Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Zorggeschil aangehouden voor zes maanden in afwachting van uniform hulpaanbod; voorlopige zorgregeling bepaald en vakantieregeling definitief. Kinderbijdrage vastgesteld op € 489 p/m. Partnerbijdrageverzoek van vrouw afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Woning wordt aan man toegedeeld tegen € 700.000 met ontslag vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid en zonder nadere verrekening. Auto wordt aan vrouw toegedeeld tegen € 26.550 met vergoeding helft aan man. Onderneming en goud: verzoeken afgewezen bij gebrek aan vaststelNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-08-2026 |
| Zaaknummer | C/15/345943 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Woning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De rechtbank acht het redelijk en billijk om voor de waarde van de woning uit te gaan van een datum gelegen voor de datum van feitelijke verdeling. Verder is de rechtbank niet in staat om vast te stellen welke activa en passiva van de onderneming van de man in de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen en welke activa en passiva voorhuwelijks zijn.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/345943 / FA RK 23-5433 en C/15/349484 / FA RK 24-883
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonend in [plaats] ,
advocaat voorheen mr. H. Schouten uit Haarlem, thans mr. E. Cekic uit Uitgeest,
en
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Ayar uit Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de man met bijlagen, ontvangen op 6 november 2023;
- het verweerschrift van de vrouw met bijlagen, met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 6 februari 2024;
-
het verweerschrift van de man met bijlagen op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, met daarin aanvullende verzoeken, ontvangen op 15 maart 2024;
-
het bericht van de man, ontvangen op 14 januari 2026;
-
het aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw met bijlagen, ontvangen op
25 juni 2026;
-
het gewijzigd verzoek van de man met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026;
-
het bericht van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 28 juni 2026;
-
het bericht van de man met bijlagen, ontvangen op 29 juni 2026;
-
het bericht van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2026;
-
de berichten van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 6 juli 2026;
-
het bericht van de man, ontvangen op 7 juli 2026.
Door zowel de man als de vrouw zijn videobeelden in het geding gebracht. De rechtbank heeft deze videobeelden niet bekeken en niet betrokken bij haar beoordeling.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de man met zijn advocaat;
-
de vrouw met haar advocaat;
-
[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De advocaat van de man heeft pleitnotities overgelegd en deze voorgedragen.
2Wat vaststaat
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] .
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 januari 2024 heeft de rechtbank bij wege van voorlopige voorzieningen bepaald dat:
- [de minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt zal zijn: [de minderjarige] verblijft op woensdag van 14:00 uur tot 18:00 uur en zondag van 14:00 uur tot 18:00 uur bij de man;
- de vrouw de man eenmaal per week informeert over het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige] ;
- de man met ingang van 26 januari 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) van € 691,- per maand aan de vrouw dient te betalen;
- de man met ingang van 26 januari 2024 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage) van € 7.308,- per maand aan de vrouw dient te betalen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2024 is de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage, met dienovereenkomstige wijziging van voornoemde beschikking van 26 januari 2024, met ingang van 22 maart 2024 op € 2.922,- per maand bepaald.
3De beoordeling
Echtscheiding
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv) .
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van [de minderjarige] en de onderlinge verstandhouding ernstig is verstoord, is het naar het oordeel van de rechtbank voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
Gezag, vervangende toestemming basisschool, hoofdverblijfplaats en zorgregeling
De vrouw verzoekt:
- te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] na echtscheiding alleen aan haar toekomt.
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn;
- een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] eenmaal per twee weken op de woensdag en zondag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de man is.
De man verzoekt:
- het verzoek van de vrouw over het gezag af te wijzen;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn;
- vervangende toestemming aan hem te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats] ;
- een zorgregeling met een ophaal- en brengregeling te bepalen, die in het belang is van [de minderjarige] ;
- de schoolvakanties bij helfte te verdelen.
De rechtbank is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de onderlinge verstandhouding en communicatie tussen partijen ernstig is verstoord. Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar in hun visie over de feitelijke gang van zaken en het vormgeven van de opvoeding van [de minderjarige] . Voorts is niet inzichtelijk hoe het met [de minderjarige] gaat en hoe de opvoedsituatie bij beide partijen is. Tijdens de zitting is uitgebreid met partijen en de Raad gesproken over deze zorgelijke situatie en het inzetten van hulpverlening voor partijen om de communicatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren. Beide partijen zien de noodzaak van hulpverlening in en hebben tijdens de zitting ingestemd met een doorverwijzing naar het uniform hulpaanbod. Bij proces-verbaal van 7 juli 2026 zijn partijen in het kader van het uniform hulpaanbod doorverwezen naar het lokale team van de gemeente waar de vrouw met [de minderjarige] woonachtig is voor hulp bij het werken aan de doelen oudercommunicatie, kind centraal, psycho-educatie en blokkades bij ouders. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen zich in het belang van [de minderjarige] maximaal zullen inzetten voor de hulpverlening om de situatie te verbeteren. In afwachting van het verloop dan wel resultaat van de hulpverlening houdt de rechtbank de behandeling van de verzoeken van partijen over het gezag, de vervangende toestemming, de hoofdverblijfplaats en de reguliere zorgregeling pro forma aan voor de gebruikelijke duur van zes maanden tot en met 22 januari 2027. Partijen worden verzocht om de rechtbank vóór 22 januari 2027 schriftelijk te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortzetting van de procedure.
Partijen verschillen van mening over de reguliere zorgregeling die in de tussentijd moet gelden. Tijdens de zitting hebben partijen aangegeven dat op dit moment de volgende regeling wordt uitgevoerd:
- de ene week verblijft [de minderjarige] op woensdag van 10:00 uur tot 20:00 uur en van vrijdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur bij de man;
- de andere week verblijft [de minderjarige] van woensdag 10:00 uur tot donderdag 10:00 uur bij de man;
- waarbij de overdrachtsmomenten plaatsvinden op een neutrale plek.
De vrouw wenst deze zorgregeling te continueren en de man wenst een uitbreiding van deze zorgregeling.
De rechtbank ziet aanleiding om de huidige zorgregeling voorlopig door te laten lopen tot het moment dat [de minderjarige] naar de basisschool gaat, namelijk in november. Volgens partijen verloopt deze regeling naar omstandigheden goed en [de minderjarige] is hieraan gewend. Als [de minderjarige] start op de basisschool zal er sowieso een aanpassing van de zorgregeling nodig zijn vanwege de schooltijden. De rechtbank vindt het niet in het belang van [de minderjarige] om hem in de korte periode daarvoor ook al met een wijziging in de omgang te confronteren te meer omdat ook de zomervakantie nog in deze periode valt. Vanuit het oogpunt van rust, voorspelbaarheid en continuïteit acht de rechtbank het wenselijk om de huidige regeling tot de schoolstart te laten voortduren.
Zoals aangegeven dient de zorgregeling vanaf het moment dat [de minderjarige] naar de basisschool gaat wel aangepast te worden. Bij deze aanpassing vindt de rechtbank het belangrijk dat de overdrachtsmomenten voortaan via school gaan verlopen. Op deze manier wordt [de minderjarige] niet langer geconfronteerd met de spanningen tussen zijn ouders die voelbaar voor hem zullen zijn bij de wisselingen. Ook biedt dit de man de mogelijkheid om contact te onderhouden met school en betrokken te zijn bij de schoolgang van [de minderjarige] . Daarnaast vindt de rechtbank het bij de aanpassing belangrijk dat [de minderjarige] op woensdag bij de man in [plaats] kan blijven voetballen. Het voorgaande in aanmerkingen nemende zal de rechtbank vanaf het moment dat [de minderjarige] naar de basisschool gaat de volgende voorlopige zorgregeling vaststellen;
- de ene week verblijft [de minderjarige] van woensdag uit school tot donderdag naar school en van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man;
- de andere week verblijft [de minderjarige] van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man;
- waarbij de man [de minderjarige] uit school ophaalt en hem daar naartoe brengt.
Voor een uitgebreidere zorgregeling ziet de rechtbank op dit moment geen ruimte. Eerst dienen partijen met behulp van de hulpverlening te werken aan het verbeteren van de situatie.
Partijen zijn het ter zitting eens geworden over de verdeling van de vakanties. Partijen hebben afgesproken dat [de minderjarige] tijdens vakanties die één week duren het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw verblijft. Tijdens tweeweekse vakanties verblijft [de minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit omgekeerd. Voor de zomervakantie 2026 hebben partijen al afspraken gemaakt en vanaf 2027 zullen partijen deze vakantie verdelen conform een schema 1-2-2-1, waarbij ieder van partijen de gelegenheid heeft om twee weken op vakantie te gaan met [de minderjarige] . Partijen zullen tijdens vakanties in onderling overleg twee belmomenten per week afspreken tussen [de minderjarige] en de ouder waar hij op dat moment niet verblijft. De rechtbank acht deze vakantieregeling in het belang van [de minderjarige] en zal deze vakantieregeling definitief vaststellen.
Onderhoudsbijdragen
De vrouw verzoekt:
- te bepalen dat de man een kinderbijdrage van € 691,- per maand aan haar dient te betalen;
- te bepalen dat de man een partnerbijdrage van € 7.308,- per maand aan haar dient te betalen.
De man verzoekt:
- de verzoeken van de vrouw om een kinder- en partnerbijdrage af te wijzen wegens gebrek aan onderbouwing;
- primair te bepalen dat de partnerbijdrage per 1 februari 2024 nihil bedraagt en dat de vrouw de ontvangen partnerbijdrage per 1 februari 2024 aan hem dient terug te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van betaling;
- subsidiair de partnerbijdrage te limiteren tot 1 februari 2026 en te bepalen dat de onverschuldigd betaalde partnerbijdrage tot 1 februari 2026 aan de man terugbetaald dient te worden door de vrouw.
De rechtbank zal eerst het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage en daarna het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage beoordelen. De rechtbank zal de verzoeken beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
Kinderbijdrage
Ingangsdatum
De vrouw heeft geen ingangsdatum aan haar verzoeken verbonden. De rechtbank stelt vast dat in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 26 januari 2024, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage is vastgesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van deze beschikking, te weten 22 juli 2026.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] in 2023 € 870,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 1 januari 2026 bedraagt de behoefte dan € 1.029,- per maand. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
Draagkracht van partijen
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 2.200,- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
De vrouw geeft aan dat zij sinds 1 januari 2026 in loondienst werkzaam is bij [werkgever] . Volgens de vrouw moet haar draagkracht worden berekend aan de hand van de door haar overlegde salarisspecificatie van juni 2026. De man stelt dat de vrouw niet transparant is over haar inkomen. De man heeft de vrouw verschillende malen om inkomensgegevens gevraagd, maar de vrouw heeft hem deze gegevens niet verstrekt. Dit terwijl de man signalen heeft ontvangen dat de vrouw fulltime werkt. Pas één dag voor de zitting heeft de vrouw haar salarisspecificaties van april tot en met juni 2026 en haar IB aangiften 2024 en 2025 in het geding gebracht. Hieruit is de man gebleken dat de vrouw sinds oktober 2025 in loondienst werkzaam is en dat zij in dat jaar bovendien een eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ heeft opgericht. De man vindt het een kwalijke zaak dat de vrouw hem hiervan niet eerder op de hoogte heeft gesteld. De door de vrouw overgelegde salarisspecificaties en IB aangiften roepen diverse vragen bij de man op. De man is van mening dat aan voormelde omstandigheden consequenties verbonden moeten worden en stelt primair dat het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage moet worden afgewezen.
De rechtbank stelt onder verwijzing naar artikel 21 Rv vast dat het aan de vrouw is om volledige en juiste inkomensgegevens te overleggen zodat haar draagkracht kan worden vastgesteld. Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw deze gegevens eerder in het geding had moeten brengen. Temeer omdat de man de vrouw herhaaldelijk om inkomensgegevens geeft gevraagd, omdat hij het vermoeden had dat de vrouw fulltime werkte. Ter onderbouwing van dit vermoeden heeft de man onder productie M ook een
e-mail van de vrouw van 5 januari 2026 aan haar collega’s bij [werkgever] met haar functie en werktijden overgelegd. Pas één dag voor de zitting heeft de vrouw haar salarisspecificaties van april tot en met juni 2026 en op verzoek van de rechtbank haar IB aangiften 2024 en 2025 overgelegd. De rechtbank maakt uit de salarisspecificaties op dat de vrouw sinds 1 januari 2026 in loondienst werkzaam is bij [werkgever] . De vrouw heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zij in eerste instantie, sinds oktober 2025, 32 uur bij deze werkgever werkte in een andere functie dan die zij nu heeft. Dit dienstverband heeft zij nadien verminderd naar 24 uur per week en sinds juni 2026 werkt de vrouw 16 uur per week. Het lag naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de vrouw om haar verdiencapaciteit aan te tonen en in dat kader te onderbouwen waarom zij niet meer in staat is om 32 uur per week te werken, maar dit heeft zij nagelaten. Voorts maakt de rechtbank uit de IB aangifte 2025 op dat de vrouw op 1 augustus 2025 de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ (autorijschool) is gestart. Over de werkzaamheden van de vrouw voor haar eenmanszaak bestaat echter onduidelijkheid. Daar naar gevraagd, heeft de vrouw ter zitting gesteld dat zij haar eenmanszaak heeft opgericht in overleg met het UWV in het kader van re-integratie, maar dat zij daar niets mee heeft verdiend. Zij stelt de eenmanszaak te hebben opgeheven en zij heeft daarbij een opheffingsbrief aan de rechtbank getoond vanaf haar telefoon. De rechtbank heeft echter geconstateerd dat deze brief niet is ondertekend en niet lijkt te zijn verzonden. De man heeft verklaard dat de eenmanszaak van de vrouw één dag voor de zitting nog in het register van de Kamer van Koophandel als actief stond geregistreerd. Nu de vrouw niet tijdig en ook onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (artikel 21 Rv) . De gevolgtrekking die de rechtbank in dit geval maakt, is dat de vrouw in staat wordt geacht 32 uur per week te werken in haar huidige functie bij [werkgever] dan wel (deels) in haar eenmanszaak. Daarbij betrekt de rechtbank dat de man ook een deel van de zorgt voor [de minderjarige] draagt, [de minderjarige] binnen afzienbare tijd naar de basisschool gaat en de vrouw eerder ook in staat is geweest om 32 uur te werken in combinatie met de zorg voor [de minderjarige] . De rechtbank zal aansluiting zoeken bij het huidige salaris van de vrouw bij [werkgever] zoals dit blijkt uit haar salarisspecificatie van juni 2026 en dit salaris omrekenen naar 32 uur per week. Het (fictieve) salaris van de vrouw komt dan neer op € 3.804,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en een 13de maand. Aan de hand van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen en het kindgebonden budget, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.798,- per maand. Op grond van voormelde draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de vrouw dan € 906,- per maand.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
De man is eigenaar van de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’. De man heeft onbetwist gesteld dat voor zijn inkomen moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit zijn onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Omdat inkomensschommelingen inherent zijn aan het voeren van een eigen onderneming is het ook het gebruikelijke uitgangspunt om bij een ondernemer uit te gaan van het gemiddelde over een periode van drie jaar zodat de rechtbank hierbij aansluit. Uit de jaarstukken 2023, 2024 en 2025 volgt een winst uit onderneming van respectievelijk € 99.801,-, € 93.155,- en € 76.755,-. Gemiddeld bedroeg de winst in deze jaren dus € 89.904,- per jaar.
Daarnaast ontvangt de man huurinkomsten uit de panden aan [adres] , [adres] en [adres] , [adres] , [adres] en [adres] . Voor de huurinkomsten zal de rechtbank uitgaan van de door de man onder productie 22 overgelegde factuur met bijlagen van Homestate. Hieruit volgt dat de huurinkomsten na aftrek van de beheervergoeding in totaal € 9.526,84 per maand bedragen. Verder houdt de rechtbank rekening met de door de man gestelde en met stukken onderbouwde hypotheekkosten van in totaal € 4.435,45 per maand en de gemeentelijke belastingen van in totaal € 342,18 per maand zoals vermeld onder zijn productie 15. Voor de waarde en de belastingdruk op deze panden gaat de rechtbank uit van de meest recente belastingaangifte van de man over 2024.
Aan de hand van voormelde inkomensgegevens en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 6.826,- per maand.
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing op huwelijkse belastingschulden en zijn werkelijke woonlast voor de woning aan de Händelsstraaat 50 in Haarlem.
De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man op dit moment € 10.000,- per maand aflost op huwelijkse belastingschulden. Nu de vrouw gelet op overweging 3.4.30. voor de helft draagplichtig is voor deze schulden, acht de rechtbank het reëel om hier aan beide kanten in het kader van de kinderbijdrage geen rekening mee te houden.
Voorts stelt de rechtbank vast dat bij de berekening van de kinderbijdrage op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met de woonlast, te weten 30% van het netto besteedbaar inkomen. Dit wordt het woonbudget genoemd. Als sprake is van duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten dan het woonbudget dan kan met die extra lasten rekening worden gehouden als vastgesteld kan worden dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire stelsel. De man wenst onder verwijzing naar overweging 3.4.7. zelf de echtelijke woning met de daarbij behorende woonlasten over te nemen. Dit kan niet op de vrouw worden afgewenteld. De rechtbank zal dan ook uitgaan van het woonbudget.
Op grond van voormelde draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de man dan € 2.389,- per maand.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 3.295,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige] van € 1.029,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt € 746,- per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van [de minderjarige] bedraagt € 283,- per maand.
Zorgkorting
Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.
Gelet op de onder overwegingen 3.2.5. tot en met 3.2.7. vastgestelde zorgregeling en verdeling van de vakanties heeft de man gemiddeld 2 dagen per week de zorg voor [de minderjarige] zodat de rechtbank rekening houdt met een zorgkorting van 25% van de behoefte van [de minderjarige] . De zorgkorting bedraagt dan € 257,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 22 juli 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 489,- per maand aan de vrouw dient te voldoen.
Partnerbijdrage
De rechtbank stelt vast dat het op de weg van de vrouw ligt om haar verzoek om een partnerbijdrage te onderbouwen. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank in dit geval verzuimd om haar (aanvullende) behoefte aan een partnerbijdrage aan te tonen, terwijl de behoefte van de vrouw gemotiveerd door de man is betwist. Het was aan de vrouw om daartoe haar actuele inkomensgegevens en een daarop gebaseerde behoefteberekening in het geding te brengen. Pas één dag voor de zitting heeft de vrouw actuele inkomensgegevens overgelegd, maar geen daarop gebaseerde behoefteberekening. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende, temeer nu vaststaat dat de vrouw per 1 januari 2026 in dienst is getreden bij [werkgever] . Dit inkomen zal van substantiële invloed zijn op haar behoefte aan een partnerbijdrage. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage als onvoldoende onderbouwd afwijzen. Aan de beoordeling of de man draagkracht heeft om een partnerbijdrage te betalen, komt de rechtbank niet toe.
Ten aanzien van de verzoeken van de man tot nihilstelling van de partnerbijdrage van wel beëindiging van zijn onderhoudsverplichting overweegt de rechtbank als volgt.
De man verzoekt primair te bepalen dat de partnerbijdrage per 1 februari 2024 nihil bedraagt en dat de vrouw de sindsdien ontvangen partnerbijdrage aan hem dient terug te betalen. Volgens de man is de vrouw vanaf de voorlopige voorzieningenbeschikkingen niet behoeftig geweest, maar heeft zij nagelaten hierover transparant te zijn tegen de man. De vrouw voert hiertegen verweer en stelt wel degelijk behoefte aan een partnerbijdrage te hebben gehad.
De rechtbank wijst dit verzoek van de man af. De rechtbank kan zich in het kader van deze echtscheidingsprocedure namelijk enkel uitlaten over de partnerbijdrage vanaf het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Als de man van mening is dat de in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 4 juni 2024 vastgestelde voorlopige partnerbijdrage te hoog is vastgesteld dan had hij (opnieuw) om een wijziging van deze beschikking moeten verzoeken.
Subsidiair verzoekt de man de duur van zijn onderhoudsverplichting voor de vrouw te limiteren tot 1 februari 2026. Partijen zijn slechts twee jaar getrouwd geweest, de man heeft al ruim twee jaar een partnerbijdrage aan de vrouw voldaan en de man heeft tijdens het huwelijk alle kosten gedragen. De vrouw is jong en gezond en deelt de zorg voor [de minderjarige] met de man zodat van haar verwacht mag worden dat zij zelf volledig in haar behoefte voorziet. De vrouw voert hiertegen verweer.
De rechtbank stelt vast dat de onderhoudsverplichting van de man voor de vrouw in dit geval op grond van artikel 1:157, eerste en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt als [de minderjarige] de leeftijd van twaalf jaar bereikt. De rechter heeft de mogelijkheid om deze duur te limiteren waarmee de onderhoudsverplichting van de man definitief eindigt. De rechter kan dit slechts in uitzonderingsgevallen doen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat aan rechterlijke uitspraken die praktisch een einde maken aan het recht op een partnerbijdrage hoge motiveringseisen worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de man in dit kader, mede gelet op de ingrijpendheid van deze maatregel, onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft gesteld die op dit moment een afwijking van het wettelijk uitgangspunt rechtvaardigen. In het kader van de kinderbijdrage wordt reeds rekening gehouden met een (fictieve) salaris aan de zijde van de vrouw en een door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage wordt op dit moment niet vastgesteld. Het verzoek van de man tot limitering van zijn onderhoudsverplichting wordt dan ook afgewezen.
De rechtbank begrijpt dat de man ook verzoekt te bepalen dat zijn onderhoudsverplichting voor de vrouw is geëindigd op grond van grievend gedrag. Volgens de man heeft de vrouw hem in de kort gedingprocedure in 2025 onterecht zonder enige terughoudendheid beschuldigd van onder meer wapenbezit en criminele activiteiten. Ook het inleveren van een onbruikbaar, verscheurd paspoort van [de minderjarige] en een langer verblijf met [de minderjarige] in het buitenland, ondanks het vonnis van de rechtbank, kwalificeert de man als grievend gedrag. De vrouw voert hiertegen verweer.
De rechtbank stelt vast dat in uitzonderlijke gevallen grievend gedrag van één van de (ex-)echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie kan leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) partnerbijdrage te verlangen. Bij de beoordeling of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht. De rechtbank begrijpt dat de man
de door hem genoemde omstandigheden als grievend heeft ervaren, maar vindt dit onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw nog om een partnerbijdrage van de man kan vragen. Het is op zichzelf niet ongebruikelijk dat een echtscheidingssituatie gepaard gaat met de nodige emoties en de vrouw stelt dat de man zich ook onbehoorlijk naar haar heeft gedragen. Zoals eerder vermeld zullen partijen zich tot de hulpverlening wenden om te werken aan de onderlinge verstandhouding en communicatie zodat de rechtbank verwacht dat de situatie tussen partijen in de toekomst zal verbeteren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij na 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 6 november 2023 (de peildatum) ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
Volgens beide partijen of één van hen bestond de ontbonden gemeenschap op 6 november 2023 uit de volgende bestanddelen:
a. a) woning aan [adres]
b) hypothecaire geldlening bij Florius
c) inboedel
d) saldi bankrekeningen
e) eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’
f) auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken]
g) goud
h) belastingschulden
Partijen zijn het eens geworden over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing nemen omdat er, gelet op artikel 3:185 BW, in dat geval geen taak is weggelegd voor de rechter.
Ad a en b) woning aan [adres] en hypothecaire geldlening
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man moet worden toegedeeld. Dit betekent dat hij ook de lasten van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening moet dragen en dat de vrouw moet worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
Partijen verschillen wel van mening over de waarde van de woning.
De man is van mening dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woning op de datum van sleuteloverdracht op 11 juni 2024 van € 700.000,-. De woning is gekocht met een hypotheek van € 700.000,- en was in casco staat bij de sleuteloverdracht op 11 juni 2024 volgens het taxatierapport van 28 juni 2024 ook € 700.000,- waard. Na de sleuteloverdracht heeft de man de woning ingericht en is er gaan wonen, hetgeen voor een meerwaarde heeft gezorgd. Het is volgens de man onder deze omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid om voor de waarde aan te haken bij het moment van feitelijke verdeling die maar niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat partijen langer dan twee jaar op een zitting hebben moeten wachten. De vrouw heeft nooit in de woning gewoond en ook nooit iets betaald voor deze woning. Indien de rechtbank uitgaat van een waarde van € 700.000,- dan zal hij afzien van vergoeding door de vrouw van de helft van de door hem betaalde eigenaarslasten, aldus de man.
De vrouw is van mening dat moet worden uitgegaan van de waarde van de woning op het moment van feitelijke verdeling. Hiervoor is volgens de vrouw een taxatie van de woning nodig. De vrouw heeft zich ter zitting bereid verklaard om op die waarde in mindering te brengen de bedragen die de man heeft geïnvesteerd om de woning bewoonbaar te maken, zoals voor de badkamer en het sanitair, maar hij moet die investeringen wel kunnen aantonen.
De rechtbank stelt vast dat uitgangspunt is dat de waarde van de woning moet worden bepaald op de datum van feitelijke verdeling. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken als toepassing ervan in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval sprake is en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De man heeft het echtscheidingsverzoek ingediend op 6 november 2023 en pas een half jaar daarna is de echtelijke woning op 11 juni 2024 in casco staat aan partijen opgeleverd. Op de peildatum viel dus feitelijk in de gemeenschap een in aanbouw zijnde woning, met het recht op afbouw van die woning. De man heeft de woning na oplevering ingericht, is in deze woning gaan wonen en heeft sindsdien alle woonlasten van de woning betaald. De vrouw heeft nooit in de woning gewoond en heeft geen bemoeienis met de woning gehad. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk en billijk om uit te gaan van de waarde van de woning op de datum van sleuteloverdracht op 11 juni 2024. Blijkens het door de man overgelegde taxatierapport van [Taxaties] Taxaties van 28 juni 2024 bedroeg de waarde van de woning op 11 juni 2024 in casco staat € 700.000,-. Tegen deze waarde zal de rechtbank de woning dan ook aan de man toedelen onder de voorwaarde dat hij de vrouw laat ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. Omdat de hypothecaire geldlening op dat moment eveneens € 700.000,- bedroeg, hoeft de man per saldo geen bedrag aan de vrouw te vergoeden wegens overbedeling. De man dient de kosten van de overdracht van de woning aan hem te voldoen.
Nu de woning tegen een waarde van € 700.000,- aan de man wordt toegedeeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de man zich houdt aan zijn toezegging ter zitting om in dat geval af te zien van zijn vorderingen ten aanzien van de door hem betaalde woonlasten en de door gestelde investering met privé vermogen in de woning.
Ad c) inboedel
Partijen hebben tijdens de zitting verklaard dat zij over de verdeling van de inboedel geen beslissing van de rechtbank meer nodig hebben.
Ad d) saldi bankrekeningen
Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi op de volgende bankrekeningen in de verdeling moeten worden betrokken:
- [rekeningnummer] op naam van de vrouw
- [rekeningnummer] op naam van de man
- [rekeningnummer] op naam van de man
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder hun eigen bankrekening(en) voortzetten met verdeling van het verschil tussen de saldo op de huwelijksdatum 11 november 2021 en het saldo op de peildatum 6 november 2023 bij helfte. Om tot verrekening van de saldi over te kunnen gaan, dienen partijen elkaar over en weer inzage te verschaffen in de saldigegevens op 11 november 2021 en 6 november 2023. Een positief saldo moet bij helfte tussen partijen worden verdeeld en een negatief saldo dient bij helfte door partijen te worden gedragen. Onder verwijzing naar overweging 3.4.6. zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen.
Voorts is tussen partijen niet in geschil dat het saldo op de bankrekening van de man met nummer [rekeningnummer] tot zijn privé vermogen behoort en niet in de verdeling moet worden betrokken. Deze rekening gebruikte de man voor het ontvangen van de huurinkomsten.
De man verzoekt verder de vrouw op grond van artikel 843a Rv (oud) te veroordelen alle opvolgende bankafschriften van haar bankrekening met nummer [rekeningnummer] over de periode van 6 mei 2023 tot 6 november 2023 te overleggen. Volgens de man heeft de vrouw met uitzondering van de kosten van [de minderjarige] en haarzelf geen lasten gehad en heeft zij daarom flink kunnen sparen van haar inkomen. Omdat dit niet blijkt uit het saldo op haar bankrekening op de peildatum 6 november 2023 wenst de man inzage in haar bankafschriften. De vrouw stelt dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek en dat dit verzoek daarom moet worden afgewezen.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv (oud) geen algemeen inzagerecht schept. Dit artikel biedt ook niet de mogelijkheid om documenten op te vragen waarvan slechts wordt vermoed dat deze weleens steun zouden kunnen geven aan ingenomen stellingen. Dit om een zogeheten ‘fishing expedition’ te voorkomen. Het ligt gelet hierop op de weg van de man om aan te tonen dat en waarom hij een rechtmatig belang heeft bij inzage in de bankafschriften van de rekening van de vrouw over de periode van 6 mei 2023 tot 6 november 2023. De rechtbank is van oordeel dat de man dit onvoldoende heeft aangetoond. De enkele stelling van de man dat hij het saldo op de bankrekening van de vrouw op de peildatum 6 november 2023 erg laag vindt, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal gelet hierop het verzoek van de man afwijzen.
Ad e) eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’
Partijen zijn het niet eens over de waarde die aan de onderneming van de man moet worden toegekend. De vrouw meent dat zij uit hoofde van deze verrekening recht heeft op de helft van de waarde van de vier auto’s van het merk [merk] en de drie motorfietsen van het merk [merk] die de man kort na de peildatum heeft aangeschaft. De man stelt dat zijn onderneming geen waarde vertegenwoordigt omdat het eigen vermogen is afgenomen in de huwelijkse periode en dat de vrouw de helft van de belastingschulden moet dragen. De vrouw is daarentegen van mening dat dit privé schulden van de man betreffen waarvoor zij niet draagplichtig is.
De rechtbank neemt het volgende beoordelingskader tot uitgangspunt. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen en kan als zodanig niet worden verdeeld. Het ondernemingsvermogen bestaat uit de activa en de passiva, en valt in de beperkte huwelijksgoederengemeenschap, voor zover die vanaf de aanvang van de gemeenschap zijn verkregen dan wel ontstaan. De activa die op de peildatum aanwezig zijn en aan voornoemde voorwaarde voldoen, worden verdeeld. Met betrekking tot de passiva geldt dat een schuld geen goed is en niet als zodanig kan worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn, voor zover die zijn ontstaan na aanvang van de beperkte gemeenschap.
Om tot een juiste afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen op dit punt te komen moet de rechtbank in staat worden gesteld te kunnen vaststellen welke activa en passiva van de onderneming van de man in de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen en welke activa en passiva voorhuwelijks zijn. Immers, niet in de beperkte gemeenschap vallen de activa en de passiva van de onderneming van de man op 11 november 2021, maar wel de activa en de passiva nadien verkregen/ontstaan. Enkel het verschil tussen de netto waarde van de activa en passiva bij het aangaan van het huwelijk en bij de ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap geeft geen juist beeld van de waarde van de onderneming die in de verrekening moet worden betrokken. Een toe- of afname van het eigen vermogen van de eenmanszaak kan immers ook worden veroorzaakt door een waardestijging of een waardedaling van een voorhuwelijks goed.
Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan de rechtbank echter niet vaststellen wat op 11 november 2021 de activa en de passiva van de onderneming van de man waren. Ook heeft de rechtbank geen inzicht in de activa en de passiva op de datum van ontbinding van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen per 6 november 2023, waarbij op grond van het voorgaande eveneens onderscheid moet worden gemaakt tussen de activa en de passiva die wel en de activa en de passiva die niet in de beperkte gemeenschap van partijen vallen. De rechtbank is dan ook niet in staat om vast te stellen welke activa en passiva van de onderneming van de man in de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen en welke activa en passiva voorhuwelijks zijn. De rechtbank kan in het kader van het gelasten van de wijze van verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen op dit punt derhalve niets beslissen. Dit betekent dat de verzoeken die hierover zijn gedaan, worden afgewezen.
Ad f) auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken]
De vrouw stelt dat de [merk] tot haar privé vermogen behoort en daarom niet in de verdeling moet worden betrokken. Zij voert aan dat de [merk] haar door de man is geschonken als zogenoemd ‘pushcadeau’. De man is van mening dat de [merk] wel tot de gemeenschap behoort. De man verzoekt de [merk] aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 26.550,-, waarbij de vrouw de helft van deze waarde aan hem dient te vergoeden.
De rechtbank stelt op grond van de door de man onder productie 10 overgelegde factuur van AZ autobedrijf vast dat de [merk] op 19 september 2022 is gekocht voor een bedrag van € 27.564,35. Ter zitting heeft de man een bankafschrift van zijn zakelijke rekening getoond met een overschrijving waarbij de rechtbank heeft geconstateerd dat de datum, het bedrag en het genoemde kenteken overeenkomen met de gegevens op deze factuur. Hierop heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat dit niet klopt. Volgens de vrouw is de [merk] deels gefinancierd met de inruilwaarde van een auto die zij reeds voor het huwelijk bezat en deels is gefinancierd met goud dat tijdens de bruiloft van partijen aan haar is geschonken. Volgens de vrouw was dit goud in beheer bij de (moeder van de) man en heeft hij de betaling in goud onderhands geregeld met de autohandelaar. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee de met verifieerbare stukken onderbouwde stelling van de man dat de [merk] tot de gemeenschap behoort onvoldoende heeft weerlegd. Dit betekent dat de rechtbank de [merk] bij de verdeling zal betrekken.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de [merk] sinds de aankoop in gebruik heeft. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de [merk] aan de vrouw toe te delen. Voor de waarde van de [merk] zal de rechtbank aansluiten bij het door de man genoemde bedrag van € 26.550,-. Ter onderbouwing van deze waarde heeft de man immers een ANWB koerslijst van 30 januari 2024 overgelegd waaruit deze prijs bij verkoop tussen particulieren volgt, hetgeen door de vrouw niet is betwist. Dit betekent dat de vrouw in verband met de toedeling van de [merk] aan haar een bedrag van € 13.275,- aan de man moet vergoeden.
Ad g) goud
De vrouw stelt dat tijdens de bruiloft van partijen gouden sieraden en munten aan haar zijn geschonken zodat dit goud tot haar privé vermogen behoort. Volgens de vrouw heeft de man de gouden sieraden en munten direct na de bruiloft aan zijn moeder gegeven die dit zou bewaren. De vrouw heeft gedurende het huwelijk twee keer een gouden ketting mogen dragen die zij weer terug moest geven aan de moeder van de man. De vrouw verzoekt primair de man te bevelen de gouden sieraden en munten aan haar terug te geven, subsidiair te bepalen dat de man de waarde hiervan aan haar moet vergoeden en meer subsidiair te bepalen dat de man de helft van de waarde hiervan aan haar moet vergoeden.
De man stelt dat de gouden sieraden en munten aan partijen gezamenlijk zijn geschonken tijdens hun bruiloft. Volgens de man hebben partijen op het bruiloftsfeest van zijn familie geschonken gekregen: 17 stuks ‘burma’s’ gouden armband ieder 40 gram, 26 halve gouden munten (‘yarım altın’, 3,5 gram per stuk), gouden ketting met een ‘reşat’ gouden munt, gouden ketting met munt (‘beşi bir yerde’), trabzon gouden sieraden set, 10 gouden armbanden ieder 25 gram, een gouden set met diamant (armband, ketting en oorbellen) en een gouden set (armband, ketting en oorbellen). De man overlegt ter onderbouwing foto’s van het bruiloftsfeest van partijen en biedt aan om video-opnames in het geding te brengen waaruit dit blijkt. De gouden sieraden en munten vallen volgens de man in de beperkte gemeenschap en moeten worden verdeeld. De man stelt dat de vrouw de gouden sieraden en munten in haar bezit heeft. De vrouw huurde een kluis bij de Nederlandse Kluis B.V. en bewaarde het goud op de peildatum 6 november 2023 volgens de man nog in deze kluis. Blijkens productie T heeft de vrouw op 14 november 2025 echter de huurovereenkomst van de kluis opgezegd. Nu de vrouw opzettelijk goederen die tot de gemeenschap behoren verzwijgt, verbeurt de vrouw haar aandeel hierin volgens de man op grond van artikel 3:194, tweede lid, BW aan hem. De man stelt dat de gouden sieraden en munten een waarde vertegenwoordigen van € 156.580,-. De man verzoekt primair te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 156.580,- aan hem dient te betalen Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat de vrouw de door hem opgesomde sieraden en munten aan hem dient af te geven op verbeurte van een dwangsom.
De rechtbank is van oordeel dat de tijdens de bruiloft van partijen geschonken gouden sieraden en munten in de gemeenschap vallen en dus moeten worden verdeeld. De vrouw heeft gelet op de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat er tijdens de bruiloft sieraden en munten exclusief aan haar zouden zijn geschonken en haar privé eigendom zijn. Weliswaar kan het naar Turks recht of gebruik zo zijn dat de sieraden en munten de vrouw toekomen, maar de rechtbank moet hier oordelen naar Nederlands recht. Partijen wonen in Nederland, zij hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit en zij zijn hier getrouwd. Het is naar Nederlandse maatstaven gebruikelijk dat cadeaus die worden geschonken tijdens een bruiloft beide echtgenoten toekomen. Daarmee zijn de sieraden en munten tot de beperkte gemeenschap gaan behoren.
De vervolgvraag is hoe de sieraden en munten moeten worden verdeeld. In beginsel komt ieder van partijen de helft van (de waarde van) de sieraden en munten toe. De rechtbank kan echter niet vaststellen om welke sieraden en munten het gaat. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij niet weet of het door de man opgesomde goud door zijn familie is geschonken tijdens de bruiloft. De man heeft weliswaar foto’s overgelegd van de vrouw die op dat dag van het huwelijk gouden sieraden draagt en aangeboden
video-opnames van de bruiloft in het geding te brengen, maar aan de hand hiervan kan de rechtbank niet beoordelen in hoeverre de gouden sieraden en munten op de peildatum 6 november 2023 nog aanwezig waren. Daarbij is het voor de rechtbank volstrekt onduidelijk wie de sieraden en munten op dit moment in zijn of haar bezit heeft. Partijen stellen over en weer dat de ander over het goud beschikt en de rechtbank kan niet beoordelen wie er gelijk heeft. Dat de vrouw, zoals de man stelt, beschikt over de sieraden en munten heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond. De man heeft erop gewezen dat de vrouw een kluis huurde bij de Nederlandse Kluis B.V, maar hierover heeft de vrouw tijdens de zitting verklaard dat zij hierin papieren en enkele munten bewaarde en niet het tijdens de bruiloft geschonken goud. Ook de vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat de man over de sieraden en munten beschikt. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet overgaan tot verdeling van (de waarde van) de sieraden en munten.
De rechtbank zal de verzoeken van partijen ten aanzien van het goud afwijzen. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de partij die in het kader van een verdeling een goed verzwijgt, zijn aandeel in dit goed verbeurt aan de andere partij (artikel 3:194, tweede lid, BW) .
Ad h) belastingschulden
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de belastingschulden (die niet gekoppeld zijn aan de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’) die zien op de periode vanaf de huwelijksdatum 11 november 2021 tot en met de peildatum 6 november 2023. Voor zover één van partijen meer dan 50% van deze schuld heeft voldaan, heeft diegene voor het meerdere regres op de ander. Onder verwijzing naar overweging 3.4.6. zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen.
Ingetrokken verzoeken
De man heeft ter zitting zijn verzoeken ten aanzien van de informatieregeling en het huurrecht ingetrokken. Op deze verzoeken hoeft de rechtbank dan ook niet mee te beslissen.
4De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] ;
stelt de volgende voorlopige reguliere zorgregeling vast:
Tot het moment dat [de minderjarige] naar de basisschool gaat verblijft hij in een tweewekelijks schema:
- de ene week op woensdag van 10:00 uur tot 20:00 uur en van vrijdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur bij de man;
- de andere week van woensdag 10:00 uur tot donderdag 10:00 uur bij de man;
- waarbij de overdrachtsmomenten plaatsvinden op een neutrale plek:
Vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat verblijft hij in een tweewekelijks schema:
- de ene week van woensdag uit school tot donderdag naar school en van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man;
- de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man;
- waarbij de man [de minderjarige] uit school ophaalt en hem daar naartoe brengt;
stelt de volgende vakantieregeling vast:
- gedurende vakanties die één week duren verblijft [de minderjarige] het ene jaar bij de man en het andere jaar bij de vrouw;
- gedurende de tweeweekse vakanties verblijft [de minderjarige] in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit omgekeerd;
- tijdens de zomervakantie (vanaf 2027) verblijft [de minderjarige] conform een schema 1-2-2-1 bij partijen;
- tijdens vakanties zullen partijen in onderling overleg twee belmomenten per week afspreken tussen [de minderjarige] en de ouder waar hij op dat moment niet verblijft;
bepaalt dat de man met ingang van 22 juli 2026 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 489,- per maand aan de vrouw dient te voldoen;
stelt de verdeling van de woning aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Florius als volgt vast:
- deelt de woning toe aan de man tegen een waarde van € 700.000,-;
- onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
- zonder nadere verrekening van de waarde van de woning met de vrouw;
deelt de auto van het merk [merk] met kenteken [kenteken] aan de vrouw toe tegen een waarde van € 26.550,-, onder de verplichting om de helft van deze waarde (te weten € 13.275,-) aan de man te vergoeden;
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte tot zover af;
houdt de definitieve beslissing op de verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag, de vervangende toestemming voor inschrijving basisschool, de hoofdverblijfplaats en de reguliere zorgregeling pro forma aan tot en met 22 januari 2027 in afwachting van de resultaten van het uniform hulpaanbod;
verzoekt partijen om de rechtbank vóór 22 januari 2027 schriftelijk te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortzetting van de procedure.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. van Diepen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.C. Horio, griffier op 22 juli 2026. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
