Essentie (gemaakt door AI)
Artikel 2 lid 1 Wth; beroep tegen tijdelijk huisverbod waarin wordt geoordeeld dat de burgemeester niet bevoegd is het verbod op te leggen omdat man niet in de woning van vrouw woonde of gedeeltelijk woonde. Dagelijks langskomen voor de kinderen kwalificeert niet als (gedeeltelijk) wonen. Vaste lijn ABRvS bevestigt dat “anders dan incidenteel verblijven” ziet op anderen dan de uithuisgeplaatste. Beroep is gegrond, besluit vernietigd. Burgemeester wordt veroordeeld in de proceskosten.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 18-08-2026 |
| Zaaknummer | C/03/343625 / FA RK 25-1510 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 2 lid 1 Wth; beroep; burgemeester was niet bevoegd om tijdelijk huisverbod op te leggen omdat eiser niet in de betreffende woning woonde of gedeeltelijk woonde;Volledige uitspraak
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 23 juli 2026
C/03/343625 / FA RK 25-1510Zaaknummer: C/03/343625 / FA RK 25-1510
Uitspraak van 30 juni 2026 als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
in de zaak van:
[de man] ,
eiser,
hierna te noemen: de man,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. R.W.P. Krijnen, kantoorhoudend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen,
tegen:
de burgemeester van de gemeente Heerlen,
verweerder,
hierna te noemen: de burgemeester,
gemachtigde: mr. S. Quaedvlieg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonend in [plaats] ,
Betrokken minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] .
1Ontstaan en procesverloop
De burgemeester heeft bij beschikking (besluit) van 3 juli 2025 14.10 uur aan de man voor een periode van tien dagen, derhalve tot 13 juli 2025 14.10 uur, een huisverbod opgelegd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth), voor de woning gelegen aan [adres] te [plaats] .
De man heeft bij beroepschrift (met bijlagen) van 11 juli 2025, ontvangen op 11 juli 2025, beroep ingesteld tegen deze beschikking (hierna ook te noemen: het bestreden besluit). Daarbij heeft de man verzocht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.
De burgemeester heeft bij brief van 4 augustus 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht. Het betreft:
-
een document genaamd ‘Situatie ter plaatse’ van 3 juli 2025;
-
een document genaamd ‘Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld’ (hierna te noemen: RiHG) van 3 juli 2025;
-
een document genaamd ‘Proces-verbaal van bevindingen HOvJ voor een beslissing huisverbod’ van 3 juli 2025;
-
de bestreden beschikking van 3 juli 2025;
-
een document genaamd ‘Zorgadvies t.b.v. het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod’ van 10 juli 2025;
-
een document genaamd ‘Beleidsadvies t.b.v. het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod’ van 11 juli 2025;
-
de beschikking van de burgemeester van 11 juli 2025 waarin is besloten dat het huisverbod niet wordt verlengd;
-
een document genaamd ‘Episode journaal’, ongedateerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Verschenen zijn:
-
mr. Krijnen, namens de man;
-
mr. Quaedvlieg en mevrouw [persoon] , namens de burgemeester.
De man en de vrouw zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2De beoordeling
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het bestreden besluit en uit de daaraan ten grondslag liggende RiHG blijkt dat de burgemeester het bestreden besluit onder meer heeft gebaseerd op uitgangspunt dat de man weliswaar niet samenwoont met de vrouw – naar de rechtbank begrijpt: in de woning van de vrouw – maar dat hij er wel meer dan incidenteel is.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
1 blijkt dat uit de tekst van artikel 2, eerste lid, van de Wth en de geschiedenis van de totstandkoming van de wet volgt dat een tijdelijk huisverbod alleen kan worden opgelegd aan degene die in het huis waarvoor dat verbod geldt, woont of gedeeltelijk woont. Zo is in de memorie van toelichting bij deze bepaling vermeld dat erin wordt voorzien dat ook aan iemand die slechts een gedeelte van de week bij diens partner verblijft toch een huisverbod kan worden opgelegd (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 19). Het anders dan incidenteel verblijven als bedoeld in artikel 2, eerste lid, ziet, gelet op de tekst van dat artikel, op één of meer andere personen die in het huis waarvoor het verbod geldt, verblijf hebben dan de uithuisgeplaatste.
Op grond van hetgeen de man heeft aangevoerd, begrijpt de rechtbank dat hij zich op het standpunt stelt dat hij niet anders c.q. meer dan incidenteel verbleef in de woning van de vrouw en dat dat hij daar ook niet woonde of gedeeltelijk woonde.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken in het dossier en hetgeen namens de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht genoegzaam dat de man wel anders c.q. meer dan incidenteel in de woning van de vrouw verbleef. Daarbij betrekt de rechtbank dat de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt dat de man en de vrouw weliswaar geen relatie meer hadden en dat hij nooit bij haar bleef slapen, maar dat de man wel dagelijks bij de vrouw over de vloer kwam vanwege de kinderen, bijvoorbeeld als ze moesten zwemmen, of om boodschappen te brengen. De rechtbank stelt vast dat dit standpunt steun vindt in hetgeen de man ter zake zelf heeft verklaard in het kader van zijn zienswijze (zie voormeld Beleidsadvies van 11 juli 2025):
“ [..] Ik wil gewoon blijven wonen in mijn eigen huis en niet bij haar wonen. Ik heb mijn eigen ruimte nodig. Ik kom heel vaak naar haar thuis voor de kinderen, voordat ze naar school gaan ben ik daar en in de avond tot ze gaan slapen. Daarna ga ik weer naar mijn eigen huis.[..]”
Zoals uit de hiervoor onder 2.3. vermelde vaste jurisprudentie volgt, kan een tijdelijk huisverbod echter alleen opgelegd worden aan iemand die in de woning waarvoor het verbod geldt, woont of gedeeltelijk woont en (juist) niet aan iemand die anders c.q. meer dan incidenteel in de woning verblijft, maar daar niet woont of gedeeltelijk woont.
Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in samenhang beschouwd met het feit dat de man ten tijde van het opleggen van het huisverbod een eigen woning had en op een ander adres dan het adres van de vrouw en kinderen stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen, kan naar het oordeel de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de man ten tijde van het opleggen van het huisverbod in de woning van de vrouw woonde of gedeeltelijk woonde. Daarbij betrekt de rechtbank dat de burgmeester bovendien in het bestreden besluit en in het daaraan ten grondslag liggende RiHG zelf expliciet aangeeft dat de man niet samenwoont met de vrouw. Dat betekent dat de burgemeester niet bevoegd was aan de man een huisverbod op te leggen voor de woning van de vrouw.
Het betoog van de man slaagt. Hetgeen de man overigens heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking meer.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal het bestreden besluit vernietigen.
Omdat de rechtbank overgaat tot vernietiging van het bestreden besluit wordt de burgemeester in de door de man gemaakte proceskosten veroordeeld. In lijn met het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank 1 punt toe voor het beroepschrift en 1 punt voor het behandelen daarvan tijdens de mondelinge behandeling, waarbij een punt een waarde van € 934,00 heeft en waarbij de rechtbank uitgaat van een wegingsfactor van 1. De proceskostenveroordeling bedraagt derhalve € 1.868,00. Indien aan de man een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de proceskosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.
3Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van de burgemeester van de gemeente Heerlen van 3 juli 2025 14.10 uur;
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Mil, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 23 juli 2026. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 09-03-2016, ECLI:NL:RVS:2016:599; ABRvS 23-09-2020, ECLI:NL:RVS:2020:2279
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
