Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-06-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6827

Essentie (gemaakt door AI)

Vordering van eiseres tegen de bewindvoerder waarin betaling wordt gevorderd uit overeenkomsten die rechthebbende na instelling van beschermingsbewind sluit. De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomsten geldig zijn, maar dat art. 1:440 BW verhaal op de onder bewind staande goederen verhindert omdat eiseres het bewind uit het openbare register had behoren te kennen art. 1:391 lid 3 BW. De vordering wordt afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. Uitvoerbaar bij voorraad voor de kostenveroordeling.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Overeenkomsten met betrokkene over paard en pony geldig - maar van haar betaling eisen kan niet
De kantonrechter oordeelt dat de met betrokkene aangegane overeenkomsten geldig zijn, maar dat art. 1:440 BW verhaal op de onder bewind staande goederen verhindert. Schuldeiser had Centraal curatele- en bewindregister moeten checken.

Datum publicatie14-08-2026
Zaaknummer11762619 CV EXPL 25-3132 (E)
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsTilburg
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenMeerderjarigenbescherming; Bewind
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Het gaat in deze zaak om een vordering van eiseres tegen de bewindvoerder op grond van overeenkomsten die gesloten zijn nadat de goederen van onderbewindgestelde onder bewind zijn gesteld. De bewindvoerder beroept zich erop dat de vordering van eiseres niet toewijsbaar is wegens het bewind. De kantonrechter stelt de bewindvoerder in het gelijk.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11762619 \ CV EXPL 25-3132

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

de commanditaire vennootschap [eisende partij] C.V.,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: mr. M.P.M. Riep,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde partij] B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [belanghebbende],

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

gemachtigde: mr. F.H.J. de Graaf.

1De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een vordering van [eisende partij] op grond van overeenkomsten die mevrouw [belanghebbende] heeft gesloten met [eisende partij] nadat haar goederen onder bewind zijn gesteld. [eisende partij] stelt de vordering in tegen [gedaagde partij] , die bewindvoerder is over de goederen van [belanghebbende] . [gedaagde partij] beroept zich erop dat de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar is wegens het bewind. De kantonrechter stelt [gedaagde partij] in het gelijk en zal de vordering afwijzen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 juni 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek met productie;
- de akte uitlaten productie van [eisende partij] .

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3De feiten

3.1.

Sinds 16 november 2021 zijn de (toekomstige) goederen van mevrouw [belanghebbende] onder bewind gesteld wegens een lichamelijke of geestelijke toestand. [gedaagde partij] is benoemd tot bewindvoerder.

3.2.

Het bewind van [belanghebbende] is ingeschreven in het Centraal curatele- en bewindregister.

3.3.

Op 9 december 2023 en 5 maart 2024 heeft [belanghebbende] overeenkomsten met [eisende partij] gesloten voor het stallen en verzorgen van een paard respectievelijk pony. Op de overeenkomsten zijn algemene voorwaarden en het huisreglement van [eisende partij] van toepassing verklaard.

3.4.

Op 31 mei 2024 heeft [belanghebbende] – na Whatsapp contact met [eisende partij] – haar paard en pony uit de stallen van [eisende partij] gehaald en meegenomen.

3.5.

[eisende partij] heeft drie facturen aan [belanghebbende] gestuurd die zien op huur van de maanden juni en juli 2024, kosten van omheining en het uitmesten van de stal voor een totaalbedrag van € 2.024,75. [belanghebbende] heeft dit bedrag onbetaald gelaten.

3.6.

[eisende partij] is eerder een procedure gestart bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zaaknummer 11475188 CV EXPL 25-75) waarin zij van [belanghebbende] betaling heeft gevorderd van het bedrag van € 2.024,75 vermeerderd met rente en kosten. Na verweer van [belanghebbende] dat haar goederen onder bewind staan, heeft de kantonrechter [eisende partij] bij vonnis van 21 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

4Het geschil

4.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – dat [gedaagde partij] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [belanghebbende] wordt veroordeeld om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.024,75 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2024 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 303,71 met veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van de procedure.

4.2.

[eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [belanghebbende] is gehouden tot nakoming van de verplichting tot betaling van huur van de maanden juni en juli 2025 en betaling van de helft van de gemaakte kosten voor omheining. Daarnaast was [belanghebbende] gehouden de boxen bij vertrek deugdelijk en schoon op te leveren, waar zij niet aan heeft voldaan en daarom zijn schoonmaakkosten verschuldigd.

4.3.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.4.

[gedaagde partij] voert als verweer onder meer het volgende aan. [gedaagde partij] heeft geen toestemming gegeven voor het sluiten van de overeenkomsten waardoor deze ongeldig zijn op grond van artikel 1:439 Burgerlijk Wetboek (BW). Schulden uit de overeenkomsten kunnen ook op grond van artikel 1:440 BW niet op de onder bewind staande goederen worden verhaald. Het bewind is gepubliceerd en daardoor komt [eisende partij] geen derdenbescherming toe.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

5.1.

In geschil is tussen partijen allereerst of [eisende partij] betaling kan vorderen in deze procedure omdat [belanghebbende] onder beschermingsbewind staat.

5.2.

Vaststaat dat [belanghebbende] de overeenkomsten heeft gesloten nádat haar goederen onder bewind zijn gesteld. [belanghebbende] is door het bewind niet handelingsonbekwaam geworden. De onderbewindstelling heeft wel tot gevolg dat [belanghebbende] als rechthebbende niet langer bevoegd is om beheershandelingen met betrekking tot de onder bewind staande goederen te verrichten en dat zij slechts met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen kan beschikken (artikel 1:438 leden 1 en 2 BW) . Onder ‘beheer’ moeten in dit kader worden verstaan: alle (feitelijke en rechts-)handelingen die gedaan moeten worden om de goederen in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven. Het gaat hierbij dus specifiek om handelingen in het kader van de normale exploitatie van het goed. Onder ‘beschikken’ wordt verstaan: het vervreemden of met enig recht bezwaren van een of meer onder bewind staande goederen. Een beheershandeling of beschikkingshandeling die door de rechthebbende zelf wordt verricht, is ongeldig.

5.3.

Het voorgaande betekent dat [belanghebbende] tijdens het bewind wel bevoegd is gebleven om andere (rechts)handelingen dan in artikel 1:438 BW is bedoeld te verrichten, waaronder het aangaan van obligatoire overeenkomsten. De overeenkomsten tot huur en verzorging van paarden zijn te beschouwen als obligatoire overeenkomsten. Omdat de overeenkomsten niet tot doel hadden en ook niet konden bijdragen aan behoud van de onder bewind staande goederen kunnen deze niet worden aangemerkt als een beheershandeling of beschikkingshandeling in de zin van artikel 1:438 leden 1 en 2 BW.

5.4.

Omdat artikel 1:438 BW niet aan de geldigheid van de overeenkomsten in de weg staat, gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van [gedaagde partij] dat sprake is van ongeldige overeenkomsten.

5.5.

Het voorgaande laat onverlet dat artikel 1:440 lid 1 BW – in aanvulling op artikel 1:439 BW – een rechthebbende bescherming beoogt te bieden tegen verhaal van schulden die juist ontstaan door (rechts)handelingen die niet onder bewind gestelde goederen betreffen (zie Kamerstukken II, 1978-79, 15 350, nr. 3, p. 22). Deze bepaling komt erop neer, dat door het instellen van bewind de goederen die tot het vermogen van de rechthebbende behoren, onttrokken zijn aan verhaal door die schuldeisers die met het bewind rekening hadden kunnen houden ten tijde van het ontstaan van de rechtsverhouding waaruit de vordering voortspruit. [gedaagde partij] beroept zich ook op artikel 1:440 BW.

5.6.

De vordering van [eisende partij] tot betaling van bedragen zijn schulden die voortkomen uit de overeenkomsten met [belanghebbende] en die niet het gevolg zijn van door [belanghebbende] met medewerking van de bewindvoerder of machtiging van de kantonrechter verrichte handelingen. [eisende partij] stelt wel dat [gedaagde partij] geacht moet worden de overeenkomsten te hebben bekrachtigd door het contact over een minnelijke regeling, maar bekrachtiging is betwist en onvoldoende onderbouwd door [eisende partij] . Het enkele feit dat er contact is geweest over een minnelijke regeling is onvoldoende om daar achteraf gegeven toestemming van de bewindvoerder voor de gesloten overeenkomsten uit af te leiden. Het stond [gedaagde partij] vrij om uit coulance en ter voorkoming van een procedure het bereiken van een regeling te onderzoeken. Dit impliceert nog geen instemming van [gedaagde partij] met de overeenkomsten.

5.7.

De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] het bewind had behoren te kennen vanwege de publicatie daarvan in het Centraal curatele- en bewindregister. Dit register is voor iedereen kosteloos toegankelijk (artikel 1:391 lid 3 BW) , te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder registers, en eenvoudig doorzoekbaar op basis van naam een geboortedatum. Het feit dat [eisende partij] deze controle niet heeft uitgevoerd, is een keuze die voor haar rekening en risico komt. Omdat het bewind geldt voor alle (toekomstige) goederen van [belanghebbende] en [eisende partij] dit bewind had behoren te kennen, staat artikel 1:440 BW aan toewijzing van de gevorderde hoofdsom in de weg. [eisende partij] kan haar vordering niet verhalen op de goederen van [belanghebbende] , ook niet na beëindiging van het bewind. De vordering van [eisende partij] wordt daarom afgewezen.

5.8.

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

542,50

5.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

6De beslissing

De kantonrechter

6.1.

wijst de vordering van [eisende partij] af,

6.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733