Essentie (gemaakt door AI)
Kinderen zijn uithuisgeplaatst wegens ernstige vermoedens van kindermishandeling door falsificatie (Münchhausen by proxy). Aan de orde is verlenging van de machtiging. Kinderrechter hoort een kinder- en vertrouwensarts van Veilig Thuis, zet haar rol en bevindingen uiteen en benadrukt noodzaak van nader (klinisch en psychiatrisch) onderzoek. Zorgen blijven onverminderd. Zaak wordt wegens complexiteit verwezen naar meervoudige kamer; machtiging wordt kort verlengd tot 2 oktober. Overige verzoeken (o.a. gezag/toestemming medische behandeling en contra-expertise) op zNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-08-2026 |
| Zaaknummer | C/15/365036 / JU RK 25/649 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De kinderen zijn uithuisgeplaatst vanwege vermoedens van kindermishandeling door falsificatie (münchhausen by proxy). Nu aan de orde is het (aangehouden) verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De kinderrechter hoort op zitting een kinder- en vertrouwensarts bij Veilig Thuis, zet de bevindingen uiteen en neemt deze mee in de beoordeling van het verzoek. De kinderrechter stelt vast dat de zorgen over de kinderen en de vermoedens van kindermishandeling door falsificatie nog onverminderd aanwezig zijn. Op korte termijn moet daarom duidelijkheid komen over de aanwezige mogelijkheden voor onderzoek naar de verdenking en de situatie van de kinderen. De kinderrechter constateert dat de zaak complex is en ook steeds complexer wordt en verwijst de zaak door naar de zitting van meervoudige kamer van de rechtbank. Vanwege de omstandigheid dat er voor de afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing geen zittingscapaciteit is, wordt de machtiging kortdurend verlengd. De kinderrechter overweegt dat de resterende verzoeken van de GI om uithuisplaatsing (en de verzoeken dan wel verweren die in dat kader zijn gedaan), het verzoek van de GI over gedeeltelijke gezagbepaling/vervangende toestemming medische behandeling alsook het door de advocaat van de ouders ingediende verzoek tot vervallenverklaring van de aan hen gegeven contactbeperking (schriftelijke aanwijzing) op de nieuwe zitting zullen worden behandeld.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers:
C/15/365036 / JU RK 25/649
C/15/366657 / JU RK 25/887
C/15/366784 / JU RK 25/895
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (aangehouden) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
en
[de minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat van de ouders: mr. J.H. Weermeijer-Patist, kantoorhoudende in Oegstgeest.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd in Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
en
[kinder- en vertrouwensarts] ,
kinder- en vertrouwensarts bij Veilig Thuis [provincie] alsmede gedetacheerd aan de GI ter ondersteuning op medisch gebied,
hierna te noemen: [kinder- en vertrouwensarts] .
1Het verdere verloop van de procedures
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de beschikking van de kinderrechter van 3 juni 2025 over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen en de daarin genoemde stukken;
-
de (spoed)beschikking van de kinderrechter van 26 juni 2025 over de spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de daarin genoemde stukken;
-
de (spoed)beschikking van de kinderrechter van 27 juni 2025 over de spoedhuisplaatsing van [de minderjarige 3] en het daarin genoemde stuk;
-
de beschikking van de kinderrechter van 3 juli 2025 over de (spoed)uithuisplaatsing van de kinderen en de daarin genoemde stukken;
-
de brief van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna te noemen: NIFP) van 17 juli 2025;
-
de e-mailberichten van de advocaat van de ouders (met bijlagen) van 24 juli 2025, 11 augustus 2025 en 13 augustus 2025;
-
het verweerschrift met bijlagen van de advocaat van de ouders van 13 augustus 2025;
-
de brief met bijlagen en meerdere nadere stukken van de GI van 12 augustus 2025;
-
het bericht met bijlagen van de advocaat van de ouders van 19 augustus 2025.
Op 20 augustus 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
-
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (jeugdbeschermer) en [vertegenwoordiger van de GI] (jurist);
-
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
-
[kinder- en vertrouwensarts] .
De kinderrechter heeft aan [vertrouwenspersoon] , vertrouwenspersoon van de ouders, bijzondere toegang tot de zitting verleend. Zij is op verzoek van de ouders als toehoorder aanwezig geweest.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] uitgenodigd voor een gesprek op de rechtbank. De kinderen hebben voorafgaand aan de zitting afzonderlijk van elkaar aan de kinderrechter verteld hoe het met hen gaat en wat zij van het verzoek van de GI vinden.
2De beschikkingen van 3 juni 2025 en 3 juli 2025
De beschikking van 3 juni 2025
De kinderrechter heeft in haar beschikking van 3 juni 2025 geconcludeerd dat de kinderen in hun ontwikkeling werden bedreigd, vanwege de ernstige verdenking van kindermishandeling door falsificatie. De kinderrechter stelde enerzijds vast dat uit het onderzoek van de Raad meer zorgelijke informatie naar voren was gekomen, die paste bij de verdenking. Anderzijds was de kinderrechter zich ervan bewust dat het ging om een ernstige verdenking, waarvan nog niet was vastgesteld dan wel uitgesloten dat sprake was van kindermishandeling door falsificatie. Om uitsluitsel te verkrijgen over de wijze zoals door de Raad geschetst, heeft de kinderrechter een door het NIFP aan te wijzen deskundige benoemd en de volgende vragen aan de deskundige voorgelegd:
- In hoeverre bevestigt dan wel ontkracht uw onderzoek de bestaande verdenking van kindermishandeling door falsificatie door de moeder?
- Beschikt de moeder over voldoende pedagogische vaardigheden om toe te kunnen werken naar een thuisplaatsing van de minderjarigen en sluiten deze vaardigheden aan bij hetgeen de minderjarigen nu en in de toekomst nodig hebben?
- Wat zijn de (contra)indicaties voor een thuisplaatsing bij de ouders? Wat zijn (contra)indicaties voor opvoeding en verzorging van de minderjarigen door de moeder? In hoeverre wordt thuisplaatsing bij de ouders in het belang van de minderjarigen geacht en wat dient er voorafgaand aan een thuisplaatsing te gebeuren om de eventuele risico’s voldoende weg te nemen?
- Indien tot thuisplaatsing bij de ouders wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hiertegenover dienen op te stellen c.q. hiervan kunnen profiteren?
- In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn voor de te nemen beslissingen?
In de gegeven omstandigheden was de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van de kinderen gelet op de bestaande risico’s en in verband met het nodige onderzoek nog steeds noodzakelijk was. De kinderrechter heeft zodoende de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin verleend tot 6 december 2025, de deskundige verzocht uiterlijk op 1 oktober 2025 zijn/haar rapport aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting in november 2025.
De beschikking van 3 juli 2025
De kinderrechter heeft in de beschikking van 3 juli 2025 overwogen dat de uithuisplaatsing van de kinderen nog steeds noodzakelijk en gerechtvaardigd was, gelet op de serieuze aanwijzingen van kindermishandeling door falsificatie, de daarmee gepaard gaande risico’s en het nodige onderzoek. Bij die stand van zaken zag de kinderrechter (nog) geen mogelijkheden om de kinderen terug te plaatsen bij de ouders dan wel binnen het netwerk van de ouders. Daarvoor zou eerst goed onderzocht moeten worden wat er speelt binnen het gezin en wat nodig is voor de terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. In de gegeven omstandigheden zag de kinderrechter echter wel aanleiding om eind augustus 2025 een toetsmoment te houden, mede door de kwetsbaarheid van de kinderen en de grote impact van de beslissingen op het gezin. Zodoende heeft de kinderrechter de maatregel voor zes weken verleend en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting op 20 augustus 2025.
3De nadere standpunten
De GI
De GI heeft de kinderrechter in haar brief van dan wel de ingediende stukken op 12 augustus 2025 en ter zitting – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt geïnformeerd. De GI handhaaft het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tot de einddatum van de lopende ondertoezichtstelling. In dit stadium is er nog altijd sprake van een ernstig vermoeden van kindermishandeling door falsificatie, waarvan vooropgesteld moet worden dat noch strafrechtelijk onderzoek, noch ander onderzoek heeft uitgewezen dat sprake is van kindermishandeling door falsificatie. De GI kan echter niet voorbijgaan aan de aannemelijke mogelijkheid dat de kinderen in de thuisomgeving bij de ouders zijn geconfronteerd en blootgesteld aan kindermishandeling door falsificatie en bedreiging van hun ontwikkeling op zowel cognitief, sociaal-emotioneel als lichamelijk gebied. De ernstige zorgen over de kinderen en hun ontwikkeling rechtvaardigen grondig onderzoek waaruit duidelijk zal moeten worden wat in het gezin speelt en of de terugplaatsing van de kinderen (gezamenlijk of afzonderlijk) op termijn aan de orde is. Op dit moment moet de conclusie echter nog worden getrokken dat een langdurige verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen recht doet aan de ernst van de situatie, alsmede voldoende tijd biedt om herstel en gedragsverandering op gang te brengen. Daarbij is van belang dat de GI moeilijkheden ondervindt in de samenwerking met de ouders, welke het onderzoek niet bevorderen.
Over de inzet van [kinder- en vertrouwensarts] heeft de GI ter zitting toegelicht dat [kinder- en vertrouwensarts] in eerste instantie op afstand heeft geadviseerd, op basis van stukken en mondelinge informatie die zij kreeg tijdens overleggen. De GI achtte het vanwege de complexiteit van de vermoedelijke problematiek en het verweer van de ouders dat zij nooit gehoord zijn, geboden om [kinder- en vertrouwensarts] een grotere rol te geven. Deze grotere rol houdt onder meer in dat zij ook gesprekken met de ouders voert en eigen onderzoek verricht, zodat zij gerichter kan adviseren en de ouders zich meer gehoord en gezien voelen. Detachering bij de GI was de enige mogelijkheid om haar in te kunnen zetten.
De ouders
De advocaat van de ouders heeft in zijn brief van 13 augustus 2025 schriftelijk en ter zitting mondeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Namens de ouders verzoekt de advocaat:
-
primair het verzoek van de GI om de uithuisplaatsing van de kinderen tot het einde van de ondertoezichtstelling uit te spreken, af te wijzen, dan wel het verzoek van de GI om de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] tot het einde van de ondertoezichtstelling uit te spreken, af te wijzen, waarbij voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wordt toegewerkt naar de terugplaatsing bij de ouders;
-
subsidiair het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de kinderen uit te spreken voor kortere duur, alsmede op grond van artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een contra-expertise te laten verrichten (door kinderpsychiater [kinderpsychiater] dan wel een andere door de rechtbank te benoemen deskundige).
De ouders verzetten zich tegen de uithuisplaatsing van de kinderen en stellen daartoe in de kern dat er geen grond bestaat voor het langer voortduren van de maatregel. De verdenkingen van kindermishandeling door falsificatie zijn gebaseerd op een tunnelvisie en subjectieve aannames, zonder de noodzakelijke feitelijke onderbouwing of deugdelijk onderzoek. Nog afgezien daarvan zijn er kritische kanttekeningen te plaatsen bij de gestelde deskundigheid en onafhankelijkheid van [kinder- en vertrouwensarts] , mede in het licht bezien van haar (adviserende) rol in het vooronderzoek door Veilig Thuis, de huidige betrokkenheid als kinder- en vertrouwensarts bij de GI en de feitelijke omstandigheid dat de ouders part noch deel hebben gehad in het onderzoek naar de verdenking. Zij wijzen er daartoe op dat het ingrijpen van de GI overwegend is gebaseerd op de bevindingen van diverse professionals, waaronder [kinder- en vertrouwensarts] , in de hoedanigheid van ‘Landelijk Expert Kindermishandeling door Falsificatie’. De kinderrechter heeft – in de visie van de ouders – terecht een NIFP-onderzoek bevolen. Dit onderzoek heeft tot grote spijt van de ouders niet plaatsgevonden, als gevolg waarvan een vicieuze cirkel is ontstaan. Er valt niet te verwachten dat een (ander) onderzoek, mogelijk in de vorm van een klinische opname van in ieder geval [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , binnen afzienbare tijd zal zijn afgerond. Op het desbetreffende verzoek van de GI is door de rechtbank ook (nog) niet beslist. Evenmin is de ouders door het laten verrichten van een contra-expertise de mogelijkheid geboden de wijze van het voorgenomen onderzoek (de klinische opname) en de daaruit voorvloeiende bevindingen te toetsen aan de stand der wetenschappen. Vooralsnog moet worden geconcludeerd dat de GI steevast blijft handelen op het onbevestigde, eenzijdige vermoeden van kindermishandeling door falsificatie, waarbij voorbij wordt gegaan aan de buitengewoon zwaarwegende omstandigheden die het handelen zouden moeten rechtvaardigen. Dit geldt temeer nu de kinderen door de uithuisplaatsing aanzienlijke schade oplopen, wat in de gegeven omstandigheden niet (langer) is gerechtvaardigd.
De Raad
De Raad heeft zich ter zitting geschaard achter het verzoek van de GI, vooralsnog ook ten aanzien van [de minderjarige 1] . De Raad acht het wel van belang dat voor [de minderjarige 1] wordt onderzocht of de machtiging uithuisplaatsing in haar geval (nog) noodzakelijk is en welke mogelijkheden voor haar terugplaatsing, in overleg en met een goed plan, realiseerbaar en in haar belang zijn.
[kinder- en vertrouwensarts]
Op de vragen van de kinderrechter, de GI en de advocaat van de ouders heeft [kinder- en vertrouwensarts] ter zitting gerespondeerd. Hieruit blijkt – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende:
Rol, deskundig- en onafhankelijkheid
[kinder- en vertrouwensarts] is in dienst bij Veilig Thuis [plaats] als kinder- en vertrouwensarts. Zij heeft in Nederland de meeste expertise op het gebied van kindermishandeling door falsificatie, heeft bijgedragen aan een groot aantal onderzoeken op dit gebied en meegeschreven aan de richtlijn Kindermishandeling door Falsificatie. Daarnaast is [kinder- en vertrouwensarts] door de Nationale Politie getoetst als gerechtelijk deskundige. Naast de hiervoor genoemde werkzaamheden is [kinder- en vertrouwensarts] sinds 15 augustus 2025 op basis van een detacheringsovereenkomst aangesteld bij de GI, met als opdracht het verlenen van ondersteuning bij de voorliggende casuïstiek. Hoewel sprake is van een gezagsverhouding, vormt dit volgens [kinder- en vertrouwensarts] geen beletsel voor haar onafhankelijkheid. Zij acht zichzelf onpartijdig, heeft geen inhoudelijk belang bij de zaak en staat – met de ouders – voor een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek, waarbij alle kanten worden belicht, zo ook hun kant.
Positie in het vooronderzoektraject
De richtlijn Kindermishandeling door Falsificatie schrijft voor dat bij een vermoeden van kindermishandeling door falsificatie een tweede vertrouwensarts wordt betrokken, met als doel het behouden van een objectieve beoordeling en het voorkomen van tunnelvisie bij de betrokken professionals. Deze vertrouwensarts denkt mee met de professionals rondom het gezin en voorziet van advies op basis van de door de professionals aan de vertrouwensarts voorgelegde geanonimiseerde casus. In het onderhavige geval is [kinder- en vertrouwensarts] als tweede vertrouwensarts in het vooronderzoektraject betrokken bij het onderzoek van Veilig Thuis Noord-Holland Noord, voor het eerst in februari 2025. [kinder- en vertrouwensarts] heeft deelgenomen aan overleggen met betrokken professionals, waaronder de Raad, de GI, medisch specialisten en (vertrouwens)artsen, meegedacht met de casuïstiek en geadviseerd op grond van de overgelegde (anonieme) stukken en hetgeen de professionals naar voren hebben gebracht, voor het laatst tijdens het overleg op 4 april 2025. [kinder- en vertrouwensarts] heeft na het overleg in april 2025 op basis van onderzoeken naar kindermishandeling door falsificatie en de literatuur (waaronder de richtlijn), op vragen van professionals in zijn algemeenheid aangegeven dat bij een vermoeden van kindermishandeling door falsificatie de onderlinge beïnvloeding groot wordt geacht. Daarom wordt bij een vermoeden van kindermishandeling door falsificatie gestreefd naar het wegnemen van de onderlinge beïnvloeding en het bevorderen van de individuele ontwikkeling van kinderen. In het licht bezien daarvan en het verkrijgen van een objectief beeld van de problematiek en de (eventuele) mogelijkheden voor terugplaatsing, wordt in zijn algemeenheid van belang geacht dat kinderen die vermoedelijk slachtoffer zijn van kindermishandeling door falsificatie onmiddellijk worden geplaatst in een revalidatie setting, ziekenhuis of “gezond” pleeggezin. Vervolgens kan worden toegekomen aan een (mogelijk) psychiatrische diagnose bij de ouder(s).
Bevindingen
Er bestaan volgens [kinder- en vertrouwensarts] zeer sterke vermoedens dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] worden benadeeld in hun ontwikkeling en gezondheid, doordat zij veelvuldig worden blootgesteld aan ingrepen, onderzoeken, doktoren, specialisten en beperkingen in hun leven. De diagnose van kindermishandeling door falsificatie wordt enerzijds gesteld door het vaststellen van patronen van falsificatie door medisch dossieronderzoek naar de presentatie van het kind in het medische circuit, de ingezette medische behandelingen en de (hoeveelheid) betrokken hulpverlening. Anderzijds wordt de diagnose gesteld door separatie en objectieve (klinische) observatie van het kind. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] lijken lichamelijk klachten te ervaren, waarvoor een medische diagnose op basis van objectieve bevindingen ontbreekt. Om duidelijkheid te verkrijgen over de fysieke en medische gesteldheid, de belasting en belastbaarheid van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en het (waar mogelijk) duiden van hun gepresenteerde medische klachten, is een klinische opname noodzakelijk. Zo zal onder meer inzichtelijk moeten worden waar de pijnklachten in de voeten van [de minderjarige 2] uit voortkomen en of operatief ingrijpen passend is. Ten aanzien van [de minderjarige 3] moet duidelijk worden of sprake is van longschade, en zo ja, in hoeverre daardoor sprake is van een verminderde belastbaarheid. Voor zowel [de minderjarige 2] als [de minderjarige 3] zal tijdens de klinische opname moeten worden bekeken in hoeverre het opbouwen van de conditie zal leiden tot een verbetering van de situatie, vooral nu de kinderen tijdens de klinische revalidatieopname in De Hoogstraat en tijdens de huidige plaatsingen in de gezinshuizen minder pijnklachten (lijken te) ervaren. [de minderjarige 1] groeit weliswaar op in dezelfde situatie als [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] en is onderdeel van het patroon, maar lijkt in minder mate te kampen met gezondheidsklachten. Wel bestaan er zorgen over de aanwezigheid van een Autisme Spectrum Stoornis (ASS). In de gegeven omstandigheden zijn er mogelijkheden voor een veilige terugkeer naar de ouders, mits afspraken met de huisarts worden gemaakt over het doorverwijzen naar medische professionals en [de minderjarige 1] een structurele dagbesteding heeft. Daarbij is door [kinder- en vertrouwensarts] wel gewezen op het reële risico dat problematiek binnen het gezin zal verplaatsen naar [de minderjarige 1] , mede vanwege de afwezigheid van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
4De mening van de kinderen
De kinderen hebben voorafgaand aan de zitting afzonderlijk van elkaar met de kinderrechter gesproken. Tijdens het gesprek hebben de kinderen aangegeven zich te verzetten tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderen willen graag naar huis. Ze vinden het onrechtvaardig wat over hun ouders wordt gezegd.
5De verdere beoordeling door de kinderrechter
De kinderrechter ziet zich opnieuw voor de vraag gesteld of het voortduren van de uithuisplaatsing van kinderen nog gerechtvaardigd is. Ook nu beantwoordt de kinderrechter deze vraag bevestigend. Daartoe is het volgende redengevend.
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de kinderrechter vast dat de zorgen over de kinderen en de vermoedens van kindermishandeling door falsificatie, zoals deze blijken uit de beschikkingen van 3 juni 2025 en 3 juli 2025, nog onverminderd aanwezig zijn. Op dit moment ziet de kinderrechter geen aanleiding om af te wijken van de overwegingen die de verdenking van kindermishandeling door falsificatie dragen. Gelet op de sterke vermoedens en de zorgen over (het veilig opgroeien van) de kinderen, is het noodzakelijk dat op korte termijn onderzoek naar de kinderen en de patronen in het gezin plaatsvindt. De kinderrechter heeft (daarom) het NIFP in juni 2025 de opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar – kortgezegd – de bestaande verdenking van kindermishandeling door falsificatie, de mogelijkheden voor terugplaatsing van de kinderen bij de ouders en de opvoedvaardigheden van de moeder. In de brief van 17 juli 2025 heeft het NIFP de rechtbank bericht dat zij niet over de juiste expertise beschikken voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van kindermishandeling door falsificatie door de moeder. In het licht bezien van die omstandigheid heeft het NIFP het beantwoorden van de door de kinderrechter nader gestelde vragen (zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.1.) inhoudelijk niet goed mogelijk, dan wel zinvol, geacht. De kinderrechter vindt het behoorlijk spijtig dat de opdracht aan het NIFP niet heeft geleid tot nader onderzoek en de gezochte duidelijkheid. Dat betekent dat keuzes en het ingrijpen van de GI vooralsnog zijn gebaseerd op de adviezen van professionals, waaronder [kinder- en vertrouwensarts] , en de uitkomst van het multidisciplinair overleg waar [kinder- en vertrouwensarts] ook bij aanwezig was, terwijl het noodzakelijk onderzoek voor het uitsluiten dan wel vaststellen van het vermoeden van kindermishandeling door falsificatie nog plaats moet vinden. De kinderrechter acht het van groot en noodzakelijk belang dat op korte termijn duidelijkheid komt over de mogelijkheden voor onderzoek naar de verdenking én/of de situatie van de kinderen. Daartoe heeft de kinderrechter [kinder- en vertrouwensarts] op de zitting gehoord, waarbij zij duidelijkheid heeft verschaft over kindermishandeling door falsificatie, de mogelijkheden tot nader onderzoek en haar rol. [kinder- en vertrouwensarts] heeft naar voren heeft gebracht dat een diagnose van kindermishandeling door falsificatie enerzijds wordt gesteld door medische dossierstudie, waarin het weerleggen of vaststellen van de patronen vooropstaat, anderzijds wordt de diagnose gesteld met de informatie vanuit een (klinische) observatie of separatie van het kind. Bij het uitsluiten dan wel vaststellen van kindermishandeling door falsificatie is daarnaast psychiatrisch diagnostiek van de ouders als onderzoek naar de onderliggende psychodynamische patronen van noodzakelijk belang.
De kinderrechter heeft op de zitting vastgesteld dat de ouders zich verzetten tegen de door de GI (op basis van de adviezen van [kinder- en vertrouwensarts] ) noodzakelijk geachte klinische opname van de kinderen en het psychiatrisch diagnostisch onderzoek van henzelf. Om die reden heeft de GI de rechtbank verzocht gedeeltelijk met het gezag over de kinderen te worden belast, subsidiair toestemming te verlenen voor een medische behandeling. Voornoemd verzoek is vanwege het late moment van indienen en het daaropvolgende verzet van de ouders, niet meegenomen en beoordeeld op de zitting van 20 augustus 2025. Voor de beoordeling van de noodzaak tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing acht de kinderrechter de beslissing op het verzoek van groot belang. Daarbij komt dat de onderhavige zaken complex waren en ook steeds complexer worden, niet alleen vanwege de vertraging in het onderzoek naar kindermishandeling door falsificatie, de weerstand van de ouders en de kinderen tegen de maatregelen, maar onder meer ook gelet op de verzoeken en de verweren die de ouders hebben gedaan dan wel naar voren hebben gebracht, zoals het verzoek om een contra-expertise. Bij deze stand van zaken ziet de kinderechter aanleiding om de zaak voor behandeling te verwijzen naar de zitting van de meervoudige kamer (drie rechters) van deze rechtbank van 16 september 2025. Vanwege de omstandigheid dat er voor de afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing geen zittingscapaciteit is, zal de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen worden verlengd tot 2 oktober 2025. Op de zitting van 16 september 2025 zullen de resterende verzoeken om uithuisplaatsing van de GI (en de verzoeken dan wel verweren die in dat kader zijn gedaan), het verzoek van de GI over gedeeltelijke gezagbepaling/vervangende toestemming medische behandeling alsook het door de advocaat van de ouders ingediende verzoek tot vervallenverklaring van de aan hen gegeven contactbeperking (schriftelijke aanwijzing) worden behandeld.
De kinderrechter geeft de GI daartoe mee om in het bijzonder ten aanzien van [de minderjarige 1] de input van [kinder- en vertrouwensarts] ter zitting mee te nemen en te onderzoeken of, en zo ja, welke mogelijkheden bestaan voor haar terugplaatsing (waar mogelijk op korte termijn).
De kinderrechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3], in gezinsgerichte voorzieningen (gezinshuizen) voor de periode van vier weken, dus tot 2 oktober 2025, en houdt de beslissingen op de resterende verzoeken voor het overige aan;
verwijst de zaak naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en bepaalt dat de mondelinge behandeling van de resterende verzoeken plaatsvindt op
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep van de GI en de ouders (alsmede hun advocaat) voor de mondelinge behandeling.
|
Deze beschikking is (verkort) gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier, en op 4 september 2025 uitgewerkt. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
