Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen waarin te laat ingediende stukken en een aanvullend verzoek van man op grond van art. 283 Rv en art. 130 Rv worden toegelaten. Voorlopige zorgregeling vastgesteld; beslissingen hoofdverblijf, definitieve zorgregeling en kinderbijdrage aangehouden in afwachting van Kinderen uit de Knel. Voorlopige kinderbijdrage: vrouw € 239 p.p.p.m. Verdeling gemeenschap gelast, incl. woningroute, inboedel, rekeningen; geen verrekening € 50.000. Gebruiksvergoeding woning vóór inschrijving afgewezen, daarna op nihil. Verzoek box 3: vrouwNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 17-08-2026 |
| Zaaknummer | C/10/687503 / FA RK 24-7616 C/10/692120 / FA RK 25-93 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Huishoudkosten art. 1:84; Gebruiksvergoeding; Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Stukken buiten de termijn. Aanvullend verzoek. Voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderbijdrage bepaald; beslissingen hoofdverblijf, definitieve zorgregeling en definitieve kinderbijdrage worden aangehouden in afwachting van het hulpverleningstraject Kinderen uit de Knel. Verdeling gemeenschap van goederen. Gebruiksvergoeding en eigenaarslasten. Verzoek betreffende financieel nadeel box 3 niet meegenomen in kader van artikel 827 lid 1 sub g Rv; de vrouw wordt in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaardVolledige uitspraak
Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/687503 / FA RK 24-7616
C/10/692120 / FA RK 25-93
Beschikking van 22 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A.P. van Stralen te Utrecht,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 14 oktober 2024;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op
3 januari 2025;
-
het bericht van de vrouw, tevens gewijzigde / aanvullende verzoeken met bijlagen van 13 oktober 2025
-
de berichten van de man, tevens aanvullende verzoeken met bijlagen van
14 oktober 2025;
- de berichten, tevens aanvullende verzoeken van de vrouw van 23 januari 2026 en
4 maart 2026 (met bijlagen);
- het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken van de vrouw, tevens eigen aanvullende verzoeken met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2026.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
-
het gewijzigd verzoekschrift met bijlagen van de man van 15 juni 2026;
-
de bericht met bijlagen van de vrouw van 16 juni 2026 en 19 juni 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
2De vaststaande feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Houten op [huwelijksdatum] .
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] .
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 16 december 2024 zijn de vorderingen van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met de minderjarigen naar [locatie 1] en voor de inschrijving van de [minderjarige 1] op een school en van [minderjarige 2] op een kinderdagverblijf in [locatie 1] afgewezen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 december 2024 is in de voorlopige
voorzieningenprocedure een birdnesting-constructie bepaald en zijn de ingetrokken verzoeken van de vrouw over vervangende toestemming tot verhuizing naar [locatie 1] en inschrijving van de minderjarigen in de basisregistratie en op school/kinderdagverblijf in [locatie 1] , afgewezen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 9 april 2026 betreffende wijziging voorlopige voorzieningen is de beschikking van 30 december 2024 gewijzigd in die zin dat:
- de man met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd
zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [straatnaam 1] te [postcode 1]
[locatie 2] ;
- de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning dient te verlaten en haar verboden wordt deze verder te betreden;
de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
- de eerste en de tweede week verblijven de minderjarigen van zondagavond
tot donderdagmiddag bij de man in [locatie 2] en van donderdagmiddag
tot zondagavond bij de vrouw in [locatie 3] ;
-
de derde week verblijven de minderjarigen van zondagavond tot donderdagmiddag bij de man in [locatie 2] , van donderdagmiddag tot vrijdagmiddag bij de vrouw in [locatie 3] en van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man in [locatie 2] ;
-
de vakantie- en feestdagen zullen partijen in onderling overleg bij helfte verdelen.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Chinese nationaliteit.
3De beoordeling
Te laat ingediende stukken en aanvullend verzoek
De vrouw maakt bezwaar tegen de stukken die en het aanvullende verzoek dat de man op 15 juni 2026 heeft ingediend. Ten aanzien van het aanvullende verzoek stelt zij dat dit in strijd met de goede procesorde is ingediend.
De rechtbank neemt de stukken van beide partijen mee, nu deze eenvoudig van aard zijn. Ook het aanvullend verzoek van de man wordt toegelaten. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Op grond van artikel 283 Rv is, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. Op grond van artikel 130 Rv is de andere partij bevoegd hiertegen bezwaar te maken op grond dat de vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het aanvullend verzoek van de man heeft, naar zijn zeggen, betrekking op een bestanddeel van de onverdeelde boedel. Het is niet wenselijk dat niet wordt beslist op de gehele verdeling. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling voldoende in de gelegenheid is gesteld op dit verzoek te reageren en verweer te voeren. Daarom is van strijd met de goede procesorde geen sprake.
Scheiding
Partijen verzoeken elk de echtscheiding tussen hen uit te spreken. De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv) .
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
Verblijfplaats en zorgregeling
Partijen verzoeken elk te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem/haar zal zijn. De man verzoekt subsidiair, naar de rechtbank begrijpt, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij beide ouders te bepalen.
Daarnaast verzoeken partijen ieder een zorgregeling vast te stellen.
In geschil is de invulling daarvan.
Partijen verzoeken over en weer verweer tegen het verzoek van de andere ouder om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem/haar te bepalen.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen vast te stellen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De rechtbank is gebleken dat partijen elkaar over en verweer verwijten maken en elkaar diskwalificeren als ouder. Zij zijn het eens dat het hen niet of moeilijk lukt om in het belang van de minderjarigen beslissingen te nemen. Op dit moment wordt de (gewijzigde) zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 9 april 2026 (zoveel mogelijk) uitgevoerd. Conform deze regeling brengen de minderjarigen veel tijd met beide ouders door. De vrouw wil echter terug naar een zorgregeling waarbij de minderjarigen eens in de twee weken bij de man zijn en de overige tijd bij haar. Zij meent de minderjarigen, die volgens haar hoogbegaafd zijn, beter (dan de man) te kunnen begeleiden in het dagelijks leven en met school(werk). Dit wordt door de man weersproken. Hij maakt zich juist zorgen over de manier waarop de vrouw de minderjarigen opvoedt, waarbij er weinig grenzen worden gesteld. De rechtbank heeft partijen al voorgehouden dat de manier waarop zij nu invulling geven aan het ouderschap niet in het belang is van de minderjarigen en zij hiervan last ondervinden. De minderjarigen hebben twee ouders nodig die in hun belang in overleg kunnen treden en gezamenlijk beslissingen kunnen nemen. Partijen zijn het eens dat zij hierbij hulp nodig hebben en tijdens de mondelinge behandeling hebben zij hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject Kinderen uit de Knel. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is vermeld in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt, Routeringspunt ZHZ, Mooi Sociaal Lokaal, voor aanmelding bij de zorgaanbieder. De rechtbank zal ook een kennisgeving van deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
De rechtbank verzoekt de zorgaanbieder om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna genoemde manier.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) ten aanzien van het hoofdverblijf en de (definitieve) zorgregeling in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de zorgaanbieder het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de zorgaanbieder bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de zorgaanbieder daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
Verzoek tot vaststellen van de hoofdverblijfplaats
-
Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige(n) en welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad?
-
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
Verzoek tot vaststellen van de zorgregeling
-
Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang/de belangen van de minderjarigen?
-
Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
-
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
Zoals ook besproken tijdens de mondelinge behandeling zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepalen overeenkomstig de (gewijzigde) zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 9 april 2026, met dien verstande dat wordt bepaald dat de man de minderjarigen op zondagavond ophaalt bij de vrouw. Alleen in onderling overleg kan hiervan worden afgeweken.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen. Zij heeft hiertoe geen concreet verzoek ingediend.
De man verzoekt, na wijziging van zijn verzoek, een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 276,- per maand per kind vast te stellen.
Partijen voeren over en weer voert gemotiveerd verweer.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De definitieve beslissing op de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en zorgregeling heeft invloed op de kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank voor nu een voorlopige kinderbijdrage bepalen op basis van de huidige omstandigheden. De minderjarigen staan ingeschreven bij de man. Dit betekent dat hij in aanmerking komt voor het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop en overige toeslagen. Bij het bepalen van de voorlopige kinderbijdrage gaat de rechtbank hiervan uit. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen betaalt.
De behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) € 1.209,- per maand bedraagt in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.346,- (afgerond) per maand, zijnde € 673,- per kind per maand.
Draagkrachtberekening
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage, te weten datum van de beschikking, wordt gerekend met de tarieven 2026-2.
NBI vrouw
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking als bijlage 1 opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2026 op € 3.505,- per maand. Hierbij is rekening gehouden met een bruto uitkering van € 4.198,- per maand, vakantietoeslag van € 4.030,- per jaar en een verzekeringsinkomen (arbeids-ongeschiktheidspensioen) van € 952,- bruto per maand, waarover partijen het eens zijn.
De volgende heffingskorting is in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
Draagkracht vrouw
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 762,- per maand.
NBI man
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking als bijlage 2 opgenomen berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 2.378,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente uitkeringsspecificaties):
- bruto uitkering € 2.184,- per maand
Anders dan de man houdt de rechtbank geen rekening met 8% vakantiegeld omdat de ziektewetuitkering van het UWV inclusief vakantiegeld is.
Anders dan de vrouw ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om aan de kant van de man van een ander inkomen uit te gaan dan hiervoor genoemd of van een bepaalde verdiencapaciteit. Vaststaat dat de man op dit moment een (volledige) ziektewetuitkering heeft, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat het hier om de vaststelling van een voorlopige kinderbijdrage gaat.
De volgende heffingskorting is in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van € 715,- per maand (€ 8.576,- per jaar), waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft. Hiervoor wordt verder verwezen naar dat wat is opgenomen onder rechtsoverweging 3.4.7.
Draagkracht man
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 210,- per maand.
De vrouw heeft verzocht rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de man. Kennelijk was zij in de veronderstelling dat deze lasten lager zijn dan de forfaitaire woonlast. De man heeft zelf in zijn berekening rekening gehouden met de forfaitaire woonlast maar heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij het prima vindt dat met zijn werkelijke woonlasten rekening wordt gehouden aangezien deze hoger zijn dan de forfaitaire woonlast. Uitgangspunt is dat uitgegaan wordt van de forfaitaire woonlast. Omdat het hier om een voorlopige kinderbijdrage gaat en nog niet duidelijk is of de man duurzaam hogere woonlasten krijgt dan de forfaitaire woonlast, neemt de rechtbank niet de werkelijke woonlasten van de man mee, maar wordt uitgegaan van de forfaitaire woonlast.
Draagkrachtvergelijking
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de vrouw is beperkt tot haar draagkracht.
Zorgkorting
De vrouw stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 35%. De man voert aan dat dit 25% moet zijn.
Gezien de geldende (voorlopige) zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 35%.
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.346,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 472,- per maand.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt € 374,- (€ 1.346,- - € 972,-), zodat de helft daarvan is € 187,-.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 472,-, zodat resteert
€ 471,- - € 187,- = € 285,-.
Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 762,- - € 285,- = € 477,-.
De aan de vrouw op te leggen bijdrage wordt dus: € 477,- per maand, zijnde € 239,- per kind per maand.
Conclusie
Gezien het voorgaande is een door de vrouw te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 239,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Omdat niet is verzocht de kinderbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen, zal de kinderbijdrage worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.
Verdeling
Partijen verzoeken elk de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door haar/hem voorgestelde wijze.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW) . Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW) . Bij aandelen op naam vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte (artikel 2:196 lid 1 BW) .
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 14 oktober 2024.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:
Goederen:
- echtelijke woning aan de [straatnaam 1] te [locatie 2]
- de inboedel
- aandelenpakket (-rekeningen)
- beleggers- en beleggersspaarrekening
- saldi bankrekeningen
- auto’s
- eenmanszaak van de man
- lening aan ouders van de vrouw
Schulden:
- hypotheek verbonden aan de echtelijke woning
Echtelijke woning en hypotheek
Partijen zijn overeengekomen dat de man vier maanden na deze beschikking de gelegenheid krijgt te onderzoeken of hij de woning met de hypotheek kan overnemen, waarbij de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek wordt ontslagen en onder verdeling van de overwaarde bij helfte. Als de man de woning kan overnemen, wordt deze aan hem toegedeeld.
De woning moet eerst worden getaxeerd. De man zal binnen een week na de mondelinge behandeling drie makelaars voorstellen aan de vrouw, waaruit zij – eveneens binnen een week na ontvangst van het voorstel van de man – één makelaar zal kiezen die de woning zal taxeren. Als het de man niet lukt om de woning over te nemen, wordt deze verkocht aan een derde en wordt de netto overwaarde tussen partijen verdeeld.
De makelaars- en notariskosten worden in alle gevallen door partijen gedeeld.
Inboedel
De verdeling van de inboedel houdt partijen verdeeld.
Het primaire verzoek van de vrouw waarbij zij een bedrag van € 8.000,- van de man vordert vanwege overbedeling, is door de man gemotiveerd weersproken. Van het subsidiaire verzoek van de vrouw, waarbij zij een wijze van verdeling van de inboedel voorstelt, heeft de man gezegd dat partijen hier wel uit gaan komen. Desgevraagd heeft de advocaat van de man bevestigd dat partijen hierover een akkoord hebben bereikt. De rechtbank bepaalt daarom dat de inboedel wordt verdeeld zoals is opgenomen in de door de vrouw overgelegde productie 12, welke productie als bijlage 3 in deze beschikking wordt opgenomen, zonder nadere verrekening, onder afwijzing van het primaire verzoek van de vrouw.
Aandelenpakket dan wel aandelenrekeningen [nummer 1] en [nummer 2] , beleggersrekening en beleggersspaarrekening op naam van de man (bij partijen genoegzaam bekend)
De man heeft nagelaten te specificeren om welke rekeningnummers het hier precies gaat. De vrouw heeft wel rekeningnummers genoemd. Het is de rechtbank ondanks vragen daarover niet duidelijk geworden of de door de vrouw genoemde rekeningnummers zien op de door de man bedoelde rekeningen (zonder rekeningnummer). Omdat bij partijen niet in geschil is dat deze rekeningen bestaan, neemt de rechtbank op dat deze bij partijen genoegzaam bekend zijn. Verder is niet in geschil dat de waarde van deze rekeningen op de peildatum tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. De rechtbank beslist op die manier, een en ander met inachtneming van hetgeen hieronder in rechtsoverweging 3.5.26 en volgende wordt overwogen ten aanzien van het door de vrouw al opgenomen bedrag van € 50.000,-.
Op één van deze rekeningen staat op de peildatum een saldo van € 2.080,-. Partijen zijn het eens dat dit saldo wordt toegedeeld aan de man, onder verrekening van deze waarde met de vrouw. De man moet € 1.040,- aan de vrouw voldoen. De rechtbank beslist op die manier.
Voor zover de man transactiekosten moet maken om de vrouw haar deel te kunnen vergoeden, worden deze kosten bij helfte gedeeld.
Saldi en/of rekeningen ABN-AMRO [nummer 3] en [nummer 4]
Partijen zijn het eens dat de saldi op de peildatum tussen partijen bij helfte wordt verdeeld en de man deze rekeningen verder op zijn naam voortzet. De rechtbank beslist op die manier.
Saldi bankrekeningen vrouw ABN-AMRO [nummer 5] , [nummer 6] ,
[nummer 7] , [nummer 8] en [nummer 9]
Partijen zijn het eens dat de saldi op deze bankrekeningen op de peildatum bij helfte worden verdeeld. De rechtbank beslist op die manier.
Saldi bankrekeningen man met creditkaart [nummer 10] en [nummer 11]
Partijen zijn het eens dat de saldi op deze bankrekeningen op de peildatum bij helfte worden verdeeld. De rechtbank beslist op die manier.
Eventuele overige (bank)rekeningen bij partijen genoegzaam bekend
Er zijn diverse financiële bijlagen overgelegd zonder dat daarop een nadere toelichting is gegeven. De rechtbank kan niet vaststellen of alle rekeningen zijn besproken. De man stelt dat niet betwist wordt dat de door de vrouw genoemde rekeningen bestaan en dat partijen daar wel uit gaan komen. Voor zover dit andere rekeningen zijn dan hiervoor zijn genoemd, bepaalt de rechtbank dat ook de saldi op die rekeningen door partijen helfte worden verdeeld.
Bedrag van € 50.000,-
De man stelt dat de vrouw al € 50.000,- als voorschot op de verdeling heeft opgenomen. Dit deel moet volgens hem worden verrekend met haar aandeel in de gemeenschap.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Vaststaat dat genoemd bedrag van € 50.000,- voor de peildatum naar de rekening van de vrouw is overgemaakt. Dit was, naar eigen zeggen van de man, om haar huur te betalen. De rechtbank ziet in hetgeen de man aanvoert geen grond om van de vrouw te verlangen dat zij dit bedrag verrekent met haar aandeel in de gemeenschap. Op het moment dat het bedrag naar de rekening van de vrouw werd overgemaakt was de gemeenschap nog niet ontbonden. Het geld is overgemaakt naar haar bankrekening die op de peildatum ook nog tot de gemeenschap behoorde. Niet uit te sluiten is dat een deel van het geld nog tot het nu te verdelen saldo behoort en alsnog ook voor de helft aan de man toekomt nu partijen de saldi op de bankrekeningen, zoals hiervoor besproken, bij helfte delen. Verder geldt dat de vrouw van een deel van het geld voor de peildatum een auto heeft gekocht, die ook in de gemeenschap valt en verdeeld wordt. Dat partijen hebben afgesproken dat dit bedrag een voorschot op de verdeling voor de vrouw was, is op geen enkele wijze komen vast te staan, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.
De man stelt verder dat sprake is van verkwisting of benadeling.
Op grond van artikel 1:164 lid 1 BW is sprake van benadeling indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht. De door de wet gebruikte terminologie: lichtvaardig en verspillen, veronderstelt dat er sprake moet zijn van opzettelijk benadelen of zonder enige redelijke grond verteren van gemeenschapsgoederen. Hiervan is de rechtbank niet dan wel onvoldoende gebleken. De vrouw heeft het bedrag met instemming van de man op haar bankrekening overgemaakt. Evenmin is gebleken dat sprake is geweest van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW. De man heeft in die zin zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. Hieruit volgt dat de rechtbank het verzoek van de man dat de vrouw haar aandeel in de gemeenschap moet verrekenen met het bedrag van € 50.000,- afwijst.
Auto’s (Renault Captur ( [kenteken 1] ) en Fiat Punto ( [kenteken 2] ))
Partijen zijn het eens dat de Renault Captur aan de vrouw wordt toebedeeld, onder verrekening van de waarde van deze auto met de man. De waarde wordt vastgesteld aan de hand van de ANWB koerslijst. De rechtbank beslist op die manier.
Verder zijn partijen het eens dat de Fiat Punto aan de man wordt toebedeeld, onder verrekening van de waarde van deze auto met de vrouw. De waarde wordt vastgesteld aan de hand van de site “wij kopen auto’s.nl”. De rechtbank beslist op die manier.
Eenmanszaak [naam man]
De vrouw stelt dat de man een eenmanszaak heeft, waarover hij openheid van zaken moet geven.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat er nooit activiteiten hebben plaatsgevonden in de eenmanszaak en dat deze is op 20 oktober 2024 ambtshalve is uitgeschreven nadat was gebleken dat deze was opgeheven. De rechtbank laat deze daarom verder buiten de verdeling, nog daargelaten dat de vrouw geen concreet verzoek heeft verbonden aan haar stelling dat de man een eenmanszaak heeft.
Lening aan ouders van de vrouw (€ 35.000,-)
De man stelt dat partijen € 35.000,- aan de ouders van de vrouw hebben geleend. Hij verzoekt te bepalen dat de vordering op de ouders van de vrouw aan haar wordt toebedeeld, onder de gehoudenheid van de vrouw € 17.500,- aan hem te betalen.
De vrouw betwist dat sprake is van een lening aan haar ouders.
Volgens haar ging het om financiële hulp aan haar ouders zonder de verplichting om dit terug te betalen.
De rechtbank is van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van een lening aan de ouders van de vrouw met een terugbetalingsverplichting. Dit blijkt ook niet uit de vermelding “living expenses” waaronder het bedrag is overgemaakt. De man heeft hierover weliswaar opgemerkt dat deze benaming is gebruikt omdat in China geen geld mag worden geleend voor de aankoop van een woning, maar dit is verder nergens uit gebleken. Verder vordert de man het gehele bedrag terwijl hij op de mondelinge behandeling aangeeft dat een deel (€ 2.000,-) contant is terugbetaald. Nu het bestaan van de lening onvoldoende vast staat en evenmin vaststaat wat er op de lening inmiddels zou zijn afgelost, wijst de rechtbank dit verzoek van de man als onvoldoende onderbouwd af.
De wijze van verdeling van de gemeenschap zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.5.15 tot en met 3.5.36 is weergegeven.
Gebruiksvergoeding en eigenaarslasten
De vrouw verzoekt een door de man te betalen gebruiksvergoeding te bepalen van 1% van de WOZ-waarde van de echtelijke woning met ingang van 15 april 2024.
De man voert gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van het verzoek.
Subsidiair stemt hij in met een gebruiksvergoeding die wegvalt tegen het deel van de woonlasten die hij voor de vrouw voldoet.
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek de vrouw te veroordelen aan hem te betalen:
-
een bedrag van € 6.347,14, zijnde de helft van de door hem betaalde hypotheeklast vanaf de peildatum tot en met juni 2026,
-
alsmede een bedrag van € 394,83 per maand vanaf 1 juli 2026 tot de datum van overdracht van de woning,
-
€ 279,78 per jaar ter zake van onroerend zaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing en € 144,82 per jaar aan overige eigenaarslasten over de jaren 2024 t/m 2026.
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen deze verzoeken van de man.
De rechtbank maakt in het kader van deze verzoeken onderscheid tussen twee perioden, namelijk de periode voor de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (waarin partijen nog gehuwd zijn) en de periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (wanneer partijen niet langer gehuwd zijn). Hierbij geldt dat de grondslag van de verzochte gebruiksvergoeding, afhankelijk van de periode waarop de vergoeding ziet, gelegen is in artikel 1:165 BW dan wel 3:169 BW.
Periode voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking
15 april 2024 tot datum inschrijving echtscheiding
De vrouw verzoekt een gebruiksvergoeding met ingang van 15 april 2024 vast te stellen. Partijen zijn in deze periode nog getrouwd en op grond van artikel 1:81 BW moeten echtgenoten elkaar het nodige verschaffen. Daaronder wordt ook het gebruik van de echtelijke woning begrepen. De rechtbank oordeelt dat voor deze periode artikel 1:165 BW nog niet geldt en niet valt in te zien waarom voor deze periode artikel 3:169 BW voorrang zou hebben op artikel 1:81 BW. Het verzoek van de vrouw voor deze periode wordt daarom afgewezen.
Niet in geschil is dat de man alle eigenaarslasten van de woning voldoet.
Omdat de woning (nog) gezamenlijk eigendom is, is de vrouw gehouden vanaf de peildatum de helft van deze lasten aan de man te voldoen. Op die manier deelt zij ook (volledig) mee in de vermogensvorming die na de peildatum plaatsvindt en in de totale overwaarde bij de overdracht van de woning aan de man dan wel een derde. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man onder 1 en 2 zal toewijzen, met dien verstande dat dit laatste verzoek wordt toegewezen tot de datum van inschrijving van de echtscheiding. Vanaf die datum geldt hetgeen hierna wordt overwogen.
Periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot levering woning
Niet in geschil is dat de man het uitsluitend gebruik van de woning heeft.
Echter, hij heeft niet het voortgezet gebruik van de woning gevraagd op grond van artikel 1:165 BW, waarbij de rechtbank een gebruiksvergoeding kan bepalen. De gebruiksvergoeding moet daarom naar het oordeel van de rechtbank worden beoordeeld op grond van artikel 3:169 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht kan worden de andere deelgenoot die dus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van de deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Deze vergoeding wordt toegekend met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. In beginsel heeft de vrouw in deze periode aanspraak op een gebruiksvergoeding.
Vooropgesteld wordt dat ieder van partijen in beginsel de helft van de lasten moet dragen die zijn verbonden aan de eigendom van de woning, zoals ook is overwogen onder rechtsoverweging 3.5.6. Dit volgt uit artikel 3:172 BW.
Niet in geschil is dat de man vanaf september 2024 alle lasten van de woning voldoet, inclusief de eigenaarslasten. Hij betaalt dus ook de helft van de door de vrouw te betalen kosten. Evenmin is in geschil dat hij deze lasten blijft betalen tot aan de overdracht van de woning. Gelet op het feit dat de man een groot deel van de zorg heeft voor de minderjarigen en een relatief laag inkomen, ziet de rechtbank aanleiding om de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding gelijk te stellen aan de door de man voor haar betaalde eigenaarslasten. De gebruiksvergoeding waarop de vrouw aanspraak kan maken, wordt dan “weggestreept” tegen het deel van de eigenaarslasten die de man voor haar betaalt. Hieruit volgt dat de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding voor deze periode in redelijkheid op nihil wordt gesteld, onder afwijzing van het verzoek van de man onder 2. voor zover dit verzoek ziet op de periode na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Ten aanzien van het verzoek onder 3. overweegt de rechtbank dat de man dit verzoek niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Zo vordert hij de heffingen over 2024 maar geeft daarbij niet aan of deze heffingen op het hele jaar 2024 zien of na de peildatum. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen op welke wijze de vrouw nog moet bijdragen in deze kosten. Daarom wordt dit verzoek afgewezen.
Financieel nadeel box 3
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man gehouden is de vrouw te compenseren voor het box 3-nadeel dat zij lijdt door het aanhouden van de echtelijke woning, deze compensatie vast te stellen op 50% dan wel 100% van de door de fiscus vastgestelde belasting en in te laten gaan per 1 januari 2026.
De man voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 827 lid 1 sub g Rv kan de rechter, ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, als nevenvoorziening treffen een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Voor zover het verzoek van de vrouw, dat onbepaald is, al valt onder de reikwijdte van voormeld artikel is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en zal nadere onderbouwing van het verzoek tot onnodige vertraging van deze procedure leiden. De vrouw wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Ingetrokken verzoeken
Partijen hebben de verzoeken ten aanzien van de opname van een ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant ingetrokken. De man heeft daarnaast het verzoek dat ziet op de kinderbijslag ingetrokken. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen.
Proceskosten
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/687503 / FA RK 24-7616:
Omdat ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorgregeling en de definitieve kinderbijdrage nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/692120 / FA RK 25-93:
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/687503 / FA RK 24-7616:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te Houten;
stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij partijen zullen zijn als volgt:
- de eerste en de tweede week verblijven de minderjarigen van zondagavond
tot donderdagmiddag bij de man in [locatie 2] en van donderdagmiddag
tot zondagavond bij de vrouw in [locatie 3] , waarbij de man de minderjarigen op zondagavond ophaalt bij de vrouw;
-
de derde week verblijven de minderjarigen van zondagavond tot donderdagmiddag bij de man in [locatie 2] , van donderdagmiddag tot vrijdagmiddag bij de vrouw in [locatie 3] en van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man in [locatie 2] ;
-
de vakantie- en feestdagen zullen partijen in onderling overleg bij helfte
verdelen;
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van vandaag als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 239,- per kind per maand;
bepaalt dat de vrouw aan de man moet betalen een bedrag van € 6.347,14, zijnde de helft van de door hem betaalde hypotheeklast vanaf de peildatum tot en met juni 2026, alsmede een bedrag van € 394,83 per maand vanaf 1 juli 2026 tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand,
bepaalt de gebruiksvergoeding waarop de vrouw aanspraak heeft vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, met inachtneming van hetgeen is overwogen in r.o. 3.6.9 op nihil, onder afwijzing van het verzoek van de man dat de vrouw € 394,83 per maand moet betalen voor zover dit verzoek ziet op de periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam vrouw] ,
wonende te [postcode 2] [woonplaats 1] , [straatnaam 2] ,
en
[naam man] ,
wonende te [postcode 1] [woonplaats 2] , [straatnaam 1] ;
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject Kinderen uit de Knel en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de zorgaanbieder;
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat de strijd tussen partijen is gede-escaleerd;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een kennisgeving van deze beschikking naar het routeringspunt te versturen;
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de zorgaanbieder aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het verzoek dat ziet op het financieel nadeel van box 3;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
wijst af de verzoeken van partijen tot opname van een ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant en het verzoek van de man dat ziet op de kinderbijslag;
houdt iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorgregeling en definitieve kinderbijdrage aan tot
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/692120 / FA RK 25-93 :
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.5.15 tot en met 3.5.36;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. D.Y.A. van Meersbergen, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, op 22 juli 2026. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Bijlage 1: berekening NBI vrouw ten behoeve van draagkracht
Bijlage 2: berekening NBI man ten behoeve van draagkracht
Bijlage 3: productie 12: verdeling inboedel
[AFBEELDING INBOEDEL MET HIERIN NAMEN VAN PARTIJEN]
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
