Rechtbank Den Haag 15-07-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22868

Essentie (gemaakt door AI)

Uitgewerkt vonnis kort geding waarin het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor een vakantie met de minderjarige naar Pakistan is afgewezen wegens een reëel risico op uithuwelijking en mogelijke niet-terugkeer. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat afspraken over een huwelijk bestaan, gesteund door een opgenomen telefoongesprek en meerdere verklaringen. De omstandigheid dat Pakistan niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag weegt mee. Ieder draagt de eigen kosten.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Geen toestemming voor reis naar Pakistan met kind: reële vrees voor uithuwelijking
Vrouw vordert vervangende toestemming om met kind - dochter van 15 jaar oud - naar Pakistan af te reizen. Rechter wijst af wegens een reëel risico op uithuwelijking en mogelijke niet-terugkeer. Bestaan afspraken daarover "aannemelijk".

Datum publicatie17-08-2026
ZaaknummerC/09/706938 / KG ZA 26-638
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Geschil over vakantie buitenland
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Uitgewerkt vonnis Kort Geding. Afwijzing vervangende toestemming vakantie i.v.m. risico uithuwelijking minderjarige.

Volledige uitspraak


Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/706938 / KG ZA 26-638

Vonnis in kort geding van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats 1]

eiseres,

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats 2]

gedaagde,

advocaat mr. G. Hagens te Berkel en Rodenrijs.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de door de vrouw overgelegde nadere producties;

- de op 7 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn verschenen beide partijen, bijgestaan door hun advocaat.

1.2

Op 8 juli 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 14 juli 2026.

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot en met [datum 2] 2015. Gedurende het huwelijk is de thans nog minderjarige [minderjarige] op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.

2.2

De vrouw is in het verleden meerdere keren met [minderjarige] naar Pakistan gereisd om familie te bezoeken, met toestemming van de man.

2.3.

Nadat de vrouw begin juni 2026 aan de man weer toestemming vroeg voor een reis naar Pakistan, heeft de man op 7 juni 2026 kenbaar gemaakt dit keer geen toestemming te zullen verlenen om in juli 2026 met [minderjarige] af te reizen naar Pakistan, omdat hij zich zorgen maakt om het welzijn van [minderjarige].

3 Het geschil

3.1

De vrouw vordert, na mondelinge wijziging van eis, – zakelijk weergegeven – aan haar vervangende toestemming te verlenen om van 10 juli 2026 tot en met 18 augustus 2026 per vliegtuig tezamen met [minderjarige] af te reizen naar Pakistan en de man te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De man heeft gesteld dat hij bang is dat de vrouw [minderjarige] in Pakistan zal uithuwelijken, maar hiervan is geen sprake. Zowel de vrouw als [minderjarige] hebben dat ook kenbaar gemaakt aan de man. [minderjarige] is een westers meisje dat in Nederland geworteld is en hier haar toekomst wil opbouwen. De vrouw wenst dat ook voor haar. De reis naar Pakistan heeft slechts tot doel om (schoon)familieleden te bezoeken en is ook in het belang van [minderjarige], zodat de vordering van de vrouw moet worden toegewezen.

3.3

De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

4.1

De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw afwijzen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.2.

De man heeft onweersproken gesteld dat hij in oktober 2024 een uitgebreid telefoongesprek heeft gevoerd met een familierelatie van de vrouw, die de moeder is van een in Pakistan wonende ongehuwde man van 24 jaar oud (genaamd [naam]). In dat gesprek heeft de moeder van [naam] de man verteld dat zij en de vrouw hebben afgesproken dat [minderjarige] en [naam] met elkaar zullen huwen. De man heeft toen tevens vernomen dat [minderjarige] [naam] al kent, nu zij tijdens een eerder verblijf in Pakistan heeft verbleven en geslapen in de woning van [naam] en zijn moeder. Tevens zou [minderjarige] bij die gelegenheid de naam van [naam] op haar hand geschreven hebben. Daarnaast stelt de man dat hij van meerdere Pakistaanse bekenden bevestigd heeft gekregen, dat het inderdaad de bedoeling is dat [minderjarige] deze zomer in Pakistan zal trouwen met [naam]. Dat is volgens de man ook niet ongeloofwaardig, nu uithuwelijken in Pakistan nog geregeld voorkomt. Vanwege bovengenoemde concrete aanwijzingen heeft de man ernstige zorgen dat [minderjarige] in Pakistan zal worden gedwongen te huwen en dat zij mogelijk zelfs niet zal terugkeren naar Nederland. Hij heeft daarbij benadrukt dat hij niet weigert om dwars te liggen, maar uit bezorgdheid voor [minderjarige]. In het verleden heeft hij altijd toestemming verleend voor reizen naar Pakistan, maar hij weigert die toestemming nu omdat hij ernstig vreest voor uithuwelijking. Daarbij heeft hij er terzijde nog op gewezen dat ook de actuele veiligheidssituatie in Pakistan risicovol is voor jonge vrouwen.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat de man voorheen steeds toestemming voor reizen naar Pakistan heeft gegeven, maar nu weigert vanwege grote zorgen over het welzijn en de veiligheid van [minderjarige]. De voorzieningenrechter volgt de man in zijn zorgen over de voorgenomen reis. De man heeft naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk een risico bestaat dat [minderjarige] in Pakistan uitgehuwelijkt zal worden. Daarbij wordt allereerst meegewogen dat de vrouw niet heeft weersproken dat de man over een opname van een telefoongesprek met de moeder van [naam] beschikt, waarin zij vertelt over een afspraak met de vrouw over een voorgenomen huwelijk. Aan het verweer van de vrouw dat die uitlating niet klopt en dat het slechts zou gaan om een wens van de moeder van [naam] om te komen tot een huwelijk wordt voorbijgegaan. Daargelaten dat die stelling strijdig is met de telefonische uitlatingen van de moeder van [naam] over een afspraak, is die stelling door de vrouw ook niet verder onderbouwd. Daartegenover heeft de man bovendien gesteld ook van andere personen uit de omgeving van (de moeder van) [naam] te hebben vernomen dat een huwelijk tussen [naam] en [minderjarige] aanstaande is. Daarbij heeft de man er nog op gewezen dat hij recentelijk telefonisch heeft vernomen dat de moeder van [naam] naar aanleiding van dit kort geding door familie onder druk is gezet om haar uitlatingen over de huwelijksafspraak te ontkennen, in een poging de toestemming voor de reis alsnog te verkrijgen.

4.4.

Ook het verweer van de vrouw dat [minderjarige] een westers meisje is dat haar toekomst in Nederland ziet en dat de vrouw en zij daarom niet willen dat [minderjarige] wordt uitgehuwelijkt maakt het oordeel niet anders. Daargelaten dat jonge meisjes bij uithuwelijken over het algemeen zelf geen doorslaggevende stem hebben, kan niet worden uitgesloten dat er bij het verblijf in Pakistan zware druk zal worden uitgeoefend op [minderjarige] en/of de vrouw om (alsnog) in te stemmen met het huwelijk. Een dergelijk huwelijk betekent ook niet dat er zonder meer van moet worden uitgegaan dat [minderjarige] niet terug zal keren naar Nederland en zal stoppen met haar opleiding. Het huwelijk kan immers ook worden aangegaan om [naam] van nieuwe toekomstmogelijkheden te voorzien. In dat kader is relevant dat de moeder van [naam] in het telefoongesprek met de man zelf heeft benadrukt dat een huwelijk met [minderjarige] belangrijk is, omdat het op termijn mogelijkheden voor [naam] biedt om naar Nederland te komen. De voorzieningenrechter tekent nog aan dat ook als ervan zou worden uitgegaan dat [minderjarige] na een huwelijk zeker weer zal terugkeren naar Nederland, de beslissing in dit kort geding niet anders wordt. Terecht wenst de man haar immers ook in dat geval tegen een huwelijk te beschermen, nu zij pas 15 jaar oud is.

4.5.

De stelling van de vrouw dat voor een huwelijk met [minderjarige] helemaal niet gevreesd hoeft te worden, omdat [naam] in januari 2027 al met een andere vrouw gaat trouwen, kan haar niet baten. Immers, niet in geschil is dat de Pakistaanse families van beide partijen in een islamitisch polygame omgeving verkeren, waar een man met maximaal vier vrouwen tegelijk getrouwd mag zijn. In dat kader is relevant dat gebleken is dat ook de vrouw zelf nu is gehuwd met een Pakistaanse man die al een eerste echtgenote had toen de vrouw met hem trouwde. Zo dus al juist zou zijn dat [naam] in januari 2027 met een andere vrouw gaat trouwen (wat door de vrouw niet is onderbouwd) valt niet uit te sluiten dat [naam] daarnaast ook met [minderjarige] zal huwen.

4.6.

Het aanbod van de vrouw dat de man zelf mee naar Pakistan kan reizen om een oogje in het zeil te houden kan het risico niet wegnemen, aangezien de man vanwege zijn nieuwe baan niet mee kan reizen naar Pakistan.

4.7.

De voorzieningenrechter tekent tot slot nog aan dat Pakistan niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag, wat een reden te meer is de vordering af te wijzen. Indien [minderjarige] namelijk niet zou terugkeren na de vakantie, zoals de man vreest, is teruggeleiding op grond van dat verdrag niet mogelijk. In een dergelijk geval valt dan ook zeker niet uit te sluiten dat het voor de man uiterst moeilijk zal blijken te zijn [minderjarige] te doen terugkeren.

4.8.

Voormelde omstandigheden, op zich en in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat voorshands aannemelijk is dat er een reëel risico bestaat dat [minderjarige] in Pakistan uitgehuwelijkt zal worden of onder druk gezet zal worden om in te stemmen met een huwelijk. Daarbij komt nog het risico dat zij na een dergelijk huwelijk wellicht niet of niet tijdig zal terugkeren naar Nederland. Het belang van de vrouw om samen met [minderjarige] haar huidige schoonfamilie te bezoeken weegt in dit geval niet op tegen het belang van de man bij weigering van de gevraagde voorziening. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw afwijzen.

4.9.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1

wijst af de vordering van de vrouw;

5.2

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

MS



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733