Rechtbank Midden-Nederland 31-07-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5992

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding waarin overdracht van [minderjarige] aan moeder binnen 72 uur is gelast en verblijf bij moeder is bepaald. Begeleide zorgregeling tussen vader en [minderjarige] wordt vastgesteld onder regie van de GI. Grondslag is dat vader langdurig contact tussen kind en moeder frustreert, het kind herhaaldelijk van school houdt zonder medische noodzaak, het kind belast met volwassenproblematiek en zich opstelt als behandelaar, waardoor een ernstige ontwikkelingsbedreiging bestaat. Overige vorderingen worden afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Advocaat heeft zichtbaar positieve invloed op vader: "ziet zorgen nu onder ogen"
Moeder start kort geding omdat vader contact tussen haar en kind zou frustreren. Rechter beslist dat kind aan moeder moet worden overgedragen en legt regie omgang bij GI. Rol advocaat vader wordt gezien: "zeer constructieve houding".

Datum publicatie31-08-2026
ZaaknummerC/16/613063 / KG ZA 26-356
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Zorgregeling / omgang / informatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Overdracht van kind aan moeder. Vader heeft gedurende langere tijd het contact tussen kind en moeder gefrustreerd, het kind herhaaldelijk gedurende langere perioden van school gehouden; belast met volwassenproblematiek en zich opgesteld als behandelaar

Volledige uitspraak


RECHTBANK Midden-Nederland

Familierecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/613063 / KG ZA 26-356

Vonnis in kort geding van 31 juli 2026

in de zaak van

[moeder] ,

wonende in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Hooijer,

tegen

[vader] ,

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.J. Coxon.

1De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 24 juni 2026 met producties 1 tot en met 18;

  • producties 1 tot en met 19 van de moeder.

1.2

Op 17 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;

  • de vader met zijn advocaat;

  • [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

  • [B] , namens de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI).

1.3

De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om het minderjarige kind van partijen, [minderjarige] , in de gelegenheid te stellen aan de voorzieningenrechter te vertellen wat zij van de vorderingen vindt. Dat is in verband met de spoedeisendheid van de procedure.

2De feiten

2.1

Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad.

2.2

Partijen zijn samen de ouders van:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .

2.3

Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.

2.4

Partijen hebben een verdeling van de zorg- en opvoedtaken afgesproken waarbij [minderjarige] de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder, waarbij de wisseldag op maandag is.

2.5

Bij beschikking van 3 april 2026 van deze rechtbank heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 april 2026 tot 3 juli 2026.

2.6

Bij beschikking van 2 juli 2026 van deze rechtbank heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 juli 2026 tot 3 juli 2027.

3Het geschil

3.1

De moeder vordert:
primair

  • te bepalen dat vierentwintig uur na het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis [minderjarige] door de vader wordt overgedragen aan de moeder en [minderjarige] bij de moeder zal verblijven;

  • te bepalen dat de vader een begeleide zorgregeling zal krijgen met [minderjarige] , te bepalen en uit te voeren door mevrouw [B] , jeugdbeschermer namens de GI, dan wel uit te voeren door een door mevrouw [B] aan te wijzen uitvoerende instantie;

subsidiair

- voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat de zorgregeling niet begeleid zou behoeven plaats te vinden, te bepalen dat [minderjarige] op de maandagen in de oneven weken uit school naar haar moeder zal gaan en in de even weken naar haar vader zal gaan en ouders op die betreffende maandag om 10.00 uur de spullen van [minderjarige] bij de andere ouder zullen brengen;

zowel primair als subsidiair

- te bepalen dat de vader op straffe van een dwangsom van € 750,- per dag of een dagdeel daarvan met een maximum van € 50.000,- mee zal werken aan de voornoemde zorgregeling.

3.2

Tijdens de zitting heeft de advocaat namens de vader verweer gevoerd. De vader concludeert tot afwijzing van de primaire vorderingen van de moeder. Ten aanzien van de subsidiaire vordering en de dwangsom heeft de vader zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Uitgangspunten

4.1

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de moeder daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Spoedeisend belang

4.2

Zoals hiervoor overwogen, is het in een kortgedingprocedure nodig dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de eisende partij, in dit geval de moeder, op korte termijn een beslissing van de voorzieningenrechter nodig heeft en een beslissing in een bodemprocedure niet kan afwachten. Dat is hier het geval. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

De vorderingen van de moeder
4.3 De voorzieningenrechter zal bepalen dat [minderjarige] binnen tweeënzeventig uur door de vader wordt overgedragen aan de moeder en dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven. Daarnaast zal een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] worden vastgesteld die uitsluitend begeleid zal plaatsvinden onder regie van de GI dan wel een door de GI aan te wijzen uitvoerende instantie. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de moeder voor het overige afwijzen. Hierna zal zij uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.

4.4

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat het belang van [minderjarige] op dit moment noodzakelijk maakt dat zij aan de moeder wordt overgedragen. Daarbij staat voorop dat de belangen van [minderjarige] leidend zijn en dat uit de overgelegde stukken en wat er op de zitting is besproken, een ernstig beeld naar voren komt van een voortdurende ontwikkelingsbedreiging zolang zij uitsluitend of grotendeels onder de zorg van de vader verblijft.

4.5

De voorzieningenrechter acht in dat verband van zwaarwegend belang dat de vader gedurende langere tijd het contact tussen [minderjarige] en de moeder heeft gefrustreerd. Nadat binnen de voorlopige ondertoezichtstelling zorgvuldig was toegewerkt naar herstel van de eerder bestaande 50/50-zorgregeling en de contactmomenten positief verliepen, heeft de vader de gemaakte afspraken eenzijdig naast zich neergelegd. Op het moment dat [minderjarige] weer overeenkomstig de oorspronkelijke afspraken naar de moeder zou gaan, heeft de vader deze afspraak niet uitgevoerd en heeft hij [minderjarige] niet naar de moeder laten gaan. De vader heeft zich vervolgens gedurende langere tijd onbereikbaar gehouden voor zowel de moeder als de GI en pas de volgende dag laten weten dat hij uitsluitend uitvoering zou geven aan de zorgregeling, als een schriftelijke aanwijzing daartoe door de rechter zou zijn bekrachtigd. Daarmee heeft hij niet alleen de uitvoering van de ondertoezichtstelling doorkruist, maar ook het zicht van de GI op [minderjarige] ernstig beperkt.

4.6

Daarnaast is gebleken dat de vader [minderjarige] herhaaldelijk gedurende langere perioden van school heeft gehouden, terwijl daarvoor geen medische noodzaak is vastgesteld. Zowel de school als de huisarts hebben de door de vader beschreven ernstige problematiek niet herkend. Integendeel, de huisarts heeft expliciet aangegeven dat hij de door de vader gestelde ernstige klachten, waaronder dissociatieve verschijnselen, niet heeft kunnen vaststellen en evenmin aanleiding zag voor een verwijzing naar de kinderpsychiatrie.

4.7

Voorts acht de voorzieningenrechter het zorgelijk dat de vader [minderjarige] in toenemende mate (heeft) belast met volwassen problematiek. Vaststaat dat de vader [minderjarige] in de cc (carbon copy) heeft geplaatst van e-mailcorrespondentie met de moeder, de huisarts en verschillende hulpverlenende instanties. Daarmee is [minderjarige] rechtstreeks betrokken geraakt bij het conflict tussen haar ouders en bij professionele discussies die haar ontwikkeling en loyaliteitspositie kunnen schaden. Daarnaast heeft de vader medische informatie van de moeder uit het verleden met instanties gedeeld ter onderbouwing van zijn eigen standpunten over haar functioneren. Hierdoor is de ruimte voor [minderjarige] om haar eigen relatie met beide ouders te ontwikkelen onder druk komen te staan.

4.8

Ook heeft de vader zich gedurende langere tijd opgesteld als behandelaar van [minderjarige] en als deskundige, terwijl zijn visie op haar psychische toestand niet werd gedeeld door de huisarts, de school of andere betrokken professionals. Meerdere onafhankelijke betrokkenen hebben beschreven dat vader zich moeilijk liet begrenzen, een grote hoeveelheid e-mails verstuurde die als onsamenhangend werden ervaren en vasthield aan zijn eigen overtuiging, ook wanneer deze haaks stond op de bevindingen van de betrokken hulpverlening.

4.9

De voorzieningenrechter constateert dat dit handelen ertoe heeft geleid dat [minderjarige] in een positie is geraakt waarin zij onvoldoende ruimte heeft gekregen om vrijelijk haar eigen verhouding tot beide ouders vorm te geven. Daarbij sluit de voorzieningenrechter aan bij de bevindingen van de Raad dat [minderjarige] niet zozeer moeite lijkt te hebben met het contact met de moeder, maar veeleer klem lijkt te zitten tussen haar ouders. [minderjarige] lijkt regelmatig de visie en bewoordingen van de vader over te nemen. Dit past bij het beeld dat [minderjarige] gedurende langere tijd is belast met de zorgen en overtuigingen van de vader en met het conflict tussen de ouders.

4.10

De vader heeft tijdens de zitting erkend dat bovengenoemde wijze van handelen niet juist is geweest en dat hij inmiddels inziet dat hij [minderjarige] hiermee heeft belast. De vader heeft toegelicht dat zijn handelen mede voortkwam uit ingrijpende gebeurtenissen uit zijn eigen verleden, waardoor hij naar eigen zeggen ‘overbeschermend heeft gereageerd’. Hij heeft aangegeven dat hij inmiddels inziet dat hij daarin te ver is gegaan en dat hij bereid is daarvoor hulp te aanvaarden. De voorzieningenrechter ziet hierin een ontwikkeling die hoopgevend is. Daarbij verdient opmerking dat de advocaat van de vader een zeer constructieve houding heeft aangenomen en een belangrijke rol heeft gespeeld in de wijze waarop de vader zich ter zitting heeft opgesteld en heeft gereflecteerd op zijn eigen handelen. De advocaat van de vader heeft de zorgen die uit het dossier naar voren zijn gekomen niet miskend, maar heeft deze juist met de vader besproken en hem geholpen deze onder ogen te zien. Mede hierdoor is het contact tussen de moeder en [minderjarige] hervat en is de vader de meest recente afspraken nagekomen.

4.11

Tegelijkertijd zijn de zorgen die aanleiding hebben gegeven tot deze procedure daarmee niet weggenomen. Binnen de ondertoezichtstelling is aanvankelijk ingezet op herstel van de ouderlijke samenwerking en het contact tussen [minderjarige] en de moeder. De Raad heeft er tijdens de zitting op gewezen dat uit het raadsrapport volgt dat wanneer die inzet onvoldoende bescherming biedt en [minderjarige] daardoor in een schadelijke dynamiek blijft verkeren, er een moment kan ontstaan waarop verdergaande maatregelen noodzakelijk zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat moment nu aangebroken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het herstel van het contact tussen [minderjarige] en de moeder nog van zeer recente datum is. De door de vader zelf genoemde onderliggende problematiek is nog niet aangepakt en het zal moeten blijken of de vader de inzichten die hij tijdens de zitting heeft getoond ook in de praktijk weet vast te houden, juist op momenten waarop sprake is van spanning of verschil van inzicht. Dat geldt te meer nu de eerdere zorgen zich over langere periode hebben voorgedaan en hebben geleid tot een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] .

4.12

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij aan de zorg van de moeder wordt toevertrouwd. Om de overgang voor [minderjarige] zo goed als mogelijk te laten verlopen zal de voorzieningenrechter, anders dan de moeder vordert, hieraan een termijn van tweeënzeventig uur verbinden. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat de GI de overdracht van [minderjarige] naar de moeder zal begeleiden en dat de vader de instructies van de GI en de beslissing van dit vonnis zal opvolgen.

4.13

Tegelijkertijd vindt de voorzieningenrechter het ook belangrijk dat [minderjarige] contact houdt met de vader en dat de band tussen de vader en [minderjarige] behouden blijft. Maar, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, acht de voorzieningenrechter het nog niet verantwoord dat dit zonder begeleiding plaatsvindt. Begeleide omgang biedt enerzijds ruimte voor het behoud en herstel van de band tussen de vader en [minderjarige] en anderzijds de noodzakelijke waarborgen om te voorkomen dat [minderjarige] opnieuw wordt belast met de hiervoor beschreven problematiek.

4.14

Het is vervolgens aan de vader om de komende periode te laten zien dat hij de belangen van [minderjarige] blijvend vooropstelt, de aanwijzingen van de GI opvolgt en zich daadwerkelijk openstelt voor hulpverlening. Als de vader daarin slaagt kan dat aanleiding vormen om in de toekomst opnieuw naar de invulling van de zorgregeling te kijken.

Dwangsom

4.15

De (advocaat van de) moeder heeft tijdens de zitting toegelicht dat de gevorderde dwangsom uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin de voorzieningenrechter een onbegeleide zorgregeling vaststelt. De voorzieningenrechter beschouwt de vordering van de moeder voor zover deze ziet op de begeleide zorgregeling als ingetrokken. Op dit punt hoeft de voorzieningenrechter daarom geen beslissing meer te nemen.

Proceskosten

4.16

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

bepaalt dat [minderjarige] binnen tweeënzeventig uur door de vader wordt overgedragen aan de moeder en dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven;

5.2

stelt een zorgregeling vast tussen de vader en [minderjarige] die uitsluitend begeleid zal plaatsvinden onder regie van de GI, dan wel een door de GI aan te wijzen uitvoerende instantie;

5.3

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst de vorderingen voor het overige gedeelte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Chedra, voorzieningenrechter, in samenwerking met
mr. I.J.R. Stoffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026. In verband met tijdelijke afwezigheid van de voorzieningenrechter heeft mr. M.M.E. Manning, rechter, dit vonnis voor gezien getekend.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733