarin de verstrekte informatie volledig overeenkwam, voor wat betreft het feit dat de ouders inmiddels werden bijgestaan door een advocaat:
89
“[advocaat ouders:] (…) U stelt mij de vraag of aan de rechter die om 19.15 uur werd gebeld door de raad en te horen kreeg dat de ouders niet meer instemden met de uithuisplaatsing, verteld had moeten worden dat ik de advocaat was en wat mijn telefoonnummer was. Dat moet bijna wel. (…) Misschien heeft de rechter niet van mijn bestaan geweten. Maar in de schriftelijke vastlegging van de beslissing [d.d. 26 augustus 2025] staat mijn naam, dus ik moet ervanuit gaan dat hij wist dat ik er was. Ik moet er vanuit gaan dat in de informatie op 25 augustus 2025 mijn naam is genoemd. Als de rechter het niet wist, wat mogelijk is, dan had het op de weg gelegen van de raad om de rechter volledig te informeren dat er een procesvertegenwoordiger is, gelet op artikel 3:2 Awb.
(…)
De raad:
Ik kan toelichten hoe de situatie omtrent spoedverzoeken gaat. De raad belt de kinderrechter. De gegevens van het kind en de ouders worden gevraagd, alsmede de gegevens van wie de kinderrechter aan de telefoon heeft. Er wordt in principe nooit om gegevens van een advocaat gevraagd, omdat die er vaak nog niet is. In dit geval was die er wel. Ik denk dat mijn collega heeft aangegeven dat er een vrijwillige plaatsing was en dat de toestemming van de ouders was ingetrokken. Ik weet niet of er op dat moment is aangegeven dat die toestemming via een advocaat was ingetrokken. Als dat al is gebeurd, zijn er zeker geen namen of telefoonnummers gegeven. Dat gebeurt niet. Er wordt gelijk ingegaan op de reden waarom er een spoedverzoek wordt gedaan. Als het niet duidelijk is geweest dat er een advocaat was betrokken, is dat eerder aan de raad te wijten dan aan de kinderrechter. Het zou zo moeten zijn dat in de schriftelijke weergave van het verzoek slechts de informatie is opgenomen die de kinderrechter telefonisch heeft gehoord. Mijn collega en ik proberen ons er zo veel mogelijk buiten te houden en ons te focussen op het nu. (…)”
Het hof had er dan ook van moeten uitgaan dat de mondelinge en schriftelijk verstrekte informatie overeenkwam. De regel dat op mondelinge wijze verstrekte informatie schriftelijk moet worden bevestigd (zie onder 3.30-3.31), heeft juist als achtergrond het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. Dat beginsel wordt geweld aangedaan als wordt aangenomen dat niet met zekerheid vastgesteld kan worden welke informatie mondeling is verstrekt, en om die reden een (volledige) toetsing van de rechterlijke beslissing achterwege blijft.
Hoe dan ook staat vast dat de kinderrechter bekend was met het feit dat (i) het kind al sinds een maand uit huis was geplaatst en op een voor de ouders geheime locatie verbleef; (ii) dat de ouders hun (veronderstelde) instemming voor de uithuisplaatsing van het kind hadden ingetrokken en (iii) dat de ouders een advocaat hadden ingeschakeld. Ook dat laatste is immers vermeld in de schriftelijke vastlegging van het verzoek. De e-mail van de advocaat vormde ook de aanleiding voor het spoedverzoek aan de kinderrechter. Onbegrijpelijk is dan ook de overweging van het hof dat niet bekend is “of de kinderrechter op maandagavond 25 augustus 2025 heeft geweten dat de – al dan niet vrijwillige – uithuisplaatsing van het kind op dat moment al een maand duurde (…) en [de ouders] bijstand hadden van een advocaat”. Aangenomen moet immers worden dat de kinderrechter daarmee wél bekend was.
Reeds de omstandigheden (i) en (ii) maken dat niet is in te zien waarom het voorafgaand horen van de ouders een onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind zou hebben opgeleverd. Omstandigheid (iii) maakt dat de kinderrechter – zelfs als het niet wenselijk of mogelijk zou zijn geweest dat de ouders werden gehoord (wat dus niet het geval is) – hoe dan ook gehouden was om contact op te nemen om van de advocaat te horen wat het standpunt van de ouders was en dit bij de beoordeling te betrekken.
Hiermee slagen de klachten genoemd onder a t/m g.
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de overweging van het hof dat de periode voorafgaande aan de procedure bij de kinderrechter niet ter beoordeling voorligt aan het hof, maar dat het er om gaat of er op 25 augustus 2025 sprake was van een situatie waarbij de behandeling van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind, geldt het volgende.
De klacht faalt voor zover deze tot strekking zou hebben dat het hof had moeten beoordelen of de raad voor de kinderbescherming en/of Veilig Thuis een verwijt valt te maken in de periode voorafgaand aan de spoedmachtiging, of dat het hof had moeten beoordelen of wel sprake is geweest van informed consent van de ouders ten aanzien van de uithuisplaatsing van het kind op 22 juli 2025, zonder rechterlijke machtiging. Die beoordelingen hoefde het hof namelijk niet te maken.
De klacht slaagt echter wel voor zover zij tot strekking heeft dat bij de toetsing aan de norm van art. 800 lid 3 Rv, dus of op 25 augustus 2025 sprake was van een situatie waarin de behandeling van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind, alle feiten en omstandigheden van het geval moeten worden betrokken. Dat betekent dat ook feiten en omstandigheden in de periode voorafgaand aan 25 augustus 2025 bij de beoordeling moeten worden betrokken, uiteraard voor zover zij kenbaar waren voor de kinderrechter.
In dit geval was bekend dat het kind al een maand, zonder rechterlijke tussenkomst, uithuisgeplaatst was op een geheime locatie. Het hof constateert hierover ook dat dit enkele feit bij het hof grote vragen oproept over de vrijwilligheid van deze plaatsing (rov. 4.5.7). Nu deze informatie ook bekend was bij de kinderrechter, had het hof deze omstandigheid ook moeten betrekken bij de toetsing aan de norm van art. 800 lid 3 Rv. Deze omstandigheid benadrukt immers nog eens extra het belang van het wél horen van de ouders op 25 augustus 2025. Dit geldt temeer tegen de achtergrond van het problematische karakter van de uithuisplaatsing van een kind in het kader van een drangtraject en de kritiek die daarop bestaat (zie onder 3.47-3.50), waarmee de kinderrechter ongetwijfeld ook bekend is.
De slotsom is dat onderdeel I grotendeels slaagt. Dit betekent dat de bestreden beschikking in cassatie geen stand houdt. Daarmee wordt strikt genomen niet toegekomen aan de bespreking van onderdeel II, nu hierna zal blijken dat met het slagen van deze klacht de zaak in cassatie kan worden afgedaan door de Hoge Raad zelf. Vanwege het belang voor de praktijk van de materie die onderdeel II aan de orde stelt, zal daarop toch worden ingegaan.
Onderdeel II: het zo snel mogelijk horen van de ouders na de spoedmachtiging
Onderdeel II is gericht tegen rov. 4.5.10, waarin het hof oordeelt dat de ouders tijdig na de spoedbeslissing zijn gehoord. Tegen deze beslissing worden de volgende klachten aangevoerd (onder II-1):
j. Het hof miskent dat de termijn voor het horen begint te lopen op het moment dat de feitelijke uithuisplaatsing een aanvang neemt. Rechtens onjuist is dat de periode voorafgaande aan de procedure van de rechtbank niet ter beoordeling voorligt en evenzeer dat de ouders tijdig zijn gehoord.
k. Ook heeft het hof miskend dat het verhoor van de ouders ten spoedigste na het afgeven van de spoedmachtiging dient plaats te vinden. De beslissing van het EHRM in Venema v Nederland moet een aansporing zijn om het afzien van voorafgaand horen te beperken tot gefundeerde gevaarlijke situaties en om in geval van dit afzien de ouders op de kortst mogelijke termijn, bijvoorbeeld binnen 48 uur, volledig te informeren en de gelegenheid te geven hun mening kenbaar te maken. De huidige tweewekentermijn is te ruim. Wanneer een spoeduithuisplaatsing zonder het voorafgaand horen van de ouders noodzakelijk is, moet de kinderrechter alles in het werk stellen om ouders (en kinderen) zo spoedig mogelijk te horen.
l. Het oordeel van het hof dat ouders per definitie tijdig zijn gehoord als dit binnen de termijn van twee weken is geschied, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting; de maatstaf dient te zijn dat ouders zo snel mogelijk betrokken moeten worden bij spoedmaatregelen. De termijn van twee weken is blijkens de tekst van art. 800 lid 3 Rv een uiterlijke termijn waarbinnen belanghebbenden hun mening kenbaar moeten kunnen maken.
Voor deze klachten geldt het volgende.
Op zichzelf kan worden onderschreven dat het zeer wenselijk is dat als het voorafgaand horen van ouders (en kinderen) bij het nemen van spoedbeslissingen achterwege is gebleven, zo spoedig mogelijk na de beslissingen de ouders alsnog worden gehoord. Dit betekent echter niet dat het strijdig is met art. 800 lid 3 Rv, uitgelegd in een mensenrechtelijke context, indien dit horen – zoals in dit geval – na elf dagen plaatsvindt. Dit is nog steeds binnen de termijn van twee weken die art. 800 lid 3 Rv stelt. Dat ouders zo spoedig mogelijk alsnog moeten worden gehoord, volgt niet uit de wettekst en ook niet uit de parlementaire geschiedenis (zie 3.33 e.v.).
Ook de rechtspraak van het EHRM dwingt niet tot het buiten werking stellen van de termijn van art. 800 lid 3 Rv en ook niet tot het hanteren van een kortere termijn voor het horen van de ouders, zoals ook het hof heeft overwogen (bestreden beschikking rov. 4.5.10). Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat ouders in het algemeen voldoende betrokken moeten worden bij de besluitvorming rondom het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen (zie 3.15-3.18). Ook blijkt daaruit dat slechts in bijzondere omstandigheden kan worden afgezien van het voorafgaand horen van ouders bij het nemen van kinderbeschermingsmaatregelen en dat concreet moet worden onderbouwd waarom dat niet mogelijk of niet wenselijk is (zie onder 3.17-3.24). Uit die rechtspraak van het EHRM volgt echter niet dat ouders altijd zo snel mogelijk moeten worden gehoord na het treffen van spoedmaatregelen buiten de ouders om en dat de termijn van twee weken daarom niet aanvaardbaar zou zijn. Gelet op de ‘margin of appreciation’ die de verdragsstaten toekomt (zie onder 3.12), is er ook geen reden om aan te nemen dat het EHRM concreet zou eisen dat, in plaats van binnen twee weken, steeds zo spoedig als mogelijk de ouders worden gehoord.
De ouders kunnen ook niet worden gevolgd in hun standpunt dat de termijn voor het horen begint te lopen op het moment dat de feitelijke uithuisplaatsing een aanvang heeft genomen, dus op 22 juli 2025. De termijn van art. 800 lid 3 Rv ziet op het horen bij het door de rechter opleggen van spoedmaatregelen. Dat laat onverlet dat ten aanzien van de vraag of de ouders voorafgaand aan het treffen van de maatregelen moeten worden gehoord, wel degelijk moet worden meegewogen dat al langer sprake is van een feitelijke uithuisplaatsing, zonder rechterlijke tussenkomst. In een dergelijk geval zou de rechter nóg terughoudender moeten zijn ten aanzien van het niet voorafgaand horen van de ouders (zie ook onder 4.22).
Dat in het conceptwetsvoorstel ‘Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’ een verkorting van de termijn van art. 800 lid 3 Rv tot één week wordt voorgesteld, maakt het voorgaande niet anders. Uit de toelichting op deze voorgestelde wijziging kan ook niet worden afgeleid dat het EVRM tot deze wijziging dwingt, maar slechts dat deze wijziging wenselijk wordt geacht, ook gelet op rechtspraak van het EHRM (zie onder 3.40). Er is dan ook geen noodzaak om te anticiperen op de nieuwe termijn.
Evenmin doorslaggevend zijn de termijnen die in de Wzd en Wvggz worden gehanteerd voor het horen van personen in crisisgevallen (drie dagen).
De klachten van onderdeel II slagen dan ook niet.
Onderdeel III: voortbouwklacht
Onderdeel III bevat een voortbouwklacht die is gericht tegen rov. 4.5.11 en het dictum. Nu onderdeel I terecht is voorgesteld, slaagt ook de voortbouwklacht.
Slotsom
De slotsom is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
M.i. kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. Uit de feiten en omstandigheden van het geval volgt m.i. onontkoombaar dat de kinderrechter geen spoedmachtiging tot uithuisplaatsing had mogen verlenen zonder het voorafgaand horen van de ouders. Ten tijde van het afgeven van de spoedmachtiging verbleef het kind al een maand op een voor de ouders onbekende locatie. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, was dan ook niet voldaan aan de maatstaf van art. 800 lid 3 Rv dat de behandeling van het verzoek in aanwezigheid van de ouders niet kon worden afgewacht vanwege ‘onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige’. Volledigheidshalve is nog op te merken dat de vraag of de ouders wel of niet bereid waren mee te werken in de periode juli-augustus met hulpverlening verder niet relevant is. Ook kan in het midden blijven wat zich precies heeft voorgedaan op 22 juli 2025 en of toen terecht is uitgegaan van informed consent van de ouders met de uithuisplaatsing van hun kind.
Het voorgaande leidt tot vernietiging van de beschikking van 25 augustus 2025 van de kinderrechter, op schrift gesteld op 26 augustus 2025, voorzover deze beschikking aan het oordeel van het hof was onderworpen.
5Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening als voorgesteld onder 4.35.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Kamerstukken II 2025-2026, nr. 424, Aanhangsel, p. 1-6.
Hof ’s-Hertogenbosch 6 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3098, rov. 3.1-3.3. Voor zover het gaat om feiten die hier niet zijn vermeld is een voetnoot toegevoegd.
Zie de inhoudelijke onderbouwing van het schriftelijke verzoek van 26 augustus 2025 (achter tabblad 3), p. 1-2. Wat zich daar allemaal precies heeft afgespeeld blijkt niet duidelijk uit het dossier. Zie nog wel het verslag van de ouders, productie 2 bij het verweerschrift van de ouders d.d. 1 september 2025 (achter tabblad 5), p. 1. Hier verwijst het hof (kennelijk) naar in rov. 4.5.7 van de bestreden beschikking.
Zie het verslag van de ouders, productie 2 bij het verweerschrift van de ouders d.d. 1 september 2025 (achter tabblad 5), p. 2 (op 1 en 4 augustus 2025); de e-mail van mr. Feiner d.d. 21 augustus 2025, te lezen in productie 4 van het appelschrift (achter tabblad 9), laatste alinea.
Prod. 1 bij het verzoek tot intrekking/bekorting/opheffing/beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing (achter tabblad 5).
De e-mail bevindt zich achter productie 4 van het appelschrift (achter tabblad 9) en is geciteerd in dat appelschrift, onder punt 6.
Zie de inhoudelijke onderbouwing van het schriftelijke verzoek van 26 augustus 2025 (achter tabblad 3), p. 1.
De e-mail is te vinden achter tabblad 2.
Verzoek VOTS en machtiging uithuisplaatsing d.d. 26 augustus 2025, p. 1-2, te vinden achter tabblad 2.
Het verzoek is opgenomen achter tabblad 5.
Zie over uithuisplaatsing uitgebreid Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/414 e.v.; M. Bruning, Y. van den Brink & L. Punselie, Jeugdrecht en jeugdhulp, Den Haag: Sdu 2024, p. 309 e.v.; M. Bruning & K. van der Zon, ‘Uithuisplaatsing van kinderen: Europese controverse en de rol van het EHRM’, NTM/NJCM-bull. 2022/1. Voor de omgang met voorwaarden voor uithuisplaatsing in de praktijk, zie https://www.richtlijnenjeugdhulp.nl/uithuisplaatsing-en-terugplaatsing/ (hoofdstuk 2 en 3).
Handelingen II 16 juni 1994, 78, p. 5400-5401.
In zijn jurisprudentie noemt het EHRM vaak ook bepalingen uit het IVRK die van belang zijn. Zie met name art. 3, 9, 19 en 25 IVRK.
Zie nader Kamerstukken II 2008-2009, 32015, nr. 3, p. 25. Zie voorts Kamerstukken II 2009-2010, 32015, nr. 7 (NnavV), p. 29, en de vergelijkbare toelichting op art. 29c Wet op de jeugdzorg in Kamerstukken II 2005-2006, 30644, nr. 3 (MvT), p. 22. Zie verder Kamerstukken II 2006-2007, 30644, nr. 7 (NnavV), p. 4 (“In geval van crisis vergt het doorlopen van deze procedure [de reguliere procedure voor het afgeven van een machtiging, A-G] te veel tijd. In verband hiermee kent het wetsvoorstel in artikel 29c de mogelijkheid tot het verlenen van een voorlopige machtiging.”). Zie ten slotte nog Kamerstukken II 2008-2009, 32015, nr. 3, p. 36 (en zie ook p. 19-20), t.a.v. schorsing van ouderlijk gezag (art. 1:268 BW) .
Zie Stb. 1995, 255, p. 2.
Kamerstukken II 1992-1993, 23003, nr. 3 (MvT), p. 20. Zie ook Kamerstukken II 1993-1994, 23003, nr. 5 (MvA), p. 36 (“dringend en onverwijld noodzakelijk”).
HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1570, NJ 2026/14 m.nt S.F.M. Wortmann, JPF 2025/141 m.nt K.A.M. van der Zon. In de voetnoten bij deze overwegingen neem ik steeds de verwijzingen van de Hoge Raad naar rechtspraak van het EHRM op.
EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland).
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 202-203.
Vgl. EHRM 25 november 2004, nr. 23660/02 (Vitters/Nederland).
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 204; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 78.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 208 en 211; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 81 en 89; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), rov. 69.
Zie bijvoorbeeld EHRM 18 juni 2013, nr. 28775/12 (R.M.S./Spanje), rov. 85; EHRM 16 februari 2016, nr. 72850/14 (Soares de Melo/Portugal) rov. 104 e.v.; EHRM 22 juni 2017, nr. 37931/15 (Barnea en Caldabaru/Italië), rov. 71 e.v.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 205 en 208; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), rov. 69; vgl. HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, rov. 3.2.
EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 78.
EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), rov. 68.
EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 79 en 94.
EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94, (K. en T./Finland), rov. 155; EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 208; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), rov. 69; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 93.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 212-213; vgl. HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1895, rov. 3.4.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), rov. 148 en 203; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 84.
EHRM 10 maart 2020, nr. 14652/16 (Hernehult/Noorwegen), rov. 75; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), rov. 98.
Deze rechtspraak komt wel voor een deel overeen met de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 68 en 74; EHRM 22 maart 2018, nrs. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak c.s. v Duitsland), rov. 81 en 87; EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 48.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 68-69; EHRM 22 maart 2018, nrs. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak c.s. v Duitsland), rov. 81-82; EHRM 8 april 2004, nr. 11057/02 (Haase v Duitsland), rov. 89.
EHRM 17 december 2002, nr. 35731/97 (Venema v Nederland), rov. 90; EHRM 8 april 2004, nr. 11057/02 (Haase v Duitsland), rov. 90.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 71; EHRM 22 maart 2018, nrs. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak c.s. v Duitsland), rov. 84; EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 49; HRM 26 september 2006, nr. 36065/97 (H.K. v Finland), rov. 107-108; EHRM 8 april 2004, nr. 11057/02 (Haase v Duitsland), rov. 89.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 69 en 84; EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 50. Over het feit dat financiële redenen op zichzelf nooit al een voldoende grond voor uithuisplaatsing kunnen opleveren, zie K.A.M. van der Zon, ‘De doorwerking van het verleden in de toekomst’, FJR 2025/27.
EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 49.
EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 49; HRM 26 september 2006, nr. 36065/97 (H.K. v Finland), rov. 108; EHRM 8 april 2004, nr. 11057/02 (Haase v Duitsland), rov. 90.
EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 49 en 52; HR 26 september 2006, nr. 36065/97 (H.K. v Finland), rov. 108; EHRM 8 april 2004, nr. 11057/02 (Haase v Duitsland), rov. 90.
EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 50.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 79; EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 50.
Zie voor een bespreking van EHRM-rechtspraak in dit verband: D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates, & C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2023, p. 554-555; C.J. Forder e.a., Sdu Commentaar EVRM, art. 8 EVRM, Den Haag: Sdu 2020, p. 730-736 en p. 957-958; GS Personen- en Familierecht, art. 1:265b BW (K.A.M. van der Zon), aant. 4.2.5 (actueel t/m 11 maart 2025).
Zie bijvoorbeeld EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 70-71 en 79-81. Overwegingen van deze strekking zijn al terug te vinden in EHRM 8 juli 1987, nr. 9840/82 (B. v VK), rov. 63-65 en 67-68, en later steeds min of meer herhaald in bijvoorbeeld EHRM 24 februari 1995, nr. 16424/90 (McMichael v VK), rov. 80 en 87 (t.a.v. art. 6 én 8 EVRM) , EHRM 27 april 2000, nr. 25651/94 (L. v Finland), rov. 120-121, EHRM 13 juli 2000, nrs. 39221/98 en 41963/98 (S en G v Italië), rov. 148-151, EHRM 10 mei 2001, nr. 28945/95 (T.P. en K.M. v UK), rov. 70 e.v., EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94 (K. en T. v Finland), rov. 173-174, EHRM 20 december 2001, nr. 32899/96 (B v Oostenrijk), rov. 42-45 en 48-51 (t.a.v. art. 6 én 8 EVRM) , EHRM 26 februari 2002, nr. 46544/99 (Kutzner v Duitsland), rov. 56, EHRM 16 juli 2002, nr. 56547/00 (P., C. en S. v VK), rov. 119-120, 131-133 en 136, EHRM 21 september 2006, nr. 12643/02 (Moser v Oostenrijk), rov. 72, EHRM 26 september 2006, nr. 36065/97 (H.K. v Finland), rov. 111-112 en 119-121, EHRM 29 maart 2016, nr. 16899/13 (K. en S. v Rusland), rov. 100 e.v. (in de context van beperking van ouderlijk gezag), EHRM 22 maart 2018, nrs. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak c.s. v Duitsland), rov. 83-84 en 93, en EHRM 12 januari 2023, 27700/15 (Kilic v Oostenrijk), rov. 123.
EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06 (Saviny v Oekraïne), rov. 48 en 51.
EHRM 21 september 2006, nr. 12643/02 (Moser v Oostenrijk), rov. 91-93 en 96-98.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen c.s. v Duitsland), rov. 11 en 80.
EHRM 22 maart 2018, nrs. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak c.s. v Duitsland), rov. 10, 16 en 93.
EHRM 26 september 2006, nr. 36065/97 (H.K. v Finland), rov. 15-25 (relevante feiten) en 119 en 121 (t.a.v. art. 8 EVRM) en 124 (t.a.v. art. 6 EVRM) .
EHRM 17 december 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:1217JUD003573197, NJ 2004/632 m.nt. J. de Boer (Venema/Nederland).
EHRM 8 april 2004, nr. 11057/02 (Haase v Duitsland).
HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1991, NJ 2004/637 m.nt. J. de Boer (X/SBJZ), rov. 3.3-3.5.
Zie over een voorganger van het schriftelijkheidsvereiste van art. 1:265k lid 1 BW: HR 3 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8104, NJ 20001/418 m.nt. J. de Boer, rov. 3.5.
Procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken, juli 2026, p. 160.
Vgl. HR 1 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB7835, NJ 1990/438 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.2, waarin de Hoge Raad regels geeft voor het gebruik van telefonische informatie (t.a.v. de destijds geldende Krankzinnigenwet).
Voorgesteld is om een vierde lid toe te voegen (niet relevant voor de onderhavige zaak). Zie het kamerstukkendossier met nummer 36390.
Vgl. in het kader van art. 809 Rv nog wel: HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084, NJ 2014/24 m.nt. S.F.M. Wortmann (X/SBJH), rov. 3.3.5 (onwil of onmogelijkheid om te worden gehoord).
HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1895, NJ 2025/61 m.nt. S.F.M. Wortmann (X/WSJ&J), rov. 3.4.
Kamerstukken II 1992-1993, 22487, nr. 7 (NvW), p. 1. Zie specifiek voor uithuisplaatsingen: Kamerstukken II 1995-1996, 23808, nr. 6 (NvW), p. 3 en 7.
Kamerstukken II 1992-1993, 22487, nr. 6 (MvA), p. 15, met verwijzing naar Kamerstukken II 1992-1993, 23003, nrs. 1-2 (VvW), p. 6 en nr. 3 (MvT), p. 20.
Kamerstukken II 1992-1993, 23003, nr. 3 (MvT), 17-18 en p. 20. Vgl. ook Kamerstukken II 1993-1994, 23 003, nr. 5 (MvA), p. 43 (“De leden van de CDA-fractie vragen ook of het horen van ouders en minderjarigen op een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing regel of uitzondering zal zijn. (…) ouders en minderjarigen [worden, A-G] in het voorgestelde systeem in alle gevallen in de gelegenheid (…) gesteld om gehoord te worden. Zij kunnen van deze mogelijkheid gebruik maken; verplicht daartoe zijn zij niet.”). Zie ten slotte nog Kamerstukken II 1993-1994, 23808, nr. 3 (MvT), p. 15, waar het bestaan van een noodsituatie wordt benadrukt.
Zie o.m. M. de Bruijn-Lückers, ‘Venema tegen Nederland’, FJR 2003, p. 112 e.v.; M.R. Bruning & M.P. de Jong-de Kruijf, ‘Van gesloten jeugdzorg naar gesloten jeugdhulp: de nieuwe regeling nader beschouwd’, FJR 2015/33, par. 2.3 (in het kader van gesloten jeugdhulp); M. Bruning, Y. van den Brink & L. Punselie, Jeugdrecht en jeugdhulp, Den Haag: Sdu 2024, p. 351 (idem); Advies Wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming, Universiteit Leiden 2025, p. 45-46; M.R. Bruning e.a., ‘Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing: een blik op de uitvoeringspraktijk’, FJR 2025/42, par. 3.1; K.E. Hepping, ‘Het betrekken van ouders in de jeugdbeschermings- en de jeugdstrafprocedure’, FJR 2022/3, par. 3.1; GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 800 Rv (B.E.S. Chin-A-Fat), aant. 3 (actueel t/m 14 oktober 2025); Rapport Recht doen aan kinderen en ouders 2023, met name p. 83; Advies Kinderen en ouders met recht goed beschermd van de Adviescommissie rechtsbescherming en rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming 2024, p. 68, 76 en 113.
Zie conceptwetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming, art. II B, toegelicht in de conceptmemorie van toelichting, p. 12, 18-19 en 41-42. Het wetsvoorstel is op 1 juli 2026 voor advies naar de Raad van State gezonden.
Memorie van toelichting, p. 18-19 (“Het verkorten van de termijn is daarom een belangrijke stap naar het vergroten van de rechtsbescherming voor ouders en minderjarigen bij een spoedverzoek tot een uithuisplaatsing.”).
Zie voor een overzicht in dit verband M. Bruning, ‘Een kinderrechtenlens op uithuisplaatsingen’, in: L. ten Haaf e.a. (red.), Actuele ontwikkelingen in het familierecht, Boom: Den Haag 2025, p. 47 e.v.
Rapport IGJ Kwaliteit van feitenonderzoek rond de aanvraag van machtigingen voor uithuisplaatsingen 2022, p. 3.
Wetenschappelijke factsheet uithuisplaatsingen Universiteit Leiden 2022, p. 2.
M.J.E. Lenglet e.a., Perspectieven op rechtsbescherming in de jeugdbescherming, Leiden 2023, p. 3.
Rapport LOVF Recht doen aan kinderen en ouders 2023, met name p. 8-9, 78 en p. 83.
Advies Kinderen en ouders met recht goed beschermd van de Adviescommissie rechtsbescherming en rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming 2024, p. 68, 76 en 99 e.v.
M.R. Bruning e.a., ‘Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing: een blik op de uitvoeringspraktijk’, FJR 2025/42, par. 3.1. Zie ook M.R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 19.
B. Tromp, ‘Rechtsbescherming van ouders en kinderen schiet tekort bij spoedverzoeken aan de kinderrechter’, NJB 2024/1049, onder ‘De Nederlandse kinderbeschermingsmaatregelen en het spoedeisend verzoek’ (waarover Kamervragen zijn gesteld, zie Kamerstukken II 2023-2024, nr. 2064 (aanhangsel)).
H.J. van Boven e.a., ‘Recht onder druk: Een dossieronderzoek naar het betrekken van ouders en minderjarigen bij de beslissing tot een spoeduithuisplaatsing’, FJR 2026/17
R. de Boer & M.R. Bruning, ‘Jeugdhulp en jeugdbescherming: what’s new?’, FJR 2024/20, par. 4.
Zie ten aanzien van de Jeugdwet Kamerstukken II 2012-2013, 33684, nr. 3 (MvT), p. 35 (“Het wetsvoorstel wil nadrukkelijk bevorderen dat de raad voor de kinderbescherming al in een eerder stadium kan meedenken op casus niveau, waarbij de hulp gericht is op het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het probleemoplossend vermogen van gezin en omgeving. Dit kan in sommige gevallen zelfs de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel voorkomen. Ook wil het wetsvoorstel de ruimte vergroten om een gezinsvoogdijmedewerker, werkzaam bij een gecertificeerde instelling, nog voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken in te zetten, met als doel ouders te bewegen – al dan niet met zachte drang – tot vrijwillige medewerking. Dit bevordert de continuïteit van hulpverlening.”). Zie over hoe men in de praktijk zich voorafgaand aan een uithuisplaatsing opstelt althans behoort op te stellen: https://www.richtlijnenjeugdhulp.nl/uithuisplaatsing-en-terugplaatsing/voorkomen-van-uithuisplaatsing; Kwaliteitskader voor de Raad van de Kinderbescherming 2026 (https://www.kinderbescherming.nl/documenten/2026/01/21/kwaliteitskader), p. 16.
GS Personen- en familierecht, art. 1:265a BW (K.A.M. van der Zon), aant. 1 (actueel tot en met 11 maart 2025).
M. Bruning, Y. van den Brink & L. Punselie, Jeugdrecht en jeugdhulp, Den Haag: Sdu 2024, p. 249, 605-607 en 640-641. Zie ook K.A.M. van der Zon & M.R. Bruning, ‘Staatsontvoeringen in Nederland?’, Ars Aequi 2022, p. 653; R. De Boer & M.R. Bruning, ‘Eerste evaluatie Jeugdwet vanuit juridisch perspectief’, FJR 2018/46, par. 5.
D.S. Verkroost, ‘Jeugdhulpverlening ‘met zachte drang’’, FJR 2023/31, p. 156 e.v.; D.S. Verkroost, ‘Met zachte drang’. Uitgangspunten voor jeugdhulpverlening op het snijvlak van vrijwilligheid en dwang, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 368 e.v.
Noot J.H. de Graaf, JPF 2019/79, p. 471-472. Zie ook de noot in JPF 2022/56.
Conclusie A-G Lückers, ECLI:NL:PHR:2021:57, nrs. 4.3 e.v.
Zie bijv. Rb. Rotterdam 12 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5070; Rb. Zeeland-West-Brabant 24 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2076; Rb. Den Haag 5 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14276; Rb. Noord-Nederland 11 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4426; Hof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1095, rov. 5.7-5.8; Rb. Limburg 3 mei 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:4136, rov. 5.12.
Zie bijv. RSJ en RVS, Intensieve vrijwillige hulp. Heldere grenzen aan drang in de jeugdzorg, november 2019, , met name p. 29 e.v.; Kinderombudsman Rotterdam 26 februari 2018, Is er nog een plekje vrij? (te raadplegen via de website van de ombudsman Rotterdam Rijnmond: https://orr.nl/web/uploads/2018/02/Rapport-Is-er-nog-een-plekje-vrij-26-2-2018.pdf); Wetenschappelijke factsheet uithuisplaatsingen Universiteit Leiden 2022, p. 7; M.R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 19.
Deze onderdelen worden samengevat onder B. in de procesinleiding (p. 2-3).
Zie bijvoorbeeld HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1991, NJ 2004/637 m.nt. J. de Boer (X/SBJZ), rov. 3.2; HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3034 (X/BJSR), rov. 3; HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3704 (X/SBJSR), rov. 4.
HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann (X/SBJNB), rov. 4. Zie ook HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6484 (X/SBJNB), rov. 3.3; HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5422, NJ 2013/412 m.nt. S.F.M. Wortmann (X/SBJAA), rov. 3.5.
HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395, NJ 2022/134 (X/SJB).
Verweerschrift hoger beroep spoedmachtiging, p. 2, waarin is vermeld: “Voor wat betreft de inhoudelijke onderbouwing van de spoedeisendheid van de situatie, verwijst de raad naar de schriftelijke onderbouwing d.d. 26 augustus 2025 van zijn spoedverzoek, mondeling gedaan op 25 augustus 2025.”
Zie verweerschrift hoger beroep spoedmachtiging, p. 1-3 (de raad gaat hier zelf uit van de informatie die is opgenomen in de schriftelijke bevestiging van 26 augustus 2025).
Zie p-v zitting hof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2025, p. 5-6. De spreekaantekeningen van de advocaat die aan het proces-verbaal zouden zijn aangehecht (p. 4), bevinden zich niet in het dossier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
