Rechtbank Den Haag 22-06-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20460

Essentie (gemaakt door AI)

Voorlopige voorzieningen waarin het primaire verweer van moeder over niet‑ontvankelijkheid wordt verworpen met verwijzing naar art. 822 Rv. Verzoek van vader tot birdnestregeling wordt afgewezen wegens door vader gecreëerde onveilige situatie (heimelijke opnames, detective). Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning wordt aan moeder toewezen. Kinderen worden aan moeder toevertrouwd. Vader mag tijdens zijn zorgmomenten in de woning verblijven. Zomer- en vakantieregeling vastgesteld. Kinderalimentatie voorlopig op € 138 per maand vastgesteld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Geen birdnesting tijdens scheiding: vader maakte stiekem opnames en schakelde detective in
Vader wil birdnesten wat op bezwaar moeder stuit. Rechter overweegt dat vader een onveilige situatie heeft gecreëerd terwijl vertrouwen belangrijke voorwaarde voor birdnesting is. En: verzoek over jongmeerderjarige moet in bodemprocedure.

Datum publicatie13-08-2026
ZaaknummerC/09/702998 / FA RK 26-3511
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Zorgregeling / omgang / informatie;
Alimentatie;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Voorlopige voorzieningen. Birdnestregeling afgewezen. uitsluitend gebruik aan de vrouw. Man gerechtigd om met de kinderen in de woning te verblijven gedurende zijn zorgmomenten. Kinderalimentatie vastgesteld.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-3511

Zaaknummer: C/09/702998

Datum beschikking: 22 juni 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 8 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: voorheen: mr. Asscher, nu mr. L. Rijsdam in Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: voorheen mr. Kreté-Marres, nu mr. M.Y.M. Renken in Zoeterwoude.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;

  • het verweer op het zelfstandig verzoek, tevens een gewijzigd verzoek;

  • het F9-formulier van 5 juni 2026, met bijlagen, van de vrouw.

Op 8 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.

[minderjarige 2] heeft in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vindt.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2007 in [plaats] .

  • Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 1] .

  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.

  • De moeder heeft ook een meerderjarig kind uit een eerdere relatie: [naam] , geboren op [geboortedatum 3] 2002 in [geboorteplaats 2] .

  • De door de vrouw op 23 februari 2026 aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure is bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/700158 en FA RK 26-1854.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – na wijziging – te bepalen dat:

  • de kinderen voorlopig aan de man worden toevertrouwd;

  • er sprake is van een tijdelijke zorgregeling waarbij de ene week de man de zorg heeft over de kinderen en de andere week de vrouw, waarbij de wissel zal plaatsvinden op maandagochtend om 09.00 uur, en waarbij de vakanties als volgt worden verdeeld:

  • zomervakantie: maandag 29 juni tot en met woensdag 15 juli bij de vrouw, donderdag 16 juli tot en met zondag 26 juli bij de man, maandag 27 juli tot en met zondag 9 augustus bij de vrouw en maandag 10 augustus tot en met 30 augustus bij de man;

  • overige vakanties: conform de reguliere week op-week af regeling;

  • de man het uitsluitend gebruik van de woning heeft aan de [adres] te [woonplaats] , met de daarbij behorende inboedel, waarbij de vrouw in de week dat zij de zorg heeft over de kinderen toegang heeft tot de woning en de man de woning zal verlaten;

  • de vrouw aan de man een voorlopige bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 332,- per maand per kind.

De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig te bepalen dat:

  • primair: de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken dan wel de verzoeken van de man af te wijzen;

  • subsidiair:

  • de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd;

  • de kinderen voorlopig wekelijks op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur bij de man verblijven en de rest van de week bij de vrouw;

  • een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen conform randnummer 36 van het verweerschrift;

  • de man met ingang van de datum van de indiening van dit verweerschrift voorlopig dient te voldoen:

  • periode I tot 21 juli 2026: een bedrag van € 172,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand aan de vrouw te voldoen;

  • periode II vanaf 21 juli 2026: een bedrag van € 340,- per maand: € 86,- ten behoeve van [minderjarige 2] en € 254,- ten behoeve van [minderjarige 1] , dan wel aan [minderjarige 1] als bijdrage in zijn levensonderhoud en studiekosten, steeds bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand te voldoen,

dan wel een zodanige ingangsdatum en bedrag als in goede justitie te bepalen door de rechtbank;

  • te bepalen dat de vrouw voorlopig het uitsluitend gebruik heeft van de echtelijke woning met de daarbij behorende inboedel, waarbij de man op de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen – zijnde op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur – gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven;

  • met afwijzing van al het andere of meer door de man verzochte.

Beoordeling

Ontvankelijkheid voorlopige voorzieningen

De vrouw stelt primair dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoeken. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de man tot vaststelling van voorlopige voorzieningen is gegrond op artikel 822 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan het primaire verzoek van de vrouw en de verzoeken van de man inhoudelijk zal beoordelen.

Uitsluitend gebruik echtelijke woning, toevertrouwing en voorlopige zorgregeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De vrouw woont momenteel met de kinderen in de echtelijke woning en de man verblijft op een camping. In onderling overleg met Veilig Verder Team hebben partijen afgesproken dat de man op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur voor de kinderen zorgt en in de woning verblijft, waarbij het voor de vrouw ook is toegestaan om in de woning te zijn.

Partijen zijn het er over eens dat zij niet meer samen in de echtelijke woning kunnen verblijven, omdat dit niet in het belang van de kinderen is. Beiden stellen het belang van de kinderen voorop en zijn het erover eens dat rust en stabiliteit voor hen noodzakelijk zijn. Aan de rechtbank ligt de vraag voor welke regeling hier het meest aan bijdraagt.

De rechtbank is van oordeel dat de door de man verzochte birdnest-regeling geen passende oplossing is. Hierbij weegt voor de rechtbank zwaar mee dat de man een onveilige en onbetrouwbare situatie in huis heeft gecreëerd door gedurende langere tijd zonder medeweten van de vrouw en de kinderen geluidsopnames te maken in de woning. Deze opnames zijn niet alleen van gesprekken waarbij de man zelf aanwezig was, maar ook van gesprekken tussen de vrouw en de kinderen onderling. Vervolgens heeft de man een privédetectivebureau ingeschakeld om zijn bevindingen (onder meer de door hem gemaakte geluidsbestanden) te laten onderzoeken en hierover te rapporteren. Dit rapport bevat ernstige verwijten naar de vrouw. Hoewel de man aanvoert dat hij zo heeft gehandeld ter bescherming van de kinderen, acht de rechtbank dit zeer kwalijk. Door zijn handelswijze heeft de man het vertrouwen van de vrouw ernstig geschaad, terwijl dit juist een belangrijke voorwaarde is voor birdnesting. Daarbij kan de rechtbank niet uitsluiten dat nogmaals een onveilige thuissituatie ontstaat als er een birdnest-regeling zou gelden. De rechtbank zal het verzoek van de man om een birdnest-regeling vast te stellen dan ook afwijzen.

Dit betekent dat het uitsluitend gebruik van de woning aan één van beide partijen moet worden toegekend. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken wie er het meeste belang heeft bij verblijf in de woning. De rechtbank komt na een belangenafweging tot het oordeel dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan de vrouw zal worden toegekend. Voor de rechtbank speelt de handelswijze van de man daarbij een doorslaggevende rol. Daarnaast heeft de man de mogelijkheid om voor een langere periode op zijn huidige plek op de camping te verblijven, terwijl de vrouw heeft aangegeven geen alternatieve woonmogelijkheden voorhanden te hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man.

Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de huidige regeling te wijzigen. De regeling is recent door partijen in onderling overleg afgesproken, is aangepast op het werk van partijen en [minderjarige 2] heeft aangegeven deze regeling goed te vinden verlopen. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man op de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen – zijnde op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur – gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven. Ondanks dat de rechtbank de zorgen van de vrouw om haar veiligheid deelt als de man ook in de woning verblijft, is zij het met de vrouw eens dat het in het belang van de kinderen is dat zij in hun eigen woning kunnen verblijven gedurende de zorgmomenten van de man. Dit geeft de kinderen meer rust en stabiliteit. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en vaststellen dat de man op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur met de kinderen zal zijn en op die dagen gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven.

Voor wat betreft de vakanties, zijn partijen het eens over de door de man verzochte regeling voor de zomervakantie. De rechtbank zal deze vaststellen. Voor de overige vakanties zal de rechtbank bepalen dat partijen deze zelf in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. Deze procedure heeft het karakter van een ordemaatregel en leent zich er niet voor om een uitgebreide vakantieregeling vast te stellen. Als het de man niet lukt om een verblijf te regelen voor hem en de kinderen gedurende de vakanties, dan zal de reguliere regeling in de vakanties doorlopen.

Het verzoek om te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de woning ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.

Omdat de rechtbank het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zal toekennen, zal zij het verzoek van de vrouw om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan haar toe te vertrouwen toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man.

Voorlopige onderhoudsbijdrage jong-meerderjarige

De vrouw verzoekt om een maandelijkse voorlopige bijdrage van € 254,- van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [minderjarige 1] , vanaf het moment dat hij meerderjarig is.

De rechtbank overweegt dat de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen die hangende de echtscheidingsprocedure tussen de echtgenoten getroffen kunnen worden op grond van artikel 822, eerste lid, onderdeel d Rv geen ruimte biedt om een voorlopige kinderalimentatie voor een jong-meerderjarige vast te stellen. Uit de prejudiciële beslissing van 9 mei 2025 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:724) volgt dat het verzoek is aan te merken als een verzoek op de voet van artikel 223 Rv. De rechter kan dit verzoek gelijktijdig behandelen met de verzoeken van partijen om voorlopige voorzieningen, maar dat kan alleen als ook een bodemprocedure door of namens [minderjarige 1] is gestart. De rechtbank constateert dat dit niet het geval is. Daarom zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Omdat [minderjarige 1] ten tijde van de procedure nog geen achttien jaar is, is de vrouw wel ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] . De rechtbank zal hierna inhoudelijk beoordelen of de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen.

Voorlopige kinderalimentatie

Bij de beoordeling van de verzoeken tot kinderalimentatie stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Als de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

De rechtbank neemt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Alimentatiegerechtigde / alimentatieplichtige

Beide partijen hebben verzocht om vaststelling van een door de andere partij te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Nu de rechtbank de kinderen aan de vrouw zal toevertrouwen en zij bij haar staan ingeschreven, wordt de vrouw geacht de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. Zij moet daarom als onderhoudsgerechtigde worden aangemerkt en de man als onderhoudsplichtige. Aan de hand van deze uitgangspunten zal de rechtbank haar berekening maken.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.

Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van € 80.771,-, zoals dat volgt uit de jaaropgave 2025.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op het moment van het huwelijk op € 4.484,- per maand.

Voor het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen uit loondienst van

€ 33.688,- bruto per jaar en van de fiscale winst uit onderneming van € 7.068,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de IB aangifte van 2025.

Tussen partijen in geschil is of er rekening gehouden moet worden met de zelfstandigenaftrek. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden, aangezien uit de IB aangifte niet volgt dat de man hier in 2025 recht op heeft gehad. Wel houdt de rechtbank rekening met de MKB-winstvrijstelling. Gelet hierop bedraagt de belastbare winst uit onderneming van € 6.170,-, wat overeenkomt met de IB aangifte 2025.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op het moment van het huwelijk op € 2.835,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 7.319,- per maand (€4.484,- + € 2.835,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 64,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.675,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.752,- per maand in totaal en € 876,- per maand per kind.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Partijen gaan voor de draagkracht van de vrouw beiden uit van een inkomen van € 84.299,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de meest recente salarisspecificaties van de vrouw. De rechtbank zal partijen hierin volgen.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De vrouw is van mening dat de kosten die zij heeft voor haar meerderjarige kind [naam]

(€ 520,- per maand) in mindering moeten worden gebracht op haar draagkracht. Hiertoe voert zij aan dat [naam] studeert en dat zij met de vader van [naam] de afspraak heeft gemaakt dat zij allebei een maandelijkse bijdrage zullen leveren aan de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] .

De man voert verweer en stelt op zijn beurt dat de bijdrage aan [naam] uit de vrije draagkrachtruimte van de vrouw moet worden voldaan. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan dat [naam] inmiddels ouder is dan 21 jaar, zodat de vrouw niet meer onderhoudsplichtig is jegens hem. De bijdrage moet daarom als een vrijwillige keuze worden beschouwd.

De rechtbank overweegt als volgt. Conform het rapport moet voor de berekening van de draagkracht rekening worden gehouden met de bijdrage die een ouder betaalt voor zijn of haar andere kinderen uit een eerder huwelijk. Ondanks dat [naam] ouder is dan 21 jaar – en de vrouw dus niet meer wettelijk onderhoudsplichtig is jegens hem – is het naar het oordeel van de rechtbank niet ongebruikelijk dat een ouder ook na de leeftijd van 21 jaar een onderhoudsbijdrage blijft betalen aan een studerend kind. Door de man is niet betwist dat de vrouw een afspraak met de vader van [naam] heeft dat zij maandelijks € 520,- aan [naam] betaalt. Ook is niet betwist dat [naam] nog studeert. Niet duidelijk is hoe lang [naam] nog studeert en hoe lang de vrouw deze bijdrage nog moet betalen. Omdat het in deze voorlopige voorzieningen om een ordemaatregel gaat, zal de rechtbank voor de draagkracht van de vrouw rekening houden met de onderhoudsbijdrage van € 520,- per maand. De rechtbank merkt hierbij op dat dit oordeel in de bodemprocedure mogelijk anders kan uitvallen.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 5.160,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [5.160 – (1.548 + 1.365)] = € 1.573,- per maand. Hierop wordt het bedrag van € 520,-, zijnde de bijdrage voor [naam] , in mindering gebracht. Op basis van het voorgaande bedraagt de draagkracht van de vrouw dan € 1.053,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank – evenals partijen zelf – uit van een inkomen uit loondienst van € 2.681,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een eindejaarsuitkering van € 222,- per maand.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de pensioenpremie van € 205,- per maand;

  • de premie Arb. Ongesch. Pens. van € 6,- per maand.

Daarnaast gaat de rechtbank uit van dezelfde winst uit onderneming als bij zijn behoefteberekening, zijnde € 7.068,- bruto per jaar. Hierop wordt de MKB-winstvrijstelling in mindering gebracht.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2016 op € 2.912,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.912 – (874 + 1.365,-)] = € 471,- per maand.

Draagkrachttekort

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.542,- per maand

(€ 1.053,- + € 471,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 210,- per maand.

De man heeft ter zitting gesteld dat de werkelijke loonlasten van de vrouw duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget en dat met deze lagere lasten rekening moet worden gehouden. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.

De rechtbank ziet in het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure geen aanleiding om rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de vrouw. De man heeft hier voorafgaand aan de zitting (in zijn verzoekschrift en berekeningen) geen beroep op gedaan. De vrouw heeft geen mogelijkheid gehad hiertegen verweer te voeren en daarnaast heeft de rechtbank geen inzicht gekregen in de exacte hoogte van de woonlasten.

Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. In beginsel geldt voor een zorgregeling waarbij een ouder drie dagen per week en gedurende de helft van de vakanties voor de kinderen zorgt, een zorgkortingspercentage van 35%. Echter, de man verblijft met de kinderen in de woning van de vrouw, waardoor zijn woon- en verblijfskosten voor de kinderen aanzienlijk lager zijn. De rechtbank acht het daarom redelijk om in dit geval een zorgkortingspercentage van 25% te hanteren. De zorgkorting bedraagt dan € 438,- (25% van € 1.752,-).

Aandeel man

Omdat sprake is van een tekort van € 210,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 333,- per maand

(€ 438,- -/- € € 105,-).

Het aandeel van de man in kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 138,- per maand

(€ 471,- -/- € 333,-).

Ingangsdatum

De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking – 22 juni 2026 – als ingangsdatum te hanteren.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 138,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige kinderalimentatie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] [woonplaats] , waarbij de man op de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen – zijnde op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur – gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 1] ,

aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

*

stelt vast dat de man de zorg voor de kinderen draagt: iedere maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur;

*

bepaalt dat de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:

  • zomervakantie: maandag 29 juni tot en met woensdag 15 juli bij de vrouw, donderdag 16 juli tot en met zondag 26 juli bij de man, maandag 27 juli tot en met zondag 9 augustus bij de vrouw, maandag 10 augustus tot en met 30 augustus bij de man.

  • overige vakanties en feestdagen: in onderling overleg bij helfte,

waarbij geldt dat als de man geen verblijfplaats voor hem en de kinderen heeft gedurende de vakanties, de reguliere zorgregeling zal doorlopen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 138,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong - Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026.

Partij

Man

Zaak

Man / Vrouw (C/09/702998)

Berekening

Behoefte

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

18-06-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

33.688

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

33.688

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

33.688

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

7.068

70

Winst uit onderneming

7.068

Ondernemersaftrek

MKB Winstvrijstelling

-

898

75

Belastbare winst uit onderneming

6.170

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

39.858

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

531

95

Inkomensheffing box 1

14.300

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

40.756

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.300

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

7.890

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

6.410

Inkomen na aftrek inkomensheffing

34.346

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.343

jaar

Arbeidskorting

5.547

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

6.170

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

6.170

Maximum bijdrage loon

75.864

Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen

-

33.688

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

42.176

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

6.170

Percentage Zvw

%

5,26

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

325

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

325

Totale inkomsten

34.021

120

Besteedbaar inkomen

34.021

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

34.021

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.835

Partij

Vrouw

Zaak

Man / Vrouw (C/09/702998)

Berekening

Behoefte

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

18-06-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

80.771

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

80.771

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

80.771

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

80.771

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

14.383

- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer

1.957

95

Inkomensheffing box 1

30.109

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

80.771

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

30.109

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

3.145

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

26.964

Inkomen na aftrek inkomensheffing

53.807

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

0

jaar

Arbeidskorting

3.145

jaar

Totale inkomsten

53.807

120

Besteedbaar inkomen

53.807

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

53.807

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

4.484

NBGI voor scheiding

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

NBI voor scheiding Man

2.835

NBI voor scheiding Vrouw

4.484

Bij: Kindgebonden budget voor scheiding

64

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

7.383

Eigen aandeel kosten kinderen

Eigen aandeel kosten kinderen

Ouders hebben in gezinsverband geleefd

ja

NBGI voor scheiding

7.383

Tabel aantal kinderen

2

Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel

1.675

#

Indexeren

ja

Startjaar

2025

Eindjaar

2026

Eigen aandeel ouders geïndexeerd

1.752

Partij

Man

Zaak

Man / Vrouw (702998)

Berekening

Draagkracht 2026

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

18-06-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

32.172

44

Vakantietoeslag

2.574

48

Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering

2.664

Bruto inkomsten

37.410

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

-

2.460

53

Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat

-

72

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

34.878

59

Inkomsten

34.878

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

34.878

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

7.068

70

Winst uit onderneming

7.068

Ondernemersaftrek

MKB Winstvrijstelling

-

898

75

Belastbare winst uit onderneming

6.170

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

41.048

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

813

95

Inkomensheffing box 1

14.713

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

41.946

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.713

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

8.006

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

6.707

Inkomen na aftrek inkomensheffing

35.239

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.392

jaar

Arbeidskorting

5.614

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

6.170

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

6.170

Maximum bijdrage loon

79.412

Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen

-

37.410

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

42.002

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

6.170

Percentage Zvw

%

4,85

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

299

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

299

120

Besteedbaar inkomen

34.940

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

34.940

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.912

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

2.912

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

874

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.239

136a

Draagkrachtruimte

673

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

471

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

471

Partij

Vrouw

Zaak

Man / Vrouw (702998)

Berekening

Draagkracht 2026

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

18-06-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

84.299

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

84.299

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

84.299

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

84.299

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

14.852

- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer

2.907

95

Inkomensheffing box 1

31.659

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

84.299

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

31.659

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

3.166

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

28.493

Inkomen na aftrek inkomensheffing

55.806

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

0

jaar

Arbeidskorting

3.166

jaar

Bij: Kindgebonden budget

6.117

120

Besteedbaar inkomen

61.923

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

61.923

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

5.160

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

5.160

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

1.548

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.913

136a

Draagkrachtruimte

2.247

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

1.573

138a

Af: Bijdrage aan andere kinderen

-

520

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

1.053



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733