Rechtbank Amsterdam 15-07-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7681

Essentie (gemaakt door AI)

Advocaat vordert schorsing tenuitvoerlegging van tuchtrechtelijke proceskostenveroordelingen door NOvA. Toets: alleen ingrijpen bij misbruik van executiebevoegdheid, o.a. bij evidente misslag of noodtoestand. Stellingen over motiveringsgebrek, disproportionaliteit, schending fair trial, en ondermijning toegang tot de rechter overtuigen niet. Geen invloed van klacht bij deken. Verzoek wordt afgewezen. [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten. Afwijzing niet‑uitvoerbaar‑bij‑voorraadverklaring; kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Onnodig grievende advocaat vrouw moet tuchtrechtelijke proceskostenveroordelingen toch echt betalen
Advocaat eist schorsing tenuitvoerlegging van tuchtrechtelijke proceskostenveroordelingen door NOvA. Rechterlijk ingrijpen kan alleen bij misbruik van executiebevoegdheid. Argumenten advocaat overtuigen niet. Proceskostenveroordeling.

Datum publicatie14-08-2026
ZaaknummerC/13/788584
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid advocaat
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

gevorderde schorsing tenuitvoerlegging proceskostenveroordelingen in tuchtrechtuitspraken wordt afgewezen. De tuchtrechtuitspraken berusten niet op een evidente vergissing en er is ook anderszins geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/788584 / KG ZA 26-449 MdV/BB

Vonnis in kort geding van 15 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

in haar hoedanigheid van advocaat,

te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

tegen

DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN,

te Den Haag,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de NOvA,

advocaat: mr. M. Jongkind.

1De procedure

1.1.

Op de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 heeft [eiser] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De NOvA heeft verweer gevoerd.

Beide partijen hebben producties ingediend. De NOvA heeft tevens voorafgaande aan de zitting een pleitnota ingediend, die door de voorzieningenrechter is aangemerkt als conclusie van antwoord.

Ter zitting waren aanwezig:

- [eiser] ;

- [naam] ( [functie] van de NOvA) met mr. M. Jongkind.

Vonnis is bepaald op vandaag.

1.2.

Na de zitting heeft [eiser] , zoals ter zitting was afgesproken, een lijst met vindplaatsen van door haar aangehaalde uitspraken en artikelen in het geding gebracht.

2De feiten

2.1.

[eiser] heeft als advocaat in verschillende procedures tussen twee ex-echtgenoten de vrouw bijgestaan, die op basis van een toevoeging procedeerde. De wederpartij in die procedures heeft in maart 2022 bij de Amsterdamse deken een tuchtklacht ingediend tegen [eiser] .

2.2.

De Raad van Discipline (RvD) heeft op 29 juli 2024 vijf van de zes klachtonderdelen, die zagen op de wijze van procederen en de bejegening (het doen van onnodig grievende uitlatingen), gegrond verklaard en aan [eiser] de maatregel opgelegd van een voorwaardelijke schorsing van zes weken. [eiser] is daarbij door de RvD veroordeeld tot betaling aan de NOvA van een bedrag van € 1.250,00 aan proceskosten.

2.3.

[eiser] is tegen de uitspraak van de RvD in hoger beroep gegaan. Het Hof van Discipline (HvD) heeft op 28 november 2025 de drie klachtonderdelen die zagen op de wijze van procederen alsnog ongegrond verklaard en de gegrondverklaring van de twee bejegeningsklachten in stand gelaten. Het HvD heeft aan [eiser] de maatregel van berisping opgelegd en heeft haar daarbij veroordeeld tot betaling aan de NOvA van een bedrag van € 2.000,00 aan proceskosten.

2.4.

Op 23 december 2025 heeft [eiser] aan het HvD het verzoek gedaan om de in de uitspraak van 28 november 2025 opgenomen proceskostenveroordeling te vernietigen. Daarop heeft het HvD op 7 januari 2026 afwijzend beslist.

2.5.

Op 18 februari 2026 heeft de NOvA aan [eiser] een aanmaning gestuurd voor de aan haar door de RvD en het HvD opgelegde proceskostenveroordelingen van in totaal
€ 3.250,00.

2.6.

Bij e-mailbericht van 2 maart 2026 heeft [eiser] de NOvA verzocht om de executie van de tuchtrechtelijke uitspraken ten aanzien van de proceskostenveroordelingen te schorsen. Zij heeft daarbij een executiekortgeding aangekondigd in het geval de NOvA niet vrijwillig tot schorsing van de executie overgaat.

2.7.

Bij brief van 22 april 2026 heeft de NOvA aan [eiser] laten weten niet tot schorsing van de executie van de kostenveroordelingen over te gaan. De NOvA heeft in haar brief eerst uitgebreid stilgestaan bij de achtergrond van de proceskostenveroordeling in het advocatentuchtrecht, het toetsingskader bij executiegeschillen en de rol van de NOvA in advocatentuchtrechtzaken. Vervolgens komt zij in haar brief tot de conclusie dat hier van (een dreiging van) misbruik van executiebevoegdheid geen sprake is en dat als [eiser] niet alsnog vrijwillig tot betaling van de proceskosten overgaat, de NOvA de executie van de proceskostenveroordeling ter hand zal nemen.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, om de NOvA te verbieden verdere executiemaatregelen te treffen ter zake de kostenveroordelingen in de uitspraak van de RvD van 29 juli 2024 en de uitspraak van het HvD van 28 november 2025, althans de tenuitvoerlegging daarvan te schorsen, totdat onherroepelijk is beslist op de klacht ex artikel 9:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb), althans totdat bij vonnis over de rechtmatigheid van de executie is beslist, althans totdat in een eventuele civiele bodemprocedure is beslist over de aansprakelijkheid van de NOvA wegens de schendingen die hebben geleid tot de op onjuiste gronden uitgesproken tuchtrechtelijke veroordelingen en tot de daaruit voortvloeiende materiële en immateriële schade, waaronder schade aan de goede naam van [eiser] . Verder vordert [eiser] om de NOvA te veroordelen in de werkelijke kosten van dit geding, althans in de proceskosten volgens het gebruikelijke tarief, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt, samengevat weergegeven, aan de vordering ten grondslag dat de NOvA, gelet op alle omstandigheden van het geval en de onevenredigheid van de wederzijde belangen in redelijkheid niet tot onmiddellijke executie van de kostenveroordelingen in de tuchtrechtuitspraken kan overgaan en dus misbruik van executiebevoegdheid maakt indien zij dat wel doet. Volgens [eiser] moet eerst de uitkomst van een artikel 9:1 Awb-klacht bij de deken dan wel een bodemprocedure worden afgewacht. Verder heeft zij, kort gezegd, het volgende gesteld:

- de kostenveroordelingen berusten op een onjuiste toepassing van artikel 48ac Advocatenwet omdat de motiveringsplicht niet is nageleefd; daarbij zijn fundamentele rechtsbeginselen terzijde geschoven;

- de kostenveroordelingen zijn, mede gezien andere tuchtrechtelijke uitspraken, disproportioneel (een matiging was aangewezen, temeer omdat [eiser] een sociaal advocaat op toevoeging is);

- de tuchtrechtprocedure is gevoerd in strijd met fundamentele beginselen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) ; er is uitgegaan van een onvolledig(e) procesdossier en aanbiedingsbrief zonder toepassing van wederhoor, een essentieel verweer van [eiser] is buiten beschouwing gelaten en er was sprake van een verrassingsbeslissing;

- met de tuchtrechtprocedure (SLAPP-klachten van de wederpartij van haar cliënte), die er volgens [eiser] uitsluitend op gericht was om haar van de zaak te krijgen, wordt de toegang tot de rechter van een slachtoffer van intieme terreur ondermijnd;

- de ratio van artikel 48ac Advocatenwet ‘de vervuiler betaalt’ moet hier zo worden uitgelegd dat niet [eiser] maar de NOvA ‘de vervuiler’ is;

- door [eiser] zowel bij de RvD als bij het HvD volledig in de proceskosten te veroordelen wordt in strijd met artikel 13 EVRM het gebruik van een effectief rechtsmiddel ondermijnd. Volgens [eiser] wordt het in hoger beroep gaan gesanctioneerd terwijl dat beroep in overwegende mate is geslaagd.

Ter zitting heeft [eiser] nog een verdere toelichting gegeven op haar bezwaren tegen de aan haar opgelegde kostenveroordelingen en de aangekondigde executie daarvan.

Zij heeft vooral benadrukt dat de tuchtrechtelijke uitspraken niet op basis van de feiten tot stand zijn gekomen, maar op basis van hetgeen de klager allemaal naar voren heeft gebracht en dat bij de totstandkoming van de uitspraken fundamentele rechten zijn geschonden. Verder heeft zij erop gewezen dat het gaat om een groter belang van de slachtoffers van intieme terreur die zijn aangewezen op een kleine groep deskundige (toevoegings)advocaten en dat de positie van deze kwetsbare slachtoffers wordt veronachtzaamd als de pijlen op deze advocaten worden gericht en daarmee de toegang tot de rechter voor hen wordt belemmerd. Daarbij heeft zij aandacht gevraagd voor de omstandigheid dat daar waar haar in de tuchtuitspraken nog wordt verweten dat zij gebruik heeft gemaakt van de bewoordingen ‘intieme terreur’ dit inmiddels in de rechtspraak een algemeen erkend begrip is.

3.3.

Voor de duidelijkheid merkt de voorzieningenrechter op dat het voorgaande uitdrukkelijk een samenvatting van de stellingen van [eiser] is, waarin niet alle details van hetgeen zij naar voren heeft gebracht zijn opgenomen en dat de voorzieningenrechter uiteraard wel heeft kennisgenomen van alles wat [eiser] heeft verklaard en aan stukken heeft ingediend.

3.4.

De NOvA voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Tegen de tuchtrechtuitspraken die ten uitvoer wordt gelegd staat geen rechtsmiddel (meer) open; de uitspraken zijn definitief. In dat geval kunnen de proceskostenveroordelingen alleen worden geschorst indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren (artikel 3:13 BW) , dat wil zeggen wanneer de executant (hier: de NOvA) – mede gelet op de belangen van de eiser in het kort geding (hier: [eiser] ) die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren uitspraken klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berusten of indien tenuitvoerlegging op grond van na de uitspraken voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Deze door de Hoge Raad genoemde gevallen van misbruik van executiebevoegdheid zijn niet limitatief. Van misbruik van bevoegdheid is sprake in alle gevallen waarin de executant wil executeren met geen ander doel dan de geëxecuteerde of een ander te schaden en in alle gevallen waarin de executant, gelet op de onevenredigheid tussen zijn belangen en die van de geëxecuteerde, in redelijkheid niet tot executie kan komen.

4.2.

Het voorgaande brengt met zich dat de lat hoog ligt voor ingrijpen door de executierechter. Zo kan er pas sprake zijn van een kennelijke misslag als de uitspraak die ten uitvoer wordt gelegd berust op een evidente of aperte vergissing. Het is dus onvoldoende dat de beoordeling/beslissing van de tuchtrechter onjuist voorkomt of dat daarover anders kan worden gedacht. Ook uitspraken waarover van mening verschild kan worden dienen gerespecteerd te worden. Een andere benadering, waarbij op een eenvoudiger manier een streep door een rechterlijke uitspraak kan worden gehaald, zou ons rechtssysteem volledig omver werken. Daarbij wordt opgemerkt dat de vergelijking met de toeslagenaffaire die [eiser] heeft gemaakt mank gaat, omdat het hier niet om een beslissing van een overheidsorgaan gaat maar om een rechterlijke beslissing.

4.3.

De voorzieningenrechter is met de NOvA van oordeel dat de stellingen van [eiser] de hoge lat voor ingrijpen in de tuchtrechtelijke uitspraken niet halen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

4.4.

De tuchtrechter heeft op grond van de artikelen 48ac en 57 lid 2 Advocatenwet de bevoegdheid om een advocaat, die een maatregel opgelegd krijgt, te veroordelen in de proceskosten, volgens het adagium ‘de vervuiler betaalt’. Daarbij is gekozen voor een forfaitair stelsel, waarbij de proceskostenveroordeling geen punitief karakter heeft maar is bedoeld om de vermogenstoestand van de NOvA, die belast is met de inning van de proceskosten, gedeeltelijk te herstellen. De RvD en het HvD, die allebei aan [eiser] een maatregel hebben opgelegd, hebben volgens dit uitgangspunt haar ook allebei veroordeeld in de forfaitaire proceskosten. Ten aanzien van de door [eiser] opgevoerde bezwaren daartegen wordt het volgende overwogen.

4.5.

Allereerst heeft [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting van de NOvA, in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat de tuchtrechter (de hoogte van) de proceskostenveroordelingen (nader) had moeten motiveren dan wel dat deze in strijd zouden zijn met fundamentele rechtsbeginselen, zoals de wettelijke proportionaliteitseis.

4.6.

De proceskostenveroordelingen zijn ook niet disproportioneel. De tuchtrechter kan in bijzondere gevallen weliswaar geen dan wel een gematigde proceskostenveroordeling uitspreken, maar is daartoe niet ambtshalve verplicht. Een vergelijking met andere tuchtrechtuitspraken, zoals [eiser] heeft gemaakt, kan ook niet leiden tot de conclusie dat de proceskostenveroordelingen disproportioneel zijn. Daarbij is relevant dat de tuchtrechter niet gehouden is om de ernst van de zaak te betrekken bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenveroordeling.

Ook de omstandigheid dat het HvD enkele klachtonderdelen ongegrond heeft verklaard en tot een lichtere maatregel is gekomen dan de RvD maakt niet dat de proceskostenveroordeling van het HvD disproportioneel is. De klachtonderdelen die overeind zijn gebleven hebben immers geleid tot een maatregel (berisping) en dan kan tot een forfaitaire proceskostenveroordeling worden overgegaan.

Het feit dat [eiser] een toevoegingsadvocaat is, noopt evenmin tot een ambtshalve matiging van de forfaitaire proceskostenveroordeling.

Bij het voorgaande is bovendien van belang dat [eiser] in de tuchtprocedure geen bezwaar heeft gemaakt tegen een proceskostenveroordeling of gronden heeft aangevoerd voor matiging daarvan. [eiser] heeft daarover ter zitting verklaard dat zij dit wel met haar advocaat had besproken maar dat haar advocaat heeft nagelaten om dit naar voren te brengen. Dat komt echter voor haar eigen risico.

4.7.

Verder heeft [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting van de NOvA niet aannemelijk gemaakt dat de tuchtprocedure in strijd met de beginselen van een eerlijk proces is gevoerd. Dat er is uitgegaan van een gebrekkig(e) procesdossier en aanbiedingsbrief van de deken zonder toepassing van wederhoor blijkt nergens uit. In de uitspraak van de RvD wordt wel melding gemaakt van initiële gebreken maar ook staat vermeld dat die nog voor de behandeling ter zitting zijn hersteld. De aanbiedingsbrief van de deken is bovendien niet leidend voor de te voeren tuchtprocedure.

Dat, zoals [eiser] heeft gesteld, haar essentiële verweer dat de klager de tuchtprocedure uitsluitend heeft gebruikt om haar van de zaak te krijgen, in geen enkele beoordeling is betrokken, is onjuist. Uit de uitspraak van het HvD volgt dat dit verweer aan de orde is geweest en dat het HvD geen misbruik van klachtrecht heeft aangenomen.
Verder is onduidelijk waarom sprake zou zijn geweest van een verrassingsbeslissing.

Ten slotte blijkt ook nergens uit, zoals [eiser] ter zitting heeft benadrukt, dat de tuchtprocedure niet gebaseerd is op de feiten maar uitsluitend op hetgeen de klager heeft aangevoerd.

4.8.

Ook de stelling van [eiser] dat met de tuchtrechtelijke uitspraken de toegang tot de rechter voor een kwetsbare groep wordt ondermijnd kan haar hier niet baten. [eiser] heeft in dit verband (wederom) verklaard dat de klager misbruik van het klachtrecht heeft gemaakt, maar zoals gezegd is het HvD daaraan voorbij gegaan en niet gezegd kan worden dat dat een evident onjuist oordeel is geweest.

4.9.

Verder wordt [eiser] ook niet gevolgd in haar stelling dat de proceskosten voor rekening van de NOvA moeten komen omdat de deken fouten zou hebben gemaakt en dat vanwege onevenredigheid in de belangen van [eiser] en de NOvA haar klacht bij de deken moet worden afgewacht. In dit verband heeft de NOvA terecht aangevoerd dat de uitkomst van de klacht bij de deken geen invloed heeft op de (proceskostenveroordelingen in de) tuchtrechtelijke uitspraken. De deken heeft niet de bevoegdheid om in te grijpen in de tuchtrechtelijke uitspraken dan wel te bepalen dat de tenuitvoerlegging van de proceskostenveroordelingen misbruik van bevoegdheid oplevert. Bovendien blijkt nergens uit dat [eiser] door de proceskostenveroordelingen onevenredig wordt getroffen. Het enkele feit dat zij een toevoegingsadvocaat is, is daarvoor onvoldoende. Dat NOvA geen nadeel ondervindt van het uitstellen van de tenuitvoerlegging is gemotiveerd door de NOvA betwist.

4.10.

Het bezwaar van [eiser] dat door haar zowel bij de RvD als bij het HvD volledig in de proceskosten te veroordelen in strijd met artikel 13 EVRM het gebruik van een effectief rechtsmiddel wordt ondermijnd, slaagt evenmin. [eiser] gaat er daarbij (wederom) ten onrechte van uit dat de hoogte van de proceskostenveroordeling afhankelijk dient te worden gesteld van de ernst van de zaak, maar dat is niet het geval.

4.11.

Op het uitgebreide betoog van [eiser] over het begrip ‘intieme terreur’ wordt ten slotte het volgende overwogen. Het kan zo zijn dat er in de rechtspraak een ontwikkeling heeft plaatsgevonden op het gebied van intieme terreur maar dat maakt al het voorgaande niet anders. De tuchtrechtelijke uitspraken worden daarmee niet evident onjuist. Het oordeel van de tuchtrechter dat de door [eiser] gebruikte term ‘intieme terreur’ onnodig grievend is, is immers niet meer dan een oordeel waarover anders kan worden gedacht. Bovendien zijn de opgelegde maatregelen niet uitsluitend gebaseerd op het gebruik van de term ‘intieme terreur’ maar ook op andere uitlatingen van [eiser] .

4.12.

Al met al kan er niet worden geconcludeerd dat de tuchtrechtuitspraken op een evidente vergissing berusten dan wel dat de NOvA anderszins misbruik van executiebevoegdheid maakt indien zij nu tot executie van de (proceskostenveroordelingen in de) tuchtrechtelijke uitspraken overgaat. De NOvA hoeft de klachtprocedure bij de deken of een eventuele bodemprocedure niet af te wachten. De gevraagde voorziening is dan ook niet toewijsbaar. Hoewel [eiser] kan worden geprezen voor de bevlogenheid waarmee zij het opneemt voor een kwetsbare groep cliënten, is het voeren van een executieprocedure niet de aangewezen weg om deze discussie aan te gaan.

4.13.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de NOvA worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00

4.14.

Er is geen aanleiding om van deze proceskostenveroordeling af te zien.

[eiser] heeft zelf gekozen voor het aanhangig maken van dit geding met het risico dat zij in het ongelijk zou worden gesteld en in de proceskosten van de NOvA zou worden veroordeeld. Het zou niet redelijk zijn om de (advocaat)kosten van NOvA die aanzienlijk hoger zijn dan het toe te wijzen forfaitaire bedrag, niet bij [eiser] neer te leggen.

4.15.

Ook bestaat er geen grond voor het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de kostenveroordeling. Het is immers inherent aan een kort geding procedure dat veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Coll: EvK



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733