Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin vereffenaars van de nalatenschap van erflaatster waardeloosverklaring van een in 1958 ingeschreven hypotheekrecht vorderen ex art. 3:29 BW jo. art. 3:274 BW. Vereffenaars zijn onmiddellijk belanghebbende. Gedaagde is overleden; medeoproeping van niet-ingeschreven rechtverkrijgenden is rechtsgeldig via openbare oproeping conform art. 54 Rv. Lening is afgelost dan wel vordering verjaard (art. 3:323 BW), zodat het hypotheekrecht is tenietgegaan. Inschrijving wordt waardeloos verklaard. Geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-08-2026 |
| Zaaknummer | C/10/723073 / KG ZA 26-718 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Vereffening nalatenschap; Familieprocesrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Waardeloosverklaring van een hypotheekrecht ex artikel 3:29 BW. Toewijzing. Verstek verleend tegen gedaagden sub 2. De partij die in beginsel tot afgifte van die verklaring verplicht is, is overleden. Wie een overleden persoon (of een ontbonden rechtspersoon) dagvaardt, wordt normaal gesproken niet-ontvankelijk verklaard. Dat ligt in dit geval anders. In de eerste plaats omdat de vereffenaars niets vorderen van gedaagde sub 1. In de tweede plaats omdat met het dagvaarden van (de overleden) gedaagde sub 1 van rechtswege ook al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving in de registers hebben genomen zijn gedagvaard (gedaagden sub 2) (zie artikel 3:29 lid 1 BW) . Daarvoor is wel vereist dat de oproeping voor deze procedure is geschied overeenkomstig de regels betreffende een gedaagde zonder bekende woon- en verblijfplaats. Dat is in dit geval gebeurd. De oproeping heeft openbaar plaatsgevonden (conform artikel 54 Rv) , waarbij uitdrukkelijk ook de rechtverkrijgenden van gedaagde sub 1 zijn opgeroepen. Hiermee hebben de vereffenaars zich voldoende ingespannen om ervoor te zorgen dat die rechtverkrijgenden gelegenheid hadden in deze procedure te verschijnen. De rechtverkrijgenden van gedaagde sub 1 zijn aldus rechtsgeldig in dit geding betrokken. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen beletsel om deze zaak in kort geding te behandelen (anders dan opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 3 (Boek 3), p. 151).Volledige uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723073 / KG ZA 26-718
Vonnis in kort geding van 25 augustus 2026
in de zaak van
[eiser 1] en [eiser 2],
in hun hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van wijlen [erflaatster] ,
(voorheen) wonend te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. K.G.J. Boddaert,
tegen
1wijlen [gedaagde]
(voorheen) wonend te [woonplaats 2] ,
2. en al diens rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen als bedoeld in artikel 3:29 BW,
gedaagde partijen,
niet verschenen.
Partijen worden hierna de vereffenaars, [gedaagde] en de mogelijke rechtverkrijgenden genoemd.
1De zaak in het kort
Deze zaak gaat om het verkrijgen van een verklaring van waardeloosheid van een nog ingeschreven hypotheekrecht. De partij die in beginsel tot afgifte van die verklaring verplicht is, is overleden. Hij kan die verklaring dus niet meer geven. De vereffenaars vorderen om die reden dat de voorzieningenrechter de inschrijving waardeloos verklaart. De gevorderde verklaring wordt afgegeven.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 14 juli 2026 met 10 bijlagen;
-
de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026.
3Relevante feiten
Op 31 december 1958 heeft wijlen [gedaagde] aan wijlen [persoon A] een geldlening verstrekt van f 25.000,00.
Op dezelfde dag is ten behoeve van [gedaagde] ten aanzien van een perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] een hypotheekrecht ingeschreven in het kadaster in register Hyp3, deel [nummer 1] (hierna: het perceel).
Deze lening was per 31 december 1963 opeisbaar.
[persoon A] is overleden op [datum 1] 1964. Het perceel is toegedeeld aan erflaatster, [erflaatster] .
[gedaagde] is overleden op [datum 2] 1970.
[erflaatster] is overleden op [datum 3] 2000. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2019 zijn de vereffenaars als zodanig benoemd.
Het hiervoor genoemde hypotheekrecht staat nog ingeschreven in het kadaster op naam van [gedaagde] .
In het kader van de vereffening van de nalatenschap van erflaatster hebben de vereffenaars het perceel verkocht aan de [gemeente] (de gemeente). Levering van het perceel wordt verhinderd door de inschrijving van het hypotheekrecht.
4De beoordeling
Het toetsingskader in kort gedingArtikel 3:274 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een hypotheek is tenietgegaan, de schuldeiser verplicht is om aan de rechthebbende op het bezwaarde goed, bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek is vervallen. In lid 3 van dit artikel staat dat, wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven, artikel 3:29 BW van overeenkomstige toepassing is. Artikel 3:29 lid 1 BW bepaalt dat wanneer de vereiste verklaring niet wordt afgegeven de rechtbank de inschrijving waardeloos verklaart op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. In de rechtspraak is aanvaard dat een dergelijke verklaring ook door de voorzieningenrechter in kort geding kan worden gedaan.
In deze zaak vorderen de vereffenaars dat de voorzieningenrechter die verklaring afgeeft op grond van de hiervoor genoemde artikelen.
De vereffenaars kwalificeren als belanghebbende
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeren de vereffenaars als onmiddellijk belanghebbende. De vereffenaars treden op als vereffenaar van de nalatenschap van wijlen [erflaatster] en zonder de verklaring van waardeloosheid kunnen zij hun taak in het kader van de vereffening niet uitvoeren. Zolang de hypotheek in het kadaster blijft staan, kan immers het perceel niet aan de gemeente worden geleverd en kan de nalatenschap in zoverre niet worden vereffend.
[gedaagde] is overleden, zijn eventuele rechtverkrijgenden zijn mede gedagvaard
Zoals de vereffenaars terecht aanvoeren, is hier sprake van een bijzonder geval. De gedaagde partij, [gedaagde] , is namelijk al ruimschoots voor het begin van deze procedure overleden. Wie een overleden persoon (of een ontbonden rechtspersoon) dagvaardt, wordt normaal gesproken niet-ontvankelijk verklaard. Dat ligt in dit geval anders. In de eerste plaats omdat de vereffenaars niets vorderen van [gedaagde] . In de tweede plaats omdat met het dagvaarden van (de overleden) [gedaagde] van rechtswege ook al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving in de registers hebben genomen zijn gedagvaard (zie artikel 3:29 lid 1 BW) . Daarvoor is wel vereist dat de oproeping voor deze procedure is geschied overeenkomstig de regels betreffende een gedaagde zonder bekende woon- en verblijfplaats.
1 Dat is in dit geval gebeurd. De oproeping heeft openbaar plaatsgevonden (conform artikel 54 Rv) , waarbij uitdrukkelijk ook de rechtverkrijgenden van [gedaagde] zijn opgeroepen. Hiermee hebben de vereffenaars zich voldoende ingespannen om ervoor te zorgen dat die rechtverkrijgenden gelegenheid hadden in deze procedure te verschijnen. De rechtverkrijgenden van [gedaagde] zijn aldus rechtsgeldig in dit geding betrokken. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen beletsel om deze zaak in kort geding te behandelen.
2
De onderliggende lening is tenietgegaan
De vereffenaars stellen dat de onderliggende geldlening waarvoor hypotheek is verstrekt, is tenietgegaan. De voorzieningenrechter volgt hen hierin. Hij licht dit als volgt toe.
Het ingeschreven recht van hypotheek diende tot zekerheid van terugbetaling van de geldlening van f 25.000,00 die (wijlen) [gedaagde] aan (wijlen) [persoon A] verstrekt had. Deze lening was per 31 december 1963 opeisbaar, zoals blijkt uit het overgelegde borderel van de akte van schuldbekentenis met hypotheekstelling op 31 december 1958. [persoon A] (hypotheekgever) is in [maand] 1964 overleden. Ten aanzien van zijn nalatenschap is op 4 oktober 1967 een akte van boedelbeschrijving en verdeling opgemaakt door de notaris. Daarbij is het perceel aan [erflaatster] toegedeeld. In de akte is een schuld uit de geldlening van f 25.000,00 niet opgenomen. [gedaagde] (hypotheeknemer) is overleden op [datum 2] 1970. Ook in de akte van boedelbeschrijving en verdeling van zijn nalatenschap is de vordering van f 25.000,00 niet opgenomen. Een en ander hebben de vereffenaars onderbouwd met stukken. Het is dan ook zeer aannemelijk dat de lening al is afbetaald vóór het overlijden van [persoon A] in 1964.
Bovendien stellen de vereffenaars terecht dat, als de lening niet al in 1963 was afgelost, de vordering tot terugbetaling daarvan inmiddels al geruime tijd geleden is verjaard. Die verjaring heeft tot gevolg gehad dat het hypotheekrecht teniet is gegaan (artikel 3:323 BW) . Daarom moet ervan worden uitgegaan dat er geen vordering meer bestaat waarvoor het hypotheekrecht nog als zekerheid kan dienen.
De inschrijving wordt waardeloos verklaard
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het hypotheekrecht van [gedaagde] teniet is gegaan en dat de inschrijving dus waardeloos is. Daarover bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke twijfel, gelet op de twee door de vereffenaars aangevoerde en onderbouwde argumenten. De voorzieningenrechter verklaart de inschrijving dan ook waardeloos.
De vereffenaars hebben een spoedeisend belang
De vereffenaars hebben een spoedeisend belang bij hun vordering. Dat blijkt uit het feit dat de vereffenaars het perceel hebben verkocht aan de gemeente en beide partijen bij die koopovereenkomst willen dat de levering zo snel mogelijk plaatsvindt. Uit de koopovereenkomst met de gemeente volgt dat de levering van de percelen moest plaatsvinden op uiterlijk 2 december 2024 en vrij moest zijn van beperkte rechten (en inschrijvingen daarvan). Die levering heeft tot op heden niet kunnen plaatsvinden, omdat op deze percelen nog een hypothecaire inschrijving rust. De vereffenaars kunnen pas tot levering overgaan nadat de hypothecaire inschrijving is doorgehaald. Zolang dat niet is gebeurd, kunnen zij de vereffening niet afronden. Verder hebben de vereffenaars desgevraagd toegelicht dat de leveringsdatum (in overleg met de gemeente) is aangehouden in verband met de problematiek van de hypothecaire inschrijving, maar dat de gemeente nu graag verder wil met de uitvoering van de koopovereenkomst. De gemeente is verder de enige gegadigde. Hierbij speelt een rol dat, zoals de vereffenaars hebben gesteld, rondom het perceel openbare-orde-problemen spelen.
Kracht van gewijsde
Op grond van artikel 3:29 lid 4 BW kan de verklaring van waardeloosheid die dit vonnis bevat, niet eerder worden ingeschreven dan nadat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Een vonnis gaat pas in kracht van gewijsde als er geen rechtsmiddel meer tegen open staat. De vereffenaars hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard af te zien van hun recht op hoger beroep, en dus te berusten in dit vonnis (artikel 334 Rv) . Anders dan de vereffenaars kennelijk menen, gaat dit vonnis daarmee niet direct in kracht van gewijsde. Bij dit vonnis zijn immers ook de mogelijk rechtverkrijgenden van [gedaagde] partij. Zij kunnen tegen dit vonnis verzet doen. Zo lang die mogelijkheid bestaat, gaat dit vonnis niet in kracht van gewijsde. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat hij geen aanleiding ziet voor het treffen van nadere maatregelen als bedoeld in artikel 3:29 lid 3 BW.
Ten slotte
Voor een proceskostenveroordeling, die ook niet door de vereffenaars is gevorderd, bestaat geen aanleiding.
Anders dan gevorderd, wordt dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vereffenaars hebben daarbij geen belang, omdat de verklaring van waardeloosheid toch pas kan worden ingeschreven als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
verklaart de hypothecaire inschrijving van 31 december 1958 in de openbare registers (Hyp3, deel [nummer 1] , [plaats] ) van het recht van hypotheek van [gedaagde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1877, overleden te [plaats] op [datum 2] 1970, met betrekking tot het perceel kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] , waardeloos in de zin van artikel 3:29 BW,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
4041/1980
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1114.
Anders dan opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 3 (Boek 3), p. 151.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
