Essentie (gemaakt door AI)
Gezag, zorgregeling en alimentatie. IPR. Vraag is of een Marokkaanse echtscheidingsbeslissing met nevenvoorzieningen over de kinderen in Nederland wordt erkend. Hof erkent de echtscheiding op grond van art. 10:57 BW. Beslissingen over voogdij/omgang worden niet erkend omdat kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de voorwaarde van art. 10 HKBV 1996 (gewone verblijfplaats ouder in Marokko) niet is vervuld. Kinderalimentatie (500 MAD p.p.p.m.) komt voor erkenning in aanmerking; verzoeken tot wijziging worden aangehouden.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 25-08-2026 |
| Zaaknummer | 200.364.786/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Gezag, zorgregeling en alimentatie. Ipr. Wordt de Marokkaanse echtscheidingsbeslissing waarbij ook beslissingen over de kinderen zijn genomen, in Nederland erkend?Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.364.786/01
zaaknummer rechtbank: C/15/350899 / FA RK 24-1613
beschikking van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
tevens verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
tevens verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A. Krim te Haarlem.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers NH, gevestigd te [plaats B] (hierna: de GI).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1Het verdere verloop van de procedure
Het hof heeft in deze zaak op 16 juni 2026 een beschikking (hierna: de tussenbeschikking) gegeven. Voor het procesverloop tot die datum wordt naar die beschikking verwezen.
Bij tussenbeschikking heeft het hof in het incident de verzoeken van de moeder en de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen en in deze hoofdzaak de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 2 augustus 2026.
Partijen zijn bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van 30 april 2026 in de gelegenheid gesteld om zich in een akte uit te laten over de erkenning in Nederland van de hierna te noemen Marokkaanse uitspraak en de gevolgen daarvan voor de onderhavige procedure. Zij hebben op 19 mei 2026 beiden een akte genomen. De vader heeft vervolgens op 2 juni 2026 een antwoordakte genomen, de moeder op 4 juni 2026.
De vader heeft in zijn akte een nadere onderbouwing van zijn standpunt gegeven. Daartoe heeft het hof hem niet in de gelegenheid gesteld. Het hof zal die onderbouwing dan ook buiten beschouwing laten bij de beoordeling van de aan partijen gestelde vraag.
2De omvang van het hoger beroep
In principaal hoger beroep
De moeder heeft aan het hof verzocht om bij beschikking, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder alleen met het gezag over de kinderen te belasten;
II. het hoofdverblijf van beide kinderen bij haar vast te stellen;
III. een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen een dagdeel per veertien dagen bij de vader zijn;
IV. aan de vader een contactverbod op te leggen met de kinderen op de momenten dat hij niet de zorg voor hen heeft zonder uitdrukkelijke toestemming van de moeder of de hulpverlening (hof: bedoeld zal zijn “tenzij er uitdrukkelijke toestemming van de moeder of de hulpverlening is”);
V. een kinderbijdrage vast te stellen van € 362,- per kind per maand te betalen aan de moeder, althans een bijdrage die het hof juist acht;
VI. te bepalen dat de vader de achterstallige onderhoudsbijdragen zoals vastgesteld in Marokko van € 2.129,- moet betalen aan de moeder;
VII. voor recht te verklaren dat het ouderschapsplan van 20 september 2023 nietig dan wel vernietigd is.
De vader heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen.
In incidenteel hoger beroep
De vader heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de zomervakantie en te bepalen dat de zomervakantie zal worden verdeeld conform de 1/2/2/1 regeling. Daarnaast heeft de vader zijn verzoeken vermeerderd en verzoekt hij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat hij met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt belast;
- het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij hem vast te stellen;
- een zorgregeling vast te leggen waarbij de kinderen elke woensdag uit school tot donderdag naar school en eens per twee weken van zondag 12:00 uur tot en met maandagochtend naar school bij de moeder verblijven;
- te bepalen dat de moeder een kinderbijdrage dient te voldoen van € 200,- per kind per maand met ingang van de datum van indiening van het aanvullend verzoek in hoger beroep;
- een kindbehartiger te benoemen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De moeder heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen.
In de aktes waarin partijen zijn ingegaan op de vraag of de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Tanger , Marokko, van 7 mei 2024, in Nederland voor erkenning vatbaar is, hebben zij beide hun verzoeken aangepast.
De moeder heeft haar verzoek onder I. van het oorspronkelijk beroepsschrift gewijzigd in de zin dat zij het hof verzoekt om, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair: voor recht te verklaren dat de moeder alleen het gezag over de kinderen heeft en
subsidiair: de moeder alleen in het gezag van de kinderen te benoemen;
onder handhaving van haar overige verzoeken.
De vader heeft verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: een verklaring voor recht te geven dat de vader naar Marokkaans recht belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
subsidiair: te bepalen dat de vader belast wordt met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
meer subsidiair: te bepalen dat de vader en de moeder gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
onder handhaving van zijn overige verzoeken.
Over en weer hebben partijen verzocht de verzoeken van de ander af te wijzen.
3De motivering van de beslissing
De rechtbank van eerste aanleg te Tanger , Marokko, heeft op 7 mei 2024 op verzoek van partijen uitspraak gedaan over de beëindiging van de huwelijksrelatie en tussen hen de echtscheiding met wederzijdse instemming bekrachtigd.
In deze uitspraak is daarnaast bepaald:
- dat de voogdij over de twee zoons, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , wordt toegewezen aan de moeder;
- dat de vader aan de moeder maandelijks een bedrag van 500 dirham dient te betalen voor de kosten van ieder van de twee zoons met ingang van de datum van de echtscheidingsakte tot het moment dat de verplichting wettelijk komt te vervallen;
- dat de vader de mogelijkheid heeft om wekelijks contact te onderhouden met zijn twee bovengenoemde zoons vanaf woensdag vanaf 14.00 tot 20.00 uur op zaterdag.
Partijen hebben zich uitgelaten - voor zover hier van belang - over de vraag of deze uitspraak in Nederland voor erkenning vatbaar is.
De standpunten over de erkenning van de Marokkaanse uitspraak
Volgens de moeder wordt het inmiddels ontbonden huwelijk in Nederland erkend op grond van artikel 10:31 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het is niet in geschil dat sprake was van een rechtsgeldig huwelijk en vervolgens een rechtsgeldige scheiding. Dat betekent volgens de moeder dat ook de rechtbank in Tanger op grond van artikel 10 lid 1 van het Haags kinderbeschermingsverdrag van 1996 bevoegd kan zijn om in het kader van de echtscheiding maatregelen te nemen. Volgens haar is aan de voorwaarden voldaan om maatregelen over de kinderen te mogen nemen. Op grond van de Marokkaanse uitspraak heeft zij alleen het gezag over de kinderen gekregen. Deze uitspraak is volgens haar bindend.
Volgens de vader is de Marokkaanse uitspraak in zijn geheel voor erkenning vatbaar. Voor wat betreft de beslissingen over de kinderen vloeit dit voort uit artikel 10 lid 1 aanhef onder b van het Haags kinderbeschermingsverdrag van 1996. De ouders hebben de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter ter zake de beslissingen over de kinderen erkend en met deze bevoegdheid ingestemd, ondanks dat deze bevoegdheid op grond van de hoofdregel van het verdrag zou toekomen aan de Nederlandse rechter. Ouders hebben hiermee een rechtsgeldige forumkeuze gemaakt voor de Marokkaanse rechter. Het gevolg hiervan is volgens de vader dat hij het gezag over de kinderen heeft, terwijl de moeder het zorgrecht heeft. Daarnaast heeft de vader een omgangsrecht gekregen.
De in Marokko gegeven uitspraak ten aanzien van de echtscheiding is voor erkenning vatbaar omdat is voldaan aan het gestelde in artikel 10:57 BW.
De beoordeling door het hof
De uitspraak van de Marokkaanse rechter bevat verschillende onderdelen: de echtscheiding, de voogdij, een contactregeling en een kinderbijdrage.
Het hof zal allereerst beoordelen of de door de Marokkaanse rechter tussen partijen uitgesproken echtscheiding in Nederland erkend wordt. Hierop is artikel 10:57 BW van toepassing. Dit artikel luidt als volgt:
Een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed wordt in Nederland erkend, indien zij is tot stand gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam.
Een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed die niet voldoet aan één of meer van de in lid 1 gestelde voorwaarden wordt nochtans in Nederland erkend, indien duidelijk blijkt dat de wederpartij hetzij tijdens de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met die ontbinding of scheiding van tafel en bed heeft ingestemd, dan wel na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken van een behoorlijke rechtspleging: partijen zijn in de procedure door middel van een advocaat verschenen en hebben hun standpunt naar voren kunnen brengen.
Bij het tweede vereiste van het eerste lid, te weten dat de rechter rechtsmacht toekwam, moet worden onderzocht of de rechtsmacht van de buitenlandse rechter die de echtscheiding heeft uitgesproken, is gebaseerd op een internationaal aanvaardbare bevoegdheidsgrond. Bij de beoordeling van internationaal aanvaardbare bevoegdheidsgronden dient aansluiting te worden gezocht bij de bevoegdheidscriteria van Brussel II-ter. De gemeenschappelijke Marokkaanse nationaliteit van partijen levert een internationaal aanvaardbare bevoegdheidsgrond op. Dit leidt tot de conclusie dat de door de Marokkaanse rechter tussen partijen uitgesproken echtscheiding in Nederland kan worden erkend op grond van artikel 10:57 BW. Daarbij komt dat partijen de door Marokkaanse rechter uitgesproken echtscheiding aanvaarden.
Vervolgens zal het hof beoordelen of de beslissingen over de voogdij en het contact tussen de vader en de kinderen in Nederland voor erkenning in aanmerking komen.
Het hof overweegt als volgt. Zowel Nederland als Marokko zijn partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV). Op grond van artikel 3 HKBV is het verdrag mede van toepassing op maatregelen omtrent het gezag en omgang. Ingevolge artikel 23 HKBV worden door de autoriteiten van een verdragsluitende staat genomen maatregelen van rechtswege in alle andere verdragsluitende staten erkend. Erkenning kan op grond van lid 2 van dit artikel echter worden geweigerd indien de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet was gebaseerd op een van de in hoofdstuk II bedoelde gronden. Uitgangspunt is dat de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn de in artikel 3 bedoelde maatregelen te nemen (artikel 5 lid 1 HKBV).
Vaststaat dat ten tijde van de Marokkaanse procedure de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Dit brengt mee dat de Marokkaanse rechter ten tijde van de uitspraak op grond van artikel 5 lid 1 HKBV niet bevoegd was om maatregelen omtrent het gezag over de kinderen te nemen. In de artikelen 6 tot en met 10 HKBV zijn echter alternatieve bevoegdheidsgronden opgenomen.
Artikel 10 HKBV lid 1 geeft een bevoegdheidsgrond in het geval een echtscheidingsprocedure aanhangig is. Dit artikel luidt:
1. Onverminderd de artikelen 5 tot en met 9, kunnen de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat, in de uitoefening van hun bevoegdheid om te beslissen over een verzoek tot echtscheiding (…) van de ouders van een kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat, (…), maatregelen nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van dat kind indien het recht van hun Staat daarin voorziet en indien:
a. op het tijdstip van de aanvang van de procedure een van de ouders zijn of haar gewone verblijfplaats heeft in die Staat en een van hen de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind heeft, en
b. de bevoegdheid van deze autoriteiten om dergelijke maatregelen te nemen zowel door de ouders is aanvaard, als door enige andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het kind, en het belang van het kind daarmee is gediend.
Dit hof dient allereerst te beoordelen of een van de partijen zijn of haar gewone verblijfplaats in Marokko had. Uit de vertaling van de Marokkaanse uitspraak volgt dat het verzoek tot echtscheiding via een advocaat op 15 april 2024 is ingediend en dat de moeder haar verblijfplaats heeft in Nederland en de vader zijn woonplaats in [plaats C] . Gesteld noch gebleken is echter dat de vader (bij aanvang van de Marokkaanse procedure) aldaar verbleef, integendeel. Volgens verklaringen van partijen hebben zij vanuit Nederland een gezamenlijke advocaat ingeschakeld die hen in de Marokkaanse procedure vertegenwoordigde. Partijen zijn in Nederland bij het consulaat geweest voor een machtiging. Zij hadden samen één gemachtigde. Zij zijn bij de zitting niet aanwezig geweest.
Ten tijde van de Marokkaanse procedure liep de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Noord-Holland. Het inleidende verzoek dateert van 2 april 2024. Daarin wordt vermeld dat zowel de moeder als de vader woonplaats heeft in Nederland, namelijk in [plaats A] . Dit wordt in de daaropvolgende (proces)stukken bevestigd. Uit in het geding gebrachte e-mails blijkt eveneens dat zowel de vader als de moeder ook eind april 2024 in Nederland verbleef.
Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat één van partijen bij aanvang van de Marokkaanse procedure zijn of haar gewone verblijfplaats had in Marokko. Dit leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de Marokkaanse rechter van 7 mei 2024 over de voogdij en het contact tussen de vader en de kinderen in Nederland niet voor erkenning in Nederland vatbaar is.
Omdat de Marokkaanse uitspraak over de voogdij en het contact tussen de vader en de kinderen in Nederland niet wordt erkend, oefenen de ouders het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. Op grond van artikel 1:251 lid 1 BW oefenden de ouders immers tijdens het huwelijk het gezag gezamenlijk uit. Op grond van lid 2 van dit artikel blijven de ouders het gezag na echtscheiding gezamenlijk uitoefenen. De gewijzigde verzoeken van partijen om voor recht verklaren dat de een of juist de ander alleen het gezag heeft (op basis van de Marokkaanse uitspraak) zullen dan ook worden afgewezen.
De zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking blijft van kracht, totdat daar mogelijk anders over wordt beslist.
Die regeling houdt in:
in de oneven weken:
- maandag, dinsdag en woensdagochtend naar school zijn de minderjarigen bij de moeder;
- woensdagmiddag uit school, donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag, tot
maandagochtend naar school zijn de minderjarigen bij de vader;
in de even weken:
- maandagmiddag uit school, dinsdag, woensdagochtend naar school zijn de
minderjarigen bij de moeder;
- woensdagmiddag uit school, donderdag en vrijdag zijn de minderjarigen bij de vader;
- op vrijdag wordt [minderjarige 2] door de moeder bij vader of de peuterspeelzaal opgehaald
en verblijft bij haar het weekend;
- [minderjarige 1] verblijft bij de vader op vrijdag, zaterdag en zondag tot 12.00 uur,
waarna [minderjarige 1] vanaf 12.00 uur bij de moeder zal zijn.
Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of de Marokkaanse beslissing over de door de vader te betalen maandelijkse bijdrage van 500 dirham voor de kinderen in Nederland in aanmerking komt voor erkenning. Het hof overweegt als volgt.
Tussen Marokko en Nederland bestaat geen verdrag waarin de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over een onderhoudsbijdrage door het andere land is geregeld. De erkenning en tenuitvoerlegging wordt daarom beheerst door het commune internationale privaatrecht, te weten art. 431 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838 Gazprombank) heeft de Hoge Raad de voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen naar commuun internationaal privaatrecht volgens art. 431 Rv uiteengezet:
“3.6.4 In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor in 3.6.4 vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar (…).”
Het hof is van oordeel dat in deze zaak aan de voornoemde voorwaarden voor erkenning is voldaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
(i) Marokkaanse rechter naar internationale maatstaven bevoegd?
Gelet op internationaal aanvaarde maatstaven (onder andere kenbaar uit internationale verdragen) en het feit dat er door hun nationaliteit voor beide partijen voldoende aanknopingspunten met Marokko waren, acht het hof de rechtsmacht van de Marokkaanse rechter aannemelijk, temeer nu partijen daar zelf ook vanuit gaan.
(ii) Een met voldoende waarborgen omklede rechtspleging in Marokko?
Partijen hebben in de procedure in Marokko geen bezwaren aangevoerd tegen de bevoegdheid van de Marokkaanse rechter. Uit de Marokkaanse uitspraak blijkt dat beide partijen door middel van een advocaat in die procedure zijn verschenen en hun standpunt naar voren hebben gebracht. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtspleging in Marokko met onvoldoende waarborgen was omkleed.
(iii) Erkenning van de Marokkaanse beslissing strijdig met de Nederlandse openbare orde?
Niet gesteld en niet gebleken is dat de erkenning van de Marokkaanse beslissing op het punt van de kinderalimentatie in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Ingevolge artikel 10:6 BW is van strijd met de openbare orde pas sprake indien het buitenlandse rechtsfeit in strijd is met materieelrechtelijke beginselen van juridische, sociale en morele aard, die in onze rechtsgemeenschap voor fundamenteel worden gehouden. Het enkele feit dat het in het buitenland toegepaste recht afwijkt van of niet identiek is aan het Nederlandse recht is daartoe onvoldoende. Als het al juist is dat de Marokkaanse beslissing niet voldoet aan de maatstaven die in Nederland gehanteerd worden bij de vaststelling van kinderalimentatie, betekent dit geenszins dat er in zodanige mate sprake is van strijd met fundamentele Nederlandse rechtsbeginselen, dat de Marokkaanse beslissing niet erkend zou kunnen worden. Het hof is dan ook van oordeel dat de Marokkaanse beslissing met betrekking tot de kinderalimentatie niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
(iv) Marokkaanse beslissing onverenigbaar met een eerdere tussen partijen gegeven alimentatiebeslissing?
De kinderbijdrage van 500 dirham was voor het eerst onderdeel van een procedure tussen partijen, zodat van strijdigheid met een eerdere alimentatiebeslissing tussen partijen geen sprake kan zijn.
Het voorgaande betekent dat de Marokkaanse beschikking in Nederland kan worden erkend en, na het verkrijgen van verlof, ten uitvoer kan worden gelegd.
Over de Marokkaanse beslissing ten aanzien van de kinderbijdrage hebben partijen verklaard dat zij met hun gemachtigde hebben gesproken en gevraagd wat het minimale is dat geregeld moet worden bij de Marokkaanse rechter in een echtscheidingsprocedure. Daaruit is naar voren gekomen dat de Marokkaanse wet als voorwaarde stelt dat een bedrag als kinderalimentatie moet worden vastgesteld. Het bedrag van 500 dirham, dat is opgenomen in de Marokkaanse beslissing, komt neer op ongeveer € 47,-. In de onderhavige procedure verzoekt zowel de moeder als de vader om een andere, hogere kinderbijdrage, namelijk € 362,- respectievelijk € 200,- per kind per maand. Het hof begrijpt de verzoeken aldus, dat partijen verzoeken om een wijziging van de kinderbijdrage.
Conclusie
Gelet op het voorgaande erkent het hof de echtscheiding die de Marokkaanse rechter op 7 mei 2024 heeft uitgesproken.
De beslissing over het gezag en de omgang van de Marokkaanse rechter worden niet erkend. Naar Nederlands recht oefenden de ouders tijdens het huwelijk gezamenlijk het gezag uit en is het uitgangspunt dat na de echtscheiding de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Partijen hebben ieder verzocht alleen met het gezag over de kinderen te worden belast. Deze verzoeken zullen op de vervolgzitting worden behandeld. Dat geldt ook voor de verzoeken die zien op de zorgregeling en de kinderbijdrage.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
4
4. De beslissing
Het hof:
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op donderdag 29 oktober 2026 om 09.30 uur;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. P.F.E. Geerlings en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
