Gerechtshof Amsterdam 25-08-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2399

Essentie (gemaakt door AI)

Kinder- en partneralimentatie. Hof stelt voor 2025 en 2026 lagere kinderalimentatie vast na herberekening draagkracht en zorgkorting; in 2025 wordt bij vader ook aanvullende inkomsten uit ontslagvergoeding verdisconteerd. Verdiencapaciteit moeder wordt op 1,5x minimumloon gesteld; geen inkomen uit vermogen wegens reservering overwaarde voor woning. Partneralimentatie 2025 niet nihil: herleeft € 2.385 tot samenwoning art. 1:160 BW. Geen terugbetaling over 2022–2024; wel terugbetaling kinderalimentatie vanaf 2025 (o.a. € 814 jan–okt 2025).

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Ontslagvergoeding en alimentatie: wel of geen rekening mee houden?
Man heeft in 2021 een ontslagvergoeding ontvangen (van € 85.000 netto). Rb heeft daar niet in volle omvang rekening mee gehouden, waartegen moeder grieft. Betreft "uitkering om inkomensterugval te voorkomen". In 2025 alsnog mee rekenen.

Datum publicatie31-08-2026
Zaaknummer200.360.752/01 en 200.360.752/02
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinder- en partneralimentatie, verdiencapaciteit, ontslagvergoeding, terugbetalingsverplichting.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.360.752/01 en 200.360.752/02

zaaknummer rechtbank: C/13/751864 / FA RK 24-3751

beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep en in incident,

hierna: de vader,

advocaat: mr. C. van Baalen-van IJzendoorn te Amsterdam ,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep en in incident,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. A.G.J. van Lokven te Den Bosch.

1De zaak in het kort

De zaak gaat over de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [kind 1] (15 jaar) en [kind 2] (11 jaar) en de door hem te betalen partneralimentatie aan de moeder. De rechtbank heeft de in 2017 vastgestelde kinder- en partneralimentatie gewijzigd en bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2022 minder alimentatie aan de moeder hoeft te betalen. De vader en de moeder zijn het allebei op een aantal punten niet eens met de beslissing van de rechtbank. Het hof zal voor het jaar 2025 en 2026 lagere bedragen aan kinderalimentatie vaststellen. Het verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie in het jaar 2025 wordt alsnog afgewezen. Daarnaast is het hof van oordeel dat de moeder de bedragen aan alimentatie die zij over de jaren 2022 tot en met 2024 teveel heeft ontvangen, niet hoeft terug te betalen. Wel moet zij de teveel ontvangen alimentatie over de jaren 2025 en 2026 terugbetalen.

2De procedure in hoger beroep

2.1

De vader is op 24 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 juli 2025, verbeterd bij beschikking van 27 oktober 2025, (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

2.2

De moeder heeft op 9 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend. Daarnaast heeft zij verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen.

2.3

De vader heeft op 2 februari 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend en daarbij ook verweer gevoerd tegen het schorsingsverzoek.

2.4

Het hof heeft verder nog de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 29 december 2025, met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de moeder van 16 maart 2026, met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de vader van 23 maart 2026, met bijlagen.

2.5

De zitting heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 2 maart 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 november 2016 in de registers van de burgerlijke stand. Zij zijn de ouders van [kind 1] , geboren te [plaats C] [in] 2011 (hierna: [kind 1] ) en [kind 2] , geboren te [plaats C] [in] 2015 (hierna: [kind 2] ). [kind 1] en [kind 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen) hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2

De vader heeft daarnaast een zoon met zijn huidige partner: [kind 3] , geboren te [plaats D] [in] 2019 (hierna: [kind 3] ).

3.3

Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 september 2017 is, voor zover nu van belang, bepaald dat de vader met ingang van 2 maart 2017 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) aan de moeder dient te betalen van € 480,- per kind per maand en dat hij een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) van € 1.831,- per maand aan haar dient te betalen.

4De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van het hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre, uitvoerbaar bij voorraad:

- de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [kind 2] vastgesteld op: € 231,- per maand met ingang van 1 januari 2022;

€ 553,- per maand met ingang van 1 januari 2023;

€ 587,- per maand met ingang van 1 januari 2024;

€ 625,- per maand met ingang van 1 januari 2025;

- de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [kind 1] vastgesteld op:

€ 208,- per maand met ingang van 1 januari 2022;

€ 536,- per maand met ingang van 1 januari 2023;

€ 569,- per maand met ingang van 1 januari 2024;

€ 598,- per maand met ingang van 1 januari 2025;

- de door de vader aan de moeder te betalen partneralimentatie vastgesteld op:

nihil met ingang van 1 januari 2022;

€ 2.109,- per maand met ingang van 1 januari 2023;

€ 2.239,- per maand met ingang van 1 januari 2024;

€ 132,- per maand met ingang van 1 januari 2025.

Deze beschikking is gegeven op verzoek van de vader.

4.2

Bij beschikking van 27 oktober 2025 heeft de rechtbank de bestreden beschikking van 25 juli 2025 op een tweetal punten verbeterd en het verzoek van de vader tot aanvulling van de beschikking afgewezen.

in principaal hoger beroep

4.3

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en wijziging van de beschikking van het hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre,

  • de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 122,- per kind maand met ingang van 1 januari 2025;

  • de door hem aan de moeder te betalen partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2024 tot en met 19 mei 2025;

  • te bepalen dat de moeder het te veel ontvangen bedrag aan kinder- en partneralimentatie over de periode vanaf 1 januari 2022, althans een door het hof te bepalen datum, aan de vader terug dient te betalen.

4.4

De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het door hem verzochte af te wijzen.

in incidenteel hoger beroep

4.5

De moeder verzoekt dat het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, alsnog afwijst:

  • het inleidend verzoek van de vader tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie voor zover dat betrekking heeft op de periode van 1 januari 2022 tot 1 januari 2023;

  • het inleidend verzoek van de vader tot wijziging van de partneralimentatie met ingang 1 januari 2025.

Daarnaast verzoekt zij de werking van de bestreden beschikking te schorsen.

4.6

De vader verzoekt het door de moeder verzochte af te wijzen.

5De motivering van de beslissing

In principaal en in incidenteel hoger beroep

5.1

De vader is met vijf grieven opgekomen tegen de beschikking van de rechtbank. De moeder heeft twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader drie grieven (grief 1, 2 en 4) ingetrokken, zodat het hof hierop niet meer dient te beslissen. Het hof zal de twee resterende grieven van de vader in principaal hoger beroep (grief 3 en 5) en de twee grieven van de moeder in incidenteel hoger beroep hierna bespreken. Voor de overzichtelijkheid zal het hof, net als de rechtbank in de bestreden beschikking, de kinder- en partneralimentatie vanaf 2022 per jaar bespreken. Voor zover hierna bedragen worden genoemd, zal het hof deze telkens afronden, tenzij anders vermeld. De door het hof gemaakte berekeningen in het kader van de kinder- en partneralimentatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit.

2022

5.2

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, anders dan het hof Den Haag, bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2022 een bijdrage van € 231,- per maand voor [kind 2] en van € 208,- per maand voor [kind 1] dient te betalen en de aan de moeder te betalen partneralimentatie op nihil gesteld. Deze beslissing leidt ertoe dat de moeder een aanzienlijk bedrag (circa € 32.000,-) aan te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie aan de vader moet terugbetalen.

5.3

De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij stelt, naar het hof begrijpt, in haar eerste grief in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 januari 2022 heeft gewijzigd, waardoor een terugbetalingsverplichting is ontstaan. Om een aantal redenen heeft de rechtbank de draagkracht van de moeder en daarmee ook haar aanvullende behoefte onjuist berekend. Zo had de rechtbank voor het berekenen van haar draagkracht niet moeten uitgaan van alleen het resultaat uit onderneming over 2022, maar moeten uitgaan van het gemiddelde over de jaren 2022 tot en met 2024. Hierop had een reservering voor pensioen en arbeidsongeschiktheid in mindering moeten worden gebracht. Daarnaast is de rechtbank uitgegaan van te hoge huurinkomsten. Wanneer rekening wordt gehouden met haar aandeel in de kosten van [kind 1] en [kind 2] , resteert een aanvullende behoefte van € 2.444,- (bruto) per maand.

Verder heeft de moeder naar eigen zeggen geen financiële middelen om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen. Zij is eind 2022 arbeidsongeschikt geraakt en heeft daardoor een inkomensterugval gehad. De ontvangen alimentatie heeft zij nodig gehad om in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft zij in 2024 een bedrag aan achterstallige alimentatie ontvangen, maar na aftrek van incassokosten, belasting (de achterstallige alimentatie betrof grotendeels partneralimentatie) en betaling van advocaatkosten is niet veel overgebleven. Bovendien hoefde de moeder geen rekening te houden met een eventuele terugbetalingsverplichting over het jaar 2022, aangezien dit verzoek pas in februari 2025 door de vader is ingediend.

De vader handhaaft zijn verzoek, zoals gedaan in eerste aanleg. Hij is het eens met de beslissing van de rechtbank en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting. Volgens de vader beschikt de moeder over voldoende middelen om de teveel ontvangen alimentatie terug te betalen.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Hoewel de moeder verzoekt zowel de beslissing over de kinder- als die over de partneralimentatie over 2022 te vernietigen, maakt het hof uit de toelichting op de eerste grief in incidenteel hoger beroep en de verwijzing daarin naar haar toelichting op het schorsingsverzoek en haar verweer tegen de grieven van de vader in principaal hoger beroep op, dat het haar erom te doen is dat het hof bepaalt dat van haar niet kan worden verlangd dat zij teveel ontvangen alimentatie zou moeten terugbetalen. Het hof legt haar verzoek in incidenteel appel dan ook in die zin uit. De hoogte van de kinder- en partneralimentatie over het jaar 2022 wordt in incidenteel hoger beroep daarom niet door de grieven ontsloten (en evenmin in principaal hoger beroep). Het hof zal beoordelen of terugbetaling van de moeder kan worden verlangd.

Volgens vaste rechtspraak dient van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met behoedzaamheid gebruik te worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van het teveel betaalde. Het hof stelt hierbij voorop dat het op de weg van de moeder had gelegen om in 2022 dan wel begin 2023 (nadat de jaarcijfers bekend waren) de vader op de hoogte te stellen van haar veel hogere inkomen in 2022, zodat had kunnen worden bekeken in hoeverre dit tot een aanpassing van de door de vader te betalen bedragen had moeten leiden en of de moeder wellicht een bedrag zou moeten terugbetalen. Anderzijds neemt het hof in aanmerking dat voldoende is komen vast te staan dat de moeder na 2022 (als gevolg van gezondheidsproblemen) een inkomensterugval heeft gehad. Het door de rechtbank vastgestelde inkomen van de moeder in 2023, dat in hoger beroep niet in geschil is, is aanzienlijk lager dan in 2022. Verder blijkt uit de IB-aangifte van de moeder over het jaar 2023 dat haar spaargeld in dat jaar met circa € 80.000,- is afgenomen. De stelling van de moeder dat zij in 2023 heeft moeten interen op haar vermogen om in haar levensonderhoud te voorzien, heeft de vader naar het oordeel van het hof in dit licht bezien onvoldoende betwist en acht het hof voldoende onderbouwd. Daarnaast gaat het hof ook in de jaren 2024 en 2025 uit van een aanzienlijk lager inkomen van de moeder dan haar inkomen in 2022, zoals volgt uit hetgeen hierna onder 5.8 e.v. is opgenomen. De moeder heeft echter over de jaren 2023 en 2024 niet om een hogere bijdrage van de vader gevraagd, hoewel haar aanvullende behoefte hoger was dan de door de vader betaalde bijdrage en hij een hogere draagkracht had dan de betaalde bijdrage. Daarbij komt dat de vader pas medio 2024 heeft verzocht om wijziging van de alimentatie met ingang van 1 januari 2023 en niet eerder dan in februari 2025 heeft verzocht om een wijziging van de alimentatie met ingang van 1 januari 2022 en terugbetaling van de teveel betaalde alimentatie met ingang 1 januari 2022. Gelet op het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk dat de moeder de over het jaar 2022 ontvangen alimentatie (later) heeft verbruikt en dat zij geen bedragen heeft kunnen reserveren in verband met een mogelijke terugbetalingsverplichting.

Dit wordt niet anders doordat de moeder haar woning aan de [A-straat] te [plaats D] eind 2023 heeft verkocht en daardoor over vermogen heeft beschikt. Uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat de overwaarde van de woning circa € 229.000,- bedroeg en dat dit bedrag eind 2023 op haar bankrekening is gestort. Het bedrag stond eind 2024 nog steeds op de bankrekening van de moeder, zo blijkt uit haar IB-aangifte 2024. De moeder stelt dat zij het bedrag in 2025 heeft aangewend om een woning met haar huidige partner te kopen, hetgeen de vader niet heeft betwist. Zij heeft toegelicht dat zij zelf een woning huurde en de woning aan de [A-straat] verhuurde om op die manier extra inkomsten te verwerven. Na wijziging van de belastingwetgeving was dit niet meer rendabel en heeft zij de woning verkocht, ook omdat zij voor zichzelf en de dochters van partijen een woning wilde kopen. Omdat zij zelfstandig ondernemer is, waren haar financieringsmogelijkheden beperkt. Nadat zij een partner kreeg, heeft zij met hem een woning gekocht. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk dat de moeder de overwaarde van de woning heeft gereserveerd voor het (mede)financieren van een nieuwe woning en is het van oordeel dat niet van de moeder kan worden verwacht dat zij een bedrag had moeten reserveren in verband met een mogelijke terugbetalingsverplichting. Dat sprake is van ander vermogen aan de zijde van de moeder is niet gebleken. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat de stijging van het saldo op haar bankrekening van circa € 23.000,- in 2024, zoals blijkt uit haar IB-aangifte over dat jaar, betaalde achterstallige alimentatie betreft. Gelet op hetgeen hierover reeds is overwogen, is het hof van oordeel dat niet van de moeder kan worden verwacht dat zij dit zou aanwenden voor de terugbetaling van de alimentatie over 2022, aangezien zij, door haar lagere inkomen over 2023 en 2024 moest interen op haar vermogen. Het verzoek van de vader te bepalen dat de moeder het in 2022 te veel ontvangen bedrag aan kinder- en partneralimentatie aan de vader terug dient te betalen, zal dan ook worden afgewezen.

Omwille van de duidelijkheid zal het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader te betalen kinder- en partneralimentatie in 2022 opnieuw in deze beschikking vastleggen en daarnaast beslissen dat voor zover hij in 2022 meer heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de moeder het meerdere niet hoeft terug te betalen.

2023

5.5

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, anders dan het hof Den Haag , bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2023 een bijdrage van € 553,- per maand voor [kind 2] en van € 536,- per maand voor [kind 1] dient te betalen. Daarnaast is bepaald dat de vader € 2.109,- per maand aan partneralimentatie aan de moeder dient te betalen. Partijen hebben tegen deze beslissing geen grieven gericht, zodat het hof van dezelfde bijdragen zal uitgaan. Omwille van de duidelijkheid, zodat alle alimentatieverplichtingen uit één beschikking blijken, zal het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader te betalen kinder- en partneralimentatie in 2023 opnieuw vastleggen. Wel zal het hof daarbij beslissen dat voor zover de vader in 2023 meer heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de moeder het meerdere niet hoeft terug te betalen. Uit de berekeningen volgt dat de vader in 2023 circa € 200,- aan kinderalimentatie voor [kind 1] te veel heeft betaald. Het hof gaat ervan uit dat dit bedrag zal zijn verbruikt en gelet op de financiële situatie van de moeder, zoals hiervoor uiteengezet, kan niet van de moeder worden gevergd dat zij dit bedrag terugbetaalt. Het verzoek van de vader te bepalen dat de moeder het in 2023 te veel ontvangen bedrag aan kinder- en partneralimentatie aan de vader terug dient te betalen, zal dan ook worden afgewezen.

2024

Kinderalimentatie

5.6

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - met wijziging van de beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre - bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2024 een bijdrage van € 587,- per maand voor [kind 2] en van € 569,- per maand voor [kind 1] dient te betalen. Ook dit is in hoger beroep niet in geschil tussen partijen, zodat het hof over deze periode niet hoeft te beslissen. Omwille van de duidelijkheid zal het hof ook over 2024, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader te betalen kinderalimentatie in 2024 opnieuw vastleggen. Ook wat deze bijdrage betreft, zal het hof beslissen dat voor zover de vader in 2024 meer heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de moeder het meerdere niet hoeft terug te betalen. Uit de berekeningen volgt dat de vader in 2024 circa € 200,- aan kinderalimentatie voor [kind 1] te veel heeft betaald. Het hof gaat ervan uit dat dit bedrag zal zijn verbruikt en gelet op de financiële situatie van de moeder, zoals hiervoor uiteengezet, kan niet van de moeder worden gevergd dat zij dit bedrag terugbetaalt. Het verzoek van de vader te bepalen dat de moeder het in 2024 te veel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie aan de vader terug dient te betalen, zal dan ook worden afgewezen.

Partneralimentatie

5.7

Wel is de door de rechtbank met ingang van 1 januari 2024 vastgestelde partneralimentatie van € 2.239,- per maand tussen partijen in geschil. De vader stelt in zijn vijfde grief in principaal hoger beroep, naar het hof begrijpt, dat de rechtbank bij de berekening van de aanvullende behoefte van de moeder van een te laag inkomen is uitgegaan, doordat enkel rekening is gehouden met haar winst uit onderneming van € 15.639,- bruto per jaar (grief 5 in principaal hoger beroep). De vader voert - kort samengevat - aan dat uitgegaan dient te worden van een verdiencapaciteit van de moeder van circa € 75.000,- bruto per jaar en dat daarnaast rekening moet worden gehouden met inkomen uit vermogen, te weten de overwaarde van haar verkochte woning. Dit leidt er volgens de vader toe dat de moeder volledig in haar eigen behoefte kan voorzien en de partneralimentatie op nihil moet worden gesteld.

De moeder voert verweer. Zij meent dat de rechtbank haar aanvullende behoefte en de door de vader te betalen partneralimentatie op juiste wijze heeft berekend.

5.8

Het hof overweegt als volgt.

Het hof volgt de vader niet in zijn standpunt dat aan de moeder een verdiencapaciteit van circa € 75.000,- per jaar toegekend dient te worden. De vader heeft dit bedrag gebaseerd op het inkomen van de moeder in 2017. De moeder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar inkomen in dat jaar geen reëel beeld geeft van haar verdiencapaciteit, gelet op de omstandigheden waarin zij zich na de relatiebreuk bevond en gelet op het gegeven dat het toen ging om aan arbeidscontract van een jaar, dat nadien niet is verlengd vanwege het functioneren van de moeder.

Anderzijds heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat haar verdiencapaciteit beperkt is tot het bedrag van de winst uit onderneming in 2024. Het verweer van de moeder dat zij na de scheiding tweemaal een burn-out heeft gehad en niet meer in staat is om in loondienst te werken en daarmee een hoger inkomen te verwerven, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Het had op de weg van de moeder gelegen, na betwisting door de vader, nadere stukken te overleggen ter onderbouwing van dit verweer, wat zij heeft nagelaten. Ook acht het hof, net als de vader, de moeder in staat om 32 uur per week te werken, mede gelet op de leeftijd van de kinderen. Gelet op het arbeidsverleden van de moeder ziet het hof aanleiding haar verdiencapaciteit in 2024 redelijkerwijs vast te stellen op anderhalf keer het minimumuurloon. Anders dan de vader betoogt, zal het hof echter bij het vaststellen van de verdiencapaciteit van de moeder geen rekening houden met het door hem gestelde inkomen uit vermogen dat bestaat uit de opbrengst van de woning aan de [A-straat] te [plaats D] . Zoals reeds is overwogen heeft de moeder deze woning eind 2023 verkocht en de overwaarde van circa € 229.000,- aangewend om in 2025 een nieuwe woning met haar partner te kopen. Het hof acht het redelijk dat de moeder de overwaarde van de woning heeft gereserveerd voor een nieuwe woning en is er geen aanleiding van de moeder te verlangen op dit vermogen in te teren.

5.9

Het hof zal de aanvullende behoefte van de moeder met ingang van 1 januari 2024 opnieuw berekenen gelet op hetgeen hierboven is overwogen over haar verdiencapaciteit. In hoger beroep is niet in geschil dat de (geïndexeerde) huwelijksgerelateerde behoefte van de moeder in 2024 € 4.728,- netto per maand bedroeg, zodat het hof ook daarvan zal uitgaan.

Het hof kent aan de moeder in redelijkheid een verdiencapaciteit toe gelijk aan anderhalf keer het minimumloon. Het minimumloon bedroeg in 2024 gemiddeld € 13,50 bruto per uur, zodat anderhalf keer het minimumloon neerkomt op een bedrag van € 20,25 per uur. Uitgaande van een werkweek van 32 uur bedraagt het inkomen € 2.808,- bruto per maand. Gelet hierop berekent het hof de bruto aanvullende behoefte van de moeder op € 3.953,- per maand. Deze aanvullende behoefte zal nog hoger zijn indien rekening wordt gehouden met de eigen bijdrage van de moeder in de kosten van de kinderen, hetgeen het hof in deze berekening niet heeft gedaan.

Het hof concludeert, anders dan de vader betoogt, dat de moeder in 2024 nog steeds behoefte had aan de vastgestelde partneralimentatie. De bestreden beschikking blijft op dit punt dus in stand, maar het hof zal omwille van de duidelijkheid, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader te betalen partneralimentatie in 2024 opnieuw vastleggen op € 2.239,- per maand. Omdat deze bijdrage overeenkomt met de door het hof Den Haag vastgestelde (geïndexeerde) partneralimentatie, is geen sprake van een terugbetalingsverplichting.

2025

Kinderalimentatie

5.10

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - met wijziging van de beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre - bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2025 een bijdrage van € 625,- per maand voor [kind 2] en van € 598,- per maand voor [kind 1] dient te betalen.

De vader is het niet eens met deze beslissing. Hij stelt, naar het hof begrijpt, dat bij de berekening van de draagkracht van de moeder - net als ten aanzien van de verdiencapaciteit van de moeder in 2024 - van een te laag inkomen is uitgegaan, doordat enkel rekening is gehouden met haar winst uit onderneming van € 15.639,- bruto per jaar (grief 5 in principaal hoger beroep). Volgens de vader dient (ook over dit jaar) uitgegaan te worden van een verdiencapaciteit van circa € 75.000,- per jaar en moet daarnaast rekening worden gehouden met een inkomen uit vermogen (overwaarde woning). Dit leidt volgens de vader tot een door hem te betalen kinderalimentatie van € 122,- per kind per maand.

De moeder voert verweer. Zij meent dat de rechtbank haar inkomen op juiste wijze heeft berekend.

5.11

Het hof verwijst naar hetgeen hierboven onder 5.8 is overwogen ten aanzien van de verdiencapaciteit van de moeder en de overwaarde van haar woning in 2024. Het hof ziet geen aanleiding anders te beslissen voor 2025.

Gelet hierop zal het hof de draagkracht van de moeder en de door de vader te betalen kinderalimentatie opnieuw berekenen.

5.12

Daarbij neemt het hof ook het volgende in aanmerking. De moeder komt in haar tweede grief in incidenteel hoger beroep op tegen de beslissing van de rechtbank om de draagkracht van de vader uitsluitend te berekenen op grond van (uitsluitend) zijn resultaat uit onderneming. Anders dan in de jaren 2022, 2023 en 2024 heeft de rechtbank geen rekening gehouden met aanvullende inkomsten uit hoofde van een ontslagvergoeding. De moeder is het hier niet mee eens. Zij stelt in haar tweede grief in incidenteel hoger beroep dat de vader de aanvullende inkomsten in 2022 niet nodig had en dat de vergoeding daarom over de jaren 2023, 2024, en 2025 moet worden verdeeld. Volgens de moeder dient dus ook in 2025 nog rekening te worden gehouden met de aanvullende inkomsten van € 2.353,- per maand.

De vader erkent dat hij de aanvullende inkomsten in 2022 niet nodig had, maar stelt dat hij de ontslagvergoeding volledig heeft gebruikt ter aanvulling van zijn inkomen in 2023 en 2024.

5.13

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de vader in februari 2021 een ontbindingsvergoeding van € 84.723,- (netto) uitbetaald heeft gekregen. Zoals de rechtbank heeft overwogen betreft die vergoeding een uitkering om inkomensterugval te voorkomen en dient de vergoeding om die reden te worden betrokken bij de berekening van de draagkracht. De rechtbank heeft de vergoeding verdeeld over de jaren 2022, 2023 en 2024 en bij het berekenen van de draagkracht van de vader in die jaren rekening gehouden met aanvullende inkomsten van (84.723/36 =) € 2.353,- per maand.

De vader heeft erkend dat hij de aanvullende inkomsten in 2022 niet nodig had. In 2023 en 2024 is de rechtbank uitgegaan van de werkelijke inkomsten van de vader, vermeerderd met de netto aanvulling van € 2.353,- per maand. Zijn argument dat hij de ontbindingsvergoeding in deze jaren volledig nodig had ter aanvulling van zijn inkomen gaat dan ook in zoverre niet op dat de rechtbank niet van zijn oude inkomen is uitgegaan voor het berekenen van zijn draagkracht. Het hof is van oordeel dat de vergoeding om die reden moet worden verdeeld over de jaren 2023 tot en met 2025 en dat daarom ook in 2025 rekening moet worden gehouden met de aanvullende inkomsten van € 2.353,- per maand.

Hoewel deze grief volgens de moeder alleen gevolgen zou moeten hebben voor de vastgestelde partneralimentatie over 2025, zal het hof ook bij de berekening van de kinderalimentatie rekening houden met deze aanvullende inkomsten. Het inkomen van de vader wijzigt immers en dit heeft gevolgen voor de verhouding waarin beide ouders in de kosten van de kinderen moeten bijdragen.

De door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen en de zorgkorting van 35% zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof deze tot uitgangspunt zal nemen.

Draagkracht moeder

5.14

Bij het vaststellen van de draagkracht van de moeder houdt het hof, zoals hiervoor al overwogen, rekening met een verdiencapaciteit van anderhalf keer het minimumloon. Het minimumloon bedroeg in 2025 gemiddeld € 14,23 bruto per uur, zodat anderhalf keer het minimumloon neerkomt op een bedrag van € 21,35 per uur. Uitgaande van een werkweek van 32 uur bedraagt het inkomen € 2.961,- bruto per maand. Daarnaast zal het hof net als de rechtbank rekening houden met de werkelijke woonlasten van de moeder van € 1.118,- per maand, omdat in hoger beroep niet in geschil is dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten. Ook niet in geschil is dat de moeder in 2025 geen recht had op kindgebonden budget, zodat het hof daarmee ook geen rekening zal houden. Gelet op het voorgaande berekent het hof de draagkracht van de moeder met ingang van 1 januari 2025 op € 274,- per maand.

De draagkracht van de moeder wordt - naar rato van het verschil in behoefte - over [kind 2] en [kind 1] verdeeld. De behoefte van [kind 2] (vermeerderd met kinderopvangkosten) bedraagt in 2025 € 991,- per maand en de behoefte van [kind 1] bedraagt € 951,- per maand. Hieruit volgt dat de moeder € 140,- per maand beschikbaar heeft voor [kind 2] en € 134,- voor [kind 1] .

De vader heeft gesteld dat met ingang van 1 juli 2025 geen kinderopvangkosten voor [kind 2] meer worden gemaakt, hetgeen de moeder niet heeft betwist. Gelet hierop zal het hof vanaf die datum geen rekening meer houden met kinderopvangkosten voor [kind 2] en uitgaan van een behoefte van beide kinderen van € 951,- per maand. Het hof zal de draagkracht van de moeder gelijkelijk over de kinderen verdelen, wat meebrengt dat zij voor zowel [kind 2] als [kind 1] € 137,- per maand beschikbaar heeft.

Draagkracht vader

5.15

De rechtbank heeft de draagkracht van de vader in 2025 berekend op € 2.516,- per maand. Zoals hiervoor overwogen, houdt het hof ook rekening met aanvullende inkomsten van € 2.353,- per maand. Dit brengt mee dat de draagkracht van de vader in 2025 € 4.163,- per maand bedraagt. Over de periode van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025 heeft hij maandelijks € 1.691,- beschikbaar voor [kind 2] en € 1.622,- voor [kind 1] . Met ingang van 1 juli 2025 heeft hij een bedrag van € 1.657,- per kind per maand beschikbaar.

Draagkrachtvergelijking

5.16

De ouders hebben samen voldoende draagkracht om in de behoefte van [kind 2] en [kind 1] te voorzien. Om vast te kunnen stellen welk deel van de behoefte door de vader dient te worden gedragen, wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. Hieruit volgt dat het aandeel van de vader in de behoefte van [kind 2] € 927,- per maand bedraagt en van [kind 1] € 890,- per maand in de periode van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025. Voor de periode vanaf 1 juli 2025 geldt dat het aandeel van de vader in de behoefte van [kind 2] en [kind 1] € 890,- per kind per maand bedraagt. Hierop dient vervolgens de zorgkorting in mindering te worden gebracht.

Zorgkorting

5.17

Tussen partijen is niet in geschil dat uitgegaan dient te worden van een zorgkorting van 35%. De zorgkorting wordt berekend over de behoefte van de kinderen (waarbij geen rekening wordt gehouden met de verhoging vanwege de kosten van kinderopvang) en bedraagt dus (0,35 x € 951 =) € 333,- per kind per maand. Omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt de zorgkorting in mindering gebracht op het aandeel van de vader in de behoefte van de kinderen. Hieruit volgt dat de vader met ingang van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025 een bijdrage van € 594,- per maand voor [kind 2] en van € 557,- per maand voor [kind 1] dient te betalen. Met ingang van 1 juli 2025 dient de vader een bijdrage te betalen van € 557,- per kind per maand.

Conclusie

5.18

Het hof zal, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind 2] vaststellen op € 594,- per maand met ingang van 1 januari 2025 en op € 557,- per maand met ingang van 1 juli 2025 en de betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind 1] vaststellen op € 557,- per maand met ingang van 1 januari 2025.

Partneralimentatie

5.19

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - met wijziging van de beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre - bepaald dat de vader € 132,- per maand aan partneralimentatie aan de moeder moet betalen met ingang van 1 januari 2025.

Partijen zijn het hier allebei niet mee eens. De vader verzoekt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2025 op nihil te stellen. De moeder verzoekt op haar beurt het inleidend verzoek van de vader tot wijziging van de partneralimentatie af te wijzen, zodat de bij beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 vastgestelde partneralimentatie van (geïndexeerd per 1 januari 2025) € 2.385,- per maand herleeft. Het hof zal hierna eerst ingaan op de grief van de vader over de (aanvullende) behoefte van de moeder, waarna de grief van de moeder over de draagkracht van de vader wordt besproken.

Vaststaat de partneralimentatieverplichting van de vader op 20 mei 2025 is geëindigd, omdat de moeder per die datum is gaan samenwonen met haar huidige partner (overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek) . De hierna volgende overwegingen hebben dan ook betrekking op de periode van 1 januari 2025 tot en met 19 mei 2025.

Behoefte moeder

5.20

De vader stelt - net als ten aanzien van de aanvullende behoefte van de moeder in 2024 - dat de moeder in 2025 volledig in haar eigen behoefte kan voorzien en de door hem te betalen partneralimentatie daarom op nihil moet worden gesteld (grief 5 in principaal hoger beroep). Het hof verwijst voor het standpunt van de vader, het verweer van de moeder en de beoordeling hiervan door het hof naar hetgeen hierboven onder 5.7 en 5.8 is overwogen en zal de aanvullende behoefte van de moeder hierna opnieuw berekenen.

5.21

Tussen partijen is niet in geschil dat de (geïndexeerde) huwelijksgerelateerde behoefte van de moeder in 2025 € 5.036,- netto per maand bedroeg, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Verder gaat het hof uit van een verdiencapaciteit van de moeder in 2025 van € 2.961,- bruto per maand (zie hierboven onder 5.14). Rekening houdend met de gebruikelijke heffingskortingen en de eigen bijdrage van de moeder in de kosten van de kinderen, berekent het hof de bruto aanvullende behoefte van de moeder in 2025 op € 4.592,- per maand. Anders dan de vader betoogt, heeft de moeder in 2025 dus nog wel behoefte aan partneralimentatie.

Draagkracht vader

5.22

De moeder stelt - net als ten aanzien van de kinderalimentatie - dat bij de berekening van de draagkracht van de vader ook rekening moet worden gehouden met de aanvullende inkomsten, omdat hij deze in 2022 niet nodig had, zodat de vergoeding daarom over de jaren 2023, 2024, en 2025 moet worden verdeeld. Volgens de moeder dient dus ook in 2025 nog rekening te worden gehouden met de aanvullende inkomsten van € 2.353,- per maand.

De vader handhaaft zijn verzoek, zoals gedaan in eerste aanleg. Hij erkent dat hij de aanvullende inkomsten in 2022 niet nodig had, maar stelt dat hij de ontslagvergoeding volledig heeft gebruikt ter aanvulling van zijn inkomen in 2023 en 2024.

5.23

Het hof verwijst naar voor zijn beoordeling naar de overweging onder 5.13. Ook in het kader van de partneralimentatie is het hof van oordeel dat bij het berekenen van de draagkracht van de vader rekening moet worden gehouden met de aanvullende inkomsten.

5.24

Gelet op de wijziging per 1 januari 2025 van de door de vader te betalen kinderalimentatie, de aanvullende behoefte van de moeder en het inkomen van de vader, zal het hof de door de vader te betalen partneralimentatie hierna opnieuw berekenen. Hierbij gaat het hof uit van de (inkomens)gegevens van de vader, zoals opgenomen in de bestreden beschikking en de aangehechte berekening, nu deze voor het overige in hoger beroep niet in geschil zijn. Hieruit volgt een draagkracht van de vader van € 2.525,- (bruto) per maand.

Conclusie

5.25

Gelet op het bovenstaande zal het hof het verzoek van de vader in eerste aanleg en in hoger beroep tot nihilstelling van de partneralimentatie in 2025 afwijzen. Dit leidt ertoe dat de bij beschikking van 27 september 2017 door het hof Den Haag vastgestelde partneralimentatie van, geïndexeerd per 1 januari 2025, € 2.385,- per maand herleeft, nu dit bedrag de behoefte van de moeder en de draagkracht van de vader niet overschrijdt. Het hof zal, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2025 tot 20 mei 2025 dan ook op dit bedrag vaststellen. Derhalve is geen sprake van een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de moeder.

Terugbetalingsverplichting

5.26

Het hof stelt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2025 vast op lagere bedragen dan voortvloeit uit de beschikking van het hof Den Haag van 27 september 2017. Hieruit volgt in beginsel een terugbetalingsverplichting voor de moeder. Zoals reeds overwogen, dient volgens vaste rechtspraak van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met behoedzaamheid gebruik te worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van het teveel betaalde.

Het hof is van oordeel dat de situatie in 2025 anders is dan de jaren ervoor. De vader heeft begin 2025 zijn verzoek aangepast en de rechtbank verzocht de door hem te betalen partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2022, waarbij hij in zijn verzoekschrift heeft meegedeeld het te veel betaalde terug te vorderen van de moeder. Vanaf dat moment kon de moeder derhalve rekening houden met een terugbetalingsverplichting. Uit de overgelegde bladzijde van de (concept) aangifte 2025 met daarop de saldi van de bankrekeningen blijkt dat de moeder, naast de verkoopopbrengst van de woning en het saldo op de rekening van de kinderen, beschikte over andere spaarsaldi, die zij had kunnen reserveren. Het hof is daarom van oordeel dat van de moeder kan worden verwacht dat zij hetgeen zij teveel heeft ontvangen, moet terugbetalen.

5.27

De vader heeft verzocht te bepalen dat de moeder het door haar te veel ontvangen bedrag over de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met de datum van de te wijzen beschikking aan de vader moet terugbetalen, waarbij hij de te veel betaalde alimentatie over de periode van januari tot en met oktober 2025 heeft berekend. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij in deze periode de volgende bedragen heeft betaald:

- voor [kind 2] : 8 x € 625,- en 2 x € 598,-, in totaal € 6.196,-;

- voor [kind 1] : 10 x € 598,- in totaal € 5.980,-.

Volgens de berekening van het hof zou hij over deze periode moeten betalen:

- voor [kind 2] : 6 x € 594,- en 4 x € 557,-, in totaal € 5.792,-;

- voor [kind 1] : 10 x € 557,-, in totaal € 5.570,-.

Dit brengt mee dat de moeder aan kinderalimentatie over de periode van januari tot en met oktober 2025 een bedrag van € 814,- moet terugbetalen. Aangezien niet bekend is welke bedragen de vader over de periode vanaf oktober 2025 aan de moeder heeft betaald en ook geen concreet verzoek tot terugbetaling van een concreet bedrag over deze periode heeft gedaan, heeft het hof geen berekening gemaakt van het bedrag dat de moeder over de periode vanaf oktober 2025 mogelijk aan de vader dient terug te betalen.

2026

5.28

Het hof zal de kinderalimentatie voor 2026 opnieuw berekenen, aangezien met ingang van 1 januari 2026 geen rekening meer wordt gehouden met de aanvullende inkomsten van € 2.353,- per maand aan de zijde van de vader. Voor het overige wordt uitgegaan van dezelfde financiële gegevens als in 2025, nu niet gebleken is dat deze in 2026 substantieel zijn gewijzigd. Uit de gemaakte berekening volgt een door de vader te betalen kinderalimentatie van € 550,- per kind per maand. Het hof zal deze bijdrage dan ook vaststellen met ingang van 1 januari 2026. Hieruit volgt in beginsel een terugbetalingsverplichting voor de moeder. Het hof is van oordeel dat van de moeder kan worden verwacht dat zij hetgeen zij teveel heeft ontvangen, moet terugbetalen en verwijst in dat kader naar hetgeen hierboven onder 5.26 is overwogen.

Schorsingsincident

5.29

Ter zitting heeft de moeder haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingetrokken. Dit leidt ertoe dat het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk zal verklaren.

5.30

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.360.752/01

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinder- en partneralimentatie met ingang van 1 januari 2022 betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met wijziging van de beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] :

  • met ingang van 1 januari 2022 op € 231,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2023 op € 553,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2024 op € 587,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2025 op € 594,- per maand;

  • met ingang van 1 juli 2025 op € 557,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2026 op € 550,- per maand;

bepaalt, met wijziging van de beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] :

  • met ingang van 1 januari 2022 op € 208,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2023 op € 536,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2024 op € 569,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2025 op € 557,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2026 op € 550,- per maand;

bepaalt, met wijziging van de beschikking van hof Den Haag van 27 september 2017 in zoverre, de door de vader te betalen uitkering tot levensonderhoud van de moeder:

  • met ingang van 1 januari 2022 op nihil;

  • met ingang van 1 januari 2023 op € 2.109,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2024 op € 2.239,- per maand;

  • met ingang van 1 januari 2025 tot 20 mei 2025 op € 2.385,- per maand;

met dien verstande dat voor zover de vader over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024 meer heeft betaald dan waartoe hij op grond van deze beschikking gehouden was, de moeder dit meerdere niet hoeft terug te betalen;

bepaalt dat de moeder de teveel betaalde kinderalimentatie over de periode vanaf 1 januari 2025 tot heden aan de vader moet terugbetalen, waarbij de teveel betaalde kinderalimentatie over de periode van januari tot en met oktober 2025 wordt vastgesteld op € 814,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

in de zaak met zaaknummer 200.360.752/02

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.C. Schenkeveld en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733