Rechtbank Rotterdam 09-07-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10001

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin het gezag van vader en moeder over een vierjarige wordt geschorst wegens de noodzaak van een medische behandeling als bedoeld in art. 1:268 lid 1 onder b BW. Opname is nodig om TPV af te bouwen en enterale voeding via sonde op te bouwen; ouders stemmen niet onvoorwaardelijk in. Voorlopige voogdij wordt bij de GI belegd. Ambtshalve wordt een bijzondere curator benoemd met rapportage-opdracht. Verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de broer wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Schorsing gezag ouders: medische behandeling kind - ziekenhuisopname - noodzakelijk
Rb schorst gezag ouders over een vierjarig kind, omdat sprake is van (de weigering van) een noodzakelijke medische behandeling ex art. 1:268 BW: Totale Parenterale Voeding moet afgebouwd; enterale voeding opgebouwd. BC benoemd.

Datum publicatie12-08-2026
ZaaknummerC/10/722770 / JE RK 26-1337 en C/10/722774 / FA RK 26-5483
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Gezagsbeëindigende maatregel 1:266 BW/schorsing gezag;
Kinderen; Bijz. curator bij belangenstrijd (art. 1:250 BW)
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Schorsing van het gezag over een vierjarige jongen in verband met de noodzaak van een medische behandeling als bedoeld in artikel 1:268, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Het gaat om een opname van het kind met als doel de Totale Parenterale Voeding (TPV) af te bouwen en te vervangen door enterale voeding via een sonde. Ouders stemmen niet onvoorwaardelijk in met deze opname. Voorlopige voogdij wordt belegd bij de GI en daarnaast wordt ambtshalve een bijzondere curator benoemd. Het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling van de broer van de vierjarige jongen wordt afgewezen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummers: C/10/722770 / JE RK 26-1337 en C/10/722774 / FA RK 26-5483

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over de schorsing van het gezag, voorlopige voogdij en ambtshalve benoeming van een bijzondere curator

in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd in [plaats 1] ,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1]

en

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] en [de vader],

de moeder en de vader, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. I.P. Biemond, kantoorhoudende in Krimpen aan den IJssel.

De rechtbank merkt als informanten aan:

[arts 1] ,

kinderarts sociale pediatrie bij het Amsterdam UMC,

hierna te noemen: [arts 1] ;

[arts 2] ,

kinderarts maag-darm-lever bij het Amsterdam UMC en behandelend arts van [minderjarige 1]

hierna te noemen: [arts 2] ;

de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd in Amsterdam.


1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad over [minderjarige 1] van 7 juli 2026, ontvangen op 8 juli 2026 en ingeschreven onder zaaknummer C/10/722774 / FA RK 26-5483;

  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad over [minderjarige 2] van 7 juli 2026, ontvangen

op 8 juli 2026 en ingeschreven onder zaaknummer C/10/722770 / JE RK 26-1337;

- het verweerschrift met producties van mr. I.P. Biemond van 8 juli 2026, in beide zaken ingediend, ontvangen op 9 juli 2026.

1.2.

Op 7 juli 2026 heeft de Raad mondeling de hierna onder 3. te noemen verzoeken

gedaan bij de kinderrechter die op dat moment piket had (hierna te noemen: de piketrechter). De Raad verzocht om op al deze verzoeken te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De piketrechter heeft de beslissing op de verzoeken aangehouden en heeft bepaald dat deze

- na schriftelijke indiening - met spoed zouden worden behandeld op de zitting van 9 juli 2026.

1.3.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de ouders met hun advocaat;

  • een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;

  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] ;

  • tijdens de zitting zijn de informanten [arts 1] en [arts 2] telefonisch gehoord.

1.4.

De rechtbank heeft bijzondere toegang om de zitting bij te wonen verleend aan de oma moederszijde van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : [oma moederszijde] .

2De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.

3De verzoeken

Over [minderjarige 1]

3.1.

De Raad verzoekt de ouders geheel te schorsen in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] , de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Over [minderjarige 2]

3.2.

De Raad verzoekt [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, met benoeming van de GI tot uitvoerder daarvan.

4Achtergrond van de verzoeken

4.1.

[minderjarige 1] kampt al sinds zijn geboorte met forse gezondheidsproblemen. Meer specifiek is sprake van gastro-intestinale (maag-darm) problemen, wat heeft geresulteerd in de diagnose ‘pediatrische intestinale pseudo-obstructie’ (PIPO). Dit is een zeldzame ernstige bewegingsstoornis/motiliteitsstoornis van de darm bij een kind.

4.2.

[minderjarige 1] werd tot eind 2021 behandeld in het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht, van 2022 tot en met 2024 in het Erasmus MC Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam (hierna: het Sophia Kinderziekenhuis) en vanaf januari 2025 in het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC in Amsterdam (hierna: het Emma Kinderziekenhuis). Het Sophia Kinderziekenhuis en het Emma Kinderziekenhuis zijn twee van de drie Nederlandse academische expertisecentra op het gebied van hoogspecialistische zorg voor kinderen met chronisch darmfalen. In het Emma Kinderziekenhuis staat [minderjarige 1] onder behandeling van

[arts 2] .

4.3.

[minderjarige 1] krijgt sinds oktober 2023 Totale Parenterale Voeding (TPV). Dit houdt in dat hij voedingstoffen krijgt toegediend via de bloedbaan: letterlijk betekent het ook ‘voeding buiten het maag-darmkanaal om’. TPV wordt toegediend als sondevoeding (enterale voeding) via het maag-darmkanaal niet mogelijk is, dan wel niet wordt verdragen. Voor het toedienen van de TPV heeft [minderjarige 1] permanent een centraal veneuze katheter (hierna: centrale lijn). Dit is een slangetje dat door de huid in een groot bloedvat is ingebracht en wordt opgevoerd tot dicht bij het hart. TPV is medisch invasief en zorgt voor een onnatuurlijke situatie doordat voedingsstoffen niet door maag, darmen en lever worden verwerkt. TPV kent zeker bij langdurige toediening verschillende gezondheidsrisico’s, zoals levensbedreigende infecties aan de centrale lijn, leverfalen, botontkalking en electrolytstoornissen.

4.4.

Op 1 april 2026 heeft het Emma Kinderziekenhuis een melding bij Veilig Thuis gedaan, waarbij zij haar zorgen heeft geuit over de medische en ontwikkelingssituatie van [minderjarige 1] . Er wordt een vermoeden uitgesproken van kindermishandeling door falsificatie (ook wel het syndroom van Münchhausen by proxy genoemd). In de kern is de zorg erin gelegen dat het medisch behandelteam van het Emma Kinderziekenhuis het opbouwen van de sondevoeding - en daarmee het afbouwen van de TPV - van [minderjarige 1] (al langere tijd) verantwoord en geïndiceerd acht, terwijl de ouders hiertegen bezwaar (blijven) maken. De ouders rapporteren daarbij ernstige medische klachten en beperkingen die door het medisch behandelteam niet worden geobjectiveerd.

4.5.

Het voorgaande heeft er uiteindelijk toe geleid dat de Raad heeft verzocht om het gezag van de ouders over [minderjarige 1] te schorsen en de voorlopige voogdij bij de GI te beleggen. Doel van deze verzoeken is dat een opname van [minderjarige 1] in het Emma Kinderziekenhuis zal plaatsvinden, waarbij sondevoeding via het maag-darmkanaal (enterale voeding) stapsgewijs zal worden opgebouwd en de TPV zal worden afgebouwd, één en ander al naar gelang wat [minderjarige 1] fysiek aankan. De ouders mogen gedurende de opname alleen beperkt en onder begeleiding contact hebben met [minderjarige 1] , zodat objectief kan worden vastgesteld hoe [minderjarige 1] reageert op het opbouwen van de sondevoeding en daarmee welke medische (on)mogelijkheden er zijn om de TPV af te bouwen.

4.6.

De Raad heeft daarnaast verzocht om de oudere broer van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , voorlopig onder toezicht te stellen.

5De standpunten


De Raad

5.1.

De Raad heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad maakt zich ernstig zorgen over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] krijgt al langere tijd TPV. Hierdoor bestaat een risico op levensbedreigende complicaties. Het medisch behandelteam van het Emma Kinderziekenhuis geeft al langere tijd aan dat de TPV van [minderjarige 1] kan worden afgebouwd door de sondevoeding op te bouwen. Dit is na veel gesprekken met de ouders ook geprobeerd tijdens een opname van [minderjarige 1] in het Emma Kinderziekenhuis in maart 2026, maar tegen medisch advies in hebben de ouders die opname voortijdig beëindigd en [minderjarige 1] mee naar huis genomen. Volgens de moeder krijgt [minderjarige 1] door de sondevoeding last van misselijkheid en bolle buiken. Dit wordt door het ziekenhuis niet herkend. Ook zijn er discrepanties tussen de waarnemingen van het ziekenhuis enerzijds en de ouders anderzijds als het gaat om beperkingen in de mobiliteit van [minderjarige 1] en signalen van vermoeidheid. Kort gezegd zien de ouders meer klachten en beperkingen dan het medisch behandelteam. Bij de ouders is daarnaast sprake van wantrouwen richting de zorgverleners. Dit was ook het geval toen [minderjarige 1] onder behandeling was van het Sophia Kinderziekenhuis. Zodoende lijkt er sprake te zijn van een patroon. Nadat het Emma Kinderziekenhuis een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis is voorgesteld om [minderjarige 1] opnieuw op te nemen in het ziekenhuis, zodat de sondevoeding kan worden opgebouwd, de TPV kan worden afgebouwd en daarnaast een objectief beeld kan worden verkregen van de (on)mogelijkheden van [minderjarige 1] en de invloed die de ouders op zijn functioneren en zijn medische conditie hebben. De ouders geven daarvoor geen toestemming. Een schorsing van het gezag en voorlopige voogdijmaatregel zijn noodzakelijk om het patroon te doorbreken. Een team van medisch specialisten staat klaar, de opname kan vandaag nog starten.

5.2.

[minderjarige 2] groeit op in dezelfde opvoedomgeving als [minderjarige 1] . Er dient gelet op het voorgaande direct zicht te komen op de opvoedsituatie en ontwikkeling van [minderjarige 2] , zeker nu de ouders mogelijk geconfronteerd gaan worden met een gedwongen opname van [minderjarige 1] .

De ouders

5.3.

Door en namens de ouders is afwijzing van de verzoeken verzocht, waartoe het volgende is aangevoerd. Het is volstrekt onbegrijpelijk dat deze verzoeken zijn gedaan. Er is geenszins voldaan aan het wettelijk criterium voor het schorsen van het gezag van de ouders. De ouders leven sinds een paar dagen in een nachtmerrie. De ouders, met name de moeder, hebben de afgelopen vier jaar hun leven gewijd aan de zorg voor [minderjarige 1] . De moeder heeft daarvoor zelfs haar baan opgezegd. Bij de verzorging van [minderjarige 1] krijgen zij hulp van oma moederszijde en verschillende thuisverpleegkundigen. Zij vinden het ronduit stuitend dat de bevindingen van de oma moederszijde en de thuisverpleegkundigen, die dagelijks met de zorg voor [minderjarige 1] belast zijn, terzijde worden geschoven. Zij beschrijven juist dat de moeder zeer zorgzaam is en het beste met [minderjarige 1] voor heeft.

5.4.

[minderjarige 1] krijgt al bijna drie jaar TPV. Voor de ouders is niet duidelijk waarom de TPV nu ineens moet worden afgebouwd. Uiteraard willen de ouders ook het liefst dat [minderjarige 1] geen TPV meer heeft, dat is hun grootste droom. De afbouw moet echter langzamer dan het ziekenhuis wil omdat dit beter is voor [minderjarige 1] en de kans op slagen verhoogt. Het ophogen van de sondevoeding, die de TPV vervangt, zorgt voor pijn en braken bij [minderjarige 1] . De ouders hebben daarin een andere kijk op hoe de opname van [minderjarige 1] in maart 2026 is verlopen. Nadat de sondevoeding voor de tweede keer was opgehoogd ging het helemaal niet goed met [minderjarige 1] . De voeding kwam hoorbaar weer omhoog, [minderjarige 1] gilde en hing voorover. De ouders hebben daarop bij het ziekenhuis aangegeven dat het tempo van het ophogen van de sondevoeding te hoog lag, maar de artsen luisterden niet en wilden zelfs dat de sondevoeding nog verder werd opgehoogd. Op papier zou het ophogen misschien heel langzaam gaan, maar in de praktijk werd gepusht om dit sneller te laten verlopen. Dat het ziekenhuis de klachten die moeder rapporteert nooit heeft gezien is te verklaren doordat het vaak lang duurde voordat er iemand kwam nadat op het belletje was gedrukt. Als er dan een verpleegkundige kwam ging het alweer beter met [minderjarige 1] . Na die tweede ophoging hebben de ouders besloten [minderjarige 1] mee naar huis te nemen. Dat was niet tegen medisch advies in, de ouders hoefden niets te tekenen. Het ging ook in goed overleg met het ziekenhuis, zij hebben zelfs nog een pomp voor thuis meegegeven. Sinds eind maart / begin april van dit jaar wordt de sondevoeding vanuit de thuissituatie (weer) opgebouwd en de TPV afgebouwd. Elke vrijdag stuurt de moeder het ziekenhuis een update over de ophoging van de sondevoeding. Het ziekenhuis reageert daarop met “Ga zo door”. Het is niet waar dat de moeder vorige week tegen [arts 2] heeft gezegd dat het opbouwen van de sondevoeding niet goed ging omdat [minderjarige 1] weer last had van een bolle buik en braken.

5.5.

Toen [minderjarige 1] nog onder behandeling was van het Sophia Kinderziekenhuis waren er ook weleens visieverschillen tussen de ouders en de artsen, maar dat werd altijd opgelost. De reden dat de ouders zijn overgestapt naar het Emma Kinderziekenhuis is dat het Sophia Kinderziekenhuis niet verder kwam. Zij zeiden dat [minderjarige 1] met zijn aandoening zou moeten leren leven, maar de ouders wilden daar nog niet in berusten.

5.6.

Over [minderjarige 2] hebben de ouders geen zorgen. Hij doet het goed op school, gaat wekelijks naar de scouting en heeft veel vriendjes. Een voorlopige ondertoezichtstelling is dan ook niet nodig.


6De informatie van de informanten

6.1.

Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad aan de rechtbank bericht dat

[arts 1] , kinderarts sociale pediatrie bij het Emma Kinderziekenhuis, tijdens de zitting telefonisch als informant zou kunnen worden benaderd omdat zij in staat is om op medische vragen antwoord te geven. De rechtbank heeft [arts 1] tijdens de zitting ook telefonisch als informant gehoord. Aangezien bleek dat er vragen waren over het behandeltraject van [minderjarige 1] waarop [arts 1] geen antwoord kon geven, is ervoor gekozen om ook [arts 2] , kinderarts maag-darm-lever bij het Emma Kinderziekenhuis en behandelaar van [minderjarige 1] , telefonisch te horen als informant. Tijdens het horen van de informanten zijn de Raad, de GI, de ouders en de advocaat in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan de informanten.

[arts 1]

6.2.

heeft ter zitting het volgende toegelicht. Er zijn aanwijzingen dat de behandeling van [minderjarige 1] minder intensief kan dan dat deze nu plaatsvindt. Het is belangrijk om te proberen de sondevoeding op te bouwen en de TPV af te bouwen, vanwege de gezondheidsrisico’s van een TPV en centrale lijn en de consequenties daarvan voor het functioneren van [minderjarige 1] , ook op sociaal gebied. Tijdens de opname in maart 2026 is dit geprobeerd, maar niet gelukt, omdat er verschil van inzicht is tussen de artsen en de ouders. Volgens het medisch behandelteam kan de sondevoeding sneller worden opgebouwd - en daarmee de TPV sneller worden afgebouwd - dan wat de ouders daarin haalbaar vinden. De houding van de ouders heeft mogelijk een negatieve invloed op de medische conditie van [minderjarige 1] . De ouders signaleren klachten die door het behandelteam niet worden gezien. Dat geldt ook voor de beperkingen die [minderjarige 1] volgens ouders heeft en waarvoor hulpmiddelen zoals een rolstoel worden ingezet. Het ziekenhuis ziet geen aanwijzingen dat [minderjarige 1] een rolstoel nodig zou hebben. Het is belangrijk om [minderjarige 1] tijdens de opname goed te kunnen observeren buiten de aanwezigheid van zijn ouders, zodat de medische klachten, de beperkingen in mobiliteit en mogelijke vermoeidheidsklachten van [minderjarige 1] geobjectiveerd kunnen worden. De opname is uitgebreid voorbereid en er zal uiteraard continu aandacht zijn voor de ongebruikelijke situatie dat een kind tijdens een ziekenhuisopname slechts beperkt contact heeft met de ouders. Bij de voorbereiding en uitvoering van de opname is een medisch behandelteam betrokken, onder meer bestaande uit een kinderarts sociale pediatrie, een kinderarts maag-darm-lever, een kinderfysiotherapeut, verpleegkundigen en een medisch pedagogisch medewerker. [minderjarige 1] zou vandaag nog kunnen worden opgenomen, het multidisciplinair medisch team staat daarvoor klaar. Tijdens de opname zal telkens worden geëvalueerd hoe het op medisch en sociaal vlak gaat met [minderjarige 1] en wat een goede vervolgstap is. Het is dus niet zo dat nu al vastligt hoe de opname precies zal verlopen.

[arts 2]

6.3.

heeft ter zitting het volgende toegelicht. [minderjarige 1] krijgt al jaren TPV terwijl er aanwijzingen zijn dat dit niet meer nodig is. Het toedienen van TPV vormt naarmate dit voortduurt een steeds ernstiger bedreiging voor de gezondheid. Elke dag dat een kind TPV krijgt vergroot het risico op een infectie van de centrale lijn en het geeft in toenemende mate andere ernstige gezondheidsrisico’s waaraan het kind zelfs kan komen te overlijden. Daarom moet steeds geëvalueerd worden - en artsen zijn daartoe ook verplicht - of TPV nog noodzakelijk is of dat er minder ingrijpende alternatieven zijn. Er is veelvuldig en uitgebreid met de ouders gesproken over het ophogen van de sondevoeding en het afbouwen van de TPV. Door het behandelteam wordt altijd goed gekeken hoe het met het kind gaat en wat haalbaar is. Het traject naar afbouw van de TPV is veel vaker dan gebruikelijk geëvalueerd en aangepast op verzoek van ouders. Het medisch behandelteam wilde de TPV afbouwen en de sondevoeding opbouwen, maar stuitte op veel weerstand bij de ouders. Er is telkens meebewogen met de ouders, waardoor het traject veel langzamer verliep dan normaal. Dat [minderjarige 1] tijdens de opname in maart 2026 na een ophoging van de sondevoeding zou hebben gegild en dit niet zou hebben verdragen herkent [arts 2] niet. Het is goed mogelijk dat een kind een korte reactie heeft op het ophogen van sondevoeding, dat is normaal als de maag zo lang niet is gestimuleerd. Ook dan kan, na een pas op de plaats, worden doorgegaan met het ophogen van de sondevoeding, want ondervoeding als gevolg van TPV is ook schadelijk. Dat is ook meermalen aan de ouders uitgelegd. Als een kind het ophogen van sondevoeding echt niet verdraagt dan braakt het urenlang. Dat is bij [minderjarige 1] niet gezien. [arts 2] herkent niet dat door het medisch behandelteam zou zijn aangedrongen op het sneller opbouwen van de sondevoeding dan hoe het op papier stond. Zij hebben nog nooit zo langzaam opgebouwd als in dit geval en hebben continu meebewogen met de ouders. De opname is door de ouders tegen medisch advies in beëindigd. Aan de ouders werden een plan en een enterale voedingspomp meegegeven voor thuis met het verzoek om wekelijks een update te mailen. Dit was niet omdat het ziekenhuis het ermee eens was dat [minderjarige 1] naar huis ging, maar omdat er anders helemaal niets zou zijn. Vervolgens heeft het medisch behandelteam lange tijd niets van de ouders gehoord. Eind april of begin mei van dit jaar mailde de moeder dat het goed ging met [minderjarige 1] . Sinds die tijd geeft de moeder aan dat de inloop van de TPV naar 12 uur per dag is gegaan, zoals ook door het medisch behandelteam was geadviseerd. Ook bericht de moeder sinds de interventie van Veilig Thuis afgelopen mei dat de maaghevel in principe dicht is. Vorige week liet de moeder echter weten dat [minderjarige 1] toch weer last had van bolle buiken, veel braken en geen voeding verdragen en dat ophogen van de sondevoeding er niet in zit. Hoe het feitelijk gaat thuis weet [arts 2] niet, want zij is daar niet bij.

6.4.

Desgevraagd zegt [arts 2] dat het niet klopt dat de kans van slagen van het traject groter is als het opbouwen van de sondevoeding langzaam gebeurt. Het ongebruikelijk langzaam opbouwen van de sondevoeding heeft het ziekenhuis gedaan om de ouders mee te krijgen, maar zelfs dan lukt dit niet. [minderjarige 1] heeft al galstenen en een galblaasverwijdering gehad, wat als complicatie van de TPV kan worden beschouwd. De ouders gaan simpelweg niet akkoord met het traject waarvan het doel is dat de TPV wordt afgebouwd. Er zijn de afgelopen jaren meerdere gespecialiseerde ziekenhuizen betrokken geweest en de impasse moet worden doorbroken. Het Emma Kinderziekenhuis heeft in ruim een jaar tijd, ondanks alle gesprekken, niets kunnen bereiken. Het is een grote stap om als medisch specialist een melding bij Veilig Thuis te doen, maar dat is gedaan omdat het voltallige medisch team denkt dat [minderjarige 1] onnodig wordt blootgesteld aan ernstige gezondheidsrisico’s en hem een fijne ontwikkeling wordt ontnomen.

De GI

6.5.

De GI staat achter de verzoeken van de Raad. De GI ziet met de artsen van het Emma Kinderziekenhuis de medische noodzaak voor het afbouwen van de TPV bij [minderjarige 1] , vanwege het voortdurende risico op complicaties. Het afbouwen van de TPV in samenwerking met of door de ouders lukt onvoldoende. Voor [minderjarige 2] is een voorlopige ondertoezichtstelling nodig omdat er zicht moet worden gekregen op zijn opvoedings- en ontwikkelingssituatie.

7De beoordeling

In de zaak over [minderjarige 1]

7.1

Op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan de rechtbank een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en een ouder die het gezag uitoefent toestemming daarvoor weigert. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel belast de rechtbank een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, met de voorlopige voogdij over de minderjarige, indien de schorsing beide ouders betreft.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat een ziekenhuisopname van [minderjarige 1] , met als doel om de sondevoeding op te bouwen en de TPV af te bouwen, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor zijn gezondheid af te wenden. Zij overweegt hiertoe als volgt.

7.3.

De vierjarige [minderjarige 1] krijgt sinds oktober 2023 TPV. Dat is een medisch invasieve manier van het toedienen van voedingsstoffen die - zeker naar mate deze langer voortduurt - forse gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Het gaat dan om levensbedreigende infecties aan de centrale lijn die nodig is om de TPV toe te dienen en schade aan organen en botten, die ook potentieel levensbedreigend of invaliderend zijn, zoals leverfalen, botontkalking en electrolytstoornissen. [minderjarige 1] heeft hier al mee te maken gekregen doordat in juli 2025 zijn galblaas moest worden verwijderd wegens galstenen, wat een bekende complicatie is van TPV. Ook heeft TPV een negatieve impact op de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Hoe langer iemand TPV krijgt toegediend, hoe groter de kans op infecties en schade is. Daarom moet door behandelend artsen continu worden bezien of de TPV kan worden afgebouwd door deze te vervangen door sondevoeding via het maag-darmkanaal (enterale voeding).

7.4.

Uit de stukken en uit dat wat ter zitting door de informanten naar voren is gebracht volgt dat het voltallige medisch behandelteam van het Emma Kinderziekenhuis, dat is gespecialiseerd in chronisch darmfalen bij kinderen en in TPV, al langere tijd adviseert om de sondevoeding van [minderjarige 1] op te bouwen en daarmee de TPV af te bouwen. Zij schatten in dat dit een goede kans van slagen heeft. De behandelaars hebben veel met de ouders (in de praktijk: met de moeder) gesproken, met hen meebewogen en het tempo waarin de sondevoeding zou worden opgebouwd - en de TPV zou worden afgebouwd - in overeenstemming met wat de ouders wilden fors verlaagd. Desondanks is het tot op heden niet gelukt hierin stappen te maken.

7.5.

Er is een patroon zichtbaar waarin de ouders op momenten lijken mee te gaan in de adviezen van de artsen, maar zich vervolgens weer terugtrekken. Vanuit het Emma Kinderziekenhuis is aanvankelijk, na veel overleg met de ouders, geprobeerd poliklinisch (vanuit de thuissituatie) de sondevoeding van [minderjarige 1] op te bouwen en de TPV af te bouwen. Toen dit niet lukte door de klachten die door de ouders werden gerapporteerd, is [minderjarige 1]

- wederom na veel gesprekken - in maart 2026 in het Emma Kinderziekenhuis opgenomen. Tijdens die opname werd de sondevoeding op verzoek van de ouders ongebruikelijk langzaam opgebouwd. Het ziekenhuis rapporteert dat deze opname goed verliep en dat er geen klachten, zoals een dikke buik, of braken, bij [minderjarige 1] werden gezien die zouden maken dat de opbouw van de sondevoeding (nog) langzamer moest verlopen of moest worden stopgezet. Desalniettemin hebben de ouders deze opname tegen medisch advies in voortijdig beëindigd.

7.6.

Het voorgaande past in een zorgelijk patroon waarin de ouders medische klachten over [minderjarige 1] melden die door artsen niet worden geobjectiveerd en waarin de ouders conclusies trekken over de (niet) haalbaarheid van het traject om TPV af te bouwen, die door het ziekenhuis niet worden onderschreven. Ook uit informatie van het Sophia Kinderziekenhuis volgt dat de ouders problemen zagen die het medisch behandelteam niet kon aantonen. Met name de interpretatie en intensiteit van de klachten/problemen kwamen niet overeen met wat de kinderarts zag. De kinderarts heeft veel gesproken met de ouders om dit in goede banen te leiden, maar het bleek heel moeilijk om tot een goede behandelrelatie te komen om het medische beleid uit te voeren. Uiteindelijk zijn de ouders na onvrede over de werkwijze van het Sophia Kinderziekenhuis, op hun uitdrukkelijk verzoek, in januari 2025 overgestapt naar het Emma Kinderziekenhuis.

7.7.

De ouders hebben gesteld dat zij momenteel thuis de sondevoeding van [minderjarige 1] opbouwen en de TPV afbouwen en dat daarom niet te begrijpen is dat wordt gesteld dat zij niet meewerken aan een dergelijk traject. Uit de informatie van [arts 2] blijkt echter dat de moeder hierover vorige week heeft gezegd dat [minderjarige 1] last heeft van braken, bolle buiken en het niet verdragen van voeding en dat verdere opbouw van de sondevoeding er niet in zit. De moeder heeft ter zitting ontkend dat zij dit heeft gezegd, maar de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de informatie van [arts 2] .

7.8.

In het belang van [minderjarige 1] moet voornoemd patroon worden doorbroken. Een opname van [minderjarige 1] - met restricties voor de ouders - is de enige manier om een objectief beeld te krijgen van de mogelijkheden voor de opbouw van sondevoeding en de afbouw van TPV. Op die manier kunnen immers de (eventuele) medische klachten, de beperkingen in mobiliteit en mogelijke vermoeidheidsklachten van [minderjarige 1] geobjectiveerd worden en kan het behandelbeleid daarop worden aangepast. Duidelijk is dat de ouders niet onvoorwaardelijk instemmen met deze opname.

7.9.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, onder b, BW is voldaan en wijst het verzoek tot schorsing van de ouders in de uitoefening van het gezag toe. Op grond van artikel 1:268, derde lid, BW belast de rechtbank de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] . Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 1

7.10.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Bijzondere curator voor [minderjarige 1]

7.11.

Artikel 1:250, eerste lid, BW bepaalt - voor zover hier van belang - dat wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, de rechtbank, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemt om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

7.12.

Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om een bijzondere curator voor [minderjarige 1] te benoemen. Advocaat [persoon A] heeft zich bereid verklaard de benoeming tot bijzondere curator van [minderjarige 1] te aanvaarden. De rechtbank benoemt [persoon A] als bijzondere curator van [minderjarige 1] met als opdracht [minderjarige 1] zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen en al datgene te doen wat in het belang van [minderjarige 1] is. De bijzondere curator wordt verzocht vóór 9 oktober 2026 aan de rechtbank, met afschrift aan de Raad, de GI, de belanghebbenden en de advocaat, te rapporteren over hoe de opname van [minderjarige 1] in het Emma Kinderziekenhuis is verlopen, hoe het op dat moment met [minderjarige 1] gaat en wat zij qua eventuele vervolgstappen al dan niet in het belang van [minderjarige 1] vindt.

7.13.

Ook deze beslissing verklaart de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak over [minderjarige 2]

7.14.

Uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken blijkt niet dat een ernstig

vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling, als genoemd in artikel 1:255 BW is vervuld, noch dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 2] weg te nemen. Dat er ernstige zorgen zijn over de manier waarop de ouders omgaan met de gezondheid van [minderjarige 1] - en dat in dat verband een verstrekkend verzoek tot schorsing van het gezag is toegewezen - is daarvoor niet voldoende. De rechtbank wijst het verzoek om [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen daarom af.

8De beslissing

De rechtbank:

in de zaak C/10/722774 / FA RK 26-5483 over [minderjarige 1]

8.1.

schorst met ingang van 9 juli 2026 [de vader] , geboren op [geboortedatum 3] 1989, en [de moeder] , geboren op [geboortedatum 4] 1992, in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021;

8.2.

bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van het gezag vervalt na verloop van drie maanden na 9 juli 2026, tenzij voor het einde van deze termijn om beëindiging van het gezag is verzocht;

8.3.

belast de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] ;

8.4.

bepaalt dat aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige 1] die in zijn belang noodzakelijk zijn, worden toegekend;

8.5.

benoemt tot bijzondere curator van [minderjarige 1] [persoon A] , kantoorhoudende aan [adres] , [postcode] [plaats 2] ;

8.6.

bepaalt dat de benoeming van de bijzondere curator geldt tot 9 oktober 2026;

8.7.

draagt de griffie op deze beschikking met een afschrift van het dossier aan de bijzondere curator te verstrekken;

8.8.

verzoekt de bijzondere curator de verzochte rapportage vóór 9 oktober 2026 aan de rechtbank te doen toekomen, met afschrift aan de Raad, de GI, de ouders en mr. I.P. Biemond;

8.9.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak C/10/722770 / JE RK 26-1337 over [minderjarige 2]

8.10.

wijst het verzoek van de Raad af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. A.L Pöll, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. D.C.J. Peeck en mr. J.S. van den Berge, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op

24 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

1

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733