Essentie (gemaakt door AI)
Vervangende toestemming verhuizing Verenigd Koninkrijk. Expat-gezin. Het hof stelt rechtsmacht vast: samenloop Brussel II-ter en HKV 1996; gewone verblijfplaats [minderjarige 1] blijft Nederland, zodat NL-rechter bevoegd blijft. Tweeconclusieregel staat toelating gewijzigde verzoeken moeder niet in de weg. Belangenafweging: noodzaak verhuizing vader aannemelijk; zwaar gewicht voor het in elkaars nabijheid opgroeien van de minderjarigen. Verzoeken vader tot verhuizing en inschrijving school [m2] en [m3] en wijziging hoofdverblijfplaats worden toegewezen; zorgschemaNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 19-08-2026 |
| Zaaknummer | 200.357.245/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Verhuizing met kind; Gezagsgeschil 1:253a BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming verhuizing Verenigd Koninkrijk. Expat-gezin. Belangenafweging. In belang van de minderjarigen om in elkaars nabijheid op te groeien. Rechtsmacht; samenloop Brussel II-ter en HKV 1996; gewone verblijfplaats. Tweeconclusieregel.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.357.245/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-349 en FA RK 25-727
zaaknummer rechtbank : C/09/678737 en C/09/679511
beschikking van de meervoudige kamer van 10 december 2025
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in het Verenigd Koninkrijk,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te Den Haag
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Groenleer te Den Haag.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, [regio] ,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag (hierna ook: de rechtbank) van 7 februari 2025 (hierna te noemen: de tussenbeschikking) en de eindbeschikking van 24 april 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
De vader is op 23 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder heeft op 1 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De vader heeft op 17 oktober 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- een journaalbericht van 19 augustus 2025, met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2025;
van de zijde van de moeder:
- een journaalbericht van 1 september 2025, met bijlagen, ingekomen op 9 september 2025;
- een journaalbericht van 15 oktober 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
De minderjarige [minderjarige 2] heeft zijn mening per brief kenbaar gemaakt. De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] gesproken.
De mondelinge behandeling heeft op 30 oktober 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Voor de vader is [tolk] opgetreden als tolk in de Engelse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat alsmede door mr. J.M. Bekooij, kantoorgenoot van haar advocaat. Voor de moeder is [tolk] opgetreden als tolk in de Engelse taal;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnotitie overgelegd en deze (deels) voorgedragen.
3De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2015 te [huwelijksplaats] , Verenigd Koninkrijk.
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , Verenigd Koninkrijk (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , Verenigd Koninkrijk (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.
De vader, de moeder en de minderjarigen zijn Britse burgers.
In het Verenigd Koninkrijk is een echtscheidingsprocedure aanhangig.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2024 zijn voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat, voor zover in hoger beroep van belang, de minderjarigen zijn toevertrouwd aan de moeder.
Bij tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 7 februari 2025 is:
- ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 1] , een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] :
- weekend 1: bij de vader verblijft;
- weekend 2: bij de vader verblijft, samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;
- weekend 3: bij de moeder verblijft, samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;
- weekend 4: bij de moeder verblijft op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur en voor het overige bij de vader;
- ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :
- gedurende de eerste drie weken steeds op zondag bij de vader zijn gedurende respectievelijk, drie, vier en vijf uur;
- vervolgens drie keer om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zijn;
- vervolgens om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader zijn, waarbij wordt aangesloten op het schema voor [minderjarige 1] ;
- ten aanzien van alle drie de minderjarigen een voorlopige verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld, waarbij de meivakantie en zomervakantie 2025 bij helfte worden verdeeld;
- de moeder toestemming verleend - welke die van de vader vervangt - om:
- met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar het Verenigd Koninkrijk te reizen van 21 februari 2025 tot en met 28 februari 2025;
- met de minderjarigen naar het Verenigd Koninkrijk te reizen gedurende de schoolvakanties, conform de vakantieregeling, waarbij de moeder uiterlijk twee weken van tevoren aan de vader haar reis bekend maakt, voorzien van reis- en verblijfsgegevens;
- de moeder toestemming verleend - welke die van de vader vervangt - om de minderjarigen aan te melden en een behandeling te ondergaan ten aanzien van hun psychische gezondheid bij dr. [naam] en/of [naam] van Praktijk [naam praktijk].
De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De verdere behandeling van het verzoek tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en vaststelling van een verdeling van de vakanties is aangehouden tot een nader te bepalen zitting, tegelijkertijd met het verzoek inzake de vervangende toestemming verhuizing.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, - met wijziging in zoverre van de beschikking van 7 februari 2025 - :
- bepaald dat de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
- de volgende zorgregeling tot aan de zomer van 2025 vastgesteld ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn van zaterdag 19 april 2025 van 9.00 uur tot maandag 21 april 2025 17.00 uur bij de vader;
- [minderjarige 1] zal op vrijdag 25 april 2025 uit school tot zondag 27 april 2025 17.00 uur bij de moeder verblijven (waar [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook zijn);
- in het weekend van 3/4 mei 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder zijn (weekend 3);
- in het weekend van 10/11 mei 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij [minderjarige 1] op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de moeder is en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader zijn (weekend 4);
- in het weekend van 17/18 mei 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij [minderjarige 1] bij de vader verblijft en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder (weekend 1);
- in het weekend van 24/25 mei 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader zijn (weekend 2);
- in het weekend van 31 mei en 1 juni 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder zijn (weekend 3);
- in het weekend van 7/8 juni 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij [minderjarige 1] op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de moeder is en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader zijn (weekend 4);
- in het weekend van 14/15 juni 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij [minderjarige 1] bij de vader verblijft en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder (weekend 1);
- in het weekend van 21/22 juni 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader zijn (weekend 2);
- in het weekend van 28/29 juni 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder zijn (weekend 3);
- in het weekend van 5/6 juli 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij [minderjarige 1] op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de moeder is en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader zijn (weekend 4);
- in het weekend van 12/13 juli 2025 wordt de reguliere zorgregeling gevolgd zoals vastgelegd in de beschikking van 7 februari 2025 waarbij [minderjarige 1] bij de vader verblijft en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder (weekend 1);
- een verdeling van de zomervakantie van 2025 vastgesteld, inhoudende:
- in de eerste week van de vakantie, te weten 19 juli 2025 10.00 uur tot zaterdag 26 juli 10.00 uur, zullen de minderjarigen bij de vader verblijven;
- in de tweede, derde en vierde week van de vakantie, te weten van 26 juli 2025 10.00 uur tot zaterdag 16 augustus 2025 10.00 uur, zullen de minderjarigen bij de moeder verblijven;
- in de vijfde en zesde week van de vakantie, te weten 16 augustus 10.00 uur tot 30 augustus 10.00 uur, zullen de minderjarigen naar Engelandvliegen om bij de vader te verblijven;
- bepaald dat voor de periode na de zomer van 2025 en tot de zomer van 2026 het schema zoals in de bestreden beschikking onder het kopje ‘Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na de zomer van 2025’ wordt gevolgd;
- bepaald dat - indien [minderjarige 1] na de zomer van 2025 in Engeland woont - [minderjarige 1] één keer per maand voor een weekend naar Nederland vliegt om bij de moeder en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verblijven;
- de vader toestemming verleend - onder de voorwaarde dat [minderjarige 1] zijn examens haalt -, welke die van de moeder vervangt, om per augustus 2025 met [minderjarige 1] naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk te verhuizen;
- de moeder toestemming verleend, welke die van de vader vervangt, om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan te melden en een behandeling te ondergaan ten aanzien van hun psychische gezondheid bij [hulpverleningsinstantie] .
De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De vader verzoekt het hof bij beschikking, de bestreden beschikking te vernietigen en, [opnieuw rechtdoende:] de verzoeken van de vader alsnog toe te wijzen en daarmee uitvoer bij voorraad te bepalen dat:
A. de vader vervangende toestemming wordt verleend om ook met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk, te verhuizen;
B. de vader vervangende toestemming te verlenen om ook [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in te schrijven op [school] in [plaats] ;
C. te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij toewijzing van het verzoek van de vader bij de vader zullen hebben, tenzij de moeder ook in [plaats] , Verenigd Koninkrijk zal gaan wonen;
D. te bepalen dat in scenario 1 (iedereen woont in [plaats] , Verenigd Koninkrijk) primair een co-ouderschapsregeling zal gelden waarbij de minderjarigen de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder, de vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld en subsidiair dat de minderjarigen bij de vader verblijven een weekend per veertien dagen, en in de andere week de maandag en dinsdag en de helft van de vakanties en feestdagen,
in scenario 2 (de minderjarigen en de vader wonen in [plaats] ) de moeder de minderjarigen eens per veertien dagen bezoekt, en de minderjarigen de moeder eens per maand in Nederland bezoeken, waarbij de vader tijdens de minderjarigheid van de kinderen de reiskosten van de moeder voor zijn rekening neemt, de reiskosten van de minderjarigen naar Nederland compenseert tot een bedrag van € 500,- per maand en de moeder compenseert met een bedrag van € 1.000,- per maand voor de accommodaties tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk zolang zij in Nederland woont, evenals dat alle vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld, met uitzondering van de paasvakantie en zomervakantie. In de zomervakantie verblijven de minderjarigen twee weken langer bij de moeder dan bij de vader en in de paasvakantie verblijven de minderjarigen een week langer bij de moeder dan bij de vader;
en in scenario 3 (de minderjarigen en de moeder verblijven in Nederland) de minderjarigen bezoeken de vader eens per veertien dagen een weekend van vrijdag uit school tot zondagavond, de helft van de vakanties en feestdagen met uitzondering van de voorjaarsvakantie en de zomervakantie. De minderjarigen verblijven jaarlijks in de voorjaarsvakantie bij de vader en in de zomervakantie twee weken meer bij de vader dan bij de moeder. Waarbij de moeder de minderjarigen zal brengen naar het vliegveld in Engeland en daar aan het einde van het weekend of vakantie weer zal ophalen.
De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, behoudens voor zover de rechtbank het verzoek van de vader om met [minderjarige 1] naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen, heeft toegewezen, en de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder het hof het inleidende verzoek van de vader om met [minderjarige 1] naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen, alsnog af te wijzen.
De vader verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de
moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep en, subsidiair haar verzoeken af te wijzen.
De moeder heeft bij voornoemd journaalbericht van 15 oktober 2025 haar verzoeken gewijzigd. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen:
1) met uitzondering van de locatie van de volgende 3 contactmomenten: het weekend van 21 november 2025, van 13 februari 2026 en van 24 mei 2026 en op dit punt de bestreden beschikking te vernietigen en in plaats daarvan opnieuw beschikkende te bepalen dat deze contactmomenten plaatsvinden in Nederland in plaats van in het Verenigd Koninkrijk;
2) voor zover de rechtbank het verzoek van de vader om met [minderjarige 1] naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen, heeft toegewezen en, opnieuw beschikkende, bij wijze van incidenteel hoger beroep: het verzoek van de vader tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar Engeland te verhuizen, alsnog af te wijzen.
De vader heeft in zijn verweerschrift op het incidenteel hoger beroep (onder punt 23) verzocht de moeder ter zake van het aanvullende incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof is van oordeel dat de aard van het onderhavig geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. Van strijd met de tweeconclusieregel is derhalve geen sprake. Voor beslissingen van de rechter op de, op de voet van art. 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gedane verzoeken – zoals in deze zaak aan de orde – geldt dat deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW) . Om deze redenen is het ook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek, gewettigd dat de rechter in hoger beroep rekening mag – en in beginsel ook moet – houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt (zie recentelijk Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764, r.o. 3.2). Van strijd met de goede procesorde is evenmin gebleken. Het hof zal de door de moeder gewijzigde verzoeken in haar journaalbericht van 15 oktober 2025 dan ook toelaten.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het hof dient allereerst ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de onderhavige zaak kennis te nemen. De verzoeken zijn kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid en vallen daarmee onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter).
Omdat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter rechtsmacht toe om over de verzoeken ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid die betrekking hebben op [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te oordelen.
Ten aanzien van de verzoeken ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid die betrekking hebben op [minderjarige 1] overweegt het hof als volgt. Niet in geschil is dat [minderjarige 1] ten tijde van het aanhangig maken van de procedure in eerste aanleg (waaronder ten tijde van het zelfstandige verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming om per augustus 2025 met de minderjarigen te verhuizen naar het Verenigd Koninkrijk) zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, zodat de Nederlandse rechter in beginsel rechtsmacht toekomt. Het hof stelt vast dat [minderjarige 1] inmiddels (sinds medio augustus 2025) met zijn vader in het Verenigd Koninkrijk verblijft. Het Verenigd Koninkrijk is geen EU-lidstaat, maar is wel partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996). Anders dan onder Brussel II-ter, moet bij de beoordeling van de rechtsmacht onder het HKV 1996 niet worden uitgegaan van het moment van de procesinleiding (perpetuatio fori) maar van het moment van beslissen.
Ingeval van samenloop van Brussel II-ter en het HKV 1996, bepaalt artikel 97 lid 1 sub a Brussel II-ter dat Brussel II-ter van toepassing is indien het kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een EU-lidstaat heeft.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 14 juli 2022 (zaak C-572/21) naar aanleiding van een prejudiciële vraag uitleg gegeven aan artikel 8, eerste lid, Brussel II-bis (thans artikel 7, eerste lid, Brussel II-ter), gelezen in samenhang met artikel 61 onder a Brussel II-bis (thans artikel 97 lid 1 onder a Brussel II-ter). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat deze artikelen aldus moeten worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat waarbij een geding ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, eerste lid, Brussel II-bis (thans artikel 7, eerste lid, Brussel II-ter) om uitspraak te doen in dat geding niet behoudt indien de gewone verblijfplaats van het kind in de loop van het geding rechtmatig is overgebracht naar het grondgebied van een derde staat die partij is bij het HKV 1996.
Het feitelijke begrip “gewone verblijfplaats” moet volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Het hof is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] nog steeds in Nederland is gelegen. Daartoe overweegt het hof als volgt. Voor de verhuizing naar het Verenigd Koninkrijk heeft [minderjarige 1] bijna zeven jaar aaneengesloten in Nederland gewoond. Sinds de – gelet op de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing in de bestreden beschikking – rechtmatige verhuizing van [minderjarige 1] naar het Verenigd Koninkrijk is [minderjarige 1] , in het kader van de zorgregeling met de moeder, meerdere keren teruggekeerd naar Nederland. Het hof is van oordeel dat het verblijf van slechts enkele maanden van [minderjarige 1] in het Verenigd Koninkrijk nog te kort is om van een voldoende bestendig verblijf aldaar te kunnen spreken. [minderjarige 1] staat bovendien nog steeds ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen. Gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van het hof (nog) geen sprake van dat het Verenigd Koninkrijk de plaats is waar het centrum van het maatschappelijk bestaan van [minderjarige 1] zich bevindt. Nu het hof van oordeel is dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] (nog) niet is overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk en dus in Nederland is, is de Nederlandse rechter nog steeds bevoegd om van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid kennis te nemen.
Partijen hebben geen grief gericht tegen de toepassing van Nederlands recht, zodat het hof ook in hoger beroep van toepassing van het Nederlands recht zal uitgaan.
Vervangende toestemming verhuizing
Standpunten betrokkenen
De vader voert, samengevat, het navolgende aan. Partijen zijn in 2018 voor een periode van twee jaar naar Nederland gekomen toen de vader een aanbod kreeg om tijdelijk in Nederland te werken. Zij zijn echter altijd voornemens geweest om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk. Zij hebben met het oog daarop een gezinswoning in [plaats] gekocht. Het gezin keerde ook altijd terug naar dit huis als het gezin in Engeland verbleef. Daarnaast hebben partijen geïnvesteerd in onroerend goed in het Verenigd Koninkrijk om bij terugkeer inkomsten te genereren uit de verhuur omdat de vader bij terugkeer een terugval in inkomen zou hebben en ter aanvulling op hun pensioen. Het contract van de vader is door covid en de opleiding van de moeder twee keer verlengd maar het gezin zou in 2024 terugkeren naar Engeland. Enkel door het eindexamen van [minderjarige 1] is dat nog verlengd tot de zomer van 2025. De vader stelt dat het verblijf in Nederland altijd als tijdelijk is bedoeld door de uitzonderlijke verdienmogelijkheid van de vader bij [werkgever] . Volgens de vader is de moeder, gelet op de gemaakte afspraken tussen partijen, gehouden tot het verlenen van toestemming aan de vader om met de minderjarigen naar Engeland terug te keren. Voorts stelt de vader dat zijn belang om met de minderjarigen te verhuizen zwaarder weegt dan het belang van de moeder om met de minderjarigen in Nederland te blijven. De vader is genoodzaakt om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk vanwege zijn werk – de vader is werkzaam in een specifieke nichemarkt, is bovendien kostwinnaar en moet door de inmiddels in Engeland – in het kader van de echtscheidingsprocedure die daar aanhangig is – gedane rechterlijke uitspraak een zeer hoge bijdrage aan alimentatie aan de moeder voldoen (7.000 pond per maand). Het is bovendien in het belang van de minderjarigen dat de financiële zekerheid blijft bestaan. Voorts is de verhuizing in het belang van de minderjarigen. De minderjarigen kunnen profiteren van beter onderwijs in hun eigen taal, zij worden herenigd met hun familie, cultuur en eigen omgeving. Zij zijn ook bekend met Engeland, want het gezin bracht daar elk jaar nagenoeg alle vakanties en feestdagen door. De vader is bereid om de moeder te ondersteunen indien zij ook naar [plaats] terugkeert. De vader is zelfs bereid om de moeder alsdan haar intrek te laten nemen in de woning die hij heeft gehuurd. De vader zal alsdan een appartement voor zichzelf zoeken.
De moeder voert, samengevat, het navolgende aan. Partijen hebben geen afspraken gemaakt om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk. Partijen leven inmiddels al 7,5 jaar met de minderjarigen in Nederland. Een verhuizing van de vader naar het Verenigd Koninkrijk is niet noodzakelijk maar tijdelijk. De vader heeft in de procedure in het Verenigd Koninkrijk verklaard dat zijn dienstverband mogelijk in december 2025 zal eindigen. Voorts stelt de moeder dat het niet in het belang van de minderjarigen is om te verhuizen naar het Verenigd Koninkrijk. De minderjarigen zijn geworteld in Nederland, zij gaan hier naar school en hebben hier hun vriendjes en vriendinnetjes. Daarnaast is de vader niet in staat om de zorgtaken van de minderjarigen te dragen. De ouders hebben altijd uitvoering gegeven aan een traditioneel rollenpatroon, de vader werkt en de moeder zorgt voor de minderjarigen. Een verhuizing met de vader naar het Verenigd Koninkrijk zal voorts het contact met de moeder ernstig beperken. Dit zal onrust, stress en onzekerheid bij de minderjarigen veroorzaken. De moeder maak zich zorgen over het welzijn, de emotionele gezondheid en onderwijs continuïteit van de minderjarigen bij de verhuizing. Voorts is de communicatie tussen de ouders sinds maart 2025 vrijwel volledig verbroken. De moeder vreest dat de vader bij een verhuizing naar het Verenigd Koninkrijk alle communicatie zal staken.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. Het gezin is, door de verhuizing van [minderjarige 1] naar het Verenigd Koninkrijk, in tweeën gesplitst. Het is van belang dat er goed contact blijft tussen de minderjarigen en onbelast contact tussen de niet verzorgende ouder en de minderjarigen. De minderjarigen zitten klem en de spanning in de strijd tussen de ouders heeft een grote invloed op de minderjarigen. Het is voor de minderjarigen van belang dat er duidelijkheid en stabiliteit komt. De belangen van de minderjarigen dienen het zwaarst te wegen. De minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geworteld in Nederland maar dit betekent niet dat zij niet ergens anders eveneens op kunnen groeien.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. Indien een van de ouders met het kind naar het buitenland wenst te verhuizen en de andere ouder daarmee niet instemt, kunnen de ouders op grond van artikel 1:253a lid 1 BW een beslissing vragen over dit geschil. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen (zie o.a. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901). Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. Wanneer de ouders het evenmin eens zijn over de vraag bij wie de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben, behelst een beslissing tot verlening van de gevraagde toestemming om met de minderjarigen naar het buitenland te verhuizen tevens een beslissing als bedoeld in artikel 1:253a lid 2, aanhef en onder b, BW (zie ook de conclusie van A- G Coenraad van 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1046, onder 3.5).
Het hof stelt het navolgende vast. Partijen hebben tot 2018 met elkaar als gezin in het Verenigd Koninkrijk gewoond. In 2018 zijn partijen vanwege het werk van de vader met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland verhuisd. [minderjarige 1] was toen 9 jaar en [minderjarige 2] 2 jaar oud. De detacheringsovereenkomst van de vader is gedurende het verblijf van partijen in Nederland enkele keren verlengd.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de vader voldoende heeft onderbouwd dat er voor hem een noodzaak bestaat om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk. De vader is werkzaam als directeur [functie] bij [werkgever] (gevestigd in het Verenigd Koninkrijk). De vader is als specialist werkzaam in een specifieke nichemarkt die hem bindt aan een beperkt aantal werkgevers en locaties. Er zijn in Nederland geen organisaties waar de vader een vergelijkbare positie kan vervullen. De werkgever van de vader heeft daarnaast nadrukkelijk bij de vader aangegeven dat een nadere verlenging van de detachering niet langer tot de mogelijkheden behoort. De vader heeft belang bij behoud van zijn baan, vanwege de financiële zekerheid voor het gezin en de – door de moeder onweersproken – (aanzienlijke) alimentatieverplichting die hem inmiddels in de echtscheidingsprocedure in Engeland is opgelegd. Dat het arbeidscontract van de vader in december 2025 zal eindigen zoals door de moeder is aangevoerd, is door de vader betwist en door de moeder niet onderbouwd. Door de moeder is betwist dat partijen altijd de intentie hebben gehad om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk. Het hof acht echter voldoende aannemelijk geworden dat het de bedoeling van partijen is geweest om slechts tijdelijk in Nederland te verblijven en om na afloop van het contract van de vader met het gezin terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk. Het hof heeft daartoe de navolgende omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien in aanmerking genomen. De vader werkte als expat in Nederland op basis van een tijdelijk contract. Partijen hebben reeds in 2019 een nieuwe (gezins-)woning aangekocht in het Verenigd Koninkrijk, volgens de vader met de bedoeling om zich daar te gaan vestigen. Partijen verbleven tijdens hun verblijf in Nederland kennelijk nagenoeg alle vakanties in hun eengezinswoning in Engeland. Partijen hebben geïnvesteerd in onroerend goed in het Verenigd Koninkrijk. De minderjarigen volgden in Nederland tweetalig onderwijs en in het gezin werd met elkaar Engels gesproken. Zoals ook ter zitting is gebleken, spreken partijen geen Nederlands. De ouders bewoonden in Nederland ‘slechts’ een huurwoning die bovendien door de werkgever van de vader ter beschikking was gesteld. Het hof is van oordeel dat aangezien in deze zaak sprake is van een (oorspronkelijk) ‘expat-gezin’, deze zaak dan ook afwijkt van een ‘reguliere’ verhuiszaak met de daarvoor in de feitenrechtspraak ontwikkelde ‘verhuiscriteria’. Desalniettemin is het hof van oordeel dat de ‘verhuiscriteria’ die in reguliere verhuiszaken een rol kunnen spelen, ook in deze zaak tot de slotsom leiden dat de vader – zoals ook blijkt uit zijn hoger beroepschrift en toelichting ter zitting – de verhuizing goed heeft doordacht en geconcretiseerd, zowel voor wat betreft de huisvesting, de schoolgang, de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, de compensatie van de financiële gevolgen voor de moeder als de eventuele zorgregeling indien de moeder in Nederland zou blijven wonen.
Het hof overweegt ten aanzien van het belang van de minderjarigen als volgt. Het hof is van oordeel dat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen in hun belang is om zowel een band met beide ouders als met elkaar te behouden. Het hof acht het dan ook van groot belang voor de minderjarigen dat zij in elkaars nabijheid opgroeien en niet op grote afstand van elkaar worden gescheiden. [minderjarige 1] volgt inmiddels onderwijs in Engeland. De raad heeft haar zorgen geuit over het huidige contact tussen de minderjarigen en de andere ouder alsook het contact tussen de minderjarigen onderling. Het hof is verder gebleken dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet wordt uitgevoerd. Ook is er niet of nauwelijks contact geweest tussen de minderjarigen onderling. Wie daar debet aan is, is voor het hof niet vast te stellen. Het lijkt erop dat de ouders en de minderjarigen onder de huidige omstandigheden verder uit elkaar worden gedreven, hetgeen het hof schadelijk acht voor de minderjarigen. Het hof acht het in het belang van de minderjarigen dat hun onderlinge band niet verder verslechtert en weer zo spoedig mogelijk wordt hersteld, zeker nu de minderjarigen al last van de spanningen tussen de ouders lijken te ondervinden. Verder stelt het hof vast dat de minderjarigen de afgelopen zeven jaar met de ouders in Nederland hebben gewoond en dat het sociale leven van de minderjarigen zich in deze periode in Nederland heeft afgespeeld. Het hof begrijpt dat de minderjarigen hun school, vrienden en hobby’s hier hebben, maar is met de raad van oordeel dat dit echter niet betekent dat zij niet in het Verenigd Koninkrijk kunnen aarden/opgroeien. De vader en de moeder hebben er destijds, in 2018, gezamenlijk voor gekozen om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het werk van de vader naar Nederland te verhuizen. [minderjarige 1] had toen ongeveer dezelfde leeftijd als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nu. Dit was voor de vader en de moeder toentertijd kennelijk geen beletsel om naar een ander land te verhuizen. Niet valt in te zien waarom een (terug)verhuizing voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op deze leeftijd nu niet in hun belang zou zijn. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de minderjarigen vertrouwd zijn met het Verenigd Koninkrijk nu zij daar in vakanties zeer regelmatig naar terugkeren, met de familie van partijen die er woonachtig is en met de Engelse cultuur. Daarnaast hebben de minderjarigen altijd tweetalig onderwijs gevolgd ter beheersing van hun moedertaal, het Engels, en wordt er binnen het gezin enkel Engels gesproken. Het hof is verder gebleken dat de vader de zorg voor de minderjarigen kan dragen, nu de vader sinds augustus 2025 de zorg voor [minderjarige 1] heeft. Het niet gescheiden van elkaar opgroeien dient gelet op dit alles zwaarder te wegen.
Het hof overweegt ten aanzien van het belang van de moeder als volgt. Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich geworteld voelt in Nederland en daar graag met de minderjarigen wil blijven wonen. Over de feitelijke situatie van de moeder is het hof duidelijk geworden dat zij in Nederland in een huurwoning woont. De moeder heeft in Nederland een opleiding afgerond, waarmee zij beoogt binnen het [werkgebied] werkzaam te zijn, maar op dit moment heeft de moeder geen baan in Nederland. Ook de moeder heeft overigens familie, waaronder een kind uit een eerdere relatie, in het Verenigd Koninkrijk wonen.
Alle belangen tegen elkaar afwegend is het hof van oordeel dat het belang en de wens van de vader om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk – en de belangen van de minderjarigen zelf – in dit geval zwaarder wegen dan het belang en de wens van de moeder dat de minderjarigen in Nederland bij haar blijven wonen. Het hof heeft daarbij betrokken dat de moeder door na te noemen zorgregeling en de door de vader aangeboden ruime onkostenvergoeding in de gelegenheid wordt gesteld onbelast contact met de minderjarigen te hebben. Nu de rechtbank reeds aan de vader toestemming heeft verleend om met [minderjarige 1] te verhuizen naar het Verenigd Koninkrijk, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. Het hof zal aan de vader toestemming verlenen om met de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk te verhuizen.
Hoofdverblijfplaats
Gelet op het feit dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen ten aanzien van de vervangende toestemming tot verhuizing van [minderjarige 1] naar het Verenigd Koninkrijk, het hof de vader toestemming verleent om met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen en de vader de minderjarigen bij hem dient in te schrijven, acht het hof het om die reden in het belang van de minderjarigen om het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem, toe te wijzen. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vernietigen.
Het hof begrijpt uit het verzoek van de vader dat hij zich niet zal verzetten tegen de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder, indien zij zich eveneens in [plaats] , Verenigd Koninkrijk zal vestigen. Indien de moeder eveneens besluit te verhuizen naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk, acht het hof het in het belang van de minderjarigen dat zij hun hoofdverblijf bij de moeder zullen hebben.
Vervangende toestemming inschrijving [school] [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
Bovenstaande beslissing brengt voorts met zich dat het samenhangende verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in te schrijven op de [school] te [plaats] , Verenigd Koninkrijk, eveneens zal worden toegewezen, mede nu de moeder geen inhoudelijke bezwaren naar voren heeft gebracht tegen deze school en niet is gebleken dat deze school niet in het belang van de minderjarigen is.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Het hof overweegt als volgt. Nu aan de vader eveneens vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen en de moeder in Nederland woont, zal het hof de zorgregeling zoals door de vader voorgesteld onder ‘scenario 2’ vaststellen, inhoudende: dat de moeder de minderjarigen eens per veertien dagen bezoekt, en de minderjarigen de moeder eens per maand in Nederland bezoeken, waarbij de vader tijdens de minderjarigheid van de kinderen de reiskosten van de moeder voor zijn rekening neemt, de reiskosten van de minderjarigen naar Nederland compenseert tot een bedrag van € 500,- per maand en de moeder compenseert met een bedrag van € 1.000,- per maand voor de accommodaties tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk zolang zij in Nederland woont, evenals dat alle vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld, met uitzondering van de paasvakantie en zomervakantie. In de zomervakantie verblijven de minderjarigen twee weken langer bij de moeder dan bij de vader en in de paasvakantie verblijven de minderjarigen een week langer bij de moeder dan bij de vader.
De moeder heeft geen inhoudelijke bezwaren naar voren gebracht tegen deze zorgregeling en het hof acht deze zorgregeling in het belang van de minderjarigen. Gelet op het vorenstaande zal het hof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling vernietigen.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het de afwijzing van het verzoek van de vader om vervangende toestemming om met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verhuizen naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk, de afwijzing van het verzoek van de vader om vervangende toestemming om [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in te schrijven op [school] te [plaats] , de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
verleent aan de vader – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder – toestemming om met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verhuizen naar [plaats] , Verenigd Koninkrijk;
verleent aan de vader – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder – toestemming tot inschrijving van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de [school] te [plaats] , Verenigd Koninkrijk;
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader zal zijn;
stelt de zorgregeling als volgt vast:
- de moeder bezoekt de minderjarigen eens per veertien dagen, en de minderjarigen bezoeken de moeder eens per maand in Nederland, waarbij de vader tijdens de minderjarigheid van de minderjarigen de reiskosten van de moeder voor zijn rekening neemt, de reiskosten van de minderjarigen naar Nederland compenseert tot een bedrag van € 500,00 per maand en de moeder compenseert met een bedrag van € 1.000,00 per maand voor de accommodaties tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk zolang zij in Nederland woont, evenals dat alle vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld, met uitzondering van de paasvakantie en zomervakantie. In de zomervakantie verblijven de minderjarigen twee weken langer bij de moeder dan bij de vader en in de paasvakantie verblijven de minderjarigen een week langer bij de moeder dan bij de vader;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, C.M. van der Kleijn en M.A.J. Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. F. Spieker als griffier en is op 10 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
