Essentie (gemaakt door AI)
Wrakingsverzoek tegen raadsheer die eerder mede beslissend is geweest in een zaak over gezag en omgang van dezelfde kinderen, terwijl nu de verlenging van de ondertoezichtstelling aanhangig is. Verzoekster voert aan dat in de eerdere beslissing haar stukken onjuist zijn gewogen, waaruit partijdigheid zou blijken. Wrakingskamer oordeelt dat inhoudelijke bezwaren tegen die eerdere uitspraak via rechtsmiddelen moeten worden aangevochten; geen uitzonderlijke omstandigheden voor vooringenomenheid. Verzoek is ongegrond.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 03-09-2026 |
| Zaaknummer | W200.368.170 |
| Procedure | Wraking |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Wraking / verschoning; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek van een van de raadsheren, omdat deze bij een andere zaak betrokken is geweest waarbij ook verzoekster belanghebbende was. Verzoek tot wraking is ongegrond verklaard.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
zaaknummer W200.368.170/02
beslissing van de wrakingskamer van 29 juli 2026
inzake het verzoek tot wraking, gedaan door
[verzoeker]
die woont in [woonplaats]
verzoekster
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur
1De procedure
Bij dit hof is onder zaaknummer 200.368.170/01 een procedure aanhangig tussen verzoekster en de stichting Jeugdbescherming Overijssel over de (verlenging) van de ondertoezichtstelling van de drie minderjarige kinderen van verzoekster en haar
ex-echtgenoot de heer [ex-echtgenoot] . De heer [ex-echtgenoot] is belanghebbende in die procedure.
Op 2 juli 2026 om 11.00 uur zou in die zaak een mondelinge behandeling plaatsvinden, waarbij mr. P.B. Kamminga een van de behandelend raadsheren zou zijn.
Daags voor de mondelinge behandeling, op 1 juli 2026 om 12.59 uur, heeft verzoekster middels haar advocaat een verzoek tot wraking van mr. Kamminga ingediend. De geplande mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden en de zaak is verwezen naar de wrakingskamer.
Op 6 juli 2026 heeft verzoekster aanvullende gronden van het eerder ingediende wrakingsverzoek aan de wrakingskamer gezonden.
Op 9 juli 2026 heeft verzoekster nog aanvullende stukken aan de wrakingskamer gezonden.
Mr. Kamminga heeft niet in de wraking berust en heeft de wrakingskamer een schriftelijke reactie op het verzoek toegezonden. Daarin heeft hij tevens aangegeven niet bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te zullen zijn. De reactie is door de wrakingskamer doorgezonden aan verzoekster.
Op 15 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Daarbij was mr. Avontuur namens verzoekster aanwezig, verzoekster was zelf niet aanwezig. Als toehoorders waren aanwezig [ex-echtgenoot] en zijn advocaat
mr. S. Lennips.
2Het verzoek
Het wrakingsverzoek is - samengevat - ingegeven door de betrokkenheid van
mr. Kamminga als een van de behandelend raadsheren bij een eerdere beschikking over de kinderen van verzoekster en haar ex-echtgenoot, over onder meer het gezag en omgang met de kinderen. In die beschikking van 9 juni 2026 zou volgens verzoekster op door verzoekster aangedragen argumenten niet dan wel onvoldoende zijn gerespondeerd. In die uitspraak is bovendien erg cryptisch omschreven dat verzoekster stukken zou hebben ingediend die niet zien op de zaak. Het oordeel van het hof in die uitspraak is volgens verzoekster dermate onnavolgbaar dat hieruit blijkt van partijdigheid. Daarom dient haar verzoek tot wraking van mr. Kamminga, die ook een van de behandelend raadsheren in de procedure met zaaknummer 200.368.170 over de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen zou zijn, volgens verzoekster gegrond te worden verklaard.
Op de mondelinge behandeling bij de wrakingskamer heeft de advocaat van verzoekster namens verzoekster het verzoek tot wraking nader toegelicht, mede aan de hand van ter zitting overgelegde spreekaantekeningen.
3De beoordeling
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
1
Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een zitting kan het ook mondeling geschieden. Het wrakingsverzoek vermeldt de feiten of omstandigheden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2
Deze laatste bepaling houdt in dat alle feiten en omstandigheden die naar de mening van verzoekster haar wrakingsverzoek rechtvaardigen, tegelijk dienen te worden voorgedragen. Verzoekster heeft op 1 juli 2026 haar wrakingsverzoek ingediend, op 6 juli 2026 heeft zij haar gronden aangevuld en op 9 juli 2026 heeft zij nog eens aanvullende stukken overgelegd. Ten aanzien van deze op 6 en 9 juli ingediende stukken zal de wrakingskamer die enkel in de beoordeling betrekken voorzover daarin geen feiten en omstandigheden staan die al in het verzoek van 1 juli 2026 hadden dienen te worden aangevoerd. Voor zover die stukken een toelichting op het verzoek van 1 juli 2026 zijn, is die toelichting zo nodig wel in de beoordeling betrokken.
Tijdens de mondelinge behandeling bij de wrakingskamer heeft de advocaat van verzoekster toegelicht dat het springende punt voor verzoekster in de beslissing van het hof van 9 juni 2026 is dat de door haar aangeleverde stukken omtrent verwaarlozing van dieren onvoldoende gemotiveerd terzijde zijn geschoven.
De wrakingskamer overweegt daarover als volgt. Het beoordelingskader van de wrakingskamer omvat niet een inhoudelijke beoordeling van een rechterlijke beslissing. De beslissing van het hof van 9 juni 2026 kan de wrakingskamer dus niet inhoudelijk beoordelen. De wrakingskamer zal derhalve niet beoordelen of de door verzoekster in de procedure van 9 juni 2026 aangedragen stukken terecht door het hof terzijde zijn geschoven en of daar in de motivering meer aandacht aan had moeten worden besteed. Uit het gesloten stelsel van rechtsmiddelen vloeit voort dat een rechterlijke beslissing en de motivering daarvan geen grond voor een wraking kunnen zijn en dat is ook vaste rechtspraak. Indien een partij zich niet kan vinden in een beslissing of de motivering daarvan staat die partij een rechtsmiddel ter beschikking om tegen die beslissing op te komen (in dit geval cassatie). Wraking is geen (verkapt) rechtsmiddel. Bovendien betreft de beslissing van 9 juni 2026 een reeds afgedane zaak, terwijl het wrakingsverzoek ziet op een andere nog lopende procedure.
Uit het wrakingsverzoek en de toelichting daarop heeft de wrakingskamer evenwel begrepen dat de handelwijze van het hof in die eerdere procedure, waarin verzoekster ook belanghebbende was, volgens verzoekster haar weerslag heeft op de nu lopende procedure in hoger beroep en daardoor mede relevant is voor het onderhavige wrakingsverzoek. Omdat het hof, waaronder mr. Kamminga, in de beslissing van 9 juni 2026 naar de mening van verzoekster aangedragen bewijs en stukken op onjuiste wijze terzijde heeft geschoven, dat bewijs onjuist heeft gewaardeerd en daar onvoldoende op heeft gerespondeerd, waarbij het hof bovendien ten onrechte meer gewicht toekende aan de verklaringen en stukken van haar ex-echtgenoot dan aan haar verklaringen en stukken, kan mr. Kamminga naar de mening van verzoekster in de onderhavige procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling niet meer onpartijdig oordelen.
De wrakingskamer oordeelt daar anders over. Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan alleen anders zijn indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert of een motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden opgevat dan dat de beslissing met vooringenomenheid van de rechter is gegeven. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zijn niet gesteld en zijn de wrakingskamer ook niet gebleken.
4De beslissing
De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking:
verklaart het verzoek tot wraking van mr. P.B. Kamminga ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, voorzitter, R. den Ouden en
F.A.M. Bakker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken
op 29 juli 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
