Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding waarin het verzoek van vrouw om partneralimentatie wordt afgewezen. Behoefte wordt met hofnorm berekend op € 4.030 netto p/m uitgaand van voormalig NBI man van € 7.500 en rekening houdend met kosten meerderjarige kinderen. Verdiencapaciteit vrouw wordt niet aangenomen, maar zij kan in eigen behoefte voorzien uit het vermogen dat haar na verdeling toekomt (circa € 2.000.000) en het (redelijk te behalen) rendement daarop. Verzoek tot overlegging nadere bankgegevens op grond van art. 843a Rv (oud) wordt afgewezen als fishing expedition.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 21-08-2026 |
| Zaaknummer | C/13/758509 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding. Afwijzing verzoek partneralimentatie. De vrouw wordt geacht in haar eigen behoefte te voorzien met (het rendement op) het vermogen dat haar na vaststelling van de verdeling toekomt.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/758509 / FA RK 24-7214
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw] ,
volgens de huwelijksakte: [de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.J.I. Kroezen uit Amsterdam,
en
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Gunter uit Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift van de vrouw met bijlage(n), ontvangen op 21 oktober 2024;
-
het verweerschrift van de man, met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 31 december 2024;
-
het verweerschrift van de vrouw met bijlagen op de zelfstandige verzoeken van de man tevens aanvulling verzoeken, ontvangen op 30 juni 2025;
-
het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken van de vrouw, ontvangen op 28 augustus 2025;
-
het bericht van de vrouw tevens inhoudende een aanvulling verzoek, ontvangen op 15 mei 2026;
-
het bericht van de man tevens houdende aanvulling verzoeken, ontvangen op 19 mei 2026;
-
het bericht van de vrouw van 19 mei 2026;
-
het bericht van de man met bijlage van 20 mei 2026.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw met haar advocaat en een tolk in de Engelse taal;
- de man met zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal.
Tijdens de zitting hebben de advocaten pleitaantekeningen overgelegd.
2Wat vaststaat
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2000 in [plaats 1] , Groot-Brittanië.
De vrouw is Amerikaans Burger en Brits Burger en heeft ook de Ierse nationaliteit. De man is Brits Burger. De vrouw stelt dat de man ook Amerikaans Burger is.
3De beoordeling
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verzocht om bij tussenbeschikking de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat aan de vrouw een voorschot op de verdeling van € 300.000,- wordt uitbetaald van het saldo van de gezamenlijke bankrekening bij ABN AMRO eindigend op [nummer 1] , zulks binnen zeven dagen na deze beschikking.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek in verband met strijd met de goede procesorde.
De rechtbank is van oordeel dat de man dit verzoek niet tijdig voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft ingediend, zodat de vrouw de mogelijkheid is ontnomen zich daar op voor te kunnen bereiden en zich daartegen te kunnen verweren. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verzoek.
Echtscheiding
Beide partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
1
De rechtbank zal op het echtscheidingsverzoek Nederlands recht toepassen.
2
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 24.365,- bruto per maand dan wel € 16.728,- bruto per maand aan partneralimentatie aan haar betaalt en dit steeds voor de eerste van de maand doet. De man voert verweer. Hij betwist zowel de gestelde behoefte als de behoeftigheid van de vrouw.
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de alimentatie bij wijze van nevenvoorziening wordt gevraagd en de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding.
3
Omdat de vrouw aanspraak maakt op partneralimentatie en de vrouw in Nederland gewone verblijfplaats heeft, past de rechtbank het Nederlandse recht toe.
4
Behoefte
De vrouw stelt dat zij op basis van het inkomen van de man in 2024 van € 40.361,- netto per maand op basis van de hofnorm een netto behoefte heeft van € 20.873,- per maand. De vrouw stelt daartoe dat partijen een luxe leven leidden. Zij hebben grote uitgaven gedaan, zoals de aankoop van twee huizen, twee grote auto’s en vele internationale reizen. Daarnaast hebben partijen veel vermogen opgebouwd, volgens de vrouw meer dan € 2 miljoen. Op 22 januari 2026 hebben partijen nog een overeenkomst gesloten dat de man € 4.650,26 netto per maand aan de vrouw zal betalen voor haar kosten van de huishouding. Naast deze kosten zijn er nog de kosten van de koopwoning in [plaats 2] , de kosten van twee dure auto’s (Volvo en BMW), de huisdieren (hond en kat) en is er de vakantiewoning in Portugal. De vrouw betwist dan ook dat de hofnorm niet passend zou zijn, zoals de man stelt. Dat de man de laatste jaren meer is gaan verdienen is geen argument om de hofnorm niet toe te passen. De man kon dit hogere inkomen verdienen (o.a. in China, Denemarken en Zwitserland) omdat de vrouw voornamelijk voor de dochters van partijen zorgde. Mocht de rechtbank menen dat de hofnorm niet kan worden toegepast dan stelt zij dat haar behoefte minimaal € 11.767,- netto per maand bedraagt. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende lasten van de vrouw:
-
€ 4.650,- aan kosten van haar huishouding;
-
€ 1.452,- aan lasten van de woning;
-
€ 3.915,- aan sparen;
-
€ 167,92 aan premie voor een overlijdensrisicoverzekering;
-
€ 1.582,- aan kosten voor reizen.
De vrouw voert daartoe aan dat partijen gemiddeld € 3.915,- per maand gespaard hebben, dat zij een overlijdensrisicoverzekering moet afsluiten voor het geval de bijdrage van de man wegvalt en dat zij veel reiskosten maakt, onder meer om het voor de man mogelijk te maken maandelijks in de woning te verblijven. Daarnaast zal zij een oudedagsvoorziening moeten treffen.
De man betwist de gestelde behoefte. Volgens de man is de levensstijl van partijen relatief sober geweest en is de nu gestelde behoefte niet gerelateerd aan het huwelijk. De man heeft jarenlang een inkomen gehad van ongeveer € 7.500,- netto per maand. Pas sinds 2022 ontvangt de man een hoger inkomen. Toen is hij naar Zwitserland verhuisd voor zijn huidige baan. De vrouw heeft altijd een netto bedrag van € 3.300,- per maand tot haar beschikking gehad. Dit had zij ook tijdens het huwelijk. Dit bedrag was altijd voldoende om in de kosten van de vrouw en van de kinderen te voorzien. Nu de kinderen volwassen zijn begroot de man de behoefte van de vrouw op € 2.500,- per maand. Na het uiteengaan van partijen in februari 2024 is de man het bedrag van € 3.300,- blijven betalen. Daarnaast betaalt hij alle kosten van de kinderen (waaronder de kosten van hun studie en levensonderhoud, de telefoonkosten etc.) en de eigenaarslasten van de woning (gemeentelijke belastingen etc.) en de verzekeringen. Er is geen sprake van een hypotheek of andere schulden. De vrouw onderbouwt haar behoefte aan de door haar verzochte bedragen ook niet volgens de man.
De vrouw past de hofnorm ook niet correct toe. De kosten van de kinderen worden door haar niet in mindering gebracht op het gezinsinkomen en de vrouw gaat niet uit van een gemiddeld netto inkomen over de laatste drie jaren van de relatie, te weten 2021,2022 en 2023. De behoefte moet worden vastgesteld aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de te verwachten kosten van het levensonderhoud van de vrouw. In hoeverre die lasten redelijk zijn hangt af van de mate van welstand tijdens het huwelijk, aldus de man.
De hofnorm is vooral bedoeld voor modale inkomens en niet voor dat van de man. Er is in het geval van partijen geen sprake van dat het volledige gezinsinkomen werd besteed aan de kosten van de huishouding c.q. het levensonderhoud van partijen. Partijen hebben gespaard en vermogen opgebouwd. Dit vermogen komt de vrouw nu voor de helft ten goede omdat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De man betwist ook de door de vrouw opgestelde behoeftelijst. De vrouw leidt nu een luxer leven dan partijen gewend waren. De kosten van haar huishouding bedragen maximaal € 2.500,- per maand. Aan reizen besteedden partijen tijdens het huwelijk zo’n € 10.000,- jaar voor het hele gezin, zodat slechts rekening kan worden gehouden met een bedrag van € 375,- per maand voor de vrouw. De lasten voor een huis van € 1.482,- betwist de man. De vrouw voldoet die lasten sinds 1 oktober 2024 uit de door de man aan haar betaalde bijdrage, zodat nogmaals meenemen tot een dubbeltelling leidt. Sparen maakt volgens de man geen deel uit van de behoefte. De vrouw heeft een ruime pensioenvoorziening nu partijen het pensioen van de man moeten verevenen. Volgens de man bedraagt de behoefte van de vrouw maximaal € 2.875,-, namelijk de € 2.500,- aan kosten huishouding en € 375,- aan reiskosten.
De rechtbank overweegt dat de hoogte van de behoefte van de vrouw mede gerelateerd is aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat niet alleen de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk van belang zijn, maar dat ook een globaal inzicht zal moeten bestaan in het uitgavenpatroon in diezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast moeten worden bepaald aan de hand van - zoveel als mogelijk is - concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten en - gelet op de hiervoor genoemde welstand tijdens het huwelijk - redelijke kosten van levensonderhoud.
De vrouw baseert haar behoefte primair op de hofnorm, gebaseerd op het huidige inkomen van de man en subsidiair op de door haar overgelegde behoeftelijst. Vast staat dat, nu de man dat onweersproken heeft gesteld, het netto besteedbaar inkomen van partijen zo’n € 7.500,- per maand bedroeg voordat de man in 2022 aan zijn huidige baan in Zwitserland is begonnen. Met zijn huidige baan verdient de man een aanzienlijk hoger salaris dan de € 7.500,- netto die hij voorheen verdiende. Gesteld noch gebleken is echter dat het uitgavenpatroon van partijen vanaf 2022 in dezelfde mate is gestegen als het inkomen van de man. De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw tijdens het huwelijk altijd zo’n € 3.300,- tot haar beschikking had, waarvan voorheen ook kosten van de beide, inmiddels meerderjarige, dochters werden voldaan. Weliswaar heeft de vrouw na het verweer van de man haar gestelde behoefte (deels) met stukken onderbouwd, maar dit betreffen gegevens die dateren van na het uiteengaan van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen uitgaven van na het uiteengaan van partijen niet bepalend zijn voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw tegenover de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat haar behoefte minimaal € 11.767,- netto per maand bedraagt.
De rechtbank zal voor de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw daarom uitgaan van een netto inkomen aan de zijde van de man van € 7.500,- per maand. De rechtbank zal op dit inkomen de hofnorm toepassen, waarbij rekening wordt gehouden met de kosten van beide inmiddels meerderjarige dochters van partijen. Uit de berekening die als bijlage bij deze beschikking is gevoegd volgt dat de vrouw in 2024 een netto behoefte had van € 3.618,-. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw dan € 4.030,- netto per maand.
Verdiencapaciteit
Nu de rechtbank de behoefte van de vrouw heeft vastgesteld, komt de rechtbank bij beantwoording van de vraag of de vrouw behoefte heeft aan een (aanvullende) bijdrage van de man dan wel of zij in staat kan worden geacht zelf in haar behoefte te voorzien door middel van eigen inkomsten en/of vermogen.
De vrouw betwist dat zij een verdiencapaciteit heeft. Zij heeft aan het begin van het huwelijk in loondienst gewerkt. Later is de vrouw huismoeder geworden, omdat de man voor zijn werk in het buitenland verbleef en de vrouw met de kinderen in [plaats 2] . De jongste dochter heeft dyscalculie en had extra aandacht en begeleiding nodig. Partijen zijn in verband met het werk van de man in [plaats 2] gaan wonen. Vanaf 2017 werkte de man in het buitenland en verbleef de vrouw met de dochters in [plaats 2] . De vrouw heeft nimmer carrière in Nederland kunnen opbouwen. Het is de vrouw in 2023 gelukt een jaar contract te krijgen bij de Amerikaanse ambassade. Dit contract liep af per februari 2024. Partijen hadden afgesproken dat de vrouw zich bij de man in Zwitserland zou voegen als de jongste dochter eindexamen had gedaan. Daardoor heeft zij niet onderhandeld over verlenging en solliciteerde zij naar banen in Zwitserland. Dat is niet doorgegaan omdat de vrouw erachter kwam dat de man een affaire had met een andere vrouw. De vrouw is vervolgens gaan solliciteren in Nederland maar wordt gelet op haar leeftijd nergens uitgenodigd. De vrouw kan ook niet het inkomensniveau van de man benaderen, omdat zij de afgelopen twintig jaar nauwelijks heeft gewerkt. De vrouw betwist dat zij na verdeling van de huwelijksgemeenschap geen behoefte meer zal hebben, zoals de man stelt. De vrouw meent dat zij ook na de verdeling wel degelijk behoefte heeft. Partijen verkeren immers in een ongelijke inkomenspositie. De man heeft carrière kunnen maken terwijl de vrouw haar carrière heeft opgegeven. De man verwerft zijn huidige inkomen mede door inspanningen van de vrouw. De man zal na verdeling net zoveel vermogen hebben als de vrouw en zijn draagkracht wordt daardoor alleen maar groter. Dit inkomen uit vermogen heeft de vrouw niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man.
De man stelt dat de vrouw niet behoeftig is. De vrouw heeft een academische titel en was bij het aangaan van het huwelijk financieel onafhankelijk. Dat het een gezamenlijke keuze is geweest dat de vrouw jarenlang niet heeft gewerkt, wordt door de man betwist. Naarmate de kinderen ouder werden, heeft de man de vrouw aangespoord om te gaan werken en/of zich anderszins te ontwikkelen ten behoeve van het gezinsinkomen maar ook omdat dit naar de mening van de man bijdraagt aan het welslagen van de relatie. De vrouw vond echter dat zij niet hoefde te werken. Partijen hadden hier discussies over, omdat de inkomen dat de man destijds had van € 7.700,- netto per maand niet toereikend was om alle kosten te dekken.
Niets staat eraan in de weg dat de vrouw thans een eigen inkomen genereert op basis van een fulltime baan. Dat zij dat niet doet, komt voor haar rekening en risico. De vrouw heeft geen zorg meer voor de kinderen en is gezond. De verdiencapaciteit kan, volgens de man, worden begroot op minstens € 3.000,- netto per maand. Ondanks haar leeftijd mag van de vrouw worden verwacht zich maximaal in te spannen om in eigen levensonderhoud te voorzien.
Daarnaast kan zij door middel van het vermogen wat haar na de verdeling toe zal komen in haar behoefte voorzien. Het vermogen van partijen bedraagt meer dan € 4 miljoen, waarvan de helft de vrouw toekomt. Met dit vermogen en het rendement daarop kan zij in haar eigen levensonderhoud voorzien. Zelfs als sprake zou zijn van een klassiek rollenpatroon en ongelijke carrièreperspectieven na het huwelijk staat dat er niet aan in de weg dat dat van de vrouw verwacht mag worden in te teren op haar vermogen, zo volgt uit vaste jurisprudentie aldus de man. De man betwist een buitenechtelijke affaire te hebben gehad.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat echtgenoten na scheiding zo veel mogelijk in hun eigen levensonderhoud voorzien.
In art. 1:157 lid 1 BW wordt het recht op levensonderhoud van de ene echtgenoot jegens de andere na echtscheiding hiervan afhankelijk gesteld of de eerstgenoemde echtgenoot voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft dan wel zich in redelijkheid kan verwerven. Is dat het geval dan heeft de echtgenoot geen behoefte aan een bijdrage in zijn levensonderhoud en daarmee om die reden ook geen recht daarop.
Of de echtgenoot inkomsten heeft of zich in redelijkheid kan verwerven, wordt mede bepaald aan de hand van het hem toebehorende vermogen en de inkomsten die hij daaruit geniet en/of kan genieten, eventueel mede door op het vermogen in te teren.
Vast staat dat de vrouw thans geen baan heeft waaruit zij inkomen genereert. Tussen partijen is in geschil of dit wel van haar verwacht kan worden. De rechtbank is van oordeel dat aan de vrouw geen verdiencapaciteit kan worden toegekend. Daartoe overweegt de rechtbank dat ongeacht de vraag of dit al dan niet een gezamenlijke beslissing is geweest, vast staat dat de vrouw zich jarenlang niet op de arbeidsmarkt heeft bewogen. Gelet daarop en op de leeftijd van de vrouw acht de rechtbank het niet opportuun haar nu een verdiencapaciteit toe te kennen.
Vast staat echter wel dat de vrouw na verdeling van de huwelijksgemeenschap over een aanzienlijk vermogen zal beschikken. Partijen houdt verdeeld of de vrouw met dit vermogen in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het vermogen dat de vrouw toekomt, zal uit contanten dan wel aandelen bestaan en mogelijk ook uit de dure woning in [plaats 2] , die de vrouw graag toegedeeld wenst te krijgen. In totaal zal de vrouw dan naar alle waarschijnlijkheid over een vermogen van meer dan € 2.000.000,- beschikken. De rechtbank is van oordeel dat het de vrouw vrij staat haar vermogen aan te wenden op de manier die haar goeddunkt. Rekening houdend met het eerder genoemde uitgangspunt dat zij zo veel mogelijk in haar eigen levensonderhoud moet voorzien, mag evenwel van de vrouw worden verwacht dat zij haar vermogen naar objectieve en professionele maatstaven verstandig maar ook in ieder geval in enige mate renderend belegt en/of daarop inteert. Voor zover zij andere keuzes maakt, zoals de door haar voorgestane keuze om in een duur huis te blijven wonen, waardoor uit een groot deel van het haar toekomend vermogen mogelijk geen rendement wordt gehaald, noch kan worden ingeteerd, heeft die keuze niet tot gevolg dat de behoefte aan partneralimentatie hoger wordt.
.
De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw hiervoor berekend op € 4.030,- netto per maand. Op jaarbasis bedraagt haar behoefte dan € 48.360,-. Indien uitgegaan wordt van een vermogen van € 2.000.000,- en een gemiddeld rendement van 3% dan levert het vermogen de vrouw jaarlijks € 60.000,- op. Gelet op de omvang van het vermogen acht de rechtbank dit een haalbaar rendement. Met dit rendement kan de vrouw ruimschoots in haar behoefte voorzien zonder dat zij in hoeft te teren op haar vermogen. Zo nodig zal de vrouw zich moeten laten adviseren door deskundigen om een zo hoog mogelijk rendement te halen. Voor zover de vrouw een lager rendement haalt, mag van haar verwacht worden in te teren op haar vermogen. Zelfs als zij ervoor zou kiezen om het vermogen niet te laten renderen, maar alleen in te teren is dat voldoende om in de huwelijks gerelateerde behoefte te voorzien. Te meer omdat de vrouw ook recht heeft op verevening van door de man tijdens huwelijk opgebouwd pensioen.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat het gelet op de ongelijke positie van partijen niet redelijk en billijk zou zijn dat zij haar vermogen aan moet wenden om in haar behoefte te voorzien. Weliswaar was er sprake van een klassiek rollenpatroon en (mogelijk) ongelijke carrièreperspectieven van partijen tijdens het huwelijk, dit laat onverlet dat partijen dankzij ieders inspanningen (de man door zijn werk en de vrouw die de zorg voor de kinderen op zich nam) hebben tijdens het huwelijk een aanzienlijk vermogen opgebouwd, waarvan de vrouw nu meeprofiteert doordat de helft daarvan haar toekomt. Bovendien zal indien de man binnen enkele jaren met pensioen gaat (hij is 61), het pensioen van de man met de vrouw worden verevend. Dat de man na de verdeling ook over een aanzienlijk vermogen zal beschikken, maakt in dit verband geen verschil. Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijst.
Verdeling
Beide partijen hebben kort voor de mondelinge behandeling een verzoek gedaan tot verdeling van de tussen hen bestaande (ontbonden0 huwelijksgemeenschap.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op het nevenverzoek tot verdeling.
5
Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gedaan voor of tijdens het huwelijk. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden zij beiden de Britse nationaliteit en waren Amerikaans Burger. In een dergelijk geval geldt het recht van het land waar partijen na het huwelijk hun eerste gewone verblijfplaats vestigen. Dat is hier Nederland en daarom is het Nederlandse recht van toepassing.
6
Nu partijen hun verzoeken kort voor de mondelinge behandeling hebben ingediend zullen deze verzoeken, zoals voor en tijdens de mondelinge behandeling is meegedeeld, worden afgesplitst en worden behandeld op een nader te bepalen datum.
Overleggen stukken
De vrouw verzoekt – na intrekking van een deel van het verzoek - de man te veroordelen binnen vier weken na het verzoek stukken over te leggen die dienen ter onderbouwing waaraan de via de Wise bankrekening van de man met nummer [nummer 2] verlopen geldbedragen zijn besteed met ook daarvan de afschriften als er sprake is van een bank-/investerings-cryptorekening of andere vermogensvorming van/voor de man.
De man voert verweer. Volgens de man voldoet het verzoek niet aan de in artikel 194 en 195 Rv gestelde eisen, namelijk de eisen van bepaaldheid, voldoende belang en concrete koppeling aan een rechtsbetrekking. Het verzoek van de vrouw betreft volgens de man een verzoek op onbegrensde informatie en is daarmee onbepaald. De man heeft reeds de bankafschriften van zijn bankrekening bij Wise overgelegd. Indien de vrouw vindt dat er ten aanzien van bepaalde transacties een nadere toelichting moet worden gegeven, had zij die transacties te benoemen. Dat heeft zij niet gedaan. Er is nu sprake van fishing expedition.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en het Nederlandse recht is van toepassing.
7
De rechtbank overweegt als volgt. Het inleidend verzoekschrift is ingediend op 21 oktober 2024. Dit betekent dat de artikelen 194 en 195 Rv niet van toepassing zijn op de onderhavige procedure. Dit volgt immers uit artikel XIIA van de wet modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 843a Rv (oud). Dit artikel heeft een zwaardere toets voor toewijzing van het verzoek dan de thans geldende artikelen 194 en 195 Rv.
Ten aanzien van de vraag of een verzoek tot overlegging van of inzage in stukken voor toewijzing in aanmerking komt, stelt de rechtbank voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de verzoeker een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of uittreksel verzoeken van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Vast staat dat de vrouw inmiddels de beschikking heeft over de bankafschriften van de Wise bankrekening van de man. De vrouw laat na goed uit te leggen waarom zij daarnaast nog inzage wenst in thans nog door haar verlangde gegevens. Zo stelt zij onder meer niet – wat wel op haar weg had gelegen – welke transacties vragen bij haar oproepen. Met de man is de rechtbank van oordeel daarom dat het verzoek van de vrouw te veel weg heeft van een “fishing expedition”, waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.
4De beslissing
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2000 in [plaats 1] , Groot-Brittannië;
bepaalt dat de behandeling omtrent de verdeling wordt afgesplitst en verder zal gaan onder zaak- en rekestnummer C/13/788721 / FA RK 26-4348 en dat de behandeling van deze verzoeken wordt aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier op 14 augustus 2026. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
|
Partij |
Alimentatieplichtige |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
behoefte |
|
Tarieven |
2024-2 |
|
Datum uitdraai |
07-08-2026 |
|
|
|||||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
3.362 |
|||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
|||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.362 |
jaar |
||||
|
119a |
Bij: Netto inkomsten |
€ |
90.000 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
120a |
Netto besteedbaar inkomen (per maand) |
€ |
7.500 |
|
Partij |
Alimentatiegerechtigde |
|
Zaak |
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde |
|
Berekening |
behoefte |
|
Tarieven |
2024-2 |
|
Datum uitdraai |
07-08-2026 |
|
|
||||||
|
115/116 |
Heffingskorting en standaard heffingskorting |
- |
€ |
3.362 |
||
|
Specificaties voor post: 115/116 |
||||||
|
Algemene Heffingskorting |
€ |
3.362 |
jaar |
|||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige |
€ |
7.500 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
Ouders hebben in gezinsverband geleefd |
ja |
||||||
|
NBGI voor scheiding |
€ |
7.500 |
|||||
|
Tabel aantal kinderen |
2 |
||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
# |
Indexeren |
ja |
|||||
|
Startjaar |
2024 |
||||||
|
Eindjaar |
2026 |
||||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
Netto gezinsinkomen |
€ |
7.500 |
|||||
|
Af: kosten van de kinderen |
- |
€ |
1.470 |
||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Netto behoefte obv 60% |
€ |
3.618 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
||
|
# |
Indexeren |
ja |
|||||
|
Startjaar |
2024 |
||||||
|
Eindjaar |
2026 |
||||||
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3 sub a, onder i, van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (“Brussel II-ter”).
Artikel 3 sub c van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 (“Alimentatieverordening”).
Artikel 15 van de Alimentatieverordening jo. artikel 3 lid 1 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
Artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 (“Huwelijksvermogensverordening”).
Artikel 15 jo. artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
Artikel 4, lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
