Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4450

Essentie (gemaakt door AI)

Kinderalimentatie: behoefte en draagkracht. Vrouw stelt dat man naast Wajong-uitkering substantiële zwarte inkomsten uit nevenactiviteiten als geluidsman/dj heeft. Man betwist slechts kaal en erkent werkzaamheden met betaling in natura. Hof oordeelt dat kinderalimentatie prioriteit heeft en dat man zijn activiteiten zodanig moet inrichten dat hij geld ontvangt. Hof neemt € 3.500 netto per maand aan neveninkomsten ten tijde van relatie en thans, volgt berekeningen vrouw en verhoogt bijdrage naar € 442/€ 470,73/€ 492,38 per kind per maand.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Hof neemt zwarte inkomensten bij man aan - stellingen vrouw onvoldoende betwist
Vrouw stelt dat man naast uitkering substantiële zwarte inkomsten heeft. Hof overweegt dat KAL prioriteit heeft en dat man zijn activiteiten zodanig moet inrichten dat hij geld ontvangt in plaats van loon in natura. Bijdrage verhoogd.

Datum publicatie21-08-2026
Zaaknummer200.363.470/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2025:11748
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie behoefte en draagkracht. Zwarte inkomsten alimentatieplichtige. Man heeft stelling vrouw dat hij meer inkomsten heeft dan alleen een uitkering onvoldoende betwist. De vrouw heeft een groot aantal producties overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat de man vele nevenactiviteiten verricht. De man heeft daar niets anders dan een kale betwisting tegenover gesteld en ter mondelinge behandeling verklaard dat het klopt dat hij af en toe werkzaamheden verricht maar daar dingen in natura voor terug krijgt. Het hof is van oordeel dat kinderalimentatie een hoge prioriteit heeft en dat de man in het kader van zijn alimentatieverplichting voor de kinderen zijn vele (bij-)activiteiten zo hij daar geen (zwarte) betaling voor ontvangt zodanig dient in te richten dat hij daar geld voor ontvangt in plaats van genoegen te nemen met betaling in natura.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.363.470

(zaaknummer rechtbank Gelderland 446369)

beschikking van 9 juli 2026

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B. Anik,

en

[verweerder] ,

wonende in [woonplaats2] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Metin.

1De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 januari 2026;

  • het verweerschrift met producties;

  • een journaalbericht van mr. Anik van 21 mei 2026 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2026 plaatsgevonden.

Daarbij waren aanwezig:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3De feiten

3.1

De vrouw en de man zijn de ouders van:

  • [minderjarige1] , geboren [in] 2015 in [geboorteplaats] , en

  • [minderjarige2] , geboren [in] 2018 in [geboorteplaats] ,

over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent. De kinderen wonen bij de vrouw en staan onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI).

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding vastgesteld, de beslissing over het gezag aangehouden, en als omgangsregeling vastgesteld dat de kinderen begeleide omgang hebben met de man minimaal twee uur per week bij de man thuis, waarbij de (uitbreiding van de ) frequentie, de duur van de contacten en de wijze van begeleiding worden bepaald door de GI.

4Het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank -uitvoerbaar bij voorraad- , voorts bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 50,- per maand met ingang van 1 oktober 2024 en van € 53,25 per maand met ingang van 1 januari 2025 en het meer of anders verzochte afgewezen. De vrouw had verzocht een bijdrage vast te stellen van € 264,- per kind per maand per genoemde datum.

.

4.2

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 14 oktober 2025. De grief ziet op het inkomen van de man en raakt dus aan de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man. De vrouw verzoekt het hof de beschikking wat betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van 1 oktober 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van minimaal € 442,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2025 van minimaal € 537,- per kind per maand, telkens voor de eerste van de maand op een door haar aan te wijzen rekening dan wel een zodanige bijdrage vast te stellen als het hof redelijk acht.

4.3

De man voert verweer en hij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

5De overwegingen voor de beslissing

5.1

De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen zullen worden toegepast.

5.2

Het hof hanteert net als de rechtbank 1 oktober 2024 als ingangsdatum nu partijen daartegen niet hebben gegriefd.

5.3

De hoogte van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man zijn in geschil. Vast staat dat de man een Wajong uitkering ontvangt van € 18.766,- bruto per jaar of wel € 1.534,245 netto per maand ter vermeerderen met vakantiegeld. De vrouw stelt echter dat de man daarnaast nog extra (zwarte) inkomsten heeft. Volgens de vrouw werkt de man als geluidsman/dj in de entertainmentbranche. Zij stelt dat de man tijdens hun relatie naast zijn Wajong uitkering een inkomen had van circa € 3.500,- netto per maand uit zijn werkzaamheden als artiest. Deze inkomsten bron heeft de man na het beëindigen van de relatie voortgezet. Allereerst wijst zij op het uitgavenpatroon van de man die zij middels zijn eigen berichten op sociale media inzichtelijk heeft gemaakt. De man doet uitgaven en leeft op een wijze die niet passen bij de hoogte van de Wajong uitkering. Zij heeft meerdere concrete aanwijzingen en bewijsstukken overgelegd dat de man aanvullende inkomsten heeft. Uit Facebook berichten blijkt dat de man wordt ingehuurd als geluidsman bij evenementen van entertainer [naam] . Tevens deelt hij mede dat hij druk bezig is met een nieuwe set line array systeem en hij is voornemens een eigen bus met reclame aan te schaffen. Hij heeft deze inmiddels aangeschaft. Deze investeringen passen niet bij een hobby, maar bij een bedrijfsmatige activiteit waar structureel inkomsten uit worden gegenereerd. De man heeft dus meer draagkracht dan waarvan de rechtbank is uit gegaan. De man is ook muzikant en biedt op facebook en marktplaats zijn diensten aan. Hij werkt ieder weekend in de entertainmentbranche. Dat blijkt ook uit het rapport van Entrea Lindenhout en Facebookberichten. Hij heeft een motor, drie geluidsinstallaties ter waarde van € 15.000,-, twee auto’s op zijn naam, twee paarden in pensionstalling voor ruim € 800,- per maand, hij huurt opslagruimte voor geluidsinstallaties en gaat drie maal per jaar op vakantie.

5.4

De man betwist hetgeen de vrouw allemaal aanvoert niet, maar wel daaruit “zwarte” inkomsten te hebben. Het UWV heeft een onderzoek naar de man verricht en daarin is uit gesprekken en onderzoeksinformatie geconstateerd dat de stelling dat hij betaalde inkomsten uit werkzaamheden zou hebben niet klopt. Dat hij mee gaat naar feesten en daar werkzaamheden voor zijn rekening neemt wil niet zeggen dat hij inkomsten genereert. Voor zover hij werkzaamheden verricht doet hij dat vrijwillig en om niets. Hij krijgt daar in natura dingen voor terug zoals een gratis reis en verblijf op de plek waar hij dan is. De vele screenshots zijn dan ook nietszeggend.

5.5

Het hof is van oordeel dat de man de stelling van de vrouw dat hij meer inkomsten heeft dan alleen zijn Wajong uitkering onvoldoende heeft betwist. De vrouw heeft een groot aantal producties overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat de man vele nevenactiviteiten verricht. De man heeft daar niets anders dan een kale betwisting tegenover gesteld, zodat het hof er van uit gaat dat het inkomen van de man inderdaad meer omvat dan een uitkering. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het klopt dat hij af en toe werkzaamheden verricht als geluidsman maar dat hij daar in natura dingen voor terug krijgt zoals onlangs toen hij naar Turkije is geweest en voor de reis daarnaartoe en het verblijf niets hoefde te betalen. Het hof is van oordeel dat kinderalimentatie een hoge prioriteit heeft en dat de man in het kader van zijn alimentatieverplichting voor de kinderen zijn vele (bij-)activiteiten zo hij daar geen (zwarte) betaling voor ontvangt zodanig dient in te richten dat hij daar geld voor krijgt in plaats van genoegen te nemen met betaling in natura. Een ander oordeel zou het ‘omzeilen‘ van de onderhoudsverplichting voor kinderen voor een onderhoudsplichtige anders wel heel eenvoudig maken. Ook als opdrachtgevers staan op ‘zwarte’ vergoeding van werkzaamheden in de vorm van vergoeding in natura ontslaat dat de onderhoudsplichtige niet om die vergoeding in natura om te zetten in liquide middelen: de onderhoudsplichtige is verantwoordelijk voor de keuzes die hij in dat opzicht maakt, niet zijn opdrachtgevers. Gelet op het vorenstaande zal het hof ervan uitgaan dat de man tijdens de relatie van partijen, naast zijn Wajong uitkering, een bedrag van € 3.500,- per maand aan neveninkomsten als geluidsman had en dat hij dit nu nog steeds heeft.

Voor de behoefte- en draagkrachtberekeningen volgt het hof de door de vrouw overgelegde berekeningen die op dit extra inkomen zijn gebaseerd nu deze, met uitzondering van de meergenoemde neveninkomsten, voor het overige niet door de man zijn betwist. Nu de vrouw in haar berekeningen de neveninkomsten van de man heeft meegenomen als bruto inkomen waarover belasting verschuldigd is, terwijl zij in haar grieven verzoekt rekening te houden met netto inkomsten omdat het gaat om zwarte inkomsten, zal het hof de vrouw in haar berekening volgen en er ook van uitgaan dat het bruto inkomsten betreft.

Behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de man ten behoeve van de behoefte bepaling van de kinderen bedraagt volgens die berekening in 2024 € 3.537,- per maand.

Rekening houdend met het inkomen van de vrouw van € 27.258,- bruto per jaar bedroeg haar netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de behoeftebepaling van de kinderen

€ 2.272,- per maand zodat het gezamenlijk netto besteedbaar gezinsinkomen in 2024

€ 5.809,- per maand bedroeg. Het hof stelt met de vrouw de behoefte van de kinderen in 2024 op € 1.449,- ofwel € 724,- per kind per maand.

5.6

De draagkracht van partijen wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.270,- overige lasten], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 2.065,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met voormelde bedrag van € 1.270,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

Op grond daarvan berekent het hof de draagkracht van de man in 2024 op

70% [3.783-(0,3 x 3.783+1.270,-)]= € 965,- per maand.

De draagkracht van de vrouw bedraagt 70%[2.827-(0,3 x 2.827 + 1.270,-)= € 496,- per maand.

Partijen kunnen samen dus net in de behoefte van de kinderen voorzien. De draagkracht van de man en de vrouw heeft het hof met elkaar vergeleken en na aftrek van de zorgkorting dient de man € 442,- per kind per maand aan te wenden voor kinderalimentatie.

Geïndexeerd naar 2025 en 2026 bedraagt de kinderalimentatie respectievelijk € 470,73 en

€ 492,38 per kind per maand.

5.7

De vrouw heeft voor 2025 verzocht rekening te houden met een hoger bedrag

(€ 4.000,- per maand) aan neveninkomsten. Het hof volgt de vrouw daarin niet nu de vrouw . het verschil ten opzichte van de neveninkomsten in 2024 onvoldoende heeft onderbouwd en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom sprake is van een stijging met € 500,-

Het hof gaat daarom ook voor 2025 en 2026 uit van neveninkomsten van € 3.500,- per maand.

6De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de kinderalimentatie betreft, vernietigen en beslissen als volgt.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] met ingang van 1 oktober 2024 € 442,- per kind per maand, met ingang van 1 januari 2025 € 470,73 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 492,38 per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, R. Feunekes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733