Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding over nakoming zorg- en vakantieregeling. Vaststaat dat de beschikking van 2025 ongewijzigd van kracht is; gestelde latere afspraken zijn niet aannemelijk. De voorzieningenrechter veroordeelt moeder tot hervatting van de zorgregeling om de week van vrijdag 19.00 tot zondag 18.00 uur. Voor de zomervakantie bepaalt de rechter, mede gelet op de onbeschikbaarheid van vader wegens werk, dat de kinderen de eerste drie weekenden bij vader zijn en verder bij moeder. Geen dwangsom. Overig afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 17-08-2026 |
| Zaaknummer | C/10/721055 / KG ZA 26-559 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Zorgregeling / omgang / informatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Nakoming zorgregeling waaronder nakoming van de vakantieverdeling, zodat de minderjarigen aankomende zomervakantie drie weken bij de man verblijvenVolledige uitspraak
Familierecht
Zaaknummer: C/10/721055 / KG ZA 26-559
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. G. Alkilic te Den Haag,
tegen
[naam man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. J. Eliya te Hengelo (ov).
Partijen worden hierna ook de vrouw en de man genoemd.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de:
-
dagvaarding met producties, betekend op 12 juni 2026;
-
de conclusie van antwoord met producties, ingekomen op 19 juni 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Rijnmond (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.
Zij zijn de ouders van:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .
Partijen oefenen samen het gezag over de minderjarigen uit.
Bij echtscheidingsbeschikking van 6 mei 2025 heeft de rechtbank Den Haag onder meer beslist dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. Vanaf het moment dat de man een eigen woning heeft, zullen de minderjarigen bij hem verblijven:
-
om de week van vrijdag 19.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en hij hen op zondag weer naar de vrouw brengt;
-
gedurende de helft van de algemene feestdagen, waarvan in ieder geval met Sinterklaas, Kerstmis, oud- en nieuw in de even jaren op de eerste feestdag;
-
gedurende de helft van de schoolvakanties, waarvan drie weken aaneengesloten in de zomervakantie;
-
gedurende bijzondere gelegenheden zoals Vaderdag, de verjaardag van de man en de verjaardagen van de kinderen (bij toerbeurt) te beginnen in 2025 bij de man.
Ook is bepaald dat de man en de minderjarigen wekelijks met elkaar zullen videobellen, op een door partijen in onderling overleg af te spreken dag en tijdstip.
3Het geschil in conventie en reconventie
De vrouw vordert in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om:
I. de man te veroordelen tot nakoming van de vakantieregeling in die zin dat de minderjarigen bij hem zijn van vrijdag 17 juli 2026 om 19.00 uur tot zondag 9 augustus 2026, althans een regeling zoals de voorzieningenrechter juist acht;
II. de man te veroordelen om de zorgregeling na te komen op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat hij de regeling niet nakomt, met een maximum van € 30.000,- althans een bedrag dat de voorzieningenrechter juist acht.
De man vraagt de voorzieningenrechter om de vorderingen in conventie af te wijzen en om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure. Voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel mocht zijn dat een vakantieregeling opgelegd moet worden, vraagt de man de gevorderde periode te beperken tot een kortere, niet-aaneengesloten periode die in goede justitie wordt bepaald en die de opdrachtenrelatie met de enige opdrachtgever van de man ( [bedrijf] ) aantoonbaar niet in gevaar brengt, alsmede de gevorderde dwangsom af te wijzen dan wel substantieel te matigen tot een symbolisch bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de draagkracht van de man als zelfstandige zonder personeel om de continuïteit van de lopende kinderalimentatie te waarborgen.
De man vordert in conventie om:
Primair:
I. de vrouw te veroordelen om de zorgregeling, zoals door partijen in onderling overleg overeengekomen en feitelijk uitgevoerd van september 2025 tot de eenzijdige omgangsstop op 17 april 2026, met onmiddellijke ingang te hervatten en te continueren, in die zin dat de minderjarigen elk weekend bij de man verblijven van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de man de minderjarigen ophaalt en terugbrengt, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de vrouw nalaat aan deze veroordeling te voldoen of deze te faciliteren, tot een maximum van € 15.000,-;
Subsidiair:
- de vrouw te veroordelen om de zorg- en contactregeling conform de dragende beschikking van de Rechtbank Den Haag van 6 mei 2025 met onmiddellijke ingang onverkort na te leven en te faciliteren, in die zin dat de minderjarigen de eerstkomende weekenden conform de daarin vastgestelde modaliteiten bij de man verblijven, eveneens op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de vrouw hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 15.000,-
in alle gevallen:
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de procedure in reconventie, de nakosten daaronder begrepen.
De vrouw voert gemotiveerd verweer in reconventie.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Het gaat om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vindt dat dit het geval is. De procedure gaat immers over verdeling van de naderende zomervakantie en over hervatting van het contact tussen de man en de minderjarigen.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man inmiddels over eigen woonruimte beschikt, zodat de voorzieningenrechter daarvan zal uitgaan. In de hiervoor genoemde beschikking van 6 mei 2025 is – onder meer – bepaald dat de minderjarigen tijdens de helft van de schoolvakanties, waaronder drie aaneengesloten weken in de zomervakantie, bij de man zullen verblijven. Niet ter discussie staat dat de afgelopen vakanties niet op die manier zijn verdeeld. De vrouw wenst daarom duidelijkheid over de aanstaande zomervakantie, zodat zij ook invulling kan geven aan haar eigen vakantie. Zij wil dat de man de eerste drie weken van de zomervakantie voor zijn rekening neemt. De man voert aan dat partijen in september 2025 andere afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling, inhoudende dat de minderjarigen elk weekend bij hem verblijven en dat daarmee de vakantieregeling is komen te vervallen. De vrouw betwist dat zij tot andere afspraken zijn gekomen. De vrouw heeft verklaard dat de huidige praktijk een opgedrongen wens van de man is. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om de zorgregeling te wijzen en zeker niet om daarmee de vakanties te compenseren.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [minderjarige 2] de afgelopen maanden feitelijk elk weekend bij de man is geweest en [minderjarige 1] ongeveer één keer in de maand. Zij wil zelf niet vaker mee met de man. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man niet aannemelijk genoeg heeft gemaakt dat sprake is van een daadwerkelijke afspraak tussen partijen waarmee de zorgregeling, inclusief de vakantieregeling, zou zijn gewijzigd. De vrouw betwist dat immers en het tegendeel volgt ook niet uit de door de man overgelegde stukken waar hij tijdens de mondelinge behandeling meermaals naar heeft verwezen. Dat betreffen immers slechts screenshots van Whatsapp-gesprekken waaruit blijkt dat partijen veelvuldig spraakoproepen dan wel videogesprekken met elkaar hebben gevoerd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter als uitgangspunt neemt dat de regeling uit de echtscheidings-beschikking niet is gewijzigd en dus nog steeds van kracht is.
Een rechterlijke uitspraak over de omgang moet in beginsel worden nagekomen. Hierop zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering is wanneer na de uitspraak de omstandigheden zo zijn gewijzigd, dat volledige nakoming van die uitspraak in strijd is met de belangen van de minderjarige. De tweede uitzondering is wanneer bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ten aanzien van de zomervakantie overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De vrouw wenst duidelijkheid over de verdeling van deze vakantie, onder andere zodat zij weet wanneer zij met de minderjarigen op vakantie kan gaan. De voorzieningen- rechter begrijpt de man zo dat hij tot voor kort in de veronderstelling was dat de vakantieregeling uit de echtscheidingsbeschikking niet meer van toepassing was en was opgegaan in de reguliere zorgregeling. In het voorgaande heeft de voorzieningenrechter echter beslist dat deze vakantieregeling wel degelijk van kracht is. Dat betekent dat de minderjarigen in principe tijdens de helft van de aanstaande zomervakantie bij de man zouden moeten verblijven. De man heeft echter uitgelegd dat hij als zelfstandige in de bouw werkt, hij slechts één opdrachtgever heeft en dat het hem niet is gelukt om (alsnog) vrij te krijgen voor de zomervakantie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een e-mailbericht van 19 juni 2026 van zijn opdrachtgever [bedrijf] overgelegd, waarin wordt bevestigd dat geen akkoord heeft gekregen op zijn aanvraag voor vakantieverlof.
De voorzieningenrechter acht het tegen deze achtergrond niet in het belang van de minderjarigen om te beslissen dat zij de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man zullen verblijven. De man heeft voldoende onderbouwd dat hij in die periode niet vrij kan zijn en als hij gedurende die drie weken niet komt werken, hij zijn opdrachten aldaar kwijt raakt. De vrouw heeft verklaard dat het niet op problemen stuit als de minderjarigen bij haar verblijven in de vakantie, maar dat zij vooral belang heeft bij duidelijkheid over wanneer zij zélf met de minderjarigen op vakantie kan.
Alles afwegende zal de voorzieningenrechter beslissen dat de minderjarigen dit jaar de eerste drie weekenden van de zomervakantie bij de man zullen verblijven. De overige dagen en de volledige laatste drie weken zijn de minderjarigen bij de vrouw, zodat zij met hun op vakantie kan. De man zal er in het vervolg tijdig voor moeten zorgen dat hij tijdens de helft van de vakanties beschikbaar is voor de minderjarigen. De minderjarigen hebben er immers ook recht op een deel van de schoolvakanties door te brengen met hun vader.
De voorzieningenrechter moet ook een beslissing nemen over de reguliere omgangsmomenten tussen de man en de minderjarigen. Gebleken is dat de vrouw – na een discussie tussen partijen over de verdeling van de meivakantie – eenzijdig heeft besloten dat er geen uitvoering meer zal worden gegeven aan de weekendregeling. Als gevolg daarvan hebben de man en de minderjarigen elkaar nu al een aantal weken niet meer gezien. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw daarmee niet in het belang van de minderjarigen heeft gehandeld. Hij zal dan ook beslissen dat de vastgestelde zorgregeling uit de beschikking van 6 mei 2025 weer nagekomen moet worden en zal de vrouw daartoe veroordelen. Dat betekent dat de minderjarigen voortaan weer om de week van vrijdag om 19.00 uur tot zondag om 18.00 uur bij de man verblijven. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
Omdat de voorzieningenrechter voldoende vertrouwen heeft in de vrijwillige medewerking van zowel de man als de vrouw, zal hij aan de nakoming van de weekendregeling en de verdeling van de zomervakantie geen dwangsom verbinden.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In dat wat door partijen wordt aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en reconventie
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 6 mei 2025;
bepaalt dat de minderjarigen tijdens de zomervakantie van 2026 in de eerste drie weekenden bij de man zullen verblijven van vrijdag 19.00 uur tot zondag 18.00 uur en voor het overige bij de vrouw;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Egmond en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
