Rechtbank Den Haag 15-07-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22871

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking ex art. 1:27 BW inzake weigering ambtenaar om latere vermelding te verbeteren. Kernvraag is of de biologische vader na overlijden van de moeder bij erkenning eenzijdig naamskeuze kan doen op grond van art. 1:5 lid 9 BW. De rechtbank volgt GHDHA 13-11-2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2251): vader kan bij erkenning na overlijden moeder naamskeuze uitbrengen. Geen belangenafweging vereist en beroep op IVRK faalt. Verzoek van JBwest tot herstel naar moeders naam wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Rechtbank volgt lijn Hof Den Haag inzake naamskeuze bij overlijden ouder
Rb volgt Gerechtshof Den Haag bij het geven van een beschikking ex art. 1:27 BW inzake weigering ambtenaar om de zgn. latere vermelding te verbeteren. Biologische vader kan na overlijden moeder bij erkenning eenzijdig naamskeuze maken.

Datum publicatie31-08-2026
ZaaknummerC/09/688152 / FA RK 25-5155
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenOverig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW);
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Naamskeuze door de biologische vader is mogelijk na overlijden van de moeder en vervangende toestemming erkenning. Zie ook ECLI:NL:GHDHA:2024:2251

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-5155

Zaaknummer: C/09/688152

Datum beschikking: 15 juli 2026

Weigering ambtenaar burgerlijke stand (ex artikel 1:27 BW)

Beschikking op het op 7 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna ook JBwest,

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (voogdes) van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1],

Advocaat: mr. E.M. de Lange te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader],

de vader van de minderjarige [minderjarige],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[de grootmoeder],

de grootmoeder van de minderjarige [minderjarige],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,

zetelend te ’s-Gravenhage,

de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- een instemmingsverklaring van de grootmoeder van de minderjarige van

17 augustus 2025, ingekomen bij de rechtbank op 20 augustus 2025;

- het verweerschrift van 1 december 2025 van de ambtenaar;

- de brief van 3 februari 2026 namens JBwest;

- de brief van 23 februari 2026 van de ambtenaar.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich op 1 juni 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 3 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: - namens JBwest [naam 1] en de advocaat;

- de vader;

- de grootmoeder.

De ambtenaar is met bericht niet verschenen

Namens JBwest zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt ertoe –naar de rechtbank begrijpt– :

  • te bepalen dat het besluit van de ambtenaar van 27 mei 2025 om te weigeren de ‘latere vermelding van erkenning (vervolgblad 3)’ behorend bij de geboorteakte van [minderjarige] met nummer 1P0298/2014 te verbeteren door de geslachtsnaam van [minderjarige] te verbeteren in “[geslachtsnaam 1]”, ongegrond is dan wel genoemd besluit van de ambtenaar te vernietigen;

  • de ambtenaar te gelasten om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn de

gewijzigde geslachtsnaam van [minderjarige] als latere vermelding aan de geboorteakte van

[minderjarige] in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage toe te

voegen, zodat de geslachtsnaam van [minderjarige] “[geslachtsnaam 1]” is, dan wel verbetering te

gelasten van de onder voormelde aktenummer in de registers van de burgerlijke

stand te ’s-Gravenhage voorkomend e geboorteakte van [minderjarige] door middel van een

latere vermelding in de betreffende akte in die zin dat de geslachtsnaam van [minderjarige]

“[geslachtsnaam 1]” is;

- voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De ambtenaar voert verweer, welk verweer hierna –voor zover nodig– zal worden besproken.

Feiten

  • Uit [de moeder] (de moeder), geboren op [geboortedatum 2] 1987 te [geboorteplaats 2] en overleden op [datum 1] 2015 te [plaats], is –voor zover hier relevant – op [geboortedatum 1] 2014 te ’s-Gravenhage de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] geboren.

  • Voorafgaand aan de geboorte was de minderjarige [minderjarige] op 7 mei 2014 met toestemming van de moeder erkend door [naam 2].

  • Van de erkenning van de ongeboren vrucht is op de geboorteakte van [minderjarige] een latere vermelding geplaatst.

  • Op het eerste blad van de geboorteakte zijn de gegevens van [minderjarige] opgenomen als:

[minderjarige] geboren op [geboortedatum 1] 2014 om 13:05 te ’s-Gravenhage als zoon van [naam 2] en [de moeder].

  • Bij beschikking van 2 maart 2015 heeft deze rechtbank de erkenning door [naam 2] vernietigd.

  • Op de geboorteakte van de minderjarige [minderjarige] is van deze vernietiging van de erkenning een latere vermelding geplaatst alsmede dat de geslachtsnaam van [minderjarige] “[geslachtsnaam 1]” is.

  • Op het moment van haar overlijden was de moeder alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

  • [minderjarige] heeft vanaf omstreeks juli 2015, al dan niet in de vorm van een netwerkplaatsing, de hoofdverblijfplaats bij de grootmoeder.

  • Bij beschikking van 3 mei 2016 van deze rechtbank is JBwest benoemd tot voogdes over [minderjarige].

  • Bij beschikking van 7 december 2016 heeft deze rechtbank aan [de vader] (de biologische vader) vervangende toestemming verleend, welke de toestemming van de (overleden) moeder vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige].

  • De vader heeft op 27 november 2017 ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag [minderjarige] erkend.

  • Uit de latere vermelding betreffende erkenning op de geboorteakte van [minderjarige] blijkt dat gekozen is voor de geslachtsnaam “[geslachtsnaam 2]”.

  • Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de ambtenaar geweigerd om de geslachtsnaam in de ‘Latere vermelding van erkenning (vervolgblad 3)’ behorend bij de geboorteakte van [minderjarige], te verbeteren in “[geslachtsnaam 1]”, zijnde de geslachtsnaam van de op

[datum 1] 2015 overleden moeder van [minderjarige].

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben – voor zover hier van belang – naar aanleiding van een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 1:18c BW of 1:20c BW te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen, belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen zes weken na de verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de rechtbank, binnen welk rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen. De brief van de ambtenaar met het weigeringsbesluit dateert van 25 mei 2025, ontvangen door JBwest op 2 juni 2025. JBwest heeft haar verzoek op

7 juli 2025 bij deze rechtbank ingediend. Het verzoek is daarmee tijdig ingediend en JBwest is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de kern van het geschil tussen JBwest en de ambtenaar ziet op de vraag of de (biologische) vader na het overlijden van de moeder op grond van artikel 1:5 lid 9 BW een (eenzijdige) naamskeuze kan uitbrengen bij de erkenning van [minderjarige].

Het verzoek van JBwest strekt ertoe de latere vermelding betreffende erkenning behorend bij de geboorteakte van [minderjarige] te verbeteren, in die zin dat de geslachtsnaam van [minderjarige] zal worden gewijzigd in “[geslachtsnaam 1]”, de geslachtsnaam van zijn overleden moeder. JBwest heeft dit verzoek ingediend, omdat de ambtenaar dit heeft geweigerd.

Feiten en standpunten

Uit de stukken en wat op de zitting, waaronder het kindgesprek, naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. [de vader] is de biologische vader van [minderjarige]. [minderjarige] woont al geruime tijd (sinds 2015) bij zijn grootmoeder, maar verblijft ook structureel om de week vijf dagen bij zijn vader. De vader maakt wezenlijk onderdeel uit van het leven van [minderjarige] en is belangrijk voor zijn identiteit. In de praktijk voert de grootmoeder al jaren bij [minderjarige] de achternaam “[geslachtsnaam 1]”. Zij heeft hiervoor zelf gekozen. Juridisch heeft [minderjarige] sinds de erkenning door zijn vader in 2017 de geslachtsnaam “[geslachtsnaam 2]”.

[minderjarige] heeft de rechter aangegeven het zowel bij zijn grootmoeder als bij zijn vader fijn te hebben. Ook wil [minderjarige] zowel zijn grootmoeder als zijn vader te vriend houden. [minderjarige] heeft geen uitgesproken mening over zijn achternaam. Hij kan bij beide achternamen iets positiefs en iets negatiefs bedenken.

De vader heeft op zitting aangegeven dat hij blij is dat hij een goede band met [minderjarige] heeft. Hij wil dat er een einde komt aan deze juridische onduidelijkheid.

JBwest heeft deze kwestie gedurende de sinds de erkenning verstreken zeven jaren om onduidelijke redenen niet eerder aangekaart. JBwest stelt het wenselijk te vinden dat de juridische werkelijkheid overeenkomt met de feitelijke werkelijkheid waarbij wordt aangesloten bij de geslachtsnaam die al jaren in de praktijk wordt gevoerd.

Op de zitting heeft de grootmoeder benadrukt het belangrijk te vinden dat beide kinderen van haar overleden dochter dezelfde achternaam voeren.

Ter onderbouwing van het verzoek voert JBwest aan dat de geslachtsnaam van [minderjarige] ten onrechte bij de erkenning door de vader is gewijzigd, omdat op grond van artikel 1:5 lid 9 BW de geslachtsnaam van het kind niet kan worden gewijzigd als de erkenning van het kind heeft plaatsgevonden na het overlijden van de moeder, zoals in dit geval. JBwest verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:7022). In deze uitspraak wordt verwezen naar een eerdere beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:5739), waaruit blijkt dat de naamskeuze op grond van artikel 1:5 lid 9 BW alleen open staat voor degene die voorafgaand aan deze naamskeuze reeds de juridisch ouder van het kind is.

Aanvankelijk heeft de ambtenaar in zijn brief van 9 oktober 2024 het standpunt van JBwest gevolgd. Omdat de verbetering van de geboorteakte van [minderjarige] echter verregaande gevolgen heeft voor [minderjarige], hij staat al bijna 7 jaar bekend onder de geslachtsnaam “[geslachtsnaam 2]”, heeft de ambtenaar JBwest meegedeeld toestemming te gaan vragen aan de Officier van Justitie om de geboorteakte van [minderjarige] te mogen verbeteren.

Vervolgens heeft de ambtenaar met de brief van 10 december 2024 JBwest meegedeeld geen verdere actie tot verbetering van de geboorteakte van [minderjarige] te zullen ondernemen. De ambtenaar beroept zich daarbij op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2251). In de uitspraak van het gerechtshof Den Haag is overwogen dat, anders dan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2014, de biologische vader na het overlijden van de moeder wel de mogelijkheid heeft om op grond van artikel 1:5 lid 9 BW een (eenzijdige) naamskeuze uit te brengen ter gelegenheid van de erkenning van het kind. De ambtenaar volgt de beslissing van het gerechtshof Den Haag, mede omdat de verbetering een in de Haagse registers van de burgerlijke stand ingeschreven geboorteakte betreft.

JBwest kan zich niet verenigen met het standpunt van de ambtenaar. JBwest is van mening dat met dit standpunt geen recht wordt gedaan aan de specifieke omstandigheden in deze zaak, die wezenlijk anders zijn dan in de zaak die heeft geleid tot voornoemde uitspraak van het gerechtshof Den Haag. Volgens JBwest is de enkele verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof onvoldoende om de afwijzing van het verzoek tot correctie van de

naamswijziging te rechtvaardigen. Zelfs als wordt aangenomen dat artikel 1:5 lid 9 BW in bepaalde gevallen ruimte kan bieden voor een eenzijdige naamskeuze bij erkenning na overlijden van de moeder, volgt daaruit volgens JBwest nog niet dat iedere daarop lijkende zaak gelijk moet worden behandeld. De toepassing van artikel 1:5 BW verlangt een nauwkeurige toetsing aan de concrete feiten, juist omdat het gaat om doorbreking van een naam die reeds van rechtswege op grond van lid 1 was verkregen.

De ambtenaar handhaaft zijn standpunt en betwist nadrukkelijk dat de feiten en omstandigheden uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2024, waaraan de ambtenaar in de weigeringsbrief van 27 mei 2025 refereert, wezenlijk anders zijn dan die in het geval van [minderjarige].

Op de zitting heeft JBwest zijn standpunt nader toegelicht. Samengevat luidt het standpunt dat [minderjarige] op grond van artikel 1:5 lid 1 BW vanaf zijn geboorte rechtsgeldig de geslachtsnaam van zijn moeder droeg, dat de wet slechts in beperkt omschreven gevallen ruimte laat voor afwijking van die naam, en dat in deze zaak onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat die afwijking destijds rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Voor zover een latere wijziging van de geslachtsnaam al in beeld zou komen, behoort die te worden beoordeeld binnen het kader van artikel 1:7 BW met inachtneming van de waarborgen die daarbij horen. Tegen deze achtergrond brengen ook artikel 7 en artikel 8 IVRK mee dat terughoudend moet worden omgegaan met een wijziging van de naam van [minderjarige] en dat zijn recht op identiteit zwaar weegt.

Anders dan JBwest volgt de rechtbank het standpunt van de ambtenaar en daarmee ook het oordeel van het gerechtshof Den Haag, zoals overwogen in de beschikking van 13 november 2024 (in het bijzonder rechtsoverweging 5.6 tot en met 5.9). Uit de in artikel 1:5 lid 9 BW gebruikte terminologie (‘ouder/ouders’) kan niet een zo vergaande conclusie worden getrokken dat naamskeuze alleen open staat voor degene die voorafgaand aan deze naamskeuze reeds de juridische ouder van het kind is. De ambtenaar heeft dan ook op goede gronden artikel 1:5 BW toegepast. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank de vader van rechtswege bij de erkenning van [minderjarige] met de verleende vervangende toestemming van de rechtbank ook een naamskeuze kan uitbrengen. Door de erkenning werd de vader immers juridisch ouder.

Daarbij wijst de rechtbank erop dat niet aan een belangenafweging, zoals JBwest betoogt, wordt toegekomen. Het is immers aan de vader om bij de erkenning te beslissen welke achternaam [minderjarige] vanaf dat moment zal dragen. Gelet hierop is een belangenafweging niet aan de orde en blijft dit verder onbesproken.

Ook het beroep van JBwest op toetsing aan internationaal recht (artikelen 7 en 8 IVRK) maakt dit niet anders. Overigens is het duidelijk dat [minderjarige] weet wie zijn moeder is. Gebleken is dat de grootmoeder de herinnering aan zijn moeder levend houdt. De geslachtsnaam “[geslachtsnaam 2]” brengt ook geen wijziging in de juridische betrekkingen tussen [minderjarige] en zijn moeder.

Omdat –zoals hiervoor overwogen– het aan de vader is om bij de erkenning te beslissen welke achternaam [minderjarige] vanaf dat moment zal dragen, behoeft de mogelijkheid van naamswijziging door de Kroon op grond van artikel 1:7 BW geen bespreking meer. Dit artikel ziet immers op een mogelijke toekomstige naamswijziging door de Kroon.

Concluderend zal de rechtbank het verzoek van JBwest afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van JBwest.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733