Essentie (gemaakt door AI)
Beschikking waarin, na eerdere tussenbeschikking, het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van drie kinderen in gezinshuizen wordt toegewezen tot einde OTS. De rechtbank onderkent sterke aanwijzingen voor een jarenlang patroon van medicalisering op initiatief van moeder en acht terugkeer zonder gedragen veiligheidsplan onveilig. Het verzoek van de GI tot gedeeltelijke gezagsuitoefening voor klinische opname van de twee jongsten wordt afgewezen als te ingrijpend. Verzoek ouders tot vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing wordt,naNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-08-2026 |
| Zaaknummer | C/15/365036 / JU RK 25/649 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank in vervolg op de beschikking van de kinderrechter van 28 augustus 2026 (zaaknummers: C/15/365036 / JU RK 25/649, C/15/366657 / JU RK 25/887, C/15/366784 / JU RK 25/895) (ECLI:NL:RBNHO:2025:10236) De kinderen zijn eerder uithuisgeplaatst vanwege vermoedens van kindermishandeling door falsificatie (münchhausen by proxy). De rechtbank ziet op basis van de stukken (waaronder de informatie van de scholen van de kinderen, het netwerk, de voormalige en huidige huisarts) een jarenlang, diepgeworteld patroon, waarin de kinderen in de thuissituatie bij de ouders op initiatief van de moeder veelvuldig in het medisch circuit zijn gepresenteerd met veel voorkomende en over het algemeen onschuldige (somatische) gezondheidsklachten. Gelet op de langdurige zorgen over de kinderen, het diepgewortelde patroon en de dynamiek in het gezin, mede in het licht bezien van de richtlijn Kindermishandeling door Falsificatie, acht de rechtbank terugkeer van de kinderen naar de thuissituatie in de gegeven omstandigheden en zonder een gedegen en door de ouders gedragen veiligheidsplan, niet voldoende veilig noch in het belang van de kinderen. De rechtbank verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Het verzoek van de GI om gedeeltelijke gezagsuitoefening voor het laten opnemen van de twee jongste kinderen, wordt daarentegen afgewezen. De rechtbank begrijpt de meerwaarde van een klinische opname zoals wordt voorgesteld, maar acht deze in dit geval te ingrijpend en naar verwachting te schadelijk voor de kinderen. De rechtbank overweegt verder over het verzoek van de ouders tot benoeming van een bijzondere curator, over de aan de ouders gegeven schriftelijke aanwijzing en over de eerder door de kinderrechter gegeven opdracht aan het NIFP.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers:
C/15/365036 / JU RK 25/649
C/15/366657 / JU RK 25/887
C/15/366784 / JU RK 25/895
C/15/368544 / JU RK 25/1130
C/15/368931 / JU RK 25/1192
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een (aangehouden verzoek) machtiging tot uithuisplaatsing, een gedeeltelijke gezagsuitoefening en de schriftelijke aanwijzing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
en
[de moeder] en [de vader],
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat van de ouders in de zaak over de uithuisplaatsing en de schriftelijke aanwijzing: mr. M.S. Krol, kantoorhoudende in Rotterdam,
advocaten van de ouders in de zaak over de gedeeltelijke gezagsuitoefening: mrs. J.H. Weermeijer-Patist en L. van der Kam, beiden kantoorhoudende in Oegstgeest,
over
[de minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
en
[de minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt in de zaak over de uithuisplaatsing en de gedeeltelijke gezagsuitoefening de ouders als belanghebbenden aan.
In de zaak over de schriftelijke aanwijzing merkt de rechtbank de GI als belanghebbende aan.
1Het (verdere) verloop van de procedures
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de beschikking van de kinderrechter van 28 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken;
-
het verslag van het anonieme overleg van 6 februari 2025 tussen [kinder- en vertrouwensarts] en een vertrouwensarts en het verslag van het multidisciplinair overleg van 10 februari 2025, ontvangen op 19 augustus 2025;
-
het verzoekschrift met bijlagen strekkende tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 21 augustus 2025;
-
de brief van de ouders met producties, ontvangen op 11 september 2025;
-
het verweerschrift van de ouders met bijlagen, ontvangen op 12 september 2025.
Op 16 september 2025 heeft de rechtbank de zaken gelijktijdig achter gesloten deuren behandeld dan wel de behandeling voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door mrs. Krol en Van der Kam, mede als waarnemers van mr. Weermeijer-Patist;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
De rechtbank heeft aan [vertrouwenspersoon] , vertrouwenspersoon van de ouders, bijzondere toegang tot de zitting verleend. Zij is op verzoek van de ouders als toehoorder aanwezig geweest.
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] uitgenodigd voor een gesprek. De kinderen hebben voorafgaand aan de zitting afzonderlijk van elkaar aan de kinderrechter verteld hoe het met hen gaat en wat zij van de verzoeken vinden. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben daarbij brieven van revalidatiekliniek [revalidatiekliniek] overhandigd aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat de kinderen hebben verteld en zijn de stukken voorgehouden. De ouders, de advocaten van de ouders en de GI hebben daarop kunnen reageren.
2De verzoeken van de GI: uithuisplaatsing en gezagsuitoefening
De rechtbank heeft allereerst te oordelen over het aangehouden verzoek van de GI strekkende tot verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen in gezinsgerichte voorzieningen (gezinshuizen) tot het einde van de huidige ondertoezichtstelling, te weten tot 6 juni 2026. Daarnaast is aan de orde het verzoek (op grond van artikel 1:265e, lid 1, sub b, Burgerlijk Wetboek, hierna te noemen: BW) van de GI om te bepalen dat het gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] gedeeltelijk, namelijk voor zover het de toestemming voor een medische behandeling (een klinische opname bij [zorgorganisatie] ) betreft, wordt toegekend aan de GI. De GI heeft daarbij verzocht om aantekening van de gedeeltelijke gezagstoekenning in het gezagsregister. Tevens is verzocht de te geven beschikking(en) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft de verzoeken als volgt toegelicht.
Sinds de start van de ondertoezichtstelling in maart 2025 maakt de GI zich grote zorgen over de gezondheid en de veiligheid van de kinderen, gebaseerd op het uitgebreide onderzoek van Veilig Thuis waaruit sterke vermoedens van kindermishandeling door falsificatie voortkomen. Ook op dit moment zijn de sterke aanwijzingen van kindermishandeling door falsificatie en de zorgen over de gezinsdynamiek nog aanwezig. Tijdens de zitting bij de kinderrechter op 20 augustus 2025 heeft [kinder- en vertrouwensarts] , vertrouwensarts bij Veilig Thuis [provincie] en gedetacheerd aan de GI ter ondersteuning op medisch gebied, uiteengezet welke stappen moeten worden doorlopen bij een vermoeden van kindermishandeling door falsificatie, waaronder een medische analyse (die al is uitgevoerd door Veilig Thuis) en een klinische opname van de kinderen bij [zorgorganisatie] om de beïnvloeding door de moeder te doorbreken, een goed beeld te krijgen van waar de kinderen last van hebben (diagnostiek) en hen behandeling te bieden. Het verzoek met betrekking tot de (gedeeltelijke) gezagsuitoefening houdt ook in dat de professionals bij [zorgorganisatie] met (eerder) betrokken specialisten kunnen én mogen overleggen. De GI wenst antwoord te krijgen op de volgende vragen:
-
Welke medische klachten zijn er bij de start van de opname en daarna?
-
Als de klachten blijven bestaan, wat hebben de kinderen nodig om met de pijn om te gaan of wat hebben de kinderen nodig om minder pijn te ervaren?
-
Wat hebben de kinderen nodig om te zorgen dat het fysiek en mentaal beter met hen gaat?
-
Welke nazorg is voor hen op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg (hierna te noemen: GGZ) nodig?
-
Is er sprake van kindermishandeling door falsificatie?
Mede gelet op het gebrek aan beschikbare en reële alternatieven, ziet de GI een klinische opname van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij [zorgorganisatie] op dit moment als enige mogelijkheid om antwoord te krijgen op de gestelde vragen en het vermoeden van kindermishandeling door falsificatie uit te sluiten dan wel vast te stellen. Daarbij is van belang dat [zorgorganisatie] – anders dan bij revalidatiekliniek [revalidatiekliniek] waar beide kinderen eerder opgenomen zijn geweest – over een sociaal pediater beschikt en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tijdens de opname volledig, dan wel in grote mate, kunnen worden gesepareerd van het hele gezin, zodat zij zich kunnen focussen op zichzelf en hun eigen gezondheid en herstel. [zorgorganisatie] biedt de kinderen verder een individueel en opeenvolgend traject, waaruit na een periode van (vermoedelijk) zes tot acht weken opeenvolgend, voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] een advies voor GGZ-nazorg kan worden geformuleerd. Op basis van de observaties tijdens de klinische opname, de informatie uit het onderzoek van Veilig Thuis en het medisch dossier van de kinderen, kan [kinder- en vertrouwensarts] zich uitlaten over de vraag of sprake is van kindermishandeling door falsificatie. Voor de kinderen, maar ook de ouders, is het van groot belang dat (op korte termijn) duidelijk wordt wat speelt in het gezin. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] ervaren namelijk veel spanning en lijden onder de situatie waarin zij zich bevinden. Daarmee is het in het belang van de kinderen en de (doelen van de) ondertoezichtstelling noodzakelijk dat het gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voor het geven van toestemming voor een medische behandeling wordt uitgeoefend door de GI. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn, ondanks hun leeftijden (15 resp. 13 jaar) – gelet op het langdurige patroon van beïnvloeding door de moeder – op dit moment onvoldoende in staat tot een redelijke waardering van wat zij op medisch vlak nodig hebben. Voor het kunnen slagen van de opname en de behandeling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is het noodzakelijk dat het aangehouden verzoek tot verlenging van de machtiging tot hun uithuisplaatsing voor de resterende termijn wordt toegewezen, zodat zij ruimte ervaren om te werken aan hun gezondheid. Indien de rechtbank het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI afwijst en de klinische opname niet kan plaatsvinden, kan niet goed aan de gestelde doelen gewerkt worden.
De GI heeft verder toegelicht dat de situatie van [de minderjarige 1] wezenlijk anders is dan die van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , omdat zij niet met lichamelijke gezondheidsklachten kampt. Voor [de minderjarige 1] is een klinische opname dan ook niet noodzakelijk, maar is het van belang dat zij wordt gestimuleerd in haar zelfstandigheid, vooralsnog met hulp van de gezinshuisouders. Zolang de ouders geen stappen hebben gezet met specialistische GGZ-hulpverlening en het inzicht over hun handelen en de gevolgen voor (de ontwikkeling van) de kinderen ontbreekt, is het in het belang van [de minderjarige 1] noodzakelijk dat haar plaats in het gezinshuis wordt gewaarborgd en is de uithuisplaatsing gerechtvaardigd. Er valt niet uit te sluiten dat voor [de minderjarige 1] – anders dan voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] – op kortere termijn een terugplaatsing mogelijk is. Op dit moment is een terugplaatsing echter nog prematuur, mede gelet op de onveranderde thuissituatie en het reële risico op verschuiving van de problematiek naar [de minderjarige 1] .
3Het verweer van de ouders
Door en namens de ouders is gevraagd de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij een gebrek aan gronden af te wijzen, dan wel voor kortere duur toe te wijzen. Ten aanzien van het verzoek strekkende tot gedeeltelijke gezagsuitoefening is verzocht de GI niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen. Voor zover de GI in het verzoek kan worden ontvangen en niet op voorhand wordt beslist tot afwijzing van het verzoek, verzoeken de ouders op grond van artikel 1:250 BW de benoeming van een bijzondere curator.
Door en namens de ouders is daartoe aangevoerd dat het er sterk op lijkt dat wordt gezocht naar mogelijkheden om de vermoedens van kindermishandeling door falsificatie te bevestigen en de ouders daarvoor te veroordelen, terwijl moet worden onderzocht onder welke condities en met welke veiligheidsafspraken de kinderen terug naar huis kunnen.
[de minderjarige 1]
Ten aanzien van [de minderjarige 1] heeft de kinderrechter in de beschikking van 28 augustus 2025 expliciet overwogen dat moet worden onderzocht of, en zo ja, welke mogelijkheden bestaan voor haar terugplaatsing (waar mogelijk op korte termijn). De GI heeft onvoldoende onderbouwd waarom [de minderjarige 1] ’s uithuisplaatsing desondanks nog noodzakelijk is. Daarbij komt dat de situatie van [de minderjarige 1] – zoals de GI terecht heeft opgemerkt – wezenlijk verschilt van de situatie van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , omdat [de minderjarige 1] geen lichamelijke klachten heeft. Verder volgt uit het plan van aanpak, vastgesteld op
8 augustus 2025, dat een aanmelding voor een gezinsopname bij GGZ Drenthe ( [plaats] ) geen middel is om een voor [de minderjarige 1] gesteld doel te behalen, en blijkt uit wat de GI ter zitting heeft gezegd dat een uithuisplaatsing zonder een klinische opname niet gerechtvaardigd is. Nu het verzoek strekkende tot gedeeltelijke gezagsuitoefening [de minderjarige 1] niet betreft en een klinische opname voor haar niet geïndiceerd is, dient daaruit de conclusie te worden getrokken dat het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij een gebrek aan gronden moet worden afgewezen. De ondertoezichtstelling biedt voldoende basis voor het vergroten van [de minderjarige 1] ’s zelfstandigheid en weerbaarheid.
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 3]
De ouders verzetten zich tegen de klinische opname van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en het verzoek van de GI strekkende tot het verkrijgen van de bevoegdheid om medische beslissingen over hen te nemen. In de kern stellen de ouders daartoe dat het verzoek een onnodige en disproportionele beperking van het gezag van de ouders inhoudt. De GI baseert het verzoek op de niet-aangetoonde vermoedens van kindermishandeling door falsificatie, terwijl volgens de GI de klinische opname van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] nodig is om uit te kunnen wijzen of sprake is van kindermishandeling door falsificatie. Er is dan ook sprake van een cirkelredenering. Dat maakt een klinische opname geen proportioneel middel om een gerechtvaardigd doel te bereiken. Daarbij geldt dat zowel de ouders als de kinderen in voldoende mate in staat zijn inschattingen te maken over de noodzaak voor medische behandelingen. Zo hebben de kinderen altijd duidelijk in woord en geschrift, uit eigen beweging, uitgedrukt dat zij absoluut niet klinisch opgenomen willen worden. De omstandigheid dat de kinderen loyaliteit vertonen naar de ouders, is onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat de zij niet in staat kunnen worden geacht tot een redelijke waardering van hun belangen. De ouders hebben altijd hun medewerking verleend aan de voor de kinderen noodzakelijke medische behandelingen, inschrijvingen op scholen en wat de kinderen anderszins nodig hebben. Er kan dan ook niet worden gesteld dat een gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI op dit moment noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Bij deze stand van zaken moet het verzoek van de GI worden afgewezen. In dat geval moet ook het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] worden afgewezen, nu de uithuisplaatsing zonder de klinische opname niet gerechtvaardigd is.
4Het verzoek van de ouders: schriftelijke aanwijzing
De GI heeft op 8 augustus 2025 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de ouders en de kinderen beperkt. Hierin is het volgende opgenomen:
“Drie keer in de maand fysieke omgang. Bij twee van deze drie omgangsmomenten is de oudere broer van de kinderen aanwezig.
Een keer in de maand heeft ieder kind los van zijn broertjes en zusjes een individueel omgangsmoment met de ouders.
Alle omgang met de ouders is onder begeleiding van twee omgangsbegeleiders en heeft een duur van 1,5 uur.
Voor [de oudere broer] is het mogelijk om twee keer per week te videobellen onder begeleiding van Opstap, zoals dit nu ook gebeurt.”
De ouders hebben de rechtbank verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De ouders hebben het verzoek als volgt toegelicht.
De schriftelijke aanwijzing is in de eerste plaats in strijd met de oorspronkelijke doelstelling (van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing), nu de plaatsing van de kinderen in de verschillende gezinshuizen oorspronkelijk was bedoeld om te onderzoeken of de gesignaleerde symptomen bij de kinderen zouden afnemen bij een scheiding van hun gezinsstructuur. Gebleken is echter dat de kinderen in de praktijk vrijelijk met elkaar kunnen communiceren en elkaar kunnen bezoeken. Dit frequente contact staat dus haaks op het oorspronkelijke, therapeutische doel. In de tweede plaats is de ingrijpende beperking van de omgang niet in lijn met de adviezen van de behandelend medisch specialisten. Een dergelijke beperking kan een negatieve impact hebben op de emotionele en psychische gesteldheid van zowel de kinderen als de ouders, en zou alleen gerechtvaardigd zijn indien de veiligheid van de kinderen in gevaar is. Daarvan is niet gebleken. Tot slot is er een gebrek aan transparantie. Uit de schriftelijke aanwijzing blijkt onvoldoende welke redenen ten grondslag liggen aan de beperking van het contact tussen de ouders en de kinderen en de frequentie van het contact. Evenmin is onderbouwd welke mogelijkheden tot uitbreiding van het contact bestaan. Daarnaast hebben de ouders tot op heden geen concrete bewijzen ontvangen dat de symptomen van de kinderen in de gezinshuizen daadwerkelijk zijn afgenomen en of zij de noodzakelijke zorg nog wel ontvangen.
Gelet op het voorgaande is de beperking van de omgang tussen de ouders en de kinderen onvoldoende onderbouwd, in strijd met het belang van de kinderen en een onacceptabele inbreuk op de ouderlijke rechten.
5Het verweer van de GI
In de schriftelijke aanwijzing heeft de GI de beslissing tot het beperken van de contacten tussen de ouders en de kinderen als volgt toegelicht.
Vanwege de sterke vermoedens van kindermishandeling door falsificatie en de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling is het noodzakelijk om het contact tussen de ouders en de kinderen te beperken en de kinderen daarbij minimaal één keer per maand een eigen omgangsmoment met de ouders te bieden, zonder de aanwezigheid van de andere kinderen. Volgens de GI kan een afzonderlijk omgangsmoment bijdragen aan de zelfstandigheid, het herstel en de eigenheid van de kinderen, alsook het doorbreken van de (voor de kinderen schadelijke) gezinsdynamiek.
6De mening van de kinderen
De kinderen hebben voorafgaand aan de zitting afzonderlijk van elkaar met de kinderrechter gesproken. Tijdens de gesprekken hebben de kinderen aangegeven zich niet gehoord te voelen. Zij verzetten zich nog steeds tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verder aangegeven zich ook te verzetten tegen de klinische opname bij [zorgorganisatie] . De kinderen willen weer terug naar huis. Zij ervaren de beschuldigingen aan het adres van de moeder, de uithuisplaatsing in de gezinshuizen en het weinige contact met de ouders, hun broer [de oudere broer] en de oma, als onrechtvaardig.
7De (verdere) beoordeling door de rechtbank
De beslissingen
Het aangehouden verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in gezinsgerichte voorzieningen (gezinshuizen) wordt toegewezen tot 6 juni 2026, te weten de einddatum van de huidige ondertoezichtstelling. Deze beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Aan de wettelijke vereisten
1 voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan.
Het verzoek van de GI strekkende tot gedeeltelijke gezagsuitoefening met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt afgewezen. Ook het verzoek van de ouders strekkende tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 7 augustus 2025 (uitgereikt op 8 augustus 2025) wordt afgewezen.
De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
Ten aanzien van de uithuisplaatsing en de gedeeltelijke gezagsuitoefening
De rechtbank ziet op basis van de stukken (waaronder de informatie van de scholen van de kinderen, het netwerk, de voormalige en huidige huisarts) een jarenlang, diepgeworteld patroon, waarin [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in de thuissituatie bij de ouders op initiatief van de moeder veelvuldig in het medisch circuit zijn gepresenteerd met veel voorkomende en over het algemeen onschuldige (somatische) gezondheidsklachten. Op de scholen van de kinderen wordt door de moeder op een dwingende en controlerende wijze ook veel aandacht gevraagd voor de situatie van de kinderen. De moeder kenschetst de situatie van de kinderen richting de scholen als “zeer ernstig”, terwijl uit het dossier voldoende naar voren komt dat van een ernstige medische situatie geen sprake is. Als een arts of andere gesprekspartner van de moeder, zoals de scholen van de kinderen, kritische vragen stelt, verbreekt de moeder het contact en gaat zij (bijvoorbeeld) met haar kinderen naar een andere medische instantie/huisarts. Daarnaast wordt verzet gezien bij de moeder tegen het delen van medische informatie tussen de verschillende medische instanties of vanuit een medische instantie aan een school van de kinderen.
De aanwijzingen voor het hiervoor geschetste diepgewortelde patroon gaan blijkens het overgelegde rapport van Veilig Thuis terug naar 2011 en duren tot nu voort. Zo heeft de toenmalige huisarts in 2011 overwogen om een Veilig Thuis-melding te doen, omdat de huisarts twijfelde of de verklaringen van de moeder berusten op de waarheid. Daarop is de moeder met het gezin overgestapt naar een andere huisarts. In 2013 is, naar de rechtbank begrijpt, de eerste Veilig Thuis-melding gedaan vanuit de [school] te [plaats] omdat er zorgen waren over de medische situatie binnen het gezin en de moeder de medische situatie van de kinderen mogelijk groter maakte dan nodig was. Door de moeder wordt er veel aandacht gevraagd en volgens de school onnodig hulpverlening ingezet. Zodra een leerkracht minder meegaat in het verhaal van moeder, zou zij het contact verbreken. Deze Veilig Thuis-melding heeft geleid tot nader onderzoek. De uitkomst van dat onderzoek was dat er aanwijzingen zijn van kindermishandeling door falsificatie. Veilig Thuis heeft de moeder daarop geadviseerd om hulpverlening vanuit een psychiater aan te gaan. De moeder heeft dit toen geweigerd, omdat zij al hulpverlening zou hebben. Daarmee en daarna zijn de zorgen niet weggenomen. Meer recent is in 2024 een Veilig Thuis-melding gedaan, deze keer door het [school] te [plaats] . Deze school meldt zorgen over de medische situatie van dochter [de minderjarige 2] (o.a. klachten onderbeen), omdat er medisch veel aan de hand is, de school niet duidelijk krijgt wat allemaal speelt, de moeder de enige contactpersoon is en ook bij de andere kinderen veel speelt op medisch gebied. [de minderjarige 2] zegt daarop niet meer terug te willen naar school, terwijl zij het daar voorheen wel naar haar zin had. Ze geeft aan dat ze niet wil dat de school contact opneemt met haar medisch specialisten, omdat ze hetzelfde trauma ervaart als haar ouders. De uitkomst van het onderzoek van Veilig Thuis is dat [de minderjarige 2] een uitgebreid ziekteproces doorgemaakt heeft waarbij veel diagnostiek is gedaan. Zij houdt echter pijnklachten die tot op heden niet verklaard kunnen worden met een diagnose. De moeder lijkt volgens Veilig Thuis de controle te willen behouden, is wantrouwend vanuit het verleden en het trauma dat de klachten van de kinderen niet serieus genomen zouden worden. De toenmalige huisarts is, naar de rechtbank begrijpt, door de moeder en in het verlengde daarvan, door het gezin medio 2024 vervangen door de huidige huisarts. Deze huisarts heeft op basis van het medisch dossier van alle gezinsleden geconcludeerd dat het haar opvalt dat met name bij de twee jongste kinderen een patroon te zien is van extreem veel artsenbezoeken, onderzoeken en behandelingen. Het valt haar daarbij op dat heel veel verrichtte onderzoeken geen verklaring voor de klachten opleverden en de bestaande zorgen van moeder niet wegnamen of nieuwe zorgen bij haar opriepen. Ook concludeert de huisarts dat veel behandelingen/operaties niet het gewenste effect hadden op de klachten, waarna weer nieuwe onderzoeken en behandelingen volgden. De huisarts heeft geprobeerd hier structuur in te creëren en rust in te brengen. Het is de huisarts gelukt om een vertrouwensband op te bouwen met de moeder en de andere gezinsleden en om optimale communicatie met betrokken artsen te organiseren. Ook is het de huisarts gelukt om begin 2025 voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] een klinisch revalidatietraject bij [revalidatiekliniek] te organiseren. Volgens de huisarts is een dergelijke klinische opname de meest intensieve vorm van behandeling gericht op herstel. Volgens de informatie van de huisarts en [revalidatiekliniek] hebben de opnames geen doorbraak opgeleverd. De huisarts meldt daarna aan Veilig Thuis: ‘Het zeer beperkte rendement van mijn maximale inspanningen als huisarts maakt dat ik nu (in tegenstelling tot in juni 2024) niet meer het idee heb dat er op dit moment mogelijk patroon doorbrekende ontwikkelingen zijn. Parallel hieraan heeft mij de zorgelijke Veilig Thuis melding hierboven bereikt, welke ook ik erg verontrustend vind.’ De melding waaraan de huisarts refereert ziet op drie Veilig Thuis meldingen vanuit het netwerk. De zorgen vanuit het netwerk zien op de kinderen, maar betreffen ook de vader. Zo maakt het netwerk zich zorgen over de vermeende dementie bij de vader omdat zij dit niet herkennen bij hem en ze niet of nauwelijks contact meer met de vader kunnen krijgen. Ook over de gestelde medische problematiek van de kinderen en de onderzoeken die zij ondergaan, maakt het netwerk zich grote zorgen. Meer specifiek maakt het netwerk zich zorgen over de vraag of de moeder de kinderen en de vader aandoeningen aanpraat en hun beeldvorming beïnvloedt, wat lichamelijk en sociaal-emotioneel schadelijk kan zijn. De melders melden ook dat de moeder overstapte naar een andere huisartsenpraktijk toen de huisarts niet mee wilde in de verhalen van moeder. Het onderzoek dat hierna is verricht door (en namens) Veilig Thuis, de Raad en de GI laat zien dat er sterke aanwijzingen zijn en blijven bestaan van kindermishandeling door falsificatie, zoals beschreven in de eerdere beschikkingen van de rechtbank.
Volgens de ouders zijn de kinderen echt ziek en is de moeder hoogstens overbezorgd vanwege eerdere ervaringen waarbij een misdiagnose is geweest. De ouders stellen daartoe dat nooit vastgesteld is dat sprake is van kindermishandeling door falsificatie. De rechtbank stelt vast dat Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: het NIFP) hier helaas geen duidelijkheid over heeft kunnen geven. De rechtbank overweegt verder dat de politie een onderzoek hiernaar heeft ingesteld, maar de uitkomst hiervan niet binnen afzienbare tijd is te verwachten. Uit het Veilig Thuis-onderzoek en de adviezen van professionals, waaronder [kinder- en vertrouwensarts] , blijkt echter genoegzaam dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in de thuissituatie bij de ouders zijn benadeeld in hun sociaal-emotionele, psychische en/of lichamelijke ontwikkeling door zeer zorgelijk gedrag van de moeder.
Daartoe is door de GI voldoende duidelijk gemaakt dat, ondanks verschillende (ingrijpende) onderzoeken, behandelingen, opnames en operaties, de klachten van de kinderen zonder verklaring blijven bestaan. Ook op dit moment zijn bij de ouders nog steeds zorgen over de gezondheid van de kinderen. Bij [de minderjarige 1] gelegen in een niet-gediagnosticeerde Autisme Spectrum Stoornis (ASS), bij [de minderjarige 2] bestaande uit de lichamelijke klachten die zij ervaart door haar platvoeten, waarvoor – volgens de ouders en [de minderjarige 2] zelf – medisch ingrijpen middels een operatie absoluut noodzakelijk is en bij [de minderjarige 3] vanwege aanhoudende luchtwegklachten en pijn op de borst. Voor deze klachten zijn de kinderen, zoals de huisarts ook heeft vastgesteld, veelvuldig door diverse artsen en specialisten gezien en behandeld. Om onduidelijke medische redenen blijven de klachten bij [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] toch bestaan. Ook voor de oudere broer [de oudere broer] geldt dat hij vaak de weg naar de (medische) zorg heeft gevonden. Niet alleen de kinderen, maar ook de vader is, zoals hiervoor beschreven niet ongemoeid gelaten. De rechtbank acht de situatie rondom de vader, waarbij de overtuiging was dat de vader aan dementie leed en hieraan zal komen te overlijden, zeer zorgelijk. Dementie is namelijk niet gediagnosticeerd blijkens de stukken die zijn ingebracht, laat staan in een vergevorderd stadium. De moeder heeft naar aanleiding van de gestelde dementie volgens informatie vanuit het netwerk, de scholen en de huisarts, zeer zorgelijke en opvallende handelingen verricht. Zo heeft de moeder een begrafenisondernemer ingeschakeld om een kist voor de vader uit te zoeken, de school van de kinderen ingelicht over de medische situatie van de vader en vrij gevraagd voor een laatste gezinsvakantie vanwege de aflopende gezondheidssituatie van de vader. De vader heeft zich in deze situatie kennelijk onvoldoende kunnen weren tegen de invloed van de moeder en is evenmin in staat geweest om de (emotionele) veiligheid van de kinderen in de thuissituatie te waarborgen. Opvallend daarbij is ook dat de vader van de moeder (opa van de kinderen) heeft verklaard dat de moeder en zijn vrouw (de oma van de kinderen) hem in het verleden ook hebben doen geloven dat hij aan het dementeren was, terwijl daarvan geen sprake bleek te zijn. Hij heeft toen de relatie met zijn vrouw verbroken en afstand genomen van de moeder (zijn dochter).
Gelet op de langdurige zorgen over de kinderen, het diepgewortelde patroon en de dynamiek in het gezin, mede in het licht bezien van de richtlijn Kindermishandeling door Falsificatie, acht de rechtbank terugkeer van de kinderen naar de thuissituatie in de gegeven omstandigheden en zonder een gedegen en door de ouders gedragen veiligheidsplan, niet voldoende veilig noch in het belang van de kinderen. De op de voorgrond liggende diepgewortelde en langdurige problematiek in het gezin, staat de ouders, naar het oordeel van de rechtbank, in de weg aan een goede en gezonde uitoefening van hun ouderrol. De ouders hebben de kinderen de kans ontnomen om volledig en onbezorgd kind te zijn en veilig groot te groeien tot zelfstandige en evenwichtige individuen. Daarbij is van belang dat de ouders, zoals de rechtbank zelf ter zitting heeft waargenomen, nog onvoldoende inzicht hebben in hun aandeel in de onveilige thuissituatie en gezinsdynamiek. Daarmee bestaat het reële en gerechtvaardigde risico dat de kinderen in de thuisomgeving nog worden blootgesteld aan de schadelijke patronen en worden benadeeld in hun ontwikkeling. De interventies die gepleegd zijn toen de kinderen nog thuis woonden, laatstelijk de interventie van de huisarts begin 2025, hebben onvoldoende effect gesorteerd. Hoewel voortduring van de uithuisplaatsing ook schadelijk is voor de kinderen, acht de rechtbank het bij deze stand van zaken het meest in het belang van de kinderen dat hun verblijf in de gezinshuizen wordt gecontinueerd. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] dan ook voor de gevraagde duur.
Het verzoek van de GI om gedeeltelijke gezagsuitoefening voor het laten opnemen van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , wordt daarentegen afgewezen. De rechtbank begrijpt de meerwaarde van een klinische opname zoals wordt voorgesteld, maar acht deze in dit geval te ingrijpend en naar verwachting te schadelijk voor de kinderen gelet op het volgende. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn sinds maart 2025 uit huis geplaatst, wat heel heftig is geweest voor de kinderen. Eerst verbleven de kinderen in een netwerkgezin in de buurt. Vrij snel na de plaatsing bleek dat niet goed te gaan omdat zij elkaar beïnvloeden en zich gingen verzetten tegen hun verblijf daar. Daarom zijn de kinderen uit huis geplaatst in de huidige, verschillende gezinshuizen, wat ook weer heftig is geweest. De kinderen hebben hierdoor, vlak voor het einde van het schooljaar, ook van school moeten wisselen. Dat heeft veel impact op hen gehad. Waar de schoolgang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tot de uithuisplaatsing – ondanks het vele schoolverzuim vanwege ziekte en doktersafspraken – redelijk ging, is dat na de uithuisplaatsing en schoolwissel achteruitgegaan. De kinderen hebben dus een zeer onrustige periode achter de rug. Daarnaast is bij de kinderen weerstand tegen de al genomen maatregelen en de voortduring van de uithuisplaatsing en verzetten zij zich tegen de klinische opname. Het succes van de opname en de behandeling lijkt echter in grote mate samen te hangen met de instemming en de medewerking van de kinderen en de (emotionele) toestemming van de ouders aan de kinderen, zoals ook door [deskundige] – als deskundige ingeschakeld door de ouders – en de huisarts naar voren is gebracht. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat een klinische opname volgens de GI in dit geval langer dan gebruikelijk zal duren, namelijk zes tot acht weken per kind, opeenvolgend, vanwege de verwachte weerstand van de kinderen. In die periode zullen de kinderen weinig tot geen contact hebben met de ouders. Een klinische opname in een situatie als deze waar al zoveel strijd en wantrouwen is, acht de rechtbank niet proportioneel en niet in het belang van de kinderen, temeer omdat onduidelijk is of de opname het gewenste effect zal sorteren. De rechtbank acht het in belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] om vanuit een situatie van rust, duidelijkheid en veiligheid te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Net als voor [de minderjarige 1] , ziet de rechtbank ook voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] voldoende mogelijkheden om te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling (en het wegnemen van de forse zorgen die er zijn) zonder dat daadwerkelijk door de GI zelf is vastgesteld dat sprake is van kindermishandeling door falsificatie. Daarbij betrekt de rechtbank dat al veel medische informatie over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en het gedrag van de moeder bekend is. Het verzoek van de GI tot gedeeltelijke gezagsuitoefening wordt dan ook afgewezen.
De aankomende periode ligt het op de weg van de ouders om de samenwerking met de GI op te zoeken en zich in te zetten voor de voor hen noodzakelijke (psychiatrische) diagnostiek, behandeling en/of hulpverlening, dit in het belang van de kinderen. Voor de kinderen is het belangrijk dat zij ruimte ervaren om weer volledig kind te zijn en los te komen van de klachten die zij ervaren. Zij lijken al positieve stappen hierin te zetten volgens de waarnemingen in de gezinshuizen, al zijn die positieve stappen pril. De rechtbank geeft de GI, die in de ogen van de rechtbank de belangen van de kinderen telkens goed voor ogen heeft gehouden en telkens zorgvuldig heeft gehandeld, daartoe mee om blijvend te bekijken wat de ouders en de kinderen nu en in de toekomst nodig hebben en daarnaast of, en zo ja, welke mogelijkheden, en onder welke voorwaarden, voor de thuisplaatsing van de kinderen bestaan.
Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator
Nu het verzoek van de GI strekkende tot gedeeltelijke gezagsuitoefening met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt afgewezen en de GI het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een medische behandeling ter zitting heeft ingetrokken, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen, zoals (voorwaardelijk) is verzocht namens de ouders.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing
De wet geeft de GI de bevoegdheid om, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de kinderen, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouders en de kinderen te beperken.
2 Deze beslissing van de GI wordt gelijkgesteld aan een schriftelijke aanwijzing, waarvan de ouders vervallenverklaring kunnen verzoeken.
3
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de ouders kunnen
worden ontvangen in hun verzoek. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend, nu het verzoek van de ouders binnen twee weken na de dag waarop de beslissing aan de ouders is verzonden of uitgereikt bij de rechtbank is ingediend.
Voor de inhoudelijke beoordeling van het verzoek is van belang dat de schriftelijke aanwijzing valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht, zodat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Dat betekent concreet dat de rechtbank moet beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (bijvoorbeeld het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel) in acht zijn genomen en of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Bij de beoordeling daarvan houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden ten tijde van de beslissing, maar ook met gewijzigde omstandigheden.
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting is de rechtbank van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing en de voorbereiding hiervan voldoen aan de eisen die de wet hieraan stelt en ook inhoudelijk niet onbegrijpelijk is. Gelet op de ernstige zorgen en de aard van de problematiek, heeft de GI in redelijkheid en op gerechtvaardigde gronden tot de beslissing tot het beperken van het contact tussen de kinderen en de ouders kunnen komen. Anders dan door de ouders is betoogd, heeft de GI in de schriftelijke aanwijzing voldoende onderbouwd waarom zij deze beslissing heeft genomen en welke belangenafweging daarbij een rol heeft gespeeld. Dat de veiligheid van de kinderen in dit geval zwaarder weegt, is geenszins onbegrijpelijk en de beslissing is dan ook (op dit moment) evenredig. Vanwege het ernstige vermoeden van kindermishandeling door falsificatie, staan de nadelige gevolgen van het beperken van het contact tussen de kinderen en de ouders in verhouding met het doel van de beslissing, te weten de kinderen los van de gezinsdynamiek de kans bieden om zich als individu verder te ontwikkelen en zowel lichamelijk als mentaal te herstellen.
Ten aanzien van de procedure met zaaknummer C/15/365036 / JU RK 25/649
Gelet op de opdracht van de rechtbank aan het NIFP in de beschikking van 3 juni 2025 en de schriftelijke reactie van het NIFP van 17 juli 2025, in het licht bezien van de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in gezinsgerichte voorzieningen (gezinshuizen), wordt de procedure met zaaknummer C/15/365036 / JU RK 25/649 als afgesloten beschouwd.
8De beslissing
De rechtbank:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3], in gezinsgerichte voorzieningen (gezinshuizen), met ingang van 2 oktober 2025 tot 6 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het door de GI en de ouders meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok (voorzitter), mr. M.C.A. Onderwater en mr. A.K. Mireku, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
