Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-06-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6278

Essentie (gemaakt door AI)

Ondertoezichtstelling van [minderjarige] waarin het mondelinge verzoek van vader en het mondelinge verzoek van de Raad, gedaan ter zitting in een kortgedingprocedure, niet-ontvankelijk is verklaard. De kinderrechter oordeelt dat voor een OTS een schriftelijk verzoek is vereist art. 1:265k lid 1 BW en dat, nu geen acuut gevaar bestaat, geen analoge toepassing van art. 800 lid 3 Rv mogelijk is. De latere schriftelijke bevestiging biedt moeder onvoldoende rechtsbescherming in het licht van art. 6 EVRM.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Ondertoezichtstellingsverzoek niet mondeling ter zitting: Raad en vader niet-ontvankelijk verklaard
In kortgedingprocedure verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming (en de vader) mondeling om OTS kind. Moeder voert verweer. Rb overweegt dat verzoek OTS alleen schriftelijk kan, tenzij voorlopige OTS. Daarvan is geen sprake.

Datum publicatie17-08-2026
ZaaknummerC/02/448769 / JE RK 26-948
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsMiddelburg
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW;
Familieprocesrecht; Kort geding art. 254 Rv
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Mondeling verzoek OTS tijdens zitting van kort geding niet-ontvankelijk.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/448769 / JE RK 26-948

Datum uitspraak: 11 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

op het verzoek van

de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen de Raad,

en het verzoek van

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden bij het verzoek van de Raad aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat mr. M. Erkens uit 's-Gravenhage,

De vader, voornoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbende bij het verzoek van de moeder aan:

De moeder, voornoemd.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het mondelinge verzoek van de vader ter zitting van 29 mei 2026 in de kortgeding procedure C/02/446827 / KG ZA 26-179;

  • het mondelinge verzoek van de Raad ter zitting van 29 mei 2026 in voornoemde kortgeding procedure;

  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026.

1.2.

Tijdens de zitting van 29 mei 2026 in de kortgeding procedure C/02/446827 / KG ZA 26-179 zijn gehoord:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

1.3.

In de zaak C/02/446827 / KG ZA 26-179 heeft de rechter [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.

2.2.

[minderjarige] is erkend door de vader.

2.3.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige].

2.4.

[minderjarige] heeft van 13 april 2017 tot 13 oktober 2021 onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming Brabant.

2.5.

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vader, maar verblijft op dit moment feitelijk bij de moeder.

3De verzoeken

3.1.

De vader heeft ter zitting van 29 mei 2026 mondeling verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen.

3.2.

De Raad heeft ter zitting van 29 mei 2026 mondeling verzocht om [minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen. De schriftelijke bevestiging van dit verzoek is op 2 juni 2026 door de kinderrechter ontvangen.

4De standpunten

4.1.

De Raad is van mening dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. Na een hele lange voorgeschiedenis, met veel strijd tussen de ouders en forse loyaliteitsproblemen bij [minderjarige], is er nu al tweeënhalve maand geen contact meer tussen [minderjarige] en haar vader. Ongeacht of de uitspraken van [minderjarige] over de mishandelingen door de vader waar zijn of niet, is de situatie van [minderjarige] zeer zorgelijk. Het is volgens de Raad goed mogelijk dat [minderjarige] deze uitspraken doet vanuit loyaliteitsproblematiek. Al vanaf de geboorte van [minderjarige] zijn er procedures tussen partijen. In verschillende onderzoeken is bevestigd dat [minderjarige] al tien jaar spanningen ervaart en klem zit tussen de ouders. Er zijn al diverse hulpverleningstrajecten en een vier jaar durende ondertoezichtstelling geweest, maar dit alles heeft onvoldoende positieve en bestendigde verandering teweeg kunnen brengen. Er is nu opnieuw een zeer zorgelijke situatie ontstaan, waarbij de Raad er onvoldoende vertrouwen in heeft dat er binnen het vrijwillige kader de noodzakelijke stappen gezet kunnen worden. De situatie is dermate complex en de zorgen zijn dermate groot dat regie en sturing vanuit een dwangkader noodzakelijk is. Nu de situatie al lang zo is, is er geen sprake van acuutheid. Een onderzoek van de Raad kan echter niet worden afgewacht en zou alleen maar vertragend werken. De zorgen zijn heel groot en er is meteen actie nodig. [minderjarige] heeft op dit moment geen hulp. Het is van belang en noodzakelijk dat er zicht komt op [minderjarige] en haar systeem. Van belang hierbij is:

- Het politieonderzoek en de status/bevindingen;

- Eventueel opnieuw inzet NICHD-kindinterview;

- Mogelijkheden tot contactherstel (elke vorm daarvan) tussen [minderjarige] en vader bezien;

- Mogelijkheden tot hervatting van Parallel Solo Ouderschap bezien;

- Inzet gespecialiseerde systemische hulpverlening waarbij beide netwerken worden betrokken, gedacht kan worden aan Sterk Huis;

- Hulpverlening voor [minderjarige] inzetten (Kindbehartiger zoals VT/CR adviseerde en tevens moet onderzocht worden of sprake is van trauma en/of hechtingsproblematiek).

4.2.

De vader ondersteunt het verzoek van de Raad voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling. De problematiek is zo heftig en ingrijpend dat gedwongen regievoering volgens hem nodig is. Ter zitting van 29 mei 2026 heeft de vader daarom zelf ook verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te spreken.

4.3.

De moeder voert verweer tegen de door de Raad ter zitting verzochte ondertoezichtstelling van [minderjarige]. De moeder ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. Integendeel; dit zal alleen maar voor vertraging zorgen gelet op de wachttijden. Er moet een kindbehartiger komen voor [minderjarige]. Dat willen partijen allebei. De gemeente is hier mee bezig. Het belangrijkste is dat [minderjarige] nu de rust en de ruimte krijgt om te herstellen en dat gewerkt wordt aan veilig contactherstel met haar vader. De moeder mist het evenwicht in het advies van de Raad. Het lijkt erop dat de Raad de keuze heeft gemaakt voor de variant van het loyaliteitsconflict. De moeder vindt het teleurstellend dat de Raad niet voor [minderjarige] gaat staan. Het lijkt de moeder zorgvuldig dat de Raad onderzoek gaat doen. Een mondeling verzoek tot ondertoezichtstelling is juridisch niet mogelijk en bovendien in strijd met de rechtsbescherming van de moeder. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden gedaan en bovendien met een gedegen onderzoek onderbouwd worden. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden. [minderjarige] is niet gesproken, beide partijen niet en ook geen informanten. De Raad lijkt zich nu enkel te baseren op de informatie die hij heeft gehoord, terwijl er geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast kan de moeder zich nu niet goed verweren tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij verwijst naar jurisprudentie op dit punt (ECLI:NL:GHAMS:2023:1938). Verder worden er door de Hoge Raad hoge motiveringseisen gesteld aan een ondertoezichtstelling die is gericht op contactherstel. Ook dat is een reden om geen ondertoezichtstelling uit te spreken. De moeder verzoekt dit verzoek dan ook af te wijzen.

5De beoordeling

5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

5.2.

De vader heeft ter zitting van 29 mei 2026 in de kortgeding procedure (C/02/446827 / KG ZA 26-179) mondeling verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te spreken. De kinderrechter overweegt dat de vader alleen in dit verzoek zou kunnen worden ontvangen als de Raad niet tot de indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling zou zijn overgegaan (artikel 1:255 lid 2 BW) . Nu de Raad dit verzoek wel heeft ingediend, is de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De kinderrechter zal dat zo beslissen.

5.3.

De Raad heeft het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] mondeling gedaan ter zitting van 29 mei 2026 in de tussen de ouders aanhangige kortgeding procedure.

5.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265k lid 1 BW dient een verzoek tot (onder andere) een ondertoezichtstelling schriftelijk te worden gedaan. Voor zover het een verzoek betreft tot oplegging van een kinderbeschermingsmaatregel biedt dit vormvereiste een waarborg voor de bescherming van de rechtspositie van belanghebbenden bij het verzoek. Artikel 800 lid 1 Rv schrijft immers voor dat aan belanghebbenden een afschrift van het verzoek wordt toegezonden, alsmede dat zij worden opgeroepen voor een mondelinge behandeling. Bovendien kunnen zij op grond van artikel 282 lid 1 Rv in elk geval tot aan die mondelinge behandeling een verweerschrift indienen. Dit alles waarborgt dat belanghebbenden zich behoorlijk kunnen voorbereiden op, en verweren tegen, de inbreuk op het familieleven die het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijkerwijs meebrengt. In jeugdbeschermingszaken als de onderhavige klemt het belang van bescherming van de processuele rechten van belanghebbenden en daarmee het in artikel 6 lid 1 EVRM besloten beginsel van equality of arms te meer, nu het hierbij gaat om overheidsingrijpen in het door onder meer artikel 8 lid 1 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven. Betrokkenen moeten in ieder geval voldoende mogelijkheid hebben om zich te kunnen voorbereiden op en verweren tegen een verzoek van de staat.

5.5.

De wet voorziet in de mogelijkheid van een voorlopige ondertoezichtstelling. Ingevolge artikel 1:257 lid 1 BW kan daarvan echter slechts sprake zijn in geval van acuut en ernstig gevaar voor de minderjarige. Slechts in dat geval voorziet de wet in artikel 800 lid 3 Rv in de mogelijkheid de voorlopige ondertoezichtstelling meteen uit te spreken. Dat kan op grond van een mondeling verzoek.

5.6.

Door de Raad is ter zitting van 29 mei 2026 aangegeven dat geen sprake is van een acuut en ernstig gevaar voor [minderjarige], omdat de huidige situatie al langere tijd zo is. Het verzoek van de Raad was dan ook, zoals niet ter discussie staat, geen verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling, maar bewust een verzoek tot een ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1:255 BW. Gelet op de in rechtsoverweging 5.4 beschreven achtergrond van het schriftelijkheidsvereiste is voor een analoge toepassing van artikel 800 lid 3 Rv geen ruimte. De Raad heeft weliswaar na de zitting, op 2 juni 2026, alsnog de schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek bij de rechtbank ingediend, maar de kinderrechter is van oordeel dat de moeder zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op en (inhoudelijk) kunnen verweren tegen dit verzoek. Onder deze omstandigheden is het (mondelinge) verzoek tot ondertoezichtstelling in strijd met zowel artikel 1:265k lid 1 BW als met de procedurele waarborgen die besloten liggen in artikel 6 EVRM en de hiervoor genoemde bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gelet op het vorenstaande en nu de moeder zich uitdrukkelijk tegen het verzoek van de Raad verzet, zal de kinderrechter de Raad niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

5.7.

Gezien het vorenstaande komt de kinderrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling. Beslist wordt als volgt.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verklaart de Raad en de vader niet-ontvankelijk in het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige].

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Lavrijssen als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733