Essentie (gemaakt door AI)
Alimentatie wordt gewijzigd wegens inkomensdaling man: kinderalimentatie wordt bepaald op € 230 per kind per maand vanaf 16 februari 2026 en partneralimentatie wordt op nihil gesteld. Terugbetaling van te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie door vrouw wordt opgelegd. Zelfstandig verzoek van vrouw tot wijziging zorgregeling stuit op verweer dat niet is voldaan aan art. 282 lid 4 Rv (connexiteit). Rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over uitleg ‘hetzelfde onderwerp’ en houdt beslissing over zorgregeling aan.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 18-08-2026 |
| Zaaknummer | C/05/463319 / FA RK 26-631 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Familieprocesrecht; Prejudiciële vragen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Zelfstandig verzoek wijziging zorgregeling in procedure over kinder- en partneralimentatie. Verweer dat het zelfstandig verzoek gaat over een ander onderwerp dan het verzoek (artikel 282 lid 4 Rv) . De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de uitleg van het ‘connexiteitsvereiste’.Volledige uitspraak
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/463319 / FA RK 26-631
Datum uitspraak: 24 juli 2026
beschikking alimentatie en zorgregeling
in de zaak van
[naam man] (nader te noemen: de man),
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks uit Nijmegen,
tegen
[naam vrouw] (nader te noemen: de vrouw),
verblijvend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Koudstaal uit Bloemendaal.
1De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het verzoekschrift van de man met producties, binnengekomen op 16 februari 2026;
-
het verweerschrift van de vrouw met zelfstandig verzoek en producties, binnengekomen op 13 maart 2026;
-
het verweerschrift van de man op het zelfstandige verzoek van de vrouw, binnengekomen op 8 april 2026;
-
het F9-formulier van de vrouw met producties, binnengekomen op 15 mei 2026;
-
het F9-formulier van de man met producties, binnengekomen op 18 mei 2026;
-
het F9-formulier van de vrouw met productie, binnengekomen op 20 mei 2026;
-
de pleitnota van de man, ter zitting overgelegd;
-
de pleitnota van de vrouw, ter zitting overgelegd;
-
het F9-formulier van de vrouw met producties, na de zitting binnengekomen op 4 juni 2026;
-
het F9-formulier van de vrouw met een brief met reactie op de concept prejudiciële vragen;
-
reactie op de prejudiciële vragen van mr. Koudstaal van 25 juni 2026;
De zaak is besproken op de zitting van 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.
Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 11 maart 2026 is het verzoek van de man om een provisionele voorziening te treffen afgewezen.
2Feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op 28 oktober 2020 ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (gemeente).
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
-
[kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
-
[kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
-
[kind 3] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
Op 9 september 2020 heeft de rechtbank voor zover relevant beslist dat de man een bedrag van € 430 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en daarnaast een bedrag van € 1.945 bruto per maand aan partneralimentatie. Ook is een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen bij de man verblijven:
-
één keer per veertien dagen van vrijdagmiddag 17.30 uur tot zondagmiddag 16.00 uur (in de oneven weekenden);
-
in de vakanties in de even jaren:
o de vakanties langer dan een week, de eerste helft;
o de vakantie van een week, de eerste helft, overdracht op woensdag;
o de zomervakantie, de eerste drie weken;
- en in de oneven jaren:
o de vakanties langer dan een week, de tweede helft;
o de vakantie van een week, de tweede helft, overdracht op woensdag;
o de zomervakantie, de eerste drie weken,
waarbij de vrouw de kinderen brengt naar de man en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw op de parkeerplaats bij de Kruidvat ( [adres] ), een en ander onder regie van de gezinsvoogd conform rechtsoverwegingen 3.15, 3.18, 3.20 en 3.24.
Beide partijen zijn hiertegen in hoger beroep gegaan. Op 22 juni 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor zover relevant het onderdeel van de beschikking over de kinderalimentatie bekrachtigd en beslist dat de man een bedrag van € 2.783 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. Ook is het onderdeel van de beschikking over de zorgregeling door het gerechtshof bekrachtigd.
3De beoordeling
De kinder- en partneralimentatie
De man verzoekt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 te wijzigen naar € 159 per kind per maand, althans met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag als de rechtbank passend oordeelt. De man verzoekt om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2026 op nihil te stellen. Daarnaast verzoekt de man om de vrouw te veroordelen de door haar te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie aan de man terug te betalen vanaf de ingangsdatum die de rechtbank bepaalt. De vrouw voert verweer en verzoekt om de man niet-ontvankelijk te verklaren of om zijn verzoeken af te wijzen.
Conclusie
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 230 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 16 februari 2026, namelijk de datum van het verzoekschrift. Daarnaast beslist de rechtbank dat partneralimentatie met ingang van de datum van het verzoekschrift op nihil wordt gesteld. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Reden voor de wijziging
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.
1 Dat is hier het geval, want het inkomen van de man is gedaald.
Ingangsdatum
De wet
2 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van het verzoekschrift, omdat de vrouw er in ieder geval vanaf dat moment rekening mee kon houden dat de kinder- en partneralimentatie werd gewijzigd.
Kinderalimentatie gaat voor op partneralimentatie
De behoefte van de kinderen is belangrijker dan de behoefte van de partner.
3 De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.
Behoefte van de kinderen
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. In de echtscheidingsprocedure heeft deze rechtbank de behoefte van de kinderen in 2020 vastgesteld op € 538 per kind per maand. Deze behoefte is in hoger beroep op hetzelfde bedrag vastgesteld. Partijen zijn het erover eens dat bij de herberekening van de kinderalimentatie van deze behoefte uitgegaan kan worden, geïndexeerd naar nu. De rechtbank sluit hierbij aan. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van de kinderen in 2026 afgerond € 691 per kind per maand.
Draagkracht van partijen
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
4
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI -(NBI X 0,3 + 1365)].
Draagkracht van de man
De man berekent zijn inkomen op € 52.345,60 in 2026, bestaande uit een inkomen uit persoonsgebonden budget (pgb) voor verleende zorg. De vrouw vindt dat de man de alimentatie moet blijven betalen die het gerechtshof heeft vastgesteld, omdat de man voldoende inkomen heeft of geacht moet worden te kunnen verwerven. Het gerechtshof heeft in zijn beschikking van 22 juni 2021 overwogen dat het inkomen van de man in de laatste jaren van het huwelijk gemiddeld € 150.000 bruto per jaar was. De vrouw gaat ervan uit dat de man dit inkomen kan behouden.
Het gerechtshof is bij de vaststelling van het inkomen van de man uitgegaan van de volgende inkomenscomponenten: een bruto jaarsalaris inclusief vakantietoeslag in loondienst bij PsyNovo B.V. (hierna: PsyNovo), een dividenduitkering door PsyNovo en een winst uit onderneming uit de vennootschap onder firma ZonderZorg (hierna: ZonderZorg).
De rechtbank constateert dat ZonderZorg in 2023 is uitgeschreven uit het handelsregister. Het is duidelijk dat de man geen inkomen meer haalt uit deze onderneming. Dat blijkt ook uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 en 2025 van de man. Uit de aangifte inkomstenbelasting van 2022 tot en met 2025 volgt ook dat het wegvallen van het inkomen uit ZonderZorg ruimschoots is gecompenseerd door een stijging van het inkomen van de man bij PsyNovo en door het inkomen uit pgb. De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man daarom geen rekening met inkomen uit ZonderZorg.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat PsyNovo, de onderneming waar de man en zijn zus allebei voor 50% aandeelhouder van zijn, is gestaakt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of met het inkomensverlies dat de man lijdt door de ontbinding van PsyNovo rekening moet worden gehouden bij de bepaling van zijn draagkracht. De rechtbank kan met het inkomensverlies rekening houden als het inkomensverlies niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is.
De man heeft toegelicht waarom PsyNovo is gestaakt. PsyNovo hield zich bezig met het leveren van psychiatrische zorg. Zij sloot daarvoor een uitbestedingsovereenkomst met Stichting Psynovo (hierna: de Stichting). Deze Stichting sloot de contracten met zorgverzekeraars en Psynovo leverde de feitelijke zorg. De declaraties aan zorgverzekeraars en de ontvangst van betalingen van zorgverzekeraars verliep via de Stichting. Van de betalingen die door de Stichting werden ontvangen, werd 98% doorbetaald aan PsyNovo en PsyNovo betaalde de kosten en salarissen. In deze constructie was een belangrijke rol weggelegd voor de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ), die zowel bestuurder van de Stichting was (en in die hoedanigheid goede contacten had met de zorgverzekeraars) als psychiater bij PsyNovo.
In 2025 ontstond een geschil tussen PsyNovo en de Stichting vanwege openstaande vorderingen over en weer. Daarnaast was [bestuurder] op enig moment langdurig onbereikbaar voor PsyNovo en leek het erop dat hij zijn werkzaamheden had gestaakt. PsyNovo zag zich daarom genoodzaakt de overeenkomst van opdracht met [bestuurder] (voor zijn werkzaamheden als psychiater) te beëindigen en de Stichting te dagvaarden. De Stichting heeft vervolgens de uitbestedingsovereenkomst met PsyNovo opgezegd. Het geschil is uiteindelijk beëindigd met een vaststellingsovereenkomst, waarna de samenwerking tussen PsyNovo en de Stichting per 1 oktober 2025 definitief is geëindigd.
Omdat de contracten met de zorgverzekeraars door de Stichting waren gesloten en de samenwerking tussen PsyNovo en de Stichting was geëindigd, kon PsyNovo geen psychiatrische zorg meer leveren. De zorgverzekeraars wilden niet met een B.V. contracteren. Zonder de Stichting was PsyNovo niet levensvatbaar, zodat is besloten tot ontbinding van de onderneming.
De man heeft verder toegelicht dat hij zijn oude inkomen niet ergens anders kan verdienen. De man heeft een mbo-opleiding genoten en vervulde een administratieve rol binnen PsyNovo. De man had een brutosalaris van € 4.666,67 bij PsyNovo, wat volgens hem vergelijkbaar is met soortgelijke functies in het bedrijfsleven. De dividenduitkeringen die de man genoot, werden gerealiseerd door de zorgprofessionals die voor PsyNovo werkten. De man heeft toegelicht dat hij in feite heeft meegelift op het succes van PsyNovo. Dat succes was hoofdzakelijk toe te schrijven aan de rol die [bestuurder] als bestuurder van de Stichting en psychiater voor PsyNovo vervulde.
De vrouw heeft aangevoerd dat de toedracht zoals geschetst door de man ongeloofwaardig is en dat de ontbinding van PsyNovo vermoedelijk door de man is geconstrueerd om onder zijn alimentatieverplichting uit te komen. De rechtbank volgt de vrouw daar niet in. De man heeft zijn stellingen met diverse bewijsstukken onderbouwd, waaronder brieven van de advocaat van PsyNovo, een dagvaarding (uitgebracht door PsyNovo) van de Stichting in verband met achterstallige betalingen en de vaststellingsovereenkomst tussen PsyNovo en de Stichting. De vrouw heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit een hele andere gang van zaken volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn inkomensverlies niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, zodat de rechtbank met het inkomensverlies rekening houdt bij de bepaling van de draagkracht van de man.
De vrouw stelt zich nog op het standpunt dat de man de dividenduitkering van € 170.190 bruto die hij eind 2025 heeft ontvangen moet verspreiden over de komende jaren, zodat de man aan zijn onderhoudsplicht kan blijven voldoen. Ook hier volgt de rechtbank de vrouw niet in. De man heeft uitgelegd dat de dividenduitkering van eind 2025 feitelijk ook ziet op de jaren 2023 en 2024. In die jaren is er namelijk bijna geen dividend uitgekeerd. De dividenduitkering van eind 2025 heeft daardoor volgens de man juist betrekking op het verleden en niet op de toekomst. De man heeft inzichtelijk gemaakt dat hij vanwege de beperkte dividenduitkeringen in 2023 en 2024 in die jaren geen inkomen van € 150.000 bruto heeft genoten, terwijl het gerechtshof zijn draagkracht voor alimentatie wel op een inkomen van € 150.000 bruto heeft berekend. Als de dividenduitkering van € 170.190 bruto wordt verspreid over 2023 tot en met 2025, heeft de man met terugwerkende kracht wel een inkomen van € 150.000 bruto genoten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om met de dividenduitkering van € 170.190 bruto rekening te houden bij de vaststelling van de huidige draagkracht van de man.
De vrouw heeft verder gesteld dat de man moet interen op zijn vermogen om aan zijn onderhoudsplicht te kunnen blijven voldoen. Volgens vaste jurisprudentie blijft het vermogen in beginsel buiten beschouwing bij bepaling van de draagkracht, zodat daarop niet hoeft te worden ingeteerd. Onder omstandigheden kan echter van een alimentatieplichtige worden verlangd dat er wel wordt ingeteerd op het aanwezige vermogen. De vrouw benoemt de woning van de man en de banktegoeden inclusief de dividenduitkering als vermogen waar de man op kan interen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de man moet interen op zijn vermogen. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat er geen sprake is van een verwijtbaar of vermijdbaar inkomensverlies. Verder kan niet van de man worden verwacht dat hij zijn woning verkoopt om op die manier op zijn vermogen in te kunnen teren. Over de dividenduitkering heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat zij geen aanleiding ziet om met de dividenduitkering rekening te houden bij de vaststelling van de draagkracht van de man.
De rechtbank berekent het NBI van de man op basis van het inkomen dat de man daadwerkelijk verdient. De man werkt ruim 36 uur als zorgverlener en verdient daarmee € 52.345,60 bruto in 2026. Dit is meer dan het salaris dat volgt uit de salarisstrook van januari 2026 die de man heeft overgelegd, omdat er volgens de man vanaf februari 2026 een correctie wordt toegepast. De vrouw heeft de hoogte van het salaris van de man niet betwist, zodat de rechtbank van het salaris uitgaat dat de man heeft gesteld. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI van de man is dan € 3.359 per maand.
5
Op basis van de hiervoor genoemde formule heeft de man een draagkracht van € 690 per maand.
Draagkracht van de vrouw
De vrouw stelt dat zij geen inkomen heeft. Zij berekent haar draagkracht op basis van het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop die zij ontvangt. Volgens de man heeft de vrouw wel een eigen inkomen. Zij zou werken in de onderneming van haar zus en het bedrijf van haar broer. Dat de vrouw een eigen inkomen geniet, volgt volgens de man ook uit het vermogen dat de vrouw heeft opgebouwd. In tegenstelling tot hetgeen de vrouw daarover stelt, komt het vermogen van de vrouw niet hoofdzakelijk voort uit de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Volgens de man heeft de vrouw namelijk maar € 65.000 uit de echtscheiding ontvangen.
De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat de vrouw een eigen inkomen heeft. De vrouw heeft haar aangifte inkomstenbelasting 2025 overgelegd waaruit volgt dat de vrouw in 2025 geen inkomen had. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vrouw in 2026 ook geen inkomen heeft. Verder heeft de vrouw met stukken onderbouwd dat zij (veel) meer geld uit de echtscheiding heeft ontvangen dan het door de man gestelde bedrag van € 65.000. De rechtbank berekent het NBI van de vrouw daarom op basis van een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 11.880 in 2026. Het NBI van de vrouw is dan € 990 per maand.
6
In tegenstelling tot de man rekent de rechtbank de vrouw bij de vaststelling van de kinderalimentatie geen verdiencapaciteit toe. De rechtbank moet namelijk terughoudend zijn met het aannemen van een fictief inkomen bij de ouder die de dagelijkse zorg heeft voor de kinderen voor wie een bijdrage wordt verzocht. Uitgaan van een fictief inkomen en daarmee van een hogere, eveneens fictieve draagkracht, kan er namelijk toe leiden dat niet (geheel) kan worden voorzien in de behoefte van de kinderen als dat hogere inkomen om welke reden dan ook niet wordt verwezenlijkt.
Het NBI van de vrouw is lager dan € 2.200 per maand. Bij een NBI dat lager is dan € 2.200 per maand maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. Volgens de draagkrachttabel geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 50 per maand.
Verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 740 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 2.073 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 1.333 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met een bedrag van € 690 per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen en de vrouw met een bedrag van € 50 per maand.
Zorgkorting
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de kinderen staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Als de rechtbank de kosten die de man al voor de kinderen maakt in mindering zou brengen op de alimentatie, zou het hele tekort op de schouders van de vrouw komen te rusten. Daarom past bij de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de man een bedrag van € 230 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen.
Partneralimentatie
Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor de kinderen moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. In de echtscheidingsprocedure heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de behoefte van de vrouw in 2021 vastgesteld op € 2.820 netto per maand. Partijen zijn het erover eens dat bij de herberekening van de partneralimentatie van deze behoefte uitgegaan kan worden, geïndexeerd naar nu. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van de vrouw in 2026 afgerond € 3.515 netto per maand. De rechtbank gaat uit van deze behoefte.
Behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 3.151 netto) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.
De man vindt dat de vrouw in staat moet worden geacht om een inkomen van € 20.000 bruto per jaar te verdienen, uitgaande van een 24-urige werkweek. De man baseert het inkomen op het perspectief bij een opleiding tot analist (de opleiding die de vrouw heeft gevolgd). Daarbij is volgens de man een startsalaris van € 3.000 bruto per maand passend, naar de rechtbank begrijpt voor een fulltime dienstverband.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in het kader van de partneralimentatie zo veel mogelijk in haar eigen behoefte moet kunnen voorzien en dat van haar verwacht mag worden dat zij een eigen inkomen gaat verdienen. In eerdere beschikkingen van de rechtbank (9 september 2020) en het gerechtshof (22 juni 2021) is al overwogen dat van de vrouw verlangd en verwacht mag worden dat zij er alles aan doet om op termijn een baan te vinden waarmee zij zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat is inmiddels bijna zes jaar geleden. Niet gebleken is dat de vrouw in de tussentijd stappen heeft gezet om in haar eigen behoefte te voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw binnen afzienbare tijd een eigen inkomen moet kunnen genereren. De vrouw is gezond en heeft ervaring als analist. Zij heeft onvoldoende onderbouwd waarom zij dat werk nu niet zou kunnen verrichten. Dat de vrouw een groot deel van de zorg voor de kinderen heeft, betekent niet dat zij in het geheel niet kan werken. De vrouw kan onder schooltijd werken. Daarnaast kan de vrouw opvang regelen voor de kinderen en daarvoor kinderopvangtoeslag aanvragen. Daar komt bij dat [kind 1] inmiddels 12 jaar is, zodat er voor haar maar beperkt opvang nodig zal zijn.
Het bruto jaarinkomen waar de man van uitgaat komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat de rechtbank voor de berekening van de behoeftigheid van de vrouw rekent met een fictief bruto jaarinkomen van € 20.000.
De rechtbank houdt daarbij rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank rekent niet met een kindgebonden budget, omdat het kindgebonden budget is bedoeld voor de kinderen. Het NBI is dan € 1.667 per maand.
7 Daarop moet het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen van € 50 in mindering worden gebracht. Deze kosten worden echter volledig gedekt door het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt, zodat de rechtbank de kosten van de kinderen niet in mindering brengt. De vrouw kan hierdoor met een bedrag van € 1.667 netto per maand in haar eigen behoefte voorzien.
Er resteert een aanvullende behoefte van € 1.848 (3.515 – 1.667) netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie ontvangt, dan moet zij daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld nettobedrag tot € 3.287 per maand.
8
Draagkracht van de man
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.
Daarvoor hanteert de rechtbank dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan dus: 60% [NBI - (NBI X 0,3 + 1365)].
Er is dan een bedrag beschikbaar van € 592 per maand. Omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie
9, komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 690 per maand hierop nog in mindering. Er resteert dan geen draagkracht voor partneralimentatie.
Alimentatie vooruitbetalen
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Alimentatie terugbetalen
De rechtbank stelt de kinder- en partneralimentatie lager vast dan de rechtbank en het gerechtshof dat eerder hebben gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw niet in staat is om het door de man onverschuldigd betaalde terug te betalen, of dat dit niet van haar gevergd kan worden. De rechtbank bepaalt daarom dat de vrouw de tot op heden te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie aan de man moet terugbetalen.
De zorgregeling
De vrouw verzoekt bij zelfstandig verzoek de bestaande zorgregeling te wijzigen naar de volgende regeling:
-
de kinderen verblijven in de oneven weken van maandag uit school tot donderdagochtend naar school, waarbij de vrouw de kinderen van en naar school haalt en brengt;
-
de kinderen verblijven in de oneven weken van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de man, waarbij de man de kinderen van en naar school haalt en brengt;
-
de kinderen verblijven in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school en van vrijdag uit school tot maandag uit school bij de vrouw, waarbij de vrouw de kinderen maandag en vrijdag uit school ophaalt en maandag naar school brengt;
-
de kinderen verblijven in de even weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de man, waarbij de man de kinderen van en naar school haalt en brengt;
-
als één of meerdere kinderen ziek zijn en niet naar school gaan, blijven zij bij de ouder die hen naar school zou brengen tot het moment dat de andere ouder de kinderen bij school zou ophalen maar haalt dan het kind op bij de ouder waar het kind verblijft.
De man voert verweer en stelt primair dat het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling connexiteit mist in de zin van artikel 282 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de alimentatie. Subsidiair stelt de man dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden en meer subsidiair stelt hij dat een wijziging van de zorgregeling niet gerechtvaardigd en in het belang van de kinderen is. De man verzoekt om de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandige verzoek, dan wel het zelfstandige verzoek van de vrouw af te wijzen.
Voordat de rechtbank aan het zelfstandig verzoek van de vrouw toekomt, moet de rechtbank beoordelen of de vrouw in dat verzoek ontvankelijk is. Het meest vergaande verweer is dat de vrouw niet ontvankelijk is vanwege artikel 282 lid 4 Rv. Dit verweer bespreekt de rechtbank eerst.
Het juridisch kader en de onduidelijkheden in de rechtspraktijk
De man doet zoals gezegd een beroep op artikel 282 lid 4 Rv. Op grond van dit artikel moet een zelfstandig verzoek gaan over hetzelfde onderwerp als het oorspronkelijke verzoek. In de praktijk wordt dit ook het connexiteitsvereiste genoemd, wellicht ten onrechte omdat de tekst van de bepaling verder lijkt te gaan dan enkel ‘samenhang’ maar spreekt van ‘hetzelfde onderwerp’. De rechtbank zal desondanks in het vervolg, omwille van de leesbaarheid, spreken over het connexiteitsvereiste.
Een bepaling vergelijkbaar met artikel 282 lid 4 Rv bestaat niet voor de dagvaardingsprocedure. Daar geldt een dergelijke eis dus niet. In een dagvaardingsprocedure kunnen juist over alle onderwerpen die spelen tussen eiser en gedaagde(n) reconventionele vorderingen worden ingesteld. Dit heeft wellicht te maken met de aard van de procedure waarbij de eisende partij in een dagvaardingsprocedure bepaalt wie er in een procedure wordt betrokken en alles wat tussen eiser en gedaagde speelt tegelijkertijd behandeld kan worden. In een verzoekschriftenprocedure roept de rechtbank alle belanghebbenden op over een specifiek onderwerp waarover de verzoeker een oordeel van de rechtbank wenst. Dit kunnen verschillende belanghebbenden zijn afhankelijk van het verzoek. Het betreft hier dus in veel gevallen geen twee-partijengeschil waarbij alle mogelijke juridische discussies tussen die twee partijen in een procedure opgelost kunnen worden, zelfs als dit op het eerste oog misschien het geval lijkt. Immers in een zaak over een zorgregeling over een kind kunnen andere belanghebbenden aanwezig zijn dan in een zaak over de kinderalimentatie voor hetzelfde kind.
10 In veel gevallen zijn er naast de verzoeker meerdere belanghebbenden. Als alle belanghebbenden willekeurig welk mogelijk juridisch geschil als tegenverzoek zouden kunnen indienen (eventueel tegen elkaar en niet tegen verzoeker) kan de procedure uiteindelijk op heel andere onderwerpen zien dan waarvoor de verzoeker de rechtbank heeft benaderd. Ook over onderwerpen waarover deze verzoeker niet wenst te procederen.
De rechtbank heeft geprobeerd te achterhalen hoe het connexiteitsvereiste moet worden uitgelegd. Het artikel blijkt bij de wetswijziging op 1 april 1995 overgenomen te zijn uit het oude artikel 429h Rv. In de memorie van toelichting van de wetswijziging in 1995 of bij de behandeling ervan is voor zover wij kunnen nagaan er geen aandacht aan dit artikel geschonken. Ook bij de invoering van artikel 429h Rv lijkt dit niet het geval te zijn geweest. De wetsgeschiedenis levert dus weinig informatie op over de uitleg van het connexiteitsvereiste. In de rechtspraak is artikel 282 lid 4 Rv (en het oude artikel 429h Rv) eveneens onderbelicht gebleven. Er is slechts eenmalig - in 1996 - uitspraak gedaan door de Hoge Raad over dit artikel waarbij maar beperkte handvatten zijn meegegeven.
11
De conclusie van de Advocaat-Generaal bij die uitspraak geeft iets meer informatie.
12 In paragraaf 37 geeft de A-G aan dat de eis van samenhang verdedigbaar is omdat het risico op vertraging groter is als het tegenverzoek verder afstaat van het oorspronkelijke verzoek. Voorts zal volgens de A-G mogen meewegen dat het procesrecht in de diverse verzoekschriftprocedures van elkaar kan verschillen, soms zelfs aanmerkelijk. In de zaak die aan de Hoge Raad is voorgelegd, was er een zelfstandig verzoek over partneralimentatie gedaan in een zaak over kinderalimentatie. In dit geval deden zich evenwel geen procesrechtelijke verschillen voor, aldus de A-G.
In de praktijk wordt zeer wisselend toepassing gegeven aan het artikel. De rechtbank ziet (vele) uitspraken waarin geen aandacht wordt besteed aan het connexiteitsvereiste en waarbij zelfstandige verzoeken over andere onderwerpen dan het oorspronkelijke verzoek in één procedure worden behandeld. In deze procedures is dan ook niet het verweer gevoerd dat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook in de regieafspraken van deze rechtbank wordt geen aandacht besteed aan het connexiteitsvereiste. Aan de andere kant ziet de rechtbank ook diverse uitspraken van andere rechtbanken waarbij een zelfstandig verzoek wel wordt afgesplitst of waarbij de zelfstandig verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek(en) omdat er niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste.
13 Argumenten die daarbij een rol spelen zijn (niet uitputtend) dat er sprake is van verschillende rechtsverhoudingen, uiteenlopende procesrechtelijke regels of een gebrek aan samenhang vanwege (bijvoorbeeld) andersoortige juridische beoordelingskaders. Er is kortom behoefte aan duidelijkheid over de uitleg en toepassing van het connexiteitsvereiste van artikel 282 lid 4 BW.
De rechtbank stelt op basis van een eigen interne analyse vast dat het gezamenlijk behandelen van verzoeken in het kader van artikel 1:253a BW (en/of andere verzoeken betreffende gezag en omgang
14) met alimentatieverzoeken organisatorische problemen met zich brengt. Omdat de procesrechtelijke regels (termijnen indienen stukken, termijn waarbinnen een zaak op zitting moet staan, wel of geen verweertermijn) van deze procedures verschillen, is er meer regie en afstemming nodig om de beide verzoeken af te handelen. In de praktijk betekent dit dat artikel 1:253a-zaken (die de wetgever gelet op artikel 1:253a lid 6 BW versneld op zitting wil zien) met een zelfstandig verzoek over alimentatie vertraging kunnen oplopen en/of anders worden behandeld dan een ‘zuiver’ G&O-verzoek. Regelmatig komt het voor dat er twee verschillende zittingen gepland moeten worden omdat de verweertermijn voor de alimentatiezaak nog loopt terwijl de G&O-zaak al is gepland.
De rechtbank heeft behoefte aan meer duidelijkheid over het door haar in te zetten toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of een zelfstandig verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek.
De rechtbank heeft partijen op de zitting voorgehouden dat zij voornemens is om over dit onderwerp prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Na de zitting heeft de rechtbank haar prejudiciële vragen in concept aan partijen gezonden. Partijen hebben hierop kunnen reageren. De vrouw heeft hiervan gebruik gemaakt. Dit heeft niet geleid tot wijzigingen in de vraagstelling.
Dit brengt de rechtbank tot de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad:
1. Welke van de hierna genoemde criteria kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een zelfstandig tegenverzoek over hetzelfde onderwerp gaat in de zin van artikel 282 lid 4 Rv?
- de procesrechtelijke regels die van toepassing zijn op het verzoek, zowel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als uit de verschillende procesreglementen;
- het wetsartikel waar het verzoek op is gebaseerd;
- of dezelfde partijen zijn betrokken bij zowel het verzoek als het zelfstandig tegenverzoek (waaronder de bewindvoerder of partij zelf);
- het verzoek gaat over hetzelfde gezin/dezelfde kinderen;
- de uitkomst van het verzoek gevolgen heeft voor de beoordeling van het zelfstandige verzoek of andersom;
- eventuele andere criteria.
2. Is een wijziging van de zorgregeling (op grond van 1:253a Burgerlijk Wetboek) te beschouwen als ‘hetzelfde onderwerp’ als een verzoek wijziging kinderalimentatie/partneralimentatie?
3. Moet de rechtbank ambtshalve toetsen of sprake is van hetzelfde onderwerp?
De rechtbank zal op grond van artikel 392 e.v. Rv aan de Hoge Raad de in de beslissing vermelde prejudiciële vragen stellen. Iedere verdere beslissing over de zorgregeling zal worden aangehouden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissingen over de alimentatie ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen blijven gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist.
De proceskosten
Omdat de rechtbank de zaak aanhoudt, houdt zij ook aan de beslissing op het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 9 september 2020 van deze rechtbank en bekrachtigd bij beschikking van 22 juni 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 16 februari 2026 € 230 per kind per maand bedraagt;
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 22 juni 2021 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en bepaalt de partneralimentatie op nihil met ingang van 16 februari 2026;
bepaalt dat de man deze kinderalimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
bepaalt dat de vrouw gehouden is tot terugbetaling aan de man van de na 16 februari 2026 te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
stelt aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen:
1. Welke van de hierna genoemde criteria kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een zelfstandig tegenverzoek over hetzelfde onderwerp gaat in de zin van artikel 282 lid 4 Rv?
- de procesrechtelijke regels die van toepassing zijn op het verzoek, zowel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als uit de verschillende procesreglementen;
- het wetsartikel waar het verzoek op is gebaseerd;
- of dezelfde partijen zijn betrokken bij zowel het verzoek als het zelfstandig tegenverzoek (waaronder de bewindvoerder of partij zelf);
- het verzoek gaat over hetzelfde gezin/dezelfde kinderen;
- de uitkomst van het verzoek gevolgen heeft voor de beoordeling van het zelfstandige verzoek of andersom;
- eventuele andere criteria.
2. Is een wijziging van de zorgregeling (op grond van 1:253a Burgerlijk Wetboek) te beschouwen als ‘hetzelfde onderwerp’ als een verzoek wijziging kinderalimentatie/partneralimentatie?
3. Moet de rechtbank ambtshalve toetsen of sprake is van hetzelfde onderwerp?
houdt iedere beslissing over de zorgregeling aan tot pro forma 1 februari 2027;
wijst af wat meer of anders is verzocht, voor zover niet aangehouden.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. drs. E.L. de Jongh, voorzitter en (kinder)rechter, mr. B. Krijnen en mr. C.H. Kan, ook (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Klinken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026. |
||
[ Bijlage verwijderd ter anonimisatie. ]
Bijlage 1: NBI van de man.
Bijlage 2: NBI van de vrouw.
Bijlage 3: NBI van de vrouw.
Bijlage 4: brutering behoefte.
Denk bijvoorbeeld aan de bewindvoerder van een van de ouders die wel een rol heeft bij een alimentatieprocedure en niet bij een procedure over de zorgregeling, terwijl de ouder van wie de goederen onder bewind staan juist geen rol speelt bij een kinderalimentatiezaak.
HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983. In dit arrest werd overwogen dat een redelijke, met de ontwikkeling van de rechtsopvattingen omtrent de verzoekschriftprocedure rekening houdende uitleg van het in artikel 429h lid 4 gestelde vereiste dat het zelfstandig verzoek betrekking moet hebben op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek, meebrengt dat wordt aanvaard dat dit vereiste zich niet ertegen verzet dat een gescheiden echtgenote die verweer voert tegen een door haar voormalige echtgenoot verzochte vermindering van de alimentatie voor een of meer kinderen uit hun ontbonden huwelijk, bij wege van zelfstandig verzoek vaststelling of verhoging van een door de man aan haar te betalen alimentatie vraagt.
Concl. A-G Franken, ECLI:NL:PHR:1996:ZC1983, punt 37 e.v.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Noord-Nederland 4 november 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4485, Rb. Rotterdam 26 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:7118, Rb. Noord-Holland 29 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:10031, Rb. Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1883.
Hierna: G&O-zaken.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
