Rechtbank Overijssel 04-08-2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4988

Essentie (gemaakt door AI)

Curator vordert huur of subsidiair gebruiksvergoeding van de voormalige partner van failliet wegens bewoning van diens woning. Kantonrechter oordeelt dat sprake is van een huurovereenkomst van € 500 per maand, gebaseerd op uitlatingen van gemachtigde van gedaagde en huurbetalingen. Verweer van gemeenschappelijke huishouding en betwisting huurtitel slaagt niet. Gedaagde moet € 15.900 aan achterstallige huur met wettelijke rente betalen. Incassokosten worden afgewezen. Proceskosten worden toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad onder bankgarantie.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Faillissementscurator man eist dat vrouw betaalt voor gebruik woning - is zij huurder?
Curator vordert huurbetaling of anders een gebruiksvergoeding van de voormalige partner van de (failliete) man wegens bewoning van diens woning. Vrouw maakt aannemelijk dat zij huurt. Achterstand is evenwel € 15.900. Dat moet betaald.

Datum publicatie17-08-2026
Zaaknummer12104602 \ CV EXPL 26-573
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Huurwoning;
Familieprocesrecht; Uitvoerbaar bij voorraad
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Curator vordert huur of een gebruiksvergoeding van voormalig partner van failliet wegens verblijf in de woning van failliet

Volledige uitspraak


RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12104602 \ CV EXPL 26-573

Vonnis van 14 juli 2026

in de zaak van

MARK LOEF Q.Q.,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde ] ,

te Deventer,

eisende partij,

hierna te noemen: de curator,

gemachtigde: mr. C. ter Braack,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. R. Dufour.

1De zaak in het kort

[gedaagde] heeft gewoond in een woning van haar voormalige partner de heer [gefailleerde ] , die failliet is verklaard. De curator vindt dat [gedaagde] huur of een gebruiksvergoeding is verschuldigd voor haar verblijf in de woning. [gedaagde] bestrijdt dat een huurovereenkomst tussen haar en [gefailleerde ] bestond en dat zij een betaling aan de curator is verschuldigd. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake was van een huurovereenkomst en veroordeelt [gedaagde] om achterstallige huur aan de curator te betalen.

2De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- het bericht van 26 mei 2026 met producties van de curator,
- de berichten van 26 mei 2026 met producties van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 5 juni 2026, waarbij de gemachtigden van partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.

3 De feiten

3.1

De heer [gefailleerde ] (hierna: [gefailleerde ] ), de voormalige partner van [gedaagde] , is op 20 augustus 2024 failliet verklaard.

3.2

In de faillissementsboedel bevonden zich twee woningen. Eén van deze woningen is gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).

3.3

In de woning woonden ten tijde van de faillietverklaring onder anderen [gedaagde] en twee zoons van [gefailleerde ] , genaamd [naam 1] en [naam 2] . [gedaagde] staat in de Basisregistratie Personen vanaf 6 juni 2022 ingeschreven in de woning.

3.4

Op 8 oktober 2024 heeft de curator [gedaagde] en de andere bewoners bericht dat zij zonder recht of titel in de woning verbleven en dat zij voor dat verblijf samen een vergoeding van € 1.600,00 per maand verschuldigd waren. Daarbij heeft de curator hen ook aangemaand om de woning binnen vier weken te verlaten.

3.5

In een e-mailbericht van 20 november 2024 heeft de voormalige advocaat van [gedaagde] , voor zover hier van belang, het volgende aan de curator geschreven:

“(…) cliënte woont niet zonder recht of titel maar is huurder. Naast dat cliënte de huursommen verrekend heeft met haar openstaande vorderingen, heeft cliënte conform de huurovereenkomst tijdig haar huur voldaan. Als Bijlage 2 tot en met 4 zend ik u overzichten van de laatste huurbetalingen (van april 2024 tot en met augustus 2024). Gezien het voorgaande stelt cliënte zich op het standpunt dat zij huurder is van de woning, waarbij u als curator geen bevoegdheid heeft de huurovereenkomst gesloten door uw gefailleerde als verhuurder op te zeggen.”

Bij dit bericht zijn rekeningafschriften gevoegd van de hierna genoemde betalingen.

3.6

Voorafgaand aan het faillissement heeft [gedaagde] op 2 april 2024 naar aanleiding van een betalingsverzoek met de omschrijving “Huur 2 maand” een bedrag van € 1.100,00 overgemaakt naar [gefailleerde ] . Op 15 juni 2024 heeft [gedaagde] naar aanleiding van een betalingsverzoek met de omschrijving “Gedeelte huur” een bedrag van € 500,00 overgemaakt naar [gefailleerde ] . Op 9 juli 2024 heeft [gedaagde] naar aanleiding van een betalingsverzoek met de omschrijving “Twee maanden huur” een bedrag van € 1.000,00 overgemaakt naar [gefailleerde ] .

3.7

In een e-mailbericht van 19 december 2024 heeft de voormalige advocaat van [gedaagde] , voor zover hier van belang, de curator als volgt bericht:

“Cliënte is bereid haar huursom te voldoen door middel van verrekening tot oktober 2024 en betaling van de huursom vanaf oktober 2024. Cliënte zal zorgdragen voor betaling van EUR 500,- per maand.”

3.8

[gedaagde] heeft de woning nadien verlaten.

3.9

De woning is op 27 maart 2025 door de curator verkocht aan [naam 2] en [naam 1] . De levering heeft plaatsgevonden op 11 juni 2025.

4Het geschil

4.1

De curator vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 15.900,00, vermeerderd met rente en kosten.

4.2

De curator legt aan de vordering primair ten grondslag dat [gedaagde] de woning van [gefailleerde ] huurde voor een huursom van € 500,00 per maand. Uit de huurovereenkomst is voor [gedaagde] de verplichting voortgevloeid om in totaal € 18.500,00 aan huur te betalen, gerekend vanaf haar inschrijving in de woning tot de levering van de woning aan [naam 2] en [naam 1] . Verminderd met huurbetalingen die [gedaagde] voor een bedrag van € 2.600,00 heeft gedaan, is [gedaagde] per saldo nog € 15.900,00 aan huur verschuldigd, aldus de curator. Subsidiair stelt de curator dat [gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking een gebruiksvergoeding is verschuldigd voor haar verblijf in de woning.

4.3

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.

4.4

[gedaagde] betwist dat sprake is van een huurovereenkomst of van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens [gedaagde] voerde zij een gemeenschappelijke huishouding met [gefailleerde ] , waarbij de huishoudelijke kosten, waaronder de huisvestingslasten, door hen beiden werden gedragen en onderling werden verrekend.

4.5

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Er bestond een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [gefailleerde ]

5.1

De kantonrechter oordeelt dat vast is komen te staan dat een huurovereenkomst tussen [gefailleerde ] en [gedaagde] bestond, op grond waarvan [gedaagde] een huurprijs van € 500,00 per maand aan [gefailleerde ] was verschuldigd. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de woning van [gefailleerde ] huurde voor de genoemde huursom. Dit wordt hierna toegelicht.

5.1.1

De voormalige advocaat van [gedaagde] heeft zich op 20 november 2024 - namens [gedaagde] - tegenover de curator expliciet op het standpunt gesteld dat zij huurder van de woning was, dat zij verschillende huurbetalingen aan [gefailleerde ] heeft gedaan en dat haar huurschuld over de overige maanden is verrekend met vorderingen die zij op [gefailleerde ] had (zie 3.5). Daarbij zijn als bewijs van de bedoelde huurbetalingen rekeningafschriften aan de curator meegezonden. Uit de betreffende rekeningafschriften, die door de curator zijn overgelegd, blijkt dat [gedaagde] , inderdaad, verschillende betalingen aan [gefailleerde ] heeft gedaan die zijn omschreven als huur (zie 3.6). Later, op 19 december 2024, heeft de voormalig advocaat van [gedaagde] aan de curator bericht dat [gedaagde] bereid was om de huursom over de maanden tot oktober 2024 door middel van verrekening te voldoen, en de huursom van € 500,00 per maand vanaf oktober 2024 aan de curator te betalen (zie 3.7).

5.1.2

[gedaagde] heeft geen steekhoudende verklaring gegeven voor de bovengenoemde omstandigheden, die door de curator zijn aangedragen ter onderbouwing van zijn stelling dat een huurovereenkomst tussen [gefailleerde ] en [gedaagde] bestond. De kantonrechter heeft op de zitting aan [gedaagde] gevraagd om uit te leggen waarom eerder namens haar het standpunt is ingenomen dat zij de woning huurde, terwijl zij dat laatste in deze procedure juist ontkent. [gedaagde] heeft daarop geantwoord dat haar voormalige advocaat de e-mails van 20 november en 19 december 2024 buiten haar om aan de curator heeft verstuurd, zonder de inhoud daarvan met haar te bespreken. Naar de kantonrechter ter zitting aan [gedaagde] heeft voorgehouden, is het echter lastig voorstelbaar dat een door haar ingeschakelde advocaat tot twee keer toe op eigen houtje, zonder met haar te overleggen, over een dergelijk essentieel punt een bewering zou doen die niet waar is. Temeer omdat haar voormalige advocaat beide keren schrijft overleg te hebben gevoerd met zijn cliënte ( [gedaagde] dus). Een plausibele uitleg voor de genoemde gang van zaken is echter uitgebleven. Wat betreft de betalingen die zij aan [gefailleerde ] heeft gedaan, heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat niet zij maar [gefailleerde ] die als huur heeft omschreven in de betaalverzoeken die hij haar stuurde. [gedaagde] heeft echter niet steekhoudend toegelicht waarom [gefailleerde ] de verzochte betalingen als huur heeft omschreven en waarom zij vervolgens aan die aldus omschreven betalingsverzoeken heeft voldaan. Gelet op het voorgaande moet de kantonrechter er vanuit gaan dat [gedaagde] voor haar verblijf in de woning huur van € 500,00 per maand was verschuldigd en dat zij verschillende huurbetalingen aan [gefailleerde ] heeft gedaan (artikel 149 Rv) .

5.2

Nu [gedaagde] de door de curator gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, wordt het bewijsaanbod van [gedaagde] gepasseerd.

[gedaagde] is per saldo nog € 15.900,00 aan huur verschuldigd

5.3

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] per saldo nog € 15.900,00 aan huurpenningen is verschuldigd. Zij moet dit bedrag aan de curator betalen.

5.4

Daarbij gaat de kantonrechter er vanuit dat de verplichting voor [gedaagde] om de maandelijkse huurprijs te betalen is ingegaan op 6 juni 2022, toen zij zich in de woning heeft ingeschreven, dat die verplichting is geëindigd op 11 juni 2025, toen de woning vanuit de boedel is geleverd aan [naam 1] en [naam 2] , en dat de over deze periode verschuldigde huur berekend moet worden op € 18.500,00. Tegen de betreffende stellingen van de curator heeft [gedaagde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat, en wanneer, zij voorafgaand aan de genoemde levering al uit de woning is vertrokken en dat de huurovereenkomst daarom al eerder is geëindigd. Tot slot wordt opgemerkt dat hoewel voorafgaand aan deze procedure namens [gedaagde] het standpunt werd ingenomen dat haar huurschuld (grotendeels) teniet is gegaan door verrekening met vorderingen die zij op [gefailleerde ] zou hebben gehad, [gedaagde] in deze procedure niet een dergelijk beroep op verrekening heeft gedaan.

5.5

Op de vervallen huurtermijnen komen de betalingen van in totaal € 2.600,00 die [gedaagde] ten titel van huur aan [gefailleerde ] heeft gedaan in mindering. Daarmee resteert per saldo een huurschuld van € 15.900,00 (€ 18.500,00 - € 2.600,00).

Wettelijke rente

5.6

De curator vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 16 juli 2025. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 30 juli 2025. De curator heeft [gedaagde] bij brief van 16 juli 2025 aangemaand om binnen veertien dagen tot betaling over te gaan. Deze brief kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW. De curator heeft in de brief omschreven wat [gedaagde] moest betalen en op grond waarvan. Dat daarbij niet wordt gesproken over huurtermijnen, betekent niet dat de vordering in de ingebrekestelling onvoldoende duidelijk is omschreven.

De buitengerechtelijke incassokosten

5.7

De curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente. Deze vordering wordt afgewezen. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Nu [gedaagde] moet worden aangemerkt als consument (een natuurlijk persoon die niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf), is zij alleen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd als is voldaan aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW. Aan die vereisten is niet voldaan. De curator heeft geen aanmaning verstuurd met een betalingstermijn van veertien dagen die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning, en met vermelding van een juist bedrag aan verschuldigde incassokosten.

De proceskosten

5.8

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

126,46

- griffierecht

753,00

- salaris gemachtigde

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.887,46

5.9

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.10

[gedaagde] heeft zich verzet tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis. Bij de beoordeling van dit verweer van [gedaagde] moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Het belang van de curator bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gegeven. Daar staat tegenover dat naar het oordeel van de kantonrechter [gedaagde] een reëel restitutierisico loopt. Als de vordering van de curator in een eventueel hoger beroep alsnog wordt afgewezen, zal de curator een mogelijk bij voorraad uitgewonnen geldsom als onverschuldigd moeten terugbetalen aan [gedaagde] . De vordering tot terugbetaling dient in een dergelijk geval te worden behandeld als een concurrente boedelvordering (zie het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3796). In het algemeen krijgen concurrente boedelschuldeisers in een faillissement niet hun gehele vordering uitbetaald. Uit de stellingen van de curator kan niet worden afgeleid dat dit in dit geval wel zo zou zijn. De afweging van de belangen van de curator en [gedaagde] leidt er toe dat de kantonrechter de door de curator gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wel zal uitspreken, maar onder voorwaarde van zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie. Het belang van [gedaagde] bij zekerheidstelling, gegeven het restitutierisico, weegt zwaarder dan het belang van de curator bij tenuitvoerlegging zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1

veroordeelt [gedaagde] om € 15.900,00 aan de curator te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,

6.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.887,46, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4

verbindt aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt tot een bedrag van € 15.900,00 in de vorm van een bankgarantie,

6.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733