Essentie (gemaakt door AI)
Wrakingsverzoek waarin wordt geklaagd dat de rechter actief meewerkt aan een NRC-publicatie over de zitting zonder evenwichtige weergave en dat de zaak is geselecteerd op het thema huiselijk geweld/intieme terreur zonder dit aan verzoeker voor te houden. Wrakingskamer overweegt dat partijen ter zitting instemmen met aanwezigheid pers, dat de rechter alleen op herleidbaarheid mag controleren en geen invloed heeft op de inhoud/selectie van het artikel. Deze omstandigheden wekken geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Verzoek wordt afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 25-08-2026 |
| Zaaknummer | C/09/687534 / KG RK 26-1120 |
| Procedure | Wraking |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Wraking / verschoning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek gedaan in verband met de publicatie van een artikel over de behandeling van familierechtelijke zaken. Verzoeker is het niet eens met de inhoud van het artikel en benoemt als eerste wrakingsgrond dat de rechter zijn actieve medewerking heeft verleend aan publicatie zonder evenwichtige weergave, nu het verweer van verzoeker niet is opgenomen in het gepubliceerde artikel. Wel is opgenomen dat de rechter ter zitting heeft medegedeeld aan de wederpartij van verzoeker dat ‘u de erkenning die u zoekt niet van meneer krijgt, maar wel deels van mij’. Doordat de rechter de concepttekst voor publicatie op herleidbaarheid heeft mogen controleren, heeft hij actief bijgedragen aan de totstandkoming van een publicatie die nog onder zijn behandeling viel. Door mee te werken aan een publicatie die uitsluitend het rechterlijke oordeel over de beschuldigingen van de wederpartij van verzoeker weergeeft zonder evenwichtig weerwoord van verzoeker, heeft verweerder de schijn gewekt dat hij de positie van de wederpartij van verzoeker ondersteunt. De wrakingskamer stelt vast dat er voorafgaand aan de zitting in de hoofdzaak in de zittingszaal door de rechter toestemming is gevraagd aan partijen om hun medewerking te verlenen aan het artikel. Partijen hebben daarin toegestemd. In zijn algemeenheid geldt dat wanneer journalisten toestemming krijgen om de zitting bij te wonen en erover te schrijven, de rechtbank geen invloed heeft op welke informatie er precies voor het artikel wordt gebruikt. De rechter kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor welke informatie er uiteindelijk wordt gepubliceerd. Dit geldt ook voor de zaak van verzoeker. Als tweede wrakingsgrond benoemt verzoeker dat zijn zaak is geselecteerd op een kwalificatie die niet aan verzoeker is voorgehouden. Uit het artikel blijkt dat de zaak is geselecteerd omdat huiselijk geweld en intieme terreur mogelijk een rol zouden spelen. Deze kwalificatie is niet aan verzoeker voorgehouden. Verzoeker heeft zijn medewerking verleend, zonder te weten dat zijn zaak op deze grondslag was geselecteerd en als zodanig zou worden gepresenteerd. Indien hij dit had geweten, dan had hij zijn medewerking geweigerd. De selectiegrondslag toont aan dat de rechter de zaak reeds vóór de zitting in een bepaald kader heeft geplaatst, hetgeen de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid versterkt. De wrakingskamer merkt ten overvloede op dat het voor partijen in de hoofdzaak waarschijnlijk prettiger was geweest wanneer een verzoek om journalisten toe te laten op een voor hen zo belangrijke en emotionele zitting, al op een eerder moment aan hen was voorgelegd, en mogelijk op schrift. Of dat anders deze vraag nog buiten op de gang door een medewerker (bijvoorbeeld van communicatie) van de rechtbank aan partijen was gesteld, in plaats van partijen en hun advocaten daarmee op de zitting te overvallen, waarbij bovendien de gewenste toestemming op dat moment werd gevraagd door de rechter die vervolgens hun zaak ging behandelen. Dit kan evenwel niet leiden tot een gegrond wrakingsverzoek.Volledige uitspraak
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/50
zaak- /rekestnummer: C/09/687534 / KG RK 26-1120
Beslissing van 24 augustus 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. T.A. Bruins te Noord-Holland,
strekkende tot de wraking van
mr. C. van Hees,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 22 juli 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 4 augustus 2026;
- de pleitnota zijdens verzoeker, overgelegd op de wrakingszitting van 11 augustus 2026.
Op 10 augustus is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. T.A Bruins, advocaat te Noord-Holland;
- de rechter;
- mr. H.M. Boone, tot 1 juli jongstleden teamvoorzitter familierecht in de rechtbank Den Haag, als toehoorder;
- mr. E.M. Kooij, advocaat van de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder.
2Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/687534 FA RK 25-4805 tussen verzoeker en [wederpartij in de hoofdzaak] (hierna: de hoofdzaak).
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Op 18 juli 2026 is in NRC Handelsblad een artikel gepubliceerd over de behandeling van familierechtelijke zaken door rechters van Rechtbank Den Haag. In dit artikel wordt onder meer verslag gedaan van de zitting van verzoeker op 22 mei 2026, die de rechter behandelde. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft hij aan de aanwezigen bij aanvang van de zitting gezegd: “Meneer [naam] is van de krant, NRC Handelsblad. Hij schrijft een rapportage over de familierechter. Hij kijkt mee naar mijn werk. Het is niet specifiek voor uw zaak. De afspraak is dat hij niet herleidbaar zal schrijven. U moet in vrijheid en zonder zorgen uw zaak kunnen bespreken.”. Vervolgens hebben partijen ingestemd met de aanwezigheid van de heer [naam] , aldus het proces-verbaal van de zitting.
Als eerste wrakingsgrond benoemt verzoeker dat de rechter zijn actieve medewerking heeft verleend aan publicatie zonder evenwichtige weergave. Ter zitting in de hoofdzaak heeft de rechter uitgesproken dat hij ‘ervan uitgaat dat er een mate van huiselijk geweld is geweest’, uitsluitend op basis van een huisartsverklaring waarin is vastgelegd wat de vrouw aan de huisarts heeft medegedeeld. De beschikking in deze zaak was op dat moment nog niet gewezen en is nog steeds niet gewezen. Deze opmerking van de rechter is opgenomen in het artikel in NRC Handelsblad.
Het verweer van verzoeker is evenwel niet opgenomen in het gepubliceerde artikel. Wel is opgenomen dat de rechter ter zitting heeft medegedeeld aan de wederpartij van verzoeker dat ‘u de erkenning die u zoekt niet van meneer krijgt, maar wel deels van mij’. Doordat de rechter de concepttekst voor publicatie op herleidbaarheid heeft mogen controleren, heeft hij actief bijgedragen aan de totstandkoming van een publicatie die nog onder zijn behandeling viel. Door mee te werken aan een publicatie die uitsluitend het rechterlijke oordeel over de beschuldigingen van de wederpartij van verzoeker weergeeft zonder evenwichtig weerwoord van verzoeker, heeft verweerder de schijn gewekt dat hij de positie van de wederpartij van verzoeker ondersteunt.
Als tweede wrakingsgrond benoemt verzoeker dat zijn zaak is geselecteerd op een kwalificatie die niet aan verzoeker is voorgehouden. Uit het artikel blijkt dat de zaak is geselecteerd omdat huiselijk geweld en intieme terreur mogelijk een rol zouden spelen. Deze kwalificatie is niet aan verzoeker voorgehouden. Verzoeker heeft zijn medewerking verleend, zonder te weten dat zijn zaak op deze grondslag was geselecteerd en als zodanig zou worden gepresenteerd. Indien hij dit had geweten, dan had hij zijn medewerking geweigerd. De selectiegrondslag toont aan dat de rechter de zaak reeds vóór de zitting in een bepaald kader heeft geplaatst, hetgeen de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid versterkt.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Wrakingsgrond 1
De wrakingskamer begrijpt uit de toelichting ter zitting van de rechter en mr. Boone dat journalisten van NRC Handelsblad verschillende familierechtelijke zittingen hebben bijgewoond om te kunnen schrijven over het werk van de familierechter. De afspraak was dat indien de journalisten over een zaak zouden schrijven, zij dit niet herleidbaar zouden doen. Ook diende de rechter mee te willen werken en moesten partijen instemmen met de aanwezigheid van de journalisten.
De wrakingskamer stelt vast dat er voorafgaand aan de zitting in de hoofdzaak in de zittingszaal door de rechter toestemming is gevraagd aan partijen om hun medewerking te verlenen aan het artikel. Partijen hebben daarin toegestemd. In zijn algemeenheid geldt dat wanneer journalisten toestemming krijgen om de zitting bij te wonen en erover te schrijven, de rechtbank geen invloed heeft op welke informatie er precies voor het artikel wordt gebruikt. De rechter kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor welke informatie er uiteindelijk wordt gepubliceerd. Dit geldt ook voor de zaak van verzoeker.
Wrakingsgrond 2
De wrakingskamer begrijpt dat NRC Handelsblad, nadat zij verschillende familierechtelijke zittingen heeft bijgewoond, op basis daarvan zelf een selectie heeft gemaakt van de zaken waarover zij wilde schrijven. De wrakingskamer stelt daarnaast vast dat door de rechtbank met NRC Handelsblad is afgesproken dat de rechter het conceptartikel slechts mocht controleren op herleidbaarheid. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat de rechter (met uitzondering van de herleidbaarheid) geen invloed heeft gehad of heeft kunnen hebben op de inhoud van het artikel.
De wrakingskamer merkt ten overvloede op dat het voor partijen in de hoofdzaak waarschijnlijk prettiger was geweest wanneer een verzoek om journalisten toe te laten op een voor hen zo belangrijke en emotionele zitting, al op een eerder moment aan hen was voorgelegd, en mogelijk op schrift. Of dat anders deze vraag nog buiten op de gang door een medewerker (bijvoorbeeld van communicatie) van de rechtbank aan partijen was gesteld, in plaats van partijen en hun advocaten daarmee op de zitting te overvallen, waarbij bovendien de gewenste toestemming op dat moment werd gevraagd door de rechter die vervolgens hun zaak ging behandelen.
Dit kan evenwel niet leiden tot een gegrond wrakingsverzoek.
Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.
4De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. T.A. Bruins;
• de advocaat van de wederpartij in de hoofdzaak mr. E.M. Kooij;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.A.T. Frima, M. Kramer en C.F. Mewe, in tegenwoordigheid van de griffier A.E. van Gent en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
