Essentie (gemaakt door AI)
Appelverbod (art. 807 Rv) tegen een beschikking op grond van art. 1:262b BW. Doorbrekingsgrond aangenomen wegens schending van hoor en wederhoor: kinderrechter baseert zich mede op kindgesprek na zitting zonder inhoud aan ouders terug te koppelen of reactie te bieden. Toch afwijzing hoger beroep wegens gebrek aan belang, nu de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing al is uitgevoerd (dreadlocks geknipt) en de gevolgen niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Schorsingsverzoek eveneens afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 25-08-2026 |
| Zaaknummer | 200.366.467/01 en 200.366.467/02 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:262b BW Geschillenregeling OTS; Familieprocesrecht; Hoor en wederhoor |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Appelverbod (807 Rv) tegen een beschikking ingevolge 1:262b BW. Doorbrekingsgrond. Schending van het beginsel van hoor en wederhoor nu de kinderrechter zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de verklaring van de minderjarige zonder dat de inhoud daarvan aan de ouders is meegedeeld en zij in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.366.467/01 en 200.366.467/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 253037)
beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling (de GI),
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering Groningen,
gevestigd te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbenden] (de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 17 maart 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), tevens verzoek schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad, ingekomen op 17 maart 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 24 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 2 april 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 14 april 2026 met bijlage(n);
- een brief van de GI van 20 april 2026.
Het hof heeft de moeder en de GI op respectievelijk 19 maart 2026 en 7 april 2026 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de moeder. Na ontvangst van de reacties van de moeder en de GI heeft het hof partijen op 20 april 2026 medegedeeld dat het hof voornemens is de zaak schriftelijk af te doen en partijen, de belanghebbenden en de raad tot en met uiterlijk 4 mei 2026 in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken of zij hiermee akkoord gaan. Daarbij heeft het hof gemeld dat, indien binnen de gestelde termijn geen reactie is ontvangen, het hof ervan uitgaat dat er wordt ingestemd met schriftelijke afdoening. Het hof heeft alleen van de GI een reactie ontvangen, namelijk bij de hiervoor genoemde brief van 20 april 2026, inhoudende dat zij instemt met een schriftelijke afdoening.
3De feiten
[de minderjarige] is geboren [in] 2018. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over hem uit.
Bij beschikking van 17 september 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 februari 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin. Sindsdien woont [de minderjarige] bij de pleegouders.
De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nadien verlengd en lopen vooralsnog tot 17 september 2026.
De GI heeft op 18 februari 2026 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. De GI heeft de rechtbank een geschil die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft voorgelegd en verzocht de te geven beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het geschil betreft het afknippen van de dreadlocks van [de minderjarige] .
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de GI toegewezen en bepaald dat de GI uitvoering mag geven aan het besluit om de dreadlocks van [de minderjarige] af te laten knippen.
Op 19 maart 2026 heeft de GI aan de advocaat van de moeder laten weten dat er al uitvoering was gegeven aan de beschikking van de kinderrechter.
4De omvang van het geschil
De moeder komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, over te gaan tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking tot in de hoofdzaak in hoger beroep is beslist (zaaknummer 200.366.467/02) en in de hoofdzaak (200.366.467/01) de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de GI ten aanzien van het afknippen van de dreadlocks van [de minderjarige] alsnog af te wijzen en te bepalen dat de GI geen uitvoering mag geven aan het besluit om de dreadlocks van [de minderjarige] te laten afknippen.
De GI verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep.
5De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid (zaaknummer 200.366.467/01)
Ingevolge artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de GI, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De kinderrechter beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Volgens vaste rechtspraak kan, indien de wet een hogere voorziening uitsluit, in sommige gevallen deze uitsluiting van het hoger beroep worden doorbroken. Dit kan als de rechter:
- de betreffende regeling ten onrechte heeft toegepast (buiten het toepassingsgebied van deze regeling is getreden),
- deze regeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of
- bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, waarbij een motiveringsgebrek (zowel géén als een gebrekkige motivering) geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert.
De moeder stelt dat de kinderrechter bij het nemen van de beslissing essentiële vormen heeft verzuimd door de beslissing vooral althans mede te baseren op het gesprek dat de kinderrechter heeft gevoerd met [de minderjarige] in het bijzin van de pleegmoeder. Dat gesprek heeft pas na de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De moeder wijst erop dat zij niet op (de inhoud van) dit gesprek heeft kunnen reageren, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De GI heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Dat de moeder het niet eens is met de beslissing of de wijze waarop de kinderrechter de informatie heeft gewogen maakt volgens de GI nog niet dat sprake is van een doorbrekingsgrond voor het appelverbod. Daarbij wijst de GI erop dat de wet geen vaste procedurele vorm of volgorde voorschrijft met betrekking tot een kindgesprek en evenmin dat informatie uit een kindgesprek steeds (zakelijk) aan partijen moet worden teruggekoppeld.
De kinderrechter heeft in rechtsoverweging 3.3 van de bestreden beschikking overwogen dat het “ook gelet op wat [de minderjarige] in het gesprek met de kinderrechter heeft verteld” in het belang van de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] noodzakelijk is dat zijn dreadlocks worden afgeknipt. De kinderrechter benoemt vervolgens wat [de minderjarige] heeft verteld over de dreadlocks: die doen hem pijn, waarvoor hij medicatie krijgt, hij wordt ermee gepest en hij wil geen dreadlocks meer.
Het hof is van oordeel dat als de rechter zijn beslissing mede baseert op de verklaring van de minderjarige zonder dat de inhoud daarvan aan de ouders is meegedeeld en zij in de gelegenheid zijn gesteld daarop commentaar te leveren, er in beginsel sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
Dit brengt mee dat de kinderrechter, alvorens hij gebruik maakte van de informatie die [de minderjarige] hem tijdens het gesprek heeft verteld, de moeder met de zakelijke inhoud ervan in kennis had moeten stellen en haar de gelegenheid had moeten geven hierop te reageren.
Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. Het gesprek heeft pas na afloop van de mondelinge behandeling plaatsgevonden, terwijl hiervan geen terugkoppeling aan de moeder is gegeven en zij dus evenmin in de gelegenheid is gesteld haar reactie daarop te geven.
Het hof is van oordeel dat dit een doorbrekingsgrond van het appelverbod oplevert, zodat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.
Inhoudelijke beoordeling
Het hof constateert dat de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat de GI daags na de beslissing uitvoering heeft gegeven aan het besluit om de dreadlocks van [de minderjarige] af te knippen. Dit leidt ertoe dat de moeder geen procesbelang meer heeft bij haar hoger beroep, omdat de gevolgen van de bestreden beschikking niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Het doel dat de moeder voor ogen had, namelijk voorkomen dat de dreadlocks van [de minderjarige] zouden worden afgeknipt, kan niet meer met het hoger beroep worden bereikt. Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven van de moeder en de beslissing van de kinderrechter.
Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep van de moeder afwijzen wegens gebrek aan belang.
Schorsingsverzoek (200.366.467/02)
Omdat het hof bij deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft de moeder geen belang meer bij het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. Het hof zal het schorsingsverzoek daarom afwijzen.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, C. Coster en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
