Essentie (gemaakt door AI)
Schriftelijke aanwijzing waarin GI contact met kinderen bij moeder thuis wil leggen en vervolggesprekken verlangt. Moeder verzoekt vervallenverklaring en deskundigenonderzoek; GI verzoekt bekrachtiging met dwangsom. Kinderrechter oordeelt dat GI bevoegd is en aanwijzing zorgvuldig en noodzakelijk is, belangen kinderen vergen eigen zicht GI. Vervallenverklaring en deskundigenonderzoek worden afgewezen. Aanwijzing wordt bekrachtigd en dwangsom van €500 per dag (max. €25.000) wordt opgelegd. Verzoek uitvoerbaar bij voorraad wordt afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 18-08-2026 |
| Zaaknummer | C/03/353247 / JE RK 26-1058 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Roermond |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:263 e.v. BW Aanwijzing GI |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Schriftelijke aanwijzing over contact van GI met kinderen; beslissing op verzoeken vervallenverklaring en bekrachtiging met dwangsom.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummers: C/03/353247 / JE RK 26-1058
C/03/354061 / JE RK 26/1235
C/03/354062 / JE RK 26-1236
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak met zaaknummer C/03/353247 / JE RK 26-1058
van:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonend in [plaats 1] ,
gemachtigde: de heer [gemachtigde],
over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd in Roermond,
hierna te noemen: de GI,
advocaat: mr. I.J.M. Gelissen, kantoorhoudend in Roermond,
[de vader] ,
wonend in [plaats 2] (België),
hierna te noemen: de vader.
in de zaak met zaaknummers C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236
van:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd in Roermond,
hierna te noemen: de GI,
advocaat: mr. I.J.M. Gelissen, kantoorhoudend in Roermond,
over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1]
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonend in [plaats 1] ,
gemachtigde: de heer [gemachtigde],
en:
[de vader] ,
wonend in [plaats 2] (België),
hierna te noemen: de vader.
1Het verloop van beide procedures
Het procesverloop blijkt het uit volgende:
C/03/353247 / JE RK 26-1058
-
het verzoekschrift van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;
-
de e-mail van de vader met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026;
-
het verzoekschrift van de moeder tot een deskundigenonderzoek en akte overlegging producties met bijlagen, ontvangen op 14 juli 2026.
C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236
- de twee verzoekschriften van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar gemachtigde;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Na deze mondelinge behandeling zijn nog de volgende stukken ontvangen:
C/03/353247 / JE RK 26-1058
-
de e-mail van de moeder met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026;
-
de reactie van de moeder op de e-mail van de vader met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026;
C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236
- het verweerschrift van de moeder op de verzoekschriften van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren is voortgezet op 24 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar gemachtigde;
-
de vader;
-
een vertegenwoordiger van de GI, bijgestaan door zijn advocaat.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de moeder spreekaantekeningen overgelegd.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daar geen gebruik van gemaakt. De moeder heeft hen op voorhand gemotiveerd afgemeld.
2De feiten
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
De rechtbank heeft bij uitvoer bij voorraad verklaarde beschikking van 7 oktober 2025 (C/03/345216 / JE RK 25-1540) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 oktober 2026. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking op 19 maart 2026 bekrachtigd. De moeder is daartegen in cassatie gegaan.
De GI heeft op 29 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:
“Op 11 juni 2026 om 11.00 uur komen de beide gezinsvoogden bij de moeder thuis. De gezinsvoogden zullen dan met de moeder aan tafel een gesprek voeren. De gezinsvoogden zullen dan slechts met de kinderen in dezelfde ruimte zijn. Mogelijk zal er ook een gesprek met de kinderen plaatsvinden. De GI zal in dit eerste gesprek geen individuele gesprekken met de kinderen afdwingen. Het is de taak van de moeder om ervoor te zorgen dat de beide kinderen in dezelfde ruimte als de gezinsvoogden aanwezig zijn. Aanvullend dient de moeder medewerking te verlenen aan de te plannen vervolggesprekken met de moeder en de kinderen. De GI verwacht dat bij volgende, nog te plannen huisbezoeken na 11 juni 2026, de moeder de gezinsvoogden binnenlaat, constructief in gesprek gaat met de beide gezinsvoogden en medewerking verleent aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling.”
3De verzoeken
C/03/353247 / JE RK 26-1058
Verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de moeder het volgende. De moeder ontkent dat zij contact tussen de kinderen en de gezinsvoogden weigert. Zij heeft steeds medewerking geboden, onder de voorwaarde dat het contact met de kinderen is afgestemd op de belastbaarheid van de kinderen en therapeutisch is ingebed. Verder is de formulering van de GI niet neutraal. Feiten worden genegeerd en interpretaties worden opgeschreven als de waarheid. Signalen van stress, weerstand en behoefte aan veiligheid bij de kinderen worden onvoldoende gewogen. De depressiescore van [minderjarige 1] wordt verzwegen. Daardoor wordt een vertekend beeld gegeven. Een rechterlijke beslissing die is gebaseerd op een eenzijdig opgesteld GI-dossier, waarin de voorwaardelijke medewerking van de ouder als categorische weigering is geduid en de kindreacties aan de ouder zijn toegeschreven, verdraagt zich niet met de vereisten van artikel 6 EVRM (hoor en wederhoor) en de procedurele dimensie van artikel 8 EVRM. Wanneer de kwalificaties van de GI en/of de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) niet op geverifieerde feiten berusten, maar op interpretaties die de werkelijkheid vertekenen, bestaat het risico dat rechterlijke oordelen worden gebouwd op een ondeugdelijke grondslag. Dat was zowel in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling het geval, als ook in de gezag- en omgangzaak waarin de rechtbank heeft bepaald dat beide ouders worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking met betrekking tot de ondertoezichtstelling heeft bekrachtigd, rust dit oordeel op foutief overgenomen standpunten uit de brief van de GI aan het hof. Tegen de beschikking van het hof zal de moeder dan ook in cassatie gaan. Verder is in de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2026 geoordeeld dat geen aanwijzingen bestaan voor dwingende controle vanuit de vader. De GI heeft hieruit in haar verdere dossiervorming afgeleid dat er geen aanwijzingen van enige onveiligheid vanuit de vader zijn. Echter, het ontbreken van aanwijzingen voor één specifieke hypothese (intieme terreur/dwingende controle) impliceert niet het ontbreken van signalen voor andere vormen van onveiligheid.
Verder stelt de moeder dat de schriftelijke aanwijzing van 29 mei 2026 materieel gebrekkig is op grond van de volgende gronden. De moeder heeft op 11 mei 2026 een zienswijze ingediend van elf pagina’s, opgebouwd in zeven inhoudelijke secties, met feitelijke onderbouwing, verwijzingen naar professionele richtlijnen en een beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Er is sprake van een motiveringsgebrek.
1 De zienswijze van de moeder is niet inhoudelijk beoordeeld door de GI. De weging bestaat uitsluitend uit een herhaling van het eigen standpunt. Geen van de zeven categorieën bezwaren van de moeder, zoals omschreven in haar overgelegde zienswijze, is door de GI beantwoord. Ook de afzonderlijke beoordeling per kind ontbreekt volledig. Er is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
2 De GI heeft bij de voorbereiding niet de nodige
kennis vergaard omtrent de psychische toestand van [minderjarige 1] , de individuele situatie van [minderjarige 2] en de professionele adviezen die door behandelaars over belastbaarheid zijn uitgebracht. De vergewisplicht is niet nageleefd.
3 Er is sprake van détournement de pouvoir.
4 De onbepaalde verplichting tot medewerking die door de GI in de schriftelijke aanwijzing aan de moeder is gesteld aan te plannen vervolgbezoeken overschrijdt de grenzen van de aanwijzingsbevoegdheid van art. 1:263 BW en constitueert een gebruik van de bevoegdheid voor een doel waarvoor zij niet is verleend. Er is sprake van een onjuiste feitenvaststelling. De kwalificatie “blokkering”, zoals de GI stelt, geeft het standpunt van de moeder onvolledig en normatief gekleurd weer, terwijl de moeder conditionele medewerking heeft
geboden. Er bestaat een evenredigheidsrisico.
5 De onbepaalde verplichting tot medewerking aan te plannen vervolgbezoeken in combinatie met de actuele psychische situatie van de kinderen en de lopende hulpverleningsonderhandelingen roept vragen op over de proportionaliteit van de schriftelijke aanwijzing.
Daarnaast stelt de moeder dat het participatierecht van de kinderen is geschonden. De schriftelijke aanwijzing verplicht de kinderen aanwezig te zijn bij contactmomenten die zij niet willen, zonder individuele afweging van hun wil en draagkracht. Dat is in strijd met artikel 12 IVRK, artikel 4.2.2 lid 1 Besluit Jeugdwet, artikel 4.1.1 Jeugdwet en NJI Richtlijn § 2.1.3. De schriftelijke aanwijzing voldoet niet aan de noodzaakeis en de redelijkheidstoets van artikel 1:263 lid 1 BW in verbinding met artikel 4.1.1 Jeugdwet, omdat de schriftelijke aanwijzing geen individuele, kindgerichte uitwerking bevat die aansluit op de zorgprofielen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zonder een dergelijke uitwerking kan niet worden vastgesteld dat de schriftelijke aanwijzing in het belang van de kinderen is en dat de GI in redelijkheid tot deze aanwijzing heeft kunnen komen. De door de gedragswetenschapper bepleite bredere analyse en de door de rechtbank vastgestelde pedagogische onmacht bij de vader zijn na de beschikking van het hof ‘s-Hertogenbosch ten onrechte buiten beschouwing gebleven. De schriftelijke aanwijzing mist daarmee een deugdelijke feitelijke grondslag.
Verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek
De moeder verzoekt de rechtbank om bij (tussen)beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- op de voet van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een onderzoek te gelasten door een of meer deskundigen, te weten gekwalificeerde gedragswetenschappers met een specialisatie op het gebied van jeugdtrauma, ter beantwoording van de vragen zoals in het verzoekschrift zijn geformuleerd;
subsidiair
- op de voet van artikel 186 lid 1 Rv een onderzoek te gelasten door een of meer deskundigen als hiervoor bedoeld, ter beantwoording van de in het verzoekschrift geformuleerde vragen;
en in alle gevallen
- de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van 's-Rijks kas te brengen, althans deze op een door de kinderrechter in goede justitie te bepalen wijze tussen partijen te verdelen;
- een zodanige beslissing te nemen als de kinderrechter in goede justitie juist acht.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de moeder het volgende. Vanwege de psychische gesteldheid van de kinderen dient contact met de kinderen in een professionele setting te worden georganiseerd door professionals die gespecialiseerd zijn in traumabehandeling. Dat zijn de gezinsvoogden van de GI niet. De standpunten van de moeder en de GI staan lijnrecht tegenover elkaar. Dat maakt dat het geschil, ook na een vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, niet is opgelost. Na het geven van de bestreden schriftelijke aanwijzing heeft de GI niet alleen de kinderen, maar ook beide ouders opnieuw aangemeld bij de [stichting] /IGB. Van een lopend (deskundigen)onderzoek is geen sprake. Het enige concrete contactmoment met de [stichting] /IGB na de hernieuwde aanmelding door de GI, het klachtverhelderingsgesprek van 23 juni 2026, is vrijwel direct gestrand op het ontbreken van een veilige setting. De oplossing van het geschil tussen de GI en de moeder kan liggen in het gelasten van een onderzoek door deskundigen. Dat onderzoek zou primair gericht kunnen worden op de vraag wat er nodig is om de kinderen een veilige setting te bieden waarin zij gesproken kunnen worden.
De onderzoeksvragen aan de te benoemen deskundige(n) kunnen als volgt worden
geformuleerd:
-
In welke setting en onder welke voorwaarden kan naar de huidige stand van de gedragswetenschappelijke kennis op verantwoorde wijze contact tot stand worden gebracht tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de gezinsvoogdijwerkers van de GI, zonder het risico van (verdere) traumatisering?
-
Is bij [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] sprake van trauma, en zo ja, van welke aard en ernst?
-
Indien sprake is van trauma: wat is de oorzaak of zijn de oorzaken daarvan?
-
Welke behandeling is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk of aangewezen, en op welke wijze verhoudt de door de GI voorgestane contactfacilitatie zich tot die behandeling?
-
Is de door de GI thans voorgeschreven wijze van contactfacilitatie, uitgevoerd door gezinsvoogdijwerkers zonder specifieke traumadeskundigheid, verenigbaar met een verantwoorde uitvoering van de ondertoezichtstelling in de zin van art. 1:263 lid 1 BW, of vergt een verantwoorde uitvoering een andere, meer gespecialiseerde vorm van begeleiding?
De moeder weet dat ook een onderzoek door deskundigen contactmomenten met de kinderen met zich mee kan brengen, maar daar is geen weerstand tegen. Het bezwaar van de moeder tegen de door de GI voorgeschreven contactfacilitatie is niet gericht tegen contact als zodanig, maar tegen contact dat plaatsvindt zonder specifieke traumadeskundigheid, zonder voorafgaande stabilisatie en zonder afstemming op de belastbaarheid van de kinderen. Een onderzoek uitgevoerd door gekwalificeerde gedragswetenschappers met een specialisatie in jeugdtrauma voldoet naar zijn aard juist aan de voorwaarden die de moeder steeds heeft gesteld: deskundige begeleiding, een op de behandelrelatie gerichte aanpak en een professionele inschatting van wat de kinderen op een bepaald moment kunnen verdragen. Het risico van hertraumatisering is dan ook niet gelegen in het enkele feit van contact, maar in de wijze waarop en door wie dat contact wordt vormgegeven. Om die reden moeten de kinderen, indien nodig, door de te benoemen deskundigen zelf worden gezien, en niet (eerst) door de gezinsvoogdijwerkers.
Verder onderstreept de moeder de noodzaak van onafhankelijke diagnostiek. Onafhankelijkheid - het ontbreken van een bestaande of aanstaande
behandelrelatie - is een voorwaarde voor het mogen afgeven van een verklaring of oordeel over een patiënt ten behoeve van een derde, zoals een rechterlijke instantie of een GI. Deze norm raakt rechtstreeks aan de positie die de [stichting] in het onderhavige traject wordt toebedeeld. De [stichting] wordt niet alleen verzocht diagnostiek te verrichten, maar is tevens de instelling die naar aanleiding daarvan de behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en de hulpvraag van de vader naar de gezinssituatie van de moeder zou moeten onderzoeken.
C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236
Verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing
De GI heeft twee aparte schriftelijke aanwijzingen gegeven voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI verzoekt bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzingen in twee aparte verzoekschriften. Daarbij wordt tevens in ieder verzoekschrift verzocht een dwangsom op te leggen van € 500,- per dag dat de moeder de schriftelijke aanwijzing niet opvolgt. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI het volgende. Sinds de start van de ondertoezichtstelling is er slechts een keer contact geweest tussen de gezinsvoogden en de kinderen. Dit was tijdens een voor moeder en de kinderen onverwacht huisbezoek. De GI heeft op grond van de beschikking van 7 oktober 2025 de regie gekregen over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en daarmee de verantwoordelijkheid - in gezamenlijkheid met de ouders - voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De GI heeft momenteel geen zicht op (de ontwikkeling van) de kinderen, omdat de moeder de GI niet toestaat direct contact te hebben met de kinderen. De GI kan dan ook niet beoordelen hoe het met de kinderen gaat en wat zij nodig hebben om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Ook andere professionals zien de kinderen niet, behalve de leerkrachten van [organisatie 1] die [minderjarige 1] twee keer per week zien en de vrijwilliger van [organisatie 2] waar [minderjarige 2] inmiddels twee dagdelen per week naartoe gaat. De GI kan daarom momenteel alleen op aangeven van de moeder een inschatting maken van het welzijn van de kinderen. De zorgen omtrent de kinderen zijn groot. Het lukt de moeder niet om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op school te krijgen. Ook onderschrijft de moeder dat er problemen zijn met betrekking tot agressie. Verder is er al geruime tijd geen contact tussen de vader en de kinderen. Tijdens de start van de ondertoezichtstelling hadden de kinderen wel nog contact met de vader en ging [minderjarige 2] nog naar de reguliere basisschool. De situatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is daarmee verslechterd sinds de start van de ondertoezichtstelling. De GI kan - nu contact met de kinderen wordt afgehouden - niet beoordelen wat de kinderen aankunnen wat betreft school, het contact met de vader en hun algemene sociale ontwikkeling. Ondanks de afgegeven schriftelijke aanwijzing staat de moeder nog steeds het contact tussen de GI en de kinderen in de weg. Daarom verzoekt de GI oplegging van een dwangmiddel. Dit verzet zich niet tegen het belang van de kinderen, aangezien de kinderen er recht op hebben om rechtstreeks door de GI gehoord te worden.
Schriftelijk verweer van de moeder tegen het verzoek van de GI
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI en verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de GI niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de GI af te wijzen.
Ter onderbouwing van haar verweer stelt de moeder het volgende. Als de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaart, houdt de schriftelijke aanwijzing op te bestaan en is de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek tot bekrachtiging. Bovendien heeft de GI op 8 juli 2026 twee afzonderlijke verzoeken tot bekrachtiging ingediend: een voor [minderjarige 1] en een voor [minderjarige 2] , elk met een eigen dwangsomverzoek. Aan beide verzoeken ligt dezelfde aanwijzing van 29 mei 2026 ten grondslag, gericht tot dezelfde gezagsdrager, en betreffende hetzelfde feitelijke verwijt. De verzoeken ontlenen hun grondslag niet aan de aanwijzing, maar aan een eigen, niet nader gemotiveerde keuze van de GI om één materieel verwijt in twee separate verzoeken onder te brengen. Nu de aanwijzing zelf geen aanknopingspunt biedt voor een indeling per kind, ontbreekt een toereikende grondslag.
De vraag of de GI in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen komen, wordt in beginsel beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die bekend waren of kenbaar hadden moeten zijn op het moment dat de aanwijzing werd gegeven. Een gebrek dat naar het moment van totstandkoming vaststaat, kan niet worden weggenomen door argumenten die pas nadien, in een afzonderlijke procedure met een ander voorwerp, voor het eerst worden aangevoerd. Het gevolg van het voorgaande is dat de gronden die de GI aan de verzoeken tot bekrachtiging met dwangsommen heeft aangevoerd, geen afbreuk doen aan de tekortkomingen van de schriftelijke aanwijzing die ten aanzien van het verzoek tot vervallenverklaring voorliggen en die tekortkomingen ook niet kunnen helen. Ook dit leidt ertoe dat GI niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
Ook indien de kinderrechter de aanwijzing van 29 mei 2026 in stand laat en de bekrachtigingsverzoeken ontvankelijk acht, kan het verzochte dwangmiddel niet worden opgelegd. Het dwangmiddel maakt geen onderdeel uit van de aanwijzing zelf. De aanwijzing van 29 mei 2026 zelf legt geen dwangsom op, maar bevat een aangekondigd voornemen: “De gecertificeerde instelling (...) is voornemens aan de kinderrechter te verzoeken een dwangsom op te leggen van € 1.000,- euro per keer (...).” De verzochte dwangmiddelen wijken materieel af van dit aangekondigde voornemen. Verzocht wordt, in twee afzonderlijke verzoeken, een dwangsom van € 500,- per dag dat de aanwijzing niet wordt opgevolgd. Voor deze afwijking heeft de GI geen motivering gegeven. De hoofdregel is dat de GI handelt in overeenstemming met het eigen beleid, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om daar van af te wijken. Daarnaast vereist artikel 1:263 lid 3 BW een zelfstandige rechterlijke toets: de kinderrechter moet beoordelen of het belang van het kind zich niet verzet tegen oplegging van het dwangmiddel. Nu de GI zelf, zonder motivering, is overgestapt van één aangekondigde modaliteit naar een verdubbelde, dagelijks oplopende modaliteit verdeeld over twee verzoeken, kan de kinderrechter dat gebrek niet passeren door zelf een aangepast dwangmiddel vast te stellen. Bovendien is de verzochte dwangsom niet proportioneel. Hieruit volgt primair dat de dwangsommen moeten worden afgewezen.
Op het moment dat de kinderrechter het verzoek tot vervallenverklaring afwijst, stelt de moeder dat het verzoek tot bekrachtiging prematuur is. De vraag of, en op welke wijze, de kinderen op een veilige wijze contact met de gezinsvoogdijwerkers kunnen hebben, is uitdrukkelijk onderdeel gemaakt van de hulpvragen die aan de [stichting] zijn voorgelegd. De GI heeft zich, zonder enig voorbehoud, aangesloten bij de door beide ouders geformuleerde hulpvragen, waaronder de vraag hoe de GI in contact kan komen met de kinderen. Dat traject is vastgelopen: het enige concrete contactmoment met de [stichting] was het klachtverhelderingsgesprek van 23 juni 2026. Dit gesprek is vrijwel direct beëindigd wegens het ontbreken van een veilige setting. Precies om die reden ligt bij de kinderrechter het verzoek voor om een deskundigenonderzoek te gelasten naar de vraag welke setting en voorwaarden contact toestaan zonder verdere traumatisering.
Meer subsidiair stelt de moeder dat de kinderrechter zelfstandig moet beoordelen of het belang van de kinderen zich tegen het opleggen van een dwangmiddel verzet. Onder verwijzing naar rechtsbronnen en jurisprudentie komt de moeder tot de conclusie dat de GI het risico loopt dat de wijze van uitvoering van de aanwijzing zelf een vorm van schade in de zin van artikel 19 IVRK oplevert. Het belang van de kinderen is niet gediend met een dwangmiddel dat vooruitloopt op de uitkomst van dat onderzoek.
4De (nadere) standpunten ter zitting
De moeder vult ter zitting het volgende aan. Er is sprake van framing van de moeder door de GI. Zo stelt de GI dat het de moeder niet lukt om de kinderen op school te krijgen, terwijl het de kinderen zijn die niet naar school kunnen. Ook stelt de GI bij herhaling dat de moeder niet wilde meewerken aan hulpverlening door [organisatie 3] , maar er wordt niet vermeld wat de reden daarvoor was. [organisatie 3] is niet gekwalificeerd voor het verlenen van hulpverlening aan [minderjarige 1] . Nu dit wordt verzwegen wordt het beeld gecreëerd dat de moeder non-coöperatief is. Framing van de moeder als zijnde non-coöperatief als basis voor oordeelsvorming werkt door in de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 maart 2026, terwijl een feitelijke onderbouwing voor dat oordeel ontbreekt. Verder is de kwalificatie “ouderverstoting”, afkomstig van de vader, door de GI overgenomen. In de beschikking van 7 oktober 2025 overwoog de rechtbank dat bij de moeder geen ruimte lijkt te zijn voor een andere visie dan dwingende controle, terwijl de vader zich niet bewust is van zijn pedagogische onmacht en van de impact daarvan op de moeder en de kinderen. De GI heeft dit vervangen door slechts twee verklaringen: dwingende controle door de vader of ouderverstoting door de moeder. Nu het hof de eerste verklaring van dwingende controle door de vader heeft verworpen, omdat daarvoor in het op dat moment voorliggende dossier geen aanknopingspunten waren te vinden, zou volgens de GI de tweede verklaring van ouderverstoting door de moeder gegeven zijn. Het ontbreken van bewijs voor de eerste verklaring, levert geen bewijs op voor de andere. De derde verklaring, namelijk de pedagogische onmacht van de vader, heeft de GI nooit willen onderzoeken. Verder zijn de gezinsvoogdijwerkers regievoerders en geen gedragswetenschappers. Zij kunnen geen diagnostische basis bieden voor kwalificaties over trauma, contra-indicaties of moeders gedrag, hetgeen ze wel hebben gedaan na het huisbezoek bij de moeder. Daarnaast heeft de GI nagelaten het plan als bedoeld in artikel 4.1.3. lid 1 Jeugdwet aan de kinderrechter toe te zenden. Ook door de rechter is niet aangedrongen tot aanlevering van deze stukken door de GI. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de rechtbank deze informatie niet nodig acht voor zijn oordeelsvorming, terwijl dit beoogt bij te dragen aan een processueel evenwicht tussen de GI enerzijds en de ouders anderzijds. Verder miskent de schriftelijke aanwijzing de ernstig verstoorde verhouding tussen de moeder en de GI, zodat op voorhand voorzienbaar is dat een dergelijk huisbezoek spanningen zal veroorzaken. De kinderen zijn hoogsensitief en reageren op spanningen. Onduidelijk is dan ook welk legitiem doel de schriftelijke aanwijzing dient. De kinderen ervaren spanningen als ze moeten praten met hulpverleners die gerelateerd zijn aan de rechtbank of de GI. Er dient eerst zicht te komen op het trauma van de kinderen door externe en onafhankelijke expertise die niet door partijen is te beïnvloeden. Als de deskundige vindt dat de kinderen in staat zijn om met de GI te praten, zal de moeder zich daarbij moeten neerleggen. De moeder ontkent dat de GI weinig zicht heeft op de kinderen. De GI beschikt namelijk over informatie over de kinderen uit de gesprekken bij [organisatie 1] , gesprekken op school en van de Raad. Verder heeft de moeder op 20 januari 2026 een gesprek gehad met de GI over het plan van aanpak. De moeder en GI kwamen overeen dat het Regionaal Expertise Team (RET) zou worden ingeschakeld. Dit is nooit gebeurd en naar dit gesprek is nooit meer gerefereerd.
De GI vult ter zitting aan dat de moeder in haar verzoekschrift op grond van het IVRK stelt dat het belang van de kinderen bij het nemen van beslissingen de eerste afweging moet zijn. De GI onderstreept dat en juist daarom vindt de GI het van belang zelf kennis te maken met de kinderen, zodat zij voor deze kinderen de juiste hulpverlening kan inzetten om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Dat geldt ook voor het recht van de kinderen om zelf hun mening te uiten. Juist daarom wil de GI rechtstreeks contact met de kinderen en dat kan op een kindvriendelijke manier. Er zal een eerste stap gezet moeten worden naar contact tussen de GI en de kinderen en dat houdt de moeder steeds af. Dat is niet in het belang van de kinderen. Immers iedereen is het erover eens dat het niet goed gaat met de kinderen en dat hulpverlening ingezet dient te worden. Het is de wettelijke taak van de GI om op basis van de ondertoezichtstelling regie te nemen, de ouders en de kinderen te zien en spreken en op basis daarvan en overige door haar ingewonnen informatie, een plan van aanpak op te stellen waarin eventuele hulpverlening wordt beschreven om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen of te doen afnemen. Momenteel beschikt de GI over te weinig informatie om de juiste hulpverlening voor de kinderen in te zetten. De GI ziet de kinderen niet bij de moeder thuis, maar kan ook geen informatie opvragen via de school of hulpverlening van de kinderen. Stap één is contact tussen de kinderen en de GI, zodat er zicht komt op de kinderen en hun eventuele problematiek. De GI beschikt aan de voorkant niet al over dusdanige informatie dat maakt dat een gesprek tussen de kinderen en de GI niet in het belang van de kinderen zou zijn. Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de ouders moeten meewerken aan de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening. Hulpverlening is per direct noodzakelijk en dit kan niet worden vormgegeven in het vrijwillige kader. Dat heeft het hof ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 19 maart 2026 bevestigd. In de jurisprudentie blijkt dat het niet aan de ouders is om toestemming te onthouden of kaders te scheppen onder welke voorwaarden de GI met de kinderen praat. Een ondertoezichtstelling is geen vrijblijvende maatregel en de ouders moeten aanwijzingen opvolgen. De ouders kunnen de GI niet verplichten dat er een deskundige aanwezig is bij de gesprekken. Bovendien is het door de moeder verzochte deskundigenonderzoek niet in het belang van de kinderen, omdat ze dan weer met een nieuwe deskundige moeten praten. De GI is neutraal. Het inschakelen van een deskundige betekent tijdverlies. Het inzetten van de juiste hulpverlening zal dan nog langer duren, terwijl iedereen het erover eens is dat de kinderen dringend hulp nodig hebben. Door de moeder worden nog tal van wetsartikelen, richtlijnen en biases aangehaald die niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de GI de schriftelijke aanwijzing terecht en op goede gronden heeft gegeven en of moeder deze schriftelijke aanwijzing moet opvolgen. De GI heeft de moeder in november 2025 al een vooraankondiging gestuurd van een schriftelijke aanwijzing, omdat de GI in contact wilde komen met de moeder om te kijken naar de doelen van de ondertoezichtstelling en om te komen tot het opstellen van een plan van aanpak. Uiteindelijk is dit gelukt, zodat er geen vervolg is gegeven aan die vooraankondiging. In deze vooraankondiging stond ook al dat de GI de kinderen wilde spreken. Daar is ook hierna door de moeder niet aan meegewerkt, zodat de GI de moeder op 1 mei 2026 opnieuw heeft aangekondigd de kinderen te willen spreken. De GI ontkent dat er aan framing zou worden gedaan. Ook ontkent de GI dat de gezinsvoogden niet in staat zijn kindgesprekken te voeren. Zij zijn daar juist voor opgeleid. Ook bij de GI vindt intern overleg plaats met gedragswetenschappers. Verder gaat de moeder in op de vraag of er sprake is of is geweest van intieme terreur/dwingende controle. Los van het feit dat het hof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 19 maart 2026 heeft vastgesteld dat zij in het haar bekende dossier geen signalen ziet die daarop wijzen, staat deze discussie los van de vraag of de kinderen door de GI gezien kunnen worden.
De vader verzoekt de rechtbank de feiten te toetsen aan de hand van de objectieve stukken en de lopende rechterlijke uitspraken, zodat de focus blijft op het welzijn van de kinderen, het uitvoerbaar maken van de ondertoezichtstelling en het zo snel mogelijk herstellen van het contact tussen de kinderen en de vader. De moeder refereert aan (partner)geweld, huiselijk geweld en kindermishandeling. Dat daar sprake van zou zijn geweest betwist de vader. De rechter in eerste aanleg, het hof ‘s-Hertogenbosch en de betrokken hulpverleningsinstanties hebben geconstateerd dat hiervan geen sprake is (geweest). De vader ontkent dat er zorgen zijn rondom zijn opvoedsituatie en dat er sprake is van pedagogische onmacht. Het contact tussen de vader en de kinderen is zonder reden door de moeder verbroken. De vader heeft [minderjarige 1] meer dan anderhalf jaar niet gezien en [minderjarige 2] al acht maanden niet. Hij heeft niet eens een foto van de kinderen van de moeder ontvangen. Er ligt een heldere en concrete opdracht van de rechtbank om het contact te herstellen en de zorgregeling zo snel mogelijk te hervatten. Tot op heden heeft de moeder hieraan geen uitvoering gegeven. Sinds de contactbreuk is de situatie van de kinderen verslechterd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn direct na het stopzetten van het contact uitgevallen op school. De vader vraagt zich af wie er zicht heeft op de interactie tussen de kinderen en de moeder. Op de thuissituatie van de moeder en de kinderen is al anderhalf jaar geen zicht. In dat kader vraagt de vader zich ook af waar de specifieke angst van de kinderen voor de hulpverlening vandaan komt. De kinderen moeten in contact komen met de gezinsvoogden. De vader betwist dat er eerst een deskundigenonderzoek moet komen. Er liggen al stapels rapporten van professionals over de kinderen. De vader hoort bij [organisatie 1] en op school dat zij zich zorgen maken om [minderjarige 1] . [minderjarige 1] toont aanvankelijk weerstand, maar als zij eenmaal bij [organisatie 1] of op school aanwezig is bloeit ze op.
5De beoordeling
Voeging
Vanwege hun verknochtheid worden de zaken gevoegd behandeld en wordt in beide zaken één beschikking gegeven.
6
Formele aspecten beide procedures
In artikel 1:265k lid 2 BW is bepaald dat de GI die een verzoek indient of wordt opgeroepen om aanwezig te zijn bij een mondelinge behandeling, bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep het plan, bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 van de Jeugdwet, en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter zendt. De kinderrechter stelt vast dat de GI heeft verzuimd gevolg te geven aan deze bepaling, zoals ook ter zitting is aangegeven. De kinderrechter benadrukt dat partijen zelf verantwoordelijk zijn voor het indienen van de benodigde stukken. Het is niet aan de kinderrechter om partijen daarop te wijzen. Voor zover het ontbreken van het plan de beoordeling van het standpunt van de GI bemoeilijkt, dienen de gevolgen hiervan voor rekening en risico van de GI te blijven.
De schriftelijke aanwijzing
Op grond van artikel 1:263 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
De GI heeft twee, materieel identieke, schriftelijke aanwijzingen gegeven, voor ieder kind afzonderlijk een. Ook heeft de GI twee verzoekschriften ingediend. Ter zitting heeft de GI benoemd dat dit alleen verband houdt met de inrichting van haar administratie. Om de leesbaarheid te bevorderen wordt in deze beschikking gesproken over “de schriftelijke aanwijzing” en “het verzoek van de GI”, waaronder de aanwijzingen en verzoeken ten aanzien van beide kinderen wordt verstaan.
Ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek tot vervallenverklaring
De gezaghebbende ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan op grond van artikel 1:264 BW de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken met ingang van de dag na die waarop de aanwijzing is verzonden of uitgereikt.
Het verzoek tot vervallenverklaring van de moeder is op 12 juni 2026 ontvangen door de rechtbank. Dit is binnen de termijn genoemd in artikel 1:264 BW, omdat de schriftelijke aanwijzing op 29 mei 2026 is uitgereikt. De moeder is dus ontvankelijk in haar verzoek.
Ontvankelijkheid van de GI in haar verzoek tot bekrachtiging
Op grond van artikel 1:263, derde lid, BW kan de GI verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tevens kan zij verzoeken om een door de wet toegestaan dwangmiddel op te leggen. Ook de GI kan ontvangen worden in haar verzoek. Het spreekt overigens voor zich dat indien de schriftelijke aanwijzing vervallen wordt verklaard, bekrachtiging en het opleggen van een dwangmiddel niet meer aan de orde zijn, zoals de moeder ook heeft betoogd.
De bevoegdheid van de GI om een schriftelijke aanwijzing te geven
Naar het oordeel van de kinderrechter gaat het in de schriftelijke aanwijzing om de uitvoering van de taak van de GI. Immers bij beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2025 zijn de kinderen, gelet op de ernstige bedreiging in hun ontwikkeling en de noodzaak van het inzetten van hulpverlening die in het vrijwillig kader niet van de grond komt, onder toezicht gesteld, waarbij de uitvoering daarvan in handen van de GI is gelegd. Het hebben van contact met de kinderen behoort tot de basale handelingen die een GI moet uitvoeren om een ondertoezichtstelling goed te kunnen uitvoeren. Het is de wettelijke taak van de GI om op basis van de ondertoezichtstelling regie te nemen, de ouders en de kinderen te zien en te spreken en op basis daarvan en overige door haar ingewonnen informatie, een plan van aanpak op te stellen waarin eventuele hulpverlening wordt beschreven om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen of te doen afnemen. De onderdelen van de schriftelijke aanwijzing zijn dan ook gericht op het doel om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. De kinderrechter is om die reden van oordeel dat de GI bevoegd is de schriftelijke aanwijzing te geven. Dat er tussen de moeder en de GI discussie bestaat over de vraag of het voeren van gesprekken tussen de GI en de kinderen in het belang van de kinderen is, staat los van de vraag of de GI bevoegd is de schriftelijke aanwijzing te geven. Deze discussie komt aan bod bij de inhoudelijke boordeling.
De aanwending van de bevoegdheid door de GI
Een schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De kinderrechter toetst dan of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beoordeelt of in de gegeven omstandigheden voldoende grond bestaat om een schriftelijke aanwijzing te geven. Ook beoordeelt de kinderrechter of het in het belang van een minderjarige is om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Bij die beoordeling gaat de kinderrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals die op dit moment zijn.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende toereikend is gemotiveerd. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de GI de moeder tijdig ervan op de hoogte heeft gesteld dat van de moeder wordt verwacht dat zij de GI in staat stelt om met de kinderen te praten. De GI stelt dat zij in de vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing van november 2025 al heeft vermeld dat een gesprek met de kinderen dient plaats te vinden. Dat heeft de moeder niet betwist. Ook in het vervolg werkte de moeder volgens de GI onvoldoende mee aan het faciliteren van contact tussen de gezinsvoogden en de kinderen, zodat de GI de moeder op 1 mei 2026 opnieuw heeft aangekondigd de kinderen te willen spreken. Ook dat heeft de moeder niet betwist. De moeder heeft de gelegenheid gekregen om vóór 11 mei 2026 haar mening met betrekking tot de vooraankondiging kenbaar te maken. Daarvan heeft de moeder gebruik gemaakt door op 11 mei 2026 een zienswijze in te dienen. Op het moment dat de moeder de schriftelijke aanwijzing van de GI ontving op 29 mei 2026 was de inhoud van de schriftelijke aanwijzing dan ook voldoende duidelijk voor de moeder. De verplichting van de moeder om een gesprek tussen de GI en de kinderen te faciliteren is voldoende duidelijk omschreven. Dat de moeder het niet eens is met de wijze waarop de GI is ingegaan op de zienswijze van de moeder, namelijk door niet puntsgewijs in te gaan op haar argumenten, maar een meer generieke conclusie te trekken en een schriftelijke aanwijzing te geven, maakt niet dat de schriftelijke aanwijzing niet op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Het is voldoende duidelijk dat de GI kennis heeft genomen van de zienswijze van de moeder en die heeft betrokken in haar afwegingen, maar door de argumenten van de moeder niet overtuigd is geraakt.
De kinderrechter zal hieronder ingaan op de inhoudelijke beoordeling en de vraag of de schriftelijke aanwijzing onder voldoende afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen. Daarbij zal de kinderrechter een aantal algemene opmerkingen maken.
De kernvraag
De kernvraag in deze zaak is of al op voorhand moet worden geconcludeerd dat er bij de kinderen sprake is van dusdanige psychische gesteldheid dat terughoudend moet worden omgegaan met contact met of nabijheid van de GI, omdat dit voor hen te belastend zou zijn. Daarbij dient betrokken te worden het belang van de GI om zich een eigen beeld te vormen over de ontwikkeling(sbedreiging) van de kinderen. Ter beantwoording van deze vraag zal de kinderrechter hieronder ingaan op de door partijen aangehaalde stellingen en argumenten.
De benaming van de opstelling van de moeder
De moeder maakt zich zorgen, gelet op de uitleg die de GI, de Raad of de rechtbank aan bepaalde woorden geven. Zo verwijst zij naar de kwalificatie van de moeder als “weigerende ouder”, terwijl het bezwaar van de moeder niet ziet op het bestaan van contact tussen de kinderen en de GI als zodanig, maar de wijze, timing, setting en professionele onderbouwing daarvan. Ze heeft het contact tussen de kinderen en de GI niet geweigerd. Ze heeft haar medewerking steeds aangeboden, onder de voorwaarden dat het contact is afgestemd op de belastbaarheid van de kinderen en therapeutisch is ingebed. Nu dit wordt verzwegen wordt het beeld gecreëerd dat de moeder non-coöperatief is, terwijl dat onjuist is. De moeder stelt dat rechterlijke beslissingen in kinderbeschermingszaken in hoge mate afhankelijk zijn van de informatie en kwalificaties die door de GI en de Raad worden aangeleverd. Nu deze kwalificaties volgens de moeder niet op feiten berusten, maar op interpretaties, bestaat het risico dat rechterlijke oordelen worden gebouwd op een ondeugdelijke grondslag. Zo vond het hof ’s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 19 maart 2026 bewijs in de zogenaamde non-coöperatieve houding van de moeder, dat zij de GI niet zou hebben toegelaten bij een schoolbespreking zoals de GI had gezegd, terwijl is gebleken dat de GI daar wel aan heeft deelgenomen. Dit oordeel van het hof werkt door in het kort geding vonnis van 26 mei 2026, waarin de non-coöperatieve houding van de moeder wordt genoemd, terwijl een feitelijke onderbouwing voor dat oordeel volgens de moeder ontbreekt.
De kinderrechter ziet dat de moeder sterk stilstaat bij de feitelijke uitleg die aan bepaalde woorden wordt gegeven. De moeder lijkt ervan te zijn overtuigd dat er daardoor een vertekend beeld is ontstaan van de moeder en haar handels- en denkwijze. De kinderrechter stelt voorop dat hij ziet dat ook de moeder, net als de GI en de vader, het enorm belangrijk vindt dat de kinderen hulpverlening krijgen. Dat is dan ook een gemeenschappelijk doel van de GI en de ouders. De kinderrechter denkt dan ook niet zozeer dat de moeder hulp categorisch weigert, maar constateert wel dat de moeder niet meewerkt aan hulp die niet past in haar beeld van de situatie van de kinderen. Zij is niet in algemene zin weigerachtig, maar aan de andere kant werkt de moeder ook niet mee, mogelijk omdat zij zo vasthoudt aan haar eigen overtuigingen dat het voor haar moeilijk is om zich een situatie voor te stellen waarin het anders is en zich daar ook voor open te stellen. Dit is onder andere ook geconstateerd door het hof ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 19 maart 2026 en in de beschikking van de meervoudige kamer van 7 oktober 2025. De kinderrechter verwijst naar deze uitspraken, omdat blijkt dat verschillende rechters afzonderlijk tot dit beeld zijn gekomen. Er moet niet te gemakkelijk naar termen als “bias, framing en manifestaties” worden gegrepen, als een ander het niet met je eens is. Een rechter gebruikt bij het vormen van een oordeel de informatie die door alle partijen wordt aangedragen. Aan iedere partij wordt de mogelijkheid geboden die informatie aan te dragen en de informatie van een ander te bespreken. De moeder heeft dat ook gedaan. De kinderrechter is zich terdege bewust van de verplichting alle standpunten objectief te onderzoeken. Daarbij richt de kinderrechter zich niet op de woorden waarmee partijen elkaar beschrijven, maar op de daden die met die woorden worden beschreven.
De belangen van de kinderen
De moeder vindt dat de belangen van de kinderen uit het oog worden verloren. Zij verwijst naar het recht van de kinderen om vrij van geweld op te groeien.
De moeder blijft, ook in haar schriftelijke reacties in deze procedure, terugkomen op haar beleving dat er in de relatie met de vader dwingende controle/intieme terreur of geweld heeft plaatsgevonden. Bij beschikking van 7 oktober 2025 is in het kader van de ondertoezichtstelling overwogen dat de visies en belevingen van beide ouders over gebeurtenissen uit het verleden lijnrecht tegenover elkaar staan. De moeder is ervan overtuigd dat er sprake is (geweest) van dwingende controle vanuit de vader richting de moeder en de kinderen en dat vanuit die optiek hulpverlening moet worden ingezet. De rechtbank kan, net als de Raad, niet vaststellen of hiervan wel of geen sprake is geweest. De opvattingen van de ouders hierover liggen ver uit elkaar. De moeder heeft een heel sterke opvatting over wat er aan de hand is, terwijl de vader een even sterke andere opvatting heeft. Dat de problematiek bij de kinderen (enkel) zou voortkomen uit hun ervaringen met de vader is niet gebleken en daarvoor zijn ook geen sterke aanwijzingen.
Ook verwijst de moeder in haar argumentatie vaak naar de term “pedagogische onmacht van de vader” die ook in de beschikking van de meervoudige kamer is genoemd. In die procedure is duidelijk geworden dat de vader zich op sommige momenten pedagogisch onmachtig heeft gevoeld. Dat maakt echter niet dat de vader in zijn geheel als “pedagogisch onmachtig” moet worden gekwalificeerd. Voordat ook maar gedacht kan worden aan het trekken van die conclusie, dient er eerst meer zicht te komen op de pedagogische vaardigheden van de vader. Dat is ook benoemd in die beschikking. Dat is nu niet mogelijk, omdat er geen contact is met de kinderen. Natuurlijk zal iedere vorm van pedagogisch onmachtig handelen impact op de kinderen (en de moeder) hebben gehad, maar het is de vraag in welke mate. Er zijn voor de kinderrechter onvoldoende concrete aanwijzingen om nu al te concluderen dat er ten gevolge van het handelen van de vader sprake is van een trauma, daarvoor is te veel onduidelijk. Er lijkt in ieder geval ook sprake te zijn van kindeigen problematiek, zoals mogelijke hoogbegaafdheid bij beide kinderen en er is wellicht ook sprake van hechtingsproblematiek. Daarnaast spelen de spanningen tussen de ouders en de moeder en de GI mogelijk een rol. Wat er speelt bij de kinderen zou nader onderzocht moeten worden, maar een dergelijk onderzoek zou normaal gesproken moeten beginnen met contact tussen de kinderen en de GI, waarin de zorgen van de moeder zorgvuldig zullen worden meegenomen.
De moeder heeft documentatie overgelegd waaruit volgt hoe belangrijk het is om bij getraumatiseerde kinderen traumasensitief te handelen. Zij heeft vraagtekens gesteld bij hoe de GI daar uitvoering aan geeft. De moeder heeft daarbij een vergelijking gemaakt met het optreden van de raadsmedewerkers. De kinderrechter wijst op het onderscheid in handels- en uitvoeringswijze van de Raad en de GI. Daar waar de Raad moet onderzoeken of er een probleem is, is het de taak van de GI om dit probleem nader te duiden, en te helpen oplossen. Daarmee wordt van de GI gevraagd om verder te gaan nadat door de Raad is vastgesteld dat er een probleem is, omdat ook gekeken moet worden welk specifiek probleem er speelt en welke hulpverlening geïndiceerd is. In de regel is een eigen contact van de GI met de kinderen daarbij essentieel.
De moeder verwijst in dit kader ook naar artikel 3 IVRK, het recht van het kind als primaire afweging, en artikel 12 IVRK, het recht van het kind om gehoord te worden. Ook de kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat zij hun rechten kunnen effectueren, dat zij worden gehoord en dat zij hun mening en visie aan hulpverlening kenbaar kunnen maken. Dit recht strekt natuurlijk niet zo ver dat kinderen er vrijelijk voor mogen kiezen niet betrokken te worden bij hulpverlening die noodzakelijk is om hen tot ontwikkeling te laten komen. Alle betrokken zijn het erover eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dringend hulp nodig hebben. Om te bepalen welke hulp nodig is, zal een goed beeld van de kinderen verkregen moeten worden. De moeder beroept zich er – onder andere – op dat er niet is voldaan aan de processuele waarborgen van artikel 8 EVRM. Het faciliteren van rechtstreeks contact tussen de GI en de kinderen kan er juist aan bijdragen dat wordt voldaan aan de waarborgen van artikel 8 EVRM. De kinderen hebben er immers recht op dat er zo snel mogelijk zicht komt op wat er speelt, zodat passende hulp kan worden ingezet en zij weer aan hun ontwikkeltaken toe kunnen komen.
Materiële aspecten ten aanzien van het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de eisen die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaraan stellen.
Er is geen sprake van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek. Op de kwalificatie van de moeder als “weigerend” is reeds ingegaan onder 5.13 en 5.14. De moeder stelt verder dat de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de psychische toestand van [minderjarige 1] . Zoals onder 5.15 overwogen is kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat sprake is van een trauma bij de kinderen. De GI kan in de motivering van de schriftelijk aanwijzing dan ook niet zo maar uitgaan van een bepaalde psychische toestand van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ). Om een beeld te krijgen van de psychische toestand van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) is juist contact tussen de GI en de kinderen nodig. Zodoende kan de GI op dit moment in de schriftelijke aanwijzing nog geen stelling innemen over het zorgbeeld van beide kinderen. Verder concludeert de kinderrechter dat niet is gebleken dat de GI bij haar werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener niet in acht neemt of niet handelt in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard. Aan het argument van de moeder dat de GI niet handelt in lijn met de professionele standaarden en richtlijnen in de zin van artikel 4.1.1. lid 3 Jeugdwet gaat de kinderrechter dan ook voorbij. Het is de kinderrechter verder niet gebleken dat de GI bij de schriftelijke aanwijzing de belangen van het kind onvoldoende heeft meegewogen. De GI geeft een duidelijke en volledige omschrijving van de inhoud van de schriftelijke aanwijzing en de reden waarom zij een gesprek met de kinderen belangrijk vindt. Daarbij houdt de GI ook rekening met de zorgen van de moeder, door het contact met de kinderen zorgvuldig en opbouwend te laten plaatsvinden. Zo zou de GI eerst in de woning van de moeder aanwezig willen zijn, in nabijheid van de kinderen, zonder dat er direct een gesprek tussen de GI en de kinderen dient plaats te vinden.
Ook van een evenredigheidsrisico of een door de GI verkeerd aanwenden van haar bevoegdheid is niet gebleken. De verplichting tot medewerking van de moeder aan te plannen vervolgbezoeken overschrijdt niet de grenzen van de aanwijzingsbevoegdheid van de GI, omdat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling algemeen verplicht is tot medewerking aan de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening en een duurzame samenwerking met de GI. Bovendien ziet de inhoud van de schriftelijke aanwijzing op een deugdelijke opbouw van de contacten met de kinderen voor zover de GI die noodzakelijk acht, zodat er geen sprake is van een ruime, niet ingevulde, verplichting tot medewerking aan willekeurig te plannen vervolgbezoeken.
Inhoudelijke beoordeling verzoek vervallenverklaring
Nu de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de formele en materiële vereisten, komt de kinderrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vervallenverklaring. De kinderrechter zal concluderen tot afwijzing van het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring, en legt hierna uit waarom hij tot die conclusie komt.
Met inachtneming van de kernvraag zoals onder 5.12 is omschreven, komt de kinderrechter niet tot de conclusie dat er aan de voorkant kan worden vastgesteld dat er bij de kinderen sprake is van zodanige psychische gesteldheid dat contact met de gezinsvoogden voor hen te belastend zou zijn. De kinderrechter sluit niet uit dat de kinderen mogelijk getraumatiseerd zijn. Het is momenteel niet de vraag of de kinderen een probleem hebben, maar welk probleem en hoe zij hiermee geholpen kunnen worden. Dit dient nader te worden onderzocht en daar zijn alle partijen het over eens. Partijen zijn het oneens over de route die bewandeld dient te worden om te komen tot deze passende hulpverlening. De moeder heeft daartoe gesteld dat de kinderen dusdanig slecht in hun vel zitten dat eigenlijk elk contact met hulpverleners (gerelateerd aan de GI of de rechtbank) op dit moment te belastend is voor de kinderen. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI zelf een beeld krijgt van de gesteldheid van de kinderen. De kinderrechter sluit niet uit dat de gezinsvoogd op enig moment beslist dat er nader onderzoek nodig is naar wat er precies speelt bij de kinderen en hoe zij het beste geholpen kunnen worden. Echter, voordat de GI tot een dergelijk nader onderzoek kan beslissen, is het van belang dat de GI zelf voldoende zicht krijgt op wat er speelt bij de kinderen. Daar hoort ook bij dat de gezinsvoogden contact kunnen hebben met de kinderen en dat de kinderen via hen in de gelegenheid worden gesteld hun eigen visie en mening kenbaar te maken. De kinderrechter twijfelt daarbij niet aan de professionaliteit van de GI bij het voeren van dit soort gesprekken, nu de gezinsvoogden juist zijn opgeleid in het voeren van kindgesprekken en het zorgvuldig laten verlopen van deze eerste contactmomenten. Dat dit contact tussen de GI en de kinderen op de manier waarop de GI dit in de schriftelijke aanwijzing vermeldt, namelijk een gesprek met de moeder in aanwezigheid van de kinderen, al dan niet gevolgd door een gesprek met de kinderen, voor de kinderen op dit moment te belastend zou zijn, is de kinderrechter niet gebleken. Uit de opstelling van de GI blijkt immers juist dat zij dit contact met de nodige zorgvuldigheid en voorzichtigheid wil aanpakken. Het is aan de professionaliteit van de medewerkers van de GI om te zorgen dat de belangen van het kind gewaarborgd blijven. Daarbij zal de GI ongetwijfeld ook oog hebben voor de angsten van de kinderen voor specifieke hulpverleners en hopelijk ook kunnen laten ziet dat deze angsten niet gerechtvaardigd zijn. Het mag in dat kader van de moeder verwacht worden dat zij het gesprek met de gezinsvoogden op een manier voert dat de kinderen door haar houding niet belast worden. Dat de gezinsvoogden in een dergelijke setting niet in staat zouden zijn voldoende in het belang van de kinderen te handelen is de kinderrechter niet gebleken.
Zoals gesteld hebben alle partijen een gezamenlijk doel: namelijk de inzet van passende hulpverlening voor de kinderen. De wijze waarop de GI beschrijft hoe het contact met de kinderen tot stand moet komen, is minder verstrekkend dan de moeder voor ogen heeft. De moeder benoemt dat er sprake zal zijn van ‘repeated interviewing’ en dat de GI onvoldoende rekening houdt met de problematiek en de kwetsbaarheden van de kinderen. Daarvan is de kinderrechter niet gebleken, te meer nu de GI in de schriftelijke aanwijzing een zorgvuldige aanpak hanteert omtrent het aangaan van gesprekken met de kinderen. De eerste stap zal zijn dat de GI samen met de kinderen in een ruimte verblijft. De GI zal vervolgens bezien of een gesprek met de kinderen mogelijk is en vervolgens of verdere gesprekken noodzakelijk zijn. Zonder een eerste contact met het kind, in de vorm van nabijheid van de kinderen, is een dergelijke afweging niet mogelijk.
Ter zitting heeft de vader de situatie mooi geïllustreerd door te zeggen dat hij niet weet of er iets aan de hand is met de kinderen, omdat hij lang geen contact meer met hen heeft gehad. Hij kan nu alleen een conclusie trekken op basis van papieren. Dat is voor de GI niet anders. Momenteel neemt de moeder eenzijdige beslissingen over wat er in het belang van de kinderen zou zijn, ook ten aanzien van het contact met de gezinsvoogden. Daarmee zet ze de vader, die gezamenlijk met haar het gezag uitoefent, buiten spel. Dat vindt de kinderrechter niet wenselijk. Ter zitting is ook gebleken dat de vader de afgelopen maanden geen informatie of foto’s van de kinderen heeft ontvangen. De moeder heeft ter zitting toegezegd de vader foto’s van de kinderen te willen sturen als deze niet worden gebruikt ter bevestiging dat het goed zou gaan met de kinderen. De kinderrechter vindt het in het belang van de kinderen dat de vader informatie over hen en foto’s van hen ontvangt, zodat hij zicht krijgt op hun ontwikkeling. De GI dient met de moeder op te pakken hoe de informatievoorziening naar de vader beter kan verlopen.
De kinderrechter wil benadrukken dat hij ziet dat de moeder oprechte zorgen over de kinderen heeft en neemt deze zorgen ook serieus. Om de zorgen over de kinderen beter in kaart te brengen en passende hulpverlening voor de kinderen in te zetten, acht de kinderrechter het juist nodig dat de kinderen in contact komen met de GI. Alleen op die manier kan de GI bepalen welke hulp nodig is. De kinderrechter begrijpt in deze situatie dat de beslissing voor de moeder lastig kan zijn, maar het is in het belang van de kinderen dat de moeder meewerkt aan de totstandkoming van een eerste contactmoment tussen de GI en de kinderen. De kinderrechter ziet in hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
Deskundigenonderzoek
De moeder heeft om een deskundigenonderzoek verzocht, voor zover hetgeen zij verder heeft aangevoerd al niet tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing moet leiden. De moeder meent dat een deskundigenonderzoek zoals zij dat voorstelt kan bijdragen tot de oplossing van het geschil. Zij heeft bemerkt dat de visie van de GI en de ouders over de problemen van de kinderen en de aanpak daarvan wezenlijk van elkaar verschilt. Deskundigen zouden door middel van het door haar voorgestane onderzoek hier meer duidelijkheid in kunnen brengen.
De moeder stelt primair dat een verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing kwalificeert als een zaak betreffende de ondertoezichtstelling in de zin van artikel 810a lid 2 Rv, omdat zonder een ondertoezichtstelling de schriftelijke aanwijzing niet door de GI gegeven kan worden. Zij wijst erop dat in de rechtspraak ook verzoeken betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing onder het toepassingsbereik van dit artikel zijn geschaard. De kinderrechter is het op dit punt niet met de moeder eens. Artikel 810a lid 2 Rv beoogt een ‘equality of arms’ te waarborgen. Een ouder heeft op grond van deze bepaling de mogelijkheid om een door de rechter, in overleg met de ouder, te benoemen deskundige de visie van de Raad of de GI over de gronden voor en noodzaak van het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel tegen het licht te laten houden. Het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel vormt een diepe ingreep in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven. Dat is naar het oordeel van de kinderrechter niet vergelijkbaar met de bevoegdheid van de GI om een schriftelijke aanwijzing te geven. Dat is een uitvoeringshandeling, waartoe de GI alleen kan overgaan nadat al is geoordeeld dat er voldoende grond en noodzaak is geweest voor het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel. Tegen deze uitvoeringshandeling biedt de wet rechtsbescherming door middel van een specifieke rechtsgang, die niet valt onder het bereik van artikel 810a lid 2 Rv. Er rust dan ook geen verplichting op de kinderrechter om gelet op het verzoek van de moeder een deskundige te benoemen.
Subsidiair wijst de moeder op de algemene en discretionaire bevoegdheid van de kinderrechter op grond van artikel 186 lid 1 Rv om een deskundigenonderzoek te gelasten wanneer dat dienstig kan zijn aan de beoordeling van het geschil. De kinderrechter kan zich voorstellen dat het wenselijk is dat deskundigen meer zicht gaan krijgen op de problematiek van de kinderen, zodat ook duidelijk wordt wat nodig is om de kinderen goed te helpen. Dat hoeven niet door de rechter te benoemen deskundigen te zijn, idealiter trekken de GI en de ouders hier samen in op. Echter zover zijn we nog niet. In deze procedure gaat het niet over diagnostiek en behandeling. Het gaat alleen over de vraag of de GI op dit moment de eis mag stellen om zelf in contact te komen met kinderen. Voor de moeder lijkt duidelijk dat elke vorm van contact (verder) traumatiserend kan zijn, maar zoals hiervoor is overwogen ziet de kinderrechter, zeker gelet op de laagdrempelige wijze waarop de GI wil beginnen met het leggen van contact, daarvoor geen aanwijzing. Het belang van de kinderen verzet zich ertegen dat eerst nog moet worden gewacht totdat deskundigen zich hebben uitgelaten over de vraag of de aannames van de moeder juist zijn. De kinderrechter acht het juist in het belang van de kinderen dat de GI zo snel mogelijk een beter eigen beeld kan vormen van wat er bij hen speelt. De kinderrechter acht een deskundigenonderzoek in dit stadium dan ook niet dienstig voor de beoordeling van dit geschil. De rechtbank heeft geoordeeld dat er grond en noodzaak was voor een ondertoezichtstelling, een gezagsbeperkende maatregel, en heeft de GI met de uitvoering daarvan belast. Het is hoog tijd dat de GI ook voldoende kan toekomen aan de uitvoering van haar taak.
Materiële aspecten ten aanzien van het verzoek tot bekrachtiging van de GI
Twee separate verzoekschriften van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing
De moeder stelt – kort gezegd – dat de GI niet-ontvankelijk is, omdat de GI twee separate verzoekschriften tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing heeft ingediend: één voor [minderjarige 1] , en één voor [minderjarige 2] . De moeder stelt dat een toereikende grondslag ontbreekt, omdat de aanwijzing zelf geen aanknopingspunt biedt voor een indeling per kind. De verzoeken ontlenen hun grondslag namelijk niet aan de aanwijzing, maar aan een eigen, niet nader gemotiveerde keuze van de GI om één materieel verwijt in twee separate verzoeken onder te brengen.
De kinderrechter gaat niet mee in deze stelling van de moeder. De GI heeft ter zitting toegelicht dat alleen vanwege administratieve redenen twee dossiers worden aangehouden, zodat de kinderrechter begrijpt dat het feitelijk gaat om één aanwijzing die is gericht op beide kinderen. Dat maakt ook dat hoewel er formeel sprake is van twee verschillende aanwijzingen er materieel sprake is van één aanwijzing die is gericht op beide kinderen. Nu de inhoud van de aanwijzingen gelijk is, afgezien van de namen van de kinderen, heeft de moeder dat naar het oordeel van de kinderrechter ook zo kunnen begrijpen.
Inhoudelijke beoordeling
Voor de beoordeling van de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, verwijst de rechtbank naar de beoordeling en overwegingen van de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, met als conclusie dat de kinderrechter het noodzakelijk acht dat de GI in staat wordt gesteld de handelingen zoals omschreven in de schriftelijke aanwijzing uit te voeren. Dit is noodzakelijk om een beeld te krijgen van de ontwikkeling(sbedreiging) van de kinderen en de passende hulpverlening in te zetten. Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van dusdanige concrete aanwijzingen dat op grond daarvan op voorhand kan worden gesteld dat de kinderen niet in staat zijn tot contact met de GI. Ook is door de GI de nodige zorgvuldigheid meewogen in het faciliteren van contact met de kinderen.
Volledigheidshalve merkt de kinderrechter op dat de datum voor het faciliteren van een gesprek met de kinderen die in de schriftelijke aanwijzing is genoemd, namelijk 11 juni 2026, inmiddels is verstreken. Dat maakt dat de schriftelijke aanwijzing op dit punt niet meer uit te voeren is. Echter in de schriftelijke aanwijzing gaat het ook over noodzakelijk geachte vervolggesprekken. Van de moeder wordt op goede gronden verlangd daaraan mee te werken. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen.
Dwangsom
Hiervoor heeft de kinderrechter overwogen dat de schriftelijke aanwijzing op goede gronden is gegeven en dat er geen aanleiding is deze vervallen te verklaren. Ook heeft de kinderrechter geoordeeld dat de schriftelijke aanwijzing zal worden bekrachtigd.
De GI heeft verder verzocht een dwangmiddel toe te passen om te bevorderen dat de moeder de op haar rustende verplichtingen op grond van de schriftelijke aanwijzing nakomt. De GI verzoekt een dwangsom te bepalen ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat de moeder de aanwijzing niet opvolgt.
In de schriftelijke aanwijzing had de GI een dergelijk verzoek al aangekondigd, door de moeder erop te wijzen dat de GI kon verzoeken een door de wet toegelaten dwangmiddel (dwangsom of lijfsdwang) op te leggen en dat zij het voornemen had om aan de kinderrechter te verzoeken een dwangsom op te leggen van € 1.000,- per keer dat de moeder de schriftelijke aanwijzing niet nakomt. Voor zover de moeder zich erop beroept dat zij door deze aankondiging op het verkeerde been is gezet over de hoogte van de dwangsom, gaat de kinderrechter daaraan voorbij. De kinderrechter toetst het voorliggende verzoek, niet de aankondiging daarvan.
De moeder is het inhoudelijk niet eens met de verzochte dwangsom. Zij stelt dat het niet juist is dat de GI, zonder motivering, per kind een dwangsom verzoekt. Hiervoor heeft de kinderrechter al overwogen dat het feit dat per kind een afzonderlijke schriftelijke aanwijzing is gegeven en een afzonderlijk verzoek is ingediend volgens de GI alleen verband houdt met de inrichting van haar administratie. Er is niet gemotiveerd betoogd waarom een dwangsom per kind zou moeten worden opgelegd. De kinderrechter begrijpt de verzoeken dan ook zo, dat verzocht wordt een dwangsom op te leggen voor iedere dag dat de moeder de aanwijzing ten aanzien van de kinderen niet opvolgt. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de moeder het verzoek, na de toelichting door de GI, zo ook kunnen begrijpen. De kinderrechter betrekt daarbij tevens dat dit niet een verderstrekkend, maar juist een minder verstrekkende uitleg van het verzoek is, dan de uitleg die de moeder hier in eerste instantie aan heeft gegeven.
Uit de schriftelijke aanwijzingen is ook voldoende duidelijk welke verplichting op de moeder rust en die zij zou moeten nakomen. De moeder dient het mogelijk te maken dat de gezinsvoogden op de door hen aangekondigde momenten zelf en op een door hen te bepalen wijze contact kunnen hebben met de kinderen. De GI heeft daartoe nader gesteld dat, indien de GI dat noodzakelijk acht, de moeder een gesprek met beide gezinsvoogden dient te voeren, waarbij zij ervoor dient te zorgen dat de kinderen in dezelfde ruimte aanwezig zijn, zodat de gezinsvoogden indien zij dat naar hun inschatting wenselijk en mogelijk achten ook een gesprek met de kinderen kunnen voeren.
Ook is gebleken dat de moeder het nog steeds niet eens is met de aan haar opgelegde verplichting om contacten tussen de kinderen en de gezinsvoogden mogelijk te maken. Zij heeft immers verzocht de daarover gegeven schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en ook in deze procedure heeft zij er geen blijk van gegeven zich neer te willen leggen bij een rechterlijk oordeel over de schriftelijke aanwijzing dat afwijkt van haar eigen mening. De kinderrechter stelt dan ook vast dat de moeder niet voornemens is vrijwillig na te komen. Een prikkel tot nakoming acht de kinderrechter daarom aangewezen. De kinderrechter heeft al overwogen dat het contact met de kinderen juist in het belang van de kinderen wordt geacht, zodat het belang van de kinderen zich ook niet verzet tegen het opleggen van een dwangmiddel.
De moeder stelt nog dat onvoldoende duidelijk is wanneer en over welke periode zij een dwangsom verschuldigd zou zijn, omdat zij niet bepaalt wanneer de gezinsvoogden gesprekken willen voeren. De kinderrechter begrijpt het verzoek zo, dat is verzocht om een dwangsom op te leggen voor iedere dag waarop de gezinsvoogden een dergelijk thuisbezoek hebben gepland en de moeder haar verplichtingen niet nakomt. Dat vindt de kinderrechter ook voldoende bepaalbaar.
Gesteld noch gebleken is dat de hoogte van de verzochte dwangsom bovenmatig of niet passend is, gelet op de financiële positie van de moeder.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter voor alle duidelijkheid beslissen op de wijze als in het dictum is bepaald. Daarbij zal de kinderrechter ook een maximum bepalen van te verbeuren dwangsommen. Indien de moeder na 50 dagen nog steeds niet nakomt, moet geconcludeerd worden dat de hierbij op te leggen dwangsom geen probaat middel is om nakoming te bevorderen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tegen deze beslissing staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet
7, zodat deze beslissing van rechtswege onmiddellijk geldt. Het verzoek om een uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt daarom afgewezen.
6De beslissing
De kinderrechter:
C/03/353247 / JE RK 26-1058
wijst de verzoeken af;
C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzingen van 29 mei 2026;
bepaalt dat de moeder aan de GI een dwangsom dient te betalen van € 500,- per dag waarop de moeder niet voldoet aan de conform de schriftelijke aanwijzingen op haar rustende verplichtingen, in die zin dat de moeder het niet mogelijk heeft gemaakt dat op die dag de gezinsvoogden tijdens een aangekondigd moment zelf en op een door hen te bepalen wijze contact kunnen hebben met de kinderen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,-;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. Bregonje, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Jacobs als griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 3:46 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
Artikel 3:2 Awb.
Artikel 3:9 Awb.
Artikel 3:3 Awb.
Artikel 3:4 lid 2 Awb.
Op grond van artikel 285 RV.
Artikel 807 Rv in samenhang met de artikelen 1:263, derde lid, en 1:264 BW.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
