Rechtbank Noord-Holland 18-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7687

Essentie (gemaakt door AI)

Erfbelasting. In geschil is de waardering van een legaat tot gebruik en bewoning van de woning voor één jaar. De rechtbank oordeelt dat het zinsdeel “van het leven van een persoon afhankelijk” in het UBSW niet “levenslang” betekent, maar dat het vruchtgebruik eindigt bij eerder overlijden. Waardering volgt de WOZ en 6%-regel, met factor 0,75 gelet op leeftijd belanghebbende. Rekening wordt gehouden met € 2.310 eigenaarslasten. Het beroep is gegrond; de aanslag wordt verminderd naar een belaste verkrijging van € 142.713.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Tijdelijk woonrecht kan toch levensafhankelijk zijn - waarderingsregels art. 6 UBSW van toepassing
Na overlijden vader mag zoon woning nog één jaar gebruiken. Hij stelt dat art. 6 Uitvoeringsbesluit Successiewet niet geldt, omdat zijn gebruiksrecht niet levenslang is. Rb: ‘levensafhankelijk’ ex art. 6 UBSW is niet hetzelfde als ‘levenslang’.

Datum publicatie19-08-2026
ZaaknummerAWB - 25 _ 5831
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfbelasting. In geschil is de waardering van een recht van gebruik en bewoning. De rechtbank oordeelt dat het zinsdeel “van het leven van een persoon afhankelijk”, zoals dat voorkomt in de successiewet, niet betekent “levenslang”, maar dat het vruchtgebruik eindigt bij een eventueel eerder overlijden van de vruchtgebruiker. Het gelijk is aan verweerder, maar het beroep wordt gegrond verklaard omdat verweerder zich in de loop van het geding op het standpunt heeft gesteld dat nog rekening kan worden gehouden met € 2.310 eigenaarslasten.

Volledige uitspraak


Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/5831

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, en heeft deze aanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026 te Haarlem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] . Belanghebbende is zonder bericht aan de rechtbank niet verschenen. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting onderzocht of belanghebbende behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting. De uitnodiging voor de zitting, met vermelding van plaats en tijdstip, is op 6 mei 2026 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Van de plaatsing van de uitnodiging in Mijn Rechtspraak is eveneens op 6 mei 2026 om 10:00 uur een e-mailnotificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Nu uit het voorgaande volgt dat belanghebbende tijdig en op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd om de zitting bij te wonen, heeft de rechtbank aan het niet aanwezig zijn van belanghebbende geen gevolgen verbonden.

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende is erfgenaam van [erflater] (hierna: erflater) die op 30 september 2022 overleed. In het testament van erflater was onder meer het volgende opgenomen:

“Erfstelling

Ik benoem mijn kinderen tot mijn enige erfgenamen. De regels van plaatsvervulling, met uitsluiting van plaatsvervulling in geval van onwaardigheid, zijn van toepassing.

Legaat

Mijn zoon [belanghebbende], (…) woont met zijn gezin bij mij op mijn erf. Ik legateer hem het recht om gedurende één jaar na mijn overlijden mijn woning, gebouwen en erf te blijven gebruiken. Hij hoeft zijn mede-erfgenamen geen vergoeding te betalen voor het gebruik maar dient wel alle lasten (zoals de gemeentelijke belastingen, de lasten van het hoogheemraadschap, de opstalverzekering, hypotheekrente en dergelijke) met betrekking tot de eigendom voor zijn rekening te nemen. Mijn woning, tuin, overige gebouwen en erf mag daarom niet eerder dan één jaar na mijn overlijden worden verkocht danwel tegen de waarde in het economisch verkeer toegedeeld aan één van mijn erfgenamen.”

2. De in het bovenstaande citaat bedoelde woning had voor het jaar 2022 een WOZ-waarde van € 512.000. De woning met bijbehorende bijgebouwen en grond is op 7 maart 2024 verkocht voor € 635.042.

3. Met dagtekening 10 juni 2025 heeft verweerder aan belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd, berekend naar een belaste verkrijging van € 470.226, als volgt gespecificeerd:

De nalatenschap € 451.355

Uit te keren legaten - 512.000

Te verdelen saldo -/- € 60.645

Erfdeel 1/3 van -/- € 60.645 -/- € 20.215

Legaat - 512.000

Totale verkrijging uit erfenis € 491.785

Vrijstelling - 21.559

Belaste verkrijging € 470.226

4. Per brief van 19 juni 2025, bij verweerder ontvangen op 23 juni 2025, heeft belanghebbende tegen de aanslag bezwaar gemaakt, zich op het standpunt stellend dat het legaat op nihil moet worden gewaardeerd.

5. Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2025 heeft verweerder de waarde van het legaat gesteld op € 23.040 en de aanslag verminderd tot een, naar een belaste verkrijging van € 144.252, als volgt gespecificeerd:

De nalatenschap € 451.355

Uit te keren legaten - 23.040

Te verdelen saldo € 428.315

Erfdeel 1/3 van € 428.315 € 142.771

Legaat - 23.040

Totale verkrijging uit erfenis € 165.811

Vrijstelling - 21.559

Belaste verkrijging € 144.252

6. Op 15 december heeft belanghebbende tegen de beslissing op bezwaar langs digitale weg beroep ingesteld.

Geschil
7. In geschil is de waardering van het legaat.

8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het legaat moet worden gewaardeerd op een waarde die ligt tussen € 10.000 en € 12.000 en heeft daarvoor aangevoerd dat het bij het legaat gaat om een gebruiksrecht dat maximaal één jaar duurt, waarvoor belanghebbende aan de andere erfgenamen geen vergoeding verschuldigd was, maar alle eigenaarslasten wel voor zijn rekening kwamen. Artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit successiewet (hierna: UBSW) biedt alleen grondslag voor toepassing van een kapitalisatiefactor bij levenslange of onbepaalde rechten. Nu het gaat om een gebruiksrecht van maximaal één jaar, ontbreekt een wettelijke basis voor toepassing van een levensduurafhankelijke factor. De door de inspecteur toegepaste factor 0,75 is daarom in strijd met de wet. Omdat de eigenaarslasten voor rekening kwamen van belanghebbende is sprake van een legaat onder last en moet het legaat worden gewaardeerd naar het netto voordeel. De bruto markthuur van een woning met een WOZ-waarde van € 512.000 ligt tussen de 3,5% en 4,5%, oftewel tussen € 18.000 en € 23.000. Na aftrek van de eigenaarslasten van € 7.210 per jaar, resteert een netto voordeel van ongeveer € 12.000 per jaar.

9. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het legaat op het juiste bedrag is vastgesteld en heeft daarvoor aangevoerd dat het legaat betreft het recht van bewoning voor één jaar. Dit dient voor de Successiewet te worden gewaardeerd als een genotsrecht. Voor de waardering van onroerende zaken en genotsrechten gelden voor de Successiewet

dwingende waarderingsvoorschriften. Ingevolge artikel 21, vijfde lid, van de Successiewet 1956 (hierna: SW) dienen woningen gewaardeerd te worden naar de WOZ-waarde die geldt voor het jaar van overlijden of het daaraan voorafgaand jaar. Artikel 21, veertiende lid, SW geeft aan dat regels worden gesteld voor de waardebepaling van het vruchtgebruik en het daarbij te hanteren percentage. In artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (hierna: UBSW) wordt het percentage gesteld op 6% en in artikel 5 en 6 UBSW zijn de kapitalisatiefactoren neergelegd. Omdat belanghebbende ten tijde van het overlijden van erflater 63 jaar oud was, is terecht de kapitalisatiefactor van 0,75 toegepast. In de loop van het geding heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat rekening kan worden gehouden met de voor rekening van belanghebbende komende eigenaarslasten. Ter zitting heeft verweerder daartoe gesteld dat de waarde van het vruchtgebruik met € 2.310 dient te worden verminderd.

11. Verweerder concludeert, naar de rechtbank begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de aanslag.

Beoordeling van het geschil

12. Gelet op de door partijen over en weer aangevoerde gronden spitst het geschil zich in feite toe op de vraag of artikel 6 van het UBSW van toepassing is. Volgens belanghebbende is dat niet het geval omdat het in die artikelen zou gaan om de waardering van een levenslang vruchtgebruik. Dit standpunt is onjuist. Het in die artikelen voorkomende zinsdeel “van het leven van een persoon afhankelijk” betekent niet levenslang, maar dat het vruchtgebruik eindigt bij een eventueel eerder overlijden van de vruchtgebruiker. De waarde van de woning van € 512.000 is niet in geschil, op grond van artikel 10 UBSW wordt het vruchtgebruik gewaardeerd op 6 % daarvan en, rekening houdend met de leeftijd van belanghebbende ten tijde van het overlijden, wordt met toepassing van artikel 6 UBSW daarop een factor toegepast van 0,75. De rechtbank sluit zich aan bij het in de loop van het geding ingenomen standpunt van verweerder dat vervolgens nog rekening kan worden gehouden met € 2.310 eigenaarslasten. De waarde van het vruchtgebruik is daarmee vast te stellen op € 512.000 x 0,06 x 0,75 -/- € 2.310 = € 20.730. De belaste verkrijging bedraagt daarmee € 142.713, als volgt gespecificeerd:

De nalatenschap

451.355

Uit te keren legaten

-

20.730

Te verdelen saldo

430.625

Erfdeel 1/3 van € 430.625

143.542

Legaat

-

20.730

Totale verkrijging uit erfenis

164.272

Vrijstelling

-

21.559

Belaste verkrijging

142.713

13. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan belanghebbende het griffierecht van € 53 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

₋ verklaart het beroep gegrond;

₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;

₋ vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbare verkrijging van € 142.713;

₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

    bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

    het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

    de naam en het adres van de indiener;

    de datum van verzending;

    een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

    e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733