Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 27-08-2026 |
| Zaaknummer | C/16/615105 / KG ZA 26-466 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Familieprocesrecht; Beslag |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/615105 / KG ZA 26-466
Vonnis in kort geding van 25 augustus 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. L. Wouters,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. M. Vleesch du Bois.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 augustus 2026 met 13 producties,
- de nagekomen productie 14 van [eisende partij] ,
- de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde partij] ,
- de mondelinge behandeling van 11 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eisende partij] ,
- de pleitnota van [gedaagde partij] .
2De kern van de zaak
Partijen zijn ex-partners van elkaar. Bij de beëindiging van hun gezamenlijke huishouding hebben partijen afgesproken dat [gedaagde partij] in de gezamenlijke woning mocht blijven wonen en dat de overwaarde van de woning met [eisende partij] zou worden verrekend in onder meer de situatie dat de woning zou worden verkocht aan een derde. In mei 2026 is de woning verkocht aan een derde en heeft de notaris de helft van de overwaarde aan [eisende partij] uitbetaald. [gedaagde partij] is het daar niet mee eens en heeft op 21 mei 2026 conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [eisende partij] . Volgens [eisende partij] is dit beslag onterecht gelegd en zij vordert in dit kort geding daarom opheffing van het gelegde beslag en betaling van een voorschot op de schadevergoeding als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen deels toe.
3De beoordeling
Het beoordelingskader
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De ondeugdelijkheid van het door [gedaagde partij] ingeroepen recht is summierlijk gebleken
De voorzieningenrechter is van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde partij] ingeroepen recht. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
Uit de relatiebeëindigingsovereenkomst van 15 februari 2012 (productie 3 bij de dagvaarding) zijn in artikel 2 afspraken gemaakt over de verrekening van de overwaarde van de woning, waar [gedaagde partij] in is blijven wonen nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit dit artikel dat er een vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] ontstaat als is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden. Ten eerste moet sprake zijn van één van de in lid d genoemde gevallen. Ten tweede moet sprake zijn van overwaarde. In lid d van artikel 2 is namelijk het volgende opgenomen waaruit dit blijkt:
“d. De verrekening van de overwaarde van het registergoed is direct opeisbaar en zal dienen te geschieden ter gelegenheid van dan wel zo spoedig mogelijk na:
-
de beëindiging van gemelde samenlevingsovereenkomst tussen de partners, aldus ook bij het aangaan van een huwelijk dan wel een geregistreerd partnerschap tussen de schuldenaar en de schuldeiser;
-
bij levering van het registergoed;
-
bij overlijden van één of beide partijen;
-
bij faillietverklaring of bij aanvraag tot surséance van betaling van de man dan wel van enige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waar de man bestuurder van is;
-
bij het op de man van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;
-
bij inbeslagneming van het geheel of een gedeelte van zijn zaken of indien hij boedelafstand doet.”
Er moet zoals uit de tekst van de relatiebeëindigingsovereenkomst blijkt voor het ontstaan van een opeisbare vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] dus sprake zijn van zowel overwaarde als een geval zoals in lid d genoemd.
Volgens [gedaagde partij] is er in 2015 al een opeisbare vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] ontstaan vanwege het faillissement van [bedrijf] B.V. Deze vordering zou gelet op de verjaringstermijn van 5 jaar verjaard zijn op 22 december 2020. Partijen zijn het er over eens dat er op het moment van het faillissement in 2015 geen sprake was van overwaarde van de woning. Omdat het bestaan van een overwaarde van het huis een cumulatieve voorwaarde is voor het ontstaan van een opeisbare vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] , stelt de voorzieningenrechter vast dat er in 2015 geen opeisbare vordering is ontstaan. Van verjaring van deze vordering in 2020 kan dan ook geen sprake.
Bovendien overweegt de voorzieningenrechter dat eerder ook door [gedaagde partij] zelf is erkend dat voor het ontstaan van een (opeisbare) vordering moet zijn voldaan aan twee voorwaarden. In de brief van mr. Leemans (de voormalige advocaat van [gedaagde partij] ) van 2 september 2019 aan mr. Splinter (de voormalige advocaat van [eisende partij] ) is namelijk het volgende opgenomen:
“Wanneer er in de toekomst al sprake zou zijn van een geplande verkoop van de woning in eigendom (eis: 1), dan nog dient de waarde in het economische verkeer van het registergoed in ieder geval hoger te zijn dan € 1.082.603,30 (eis: 2). Zulks is niet het geval. De actuele WOZ-waarde van het pand bedraagt 'slechts’ € 764.000 ,- (2019). Ergo, in dit dossier gaat het om een (negatief) verschil van € 318.603,30. Er is evident sprake van onderwaarde.” Uit dit citaat blijkt dat [gedaagde partij] er zelf ook van is uitgegaan dat ook als er aan een situatie zoals bedoeld in lid d is voldaan, er sprake moet zijn van overwaarde van de woning. Op het moment van het faillissement was er, zoals ook blijkt uit het hiervoor aangehaalde citaat, geen sprake van overwaarde, maar van onderwaarde. Hierdoor is op het moment van het faillissement geen opeisbare vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] ontstaan. [eisende partij] mocht destijds ook vertrouwen op deze uitlatingen van mr. Leemans, die aan [gedaagde partij] kunnen worden toegerekend.
[gedaagde partij] heeft de woning op 19 mei 2026 geleverd aan een derde. Daarmee is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde: namelijk een geval zoals omschreven in artikel 2 lid d van de relatiebeëindigingsovereenkomst uit 2012. Daarnaast staat niet ter discussie dat er op het moment van de levering sprake was van overwaarde van de woning, namelijk ter hoogte van € 216.396,70. Ook aan de tweede cumulatieve voorwaarde voor verrekening van de overwaarde is hiermee dus voldaan. Hierdoor is er een opeisbare vordering van [eisende partij] op [gedaagde partij] ontstaan, voortvloeiend uit de relatiebeëindigingsovereenkomst uit 2012. De notaris heeft vervolgens het bedrag van € 108.198,35, waarvoor ook een hypotheekrecht was gevestigd ten behoeve van [eisende partij] en ten laste van [gedaagde partij] , aan [eisende partij] uitgekeerd. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de notaris dit terecht heeft gedaan.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van [eisende partij]
Uit het bovenstaande volgt dat summierlijk is gebleken van de onnodigheid van het beslag, zodat het beslag moet worden opgeheven. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Uit de onnodigheid van het beslag volgt alleen al dat [gedaagde partij] onvoldoende belang heeft bij handhaving daarvan. Daarnaast geldt dat [eisende partij] in de dagvaarding maar ook tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat het gelegde beslag grote financiële gevolgen voor haar heeft. Volgens [eisende partij] is zij hierdoor niet meer in staat om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien en (financiële) verplichtingen na te komen. [eisende partij] heeft ook een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand overgelegd, waaruit blijkt dat zij onvermogend is. Volgens [gedaagde partij] blijkt niet dat [eisende partij] aantoonbaar onvermogend is en dat zij in […] een woning van substantiële waarde bezit en in […] ook pensioen ontvangt. De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij. [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het pensioen dat zij in […] ontvangt niet hoog is en dat ook de woning niet van substantiële waarde is. Gelet hierop en vooral gelet op de inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand, vindt de voorzieningenrechter het aannemelijk dat [eisende partij] onvermogend is en het (onterecht) gelegde beslag grote financiële gevolgen voor haar heeft. Daarnaast heeft de beslaglegging gevolgen voor de fysieke en emotionele gesteldheid van [eisende partij] . De voorzieningenrechter acht het gelegde beslag hierdoor onredelijk bezwarend voor [eisende partij] ten opzichte van [gedaagde partij] .
Conclusie: het beslag wordt opgeheven
De voorzieningenrechter heft gelet op het voorgaande het op 21 mei 2026 ten laste van [eisende partij] gelegde beslag onder ASN Bank N.V. op.
Er wordt een voorschot op de schadevergoeding toegewezen
Nu het beslag onterecht is gelegd door [gedaagde partij] , heeft hij onrechtmatig gehandeld richting [eisende partij] . [gedaagde partij] is daarom gehouden de schade te vergoeden die hierdoor is veroorzaakt. [eisende partij] vordert een voorschot op de door haar als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag geleden en nog te lijden schade. Zij begroot de schade op in totaal € 35.074,95. De voorzieningenrechter wijst een deel hiervan toe. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Ten eerste heeft [eisende partij] kosten moeten maken doordat zij € 70,- aan de bank moest voldoen vanwege het gelegde beslag op haar bankrekening. Dit is als zodanig niet betwist door [gedaagde partij] . De kosten staan ook in direct verband met het onrechtmatig gelegde beslag en komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Dit bedrag wordt daarom bij wijze van voorschot toegewezen.
Daarnaast vordert [eisende partij] de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Zij heeft namelijk als gevolg van het (onrechtmatige) beslag geen beschikking gehad over een bedrag van € 115.551,46. [eisende partij] kon naar eigen zeggen geen rendementen realiseren over dit bedrag en haar geldelijke verplichtingen niet uit eigen middelen voldoen. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van [eisende partij] , omdat het een direct gevolg is van het onrechtmatig gelegde beslag dat zij geen beschikking had over het genoemde bedrag. De wettelijke rente over het bedrag van € 115.551,46 wordt toegewezen vanaf 21 mei 2026 (de datum van de beslaglegging) tot de datum van opheffing van het beslag.
Verder zal de voorzieningenrechter de gevorderde advocaatkosten als volgt toewijzen. Omdat het beslag onrechtmatig is gelegd, komen de in verband hiermee gemaakte advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking. Voorop gesteld kan worden dat het bekend is dat het liquidatietarief voor het salaris van advocaten ontoereikend is om de werkelijke advocaatkosten daarmee te dekken. De voorzieningenrechter zal dan ook niet uitgaan van het liquidatietarief. [eisende partij] begroot de werkelijke kosten op € 9.961,93 maar laat na te onderbouwen en te specificeren welke werkzaamheden voor dit bedrag zijn uitgevoerd. De voorzieningenrechter begroot de advocaatkosten daarom op € 4.000,-. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met het griffierecht van € 93,-. Ook zullen de nakosten (€ 189,- plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) en de wettelijke rente over de werkelijke proceskosten worden toegewezen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.
[eisende partij] stelt ook kosten te hebben gemaakt voor een adviseur, ter hoogte van € 9.143,92. De voorzieningenrechter zal dit bedrag afwijzen als voorschot op de schadevergoeding, omdat deze post door [eisende partij] onvoldoende onderbouwd is. Weliswaar heeft [eisende partij] een factuur overgelegd waaruit het gevorderde bedrag blijkt, maar waaruit de werkzaamheden van de adviseur precies hebben bestaan en wat het verband is met het onrechtmatig gelegde beslag is onvoldoende door [eisende partij] toegelicht.
De gevorderde immateriële schade van € 15.000,- wordt afgewezen. [eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Ook is de hoogte van de gevorderde immateriële schade niet onderbouwd.
4De beslissing
De voorzieningenrechter
heft op het op 21 mei 2026 ten laste van [eisende partij] onder ASN Bank N.V. gelegde beslag,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partij] van € 70,-,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 115.551,46 vanaf 21 mei 2026 (de datum van de beslaglegging) tot de datum van opheffing van het beslag,
veroordeelt [gedaagde partij] in een deel van de werkelijke proceskosten van € 4.282,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de werkelijke proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
WM (5442)
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
