Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3337

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep in verdelingsgeschil over woning waarin de rechtbank heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van medewerking aan levering. De man laat inschrijving in het rechtsmiddelenregister na. Het hof oordeelt dat niet-tijdige inschrijving ex art. 3:301 lid 2 BW jo. art. 433 Rv slechts leidt tot niet-ontvankelijkheid voor zover gegriefd is tegen beslissingen die de levering vervangen en onlosmakelijk verbonden oordelen (toedeling, prijs/overbedeling). Grieven over gebruiksvergoeding falen wegens onvoldoende onderbouwing. Overig afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Rechtsmiddel niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister: niet-ontvankelijk in appel?
Man komt in hoger beroep van vonnis waarin o.a. is bepaald dat in de plaats treedt van medewerking aan levering. Rechtsmiddel niet ingeschreven. Hof: alleen voor dat gedeelte niet-ontvankelijk. Andere grieven op inhoud afgewezen.

Datum publicatie12-08-2026
Zaaknummer200.353.545_01
ProcedureHoger beroep kort geding
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling;
Familieprocesrecht; Ontvankelijkheid; Hoger beroep
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Is de man ontvankelijk in zijn hoger beroep, nu hij zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter niet heeft laten inschrijven in het rechtsmiddelenregister?

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.353.545/01

arrest van 18 november 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg.

op het bij exploot van dagvaarding van 11 april 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 maart 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, in kort geding gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

De zaak in het kort

Is de man ontvankelijk in zijn hoger beroep, nu hij zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter niet heeft laten inschrijven in het rechtsmiddelenregister?

1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/430182/ KG ZA 24-620)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties 1 tot en met 3;

  • de memorie van antwoord d.d. 15 mei 2025;

  • de mondelinge behandeling op 26 september 2025 waar partijen werden bijgestaan door hun advocaten en de man tevens door een tolk in de Turkse taal, [persoon A] ingeschreven als beëdigd tolk onder nummer 18777.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3De beoordeling

De feiten

3.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 februari 2023 is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 1 juni 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  2. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort de woning, staande en gelegen aan [adres] (hierna: de woning). Op de woning rust een hypothecaire geldlening.

  3. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank de tijdens de mondelinge behandeling door partijen gemaakte afspraken over toedeling van de woning aan de vrouw neergelegd.

  4. De taxatie van de woning heeft op 8 maart 2024 plaatsgevonden. Het taxatierapport is op 13 maart 2024 afgegeven.

  5. Omdat de vrouw volgens de man de afspraken over de verdeling van de woning niet nakomt, is hij een kort geding procedure tegen de vrouw gestart waarin hij vorderde dat de vrouw haar medewerking verleent aan verkoop van de woning. Bij vonnis in kort geding van 7 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank die vordering afgewezen.

  6. Omdat het volgens de man niet mogelijk is gebleken dat partijen de ‘overname en/of verkoop’ van de woning tezamen ter hand nemen, is hij opnieuw een kort geding procedure tegen de vrouw gestart die heeft geleid tot het bestreden vonnis.

  7. De man heeft het hoger beroep tegen het bestreden vonnis niet binnen acht dagen na het instellen van het beroep ex art. 3:301 lid 2 BW jo. art. 433 Rv doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister.

De procedure in kort geding bij de rechtbank

3.2.1

In de onderhavige procedure vordert de man in conventie, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in dit hoger beroep van belang:

I. de vrouw te veroordelen om de woning te verlaten binnen één week na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat zij hiermee in gebreke blijft;

II. de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking en tot het verrichten van alle noodzakelijke handelingen ten behoeve van de verkoop van de woning en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man, binnen één week na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat zij hiermee in gebreke blijft;

III. te bepalen dat, indien de vrouw niet binnen één week na betekening van dit vonnis de vereiste medewerking verleent en de noodzakelijke handelingen verricht, het vonnis conform art. 3:300 BW, in de plaats zal treden van de akte tot levering van de woning, dan wel te bepalen dat met toepassing van art. 3:300 BW machtiging wordt verleend om het vonnis in de plaats te doen stellen van de benodigde wilsverklaring en medewerking van de vrouw in de notariële akte tot levering van de woning;

IV. (...)

V. Met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

3.2.2

De vrouw bestrijdt de stellingen van de man en concludeert tot afwijzing van zijn vorderingen.

In reconventie vordert de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in dit hoger beroep van belang, de man te veroordelen:

om binnen vier weken na de dag van het in deze zaak te wijzen vonnis zijn medewerking te verlenen aan levering van de woning aan haar tegen een prijs van € 240.000,--, waarbij de man een bedrag uit overbedeling minus verrekeningen zal ontvangen van € 34.244,83, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, waarbij:

primair: indien de man niet meewerkt aan levering zoals hiervoor is aangegeven het in deze zaak te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht.

subsidiair: de man een dwangsom van € 250,-- per dag zal verbeuren aan de vrouw bij niet of niet volledige nakoming aan deze vordering c.q. veroordeling, met een maximum van € 10.000,--;

In conventie en in reconventie vordert de vrouw dat de man in de kosten van het geding wordt veroordeeld.

3.2.3

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, in conventie en reconventie, het volgende beslist:

‘5.1. veroordeelt de man om binnen twee maanden na dit vonnis mee te werken aan de toedeling en levering aan de vrouw van de woning tegen een waarde van € 240.000,00, waarbij de vrouw aan de man wegens overbedeling een bedrag van € 34.244,83 zal betalen,

5.2.

bepaalt dat, indien de man niet meewerkt aan de onder 5.1. uitgesproken veroordeling, dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking en in dat geval zijn toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening vervangt,

5.3.

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.’

De procedure in hoger beroep

3.3.1

De man heeft in hoger beroep 19 grieven aangevoerd. De man heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot:

- primair: het alsnog toewijzen van zijn vorderingen,

- subsidiair: de veroordeling van de vrouw aan hem een bedrag van € 52.828,28 te betalen ten titel van overbedeling, althans een door het hof te bepalen uitkoopbedrag te betalen,

- met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

3.3.2

De vrouw heeft de grieven weersproken en geconcludeerd dat de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.

Ontvankelijkheid hoger beroep

3.4.1

Het hof zal eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep bespreken. Daarbij staat voorop dat op grond van art. 3:301 lid 2 BW hoger beroep, indien de rechter in eerste aanleg heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel daarvan (zoals in deze zaak), op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel, moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, zoals bedoeld in art. 433 Rv.

3.4.2

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het hoger beroep niet (tijdig) is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Dat betekent volgens hem echter niet dat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De niet tijdige inschrijving van het rechtsmiddel in het register leidt slechts tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. Dat dient per grief te worden beoordeeld. Alleen grief 19 kwalificeert als zodanig. Voor het overige is de man ontvankelijk in zijn hoger beroep.

3.4.3

De vrouw stelt dat de inschrijving van het rechtsmiddel in het register niet heeft plaatsgevonden en dat alle grieven samenhangen. Daarom dient de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te worden verklaard.

3.4.4.1 Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak het voorschrift van inschrijving binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel, als bedoeld in art. 3:301 lid 2 BW, ertoe strekt om de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist. Dat het hoger beroep door de man niet (tijdig) is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, staat vast. In het licht van de (beperkte) strekking van art. 3:301 lid 2 BW leidt de niet tijdige inschrijving van het rechtsmiddel in de registers slechts tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen (vergelijk onder meer HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, rov. 3.2 - 3.5).

3.4.4.2 De vrouw heeft in eerste aanleg haar vordering in reconventie tot levering van de woning gekoppeld aan een koopprijs van € 240.000,-- en een bedrag dat zij uit hoofde van overbedeling aan de man verschuldigd is. Die reconventionele vordering heeft de voorzieningenrechter toegewezen waarbij tevens is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking en de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man, mocht hij niet meewerken aan de in het vonnis uitgesproken veroordeling. Voor zover de grieven (grieven 2 tot en met 6) van de man zich richten tegen de verplichting tot levering van de woning aan de vrouw, zien de grieven op een gedeelte van het vonnis dat volgens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en is hij niet-ontvankelijk. Voor zover de grieven (grieven 7 tot en met 12 en 15 tot en met 19) zich richten tegen de waarde waartegen de woning aan de vrouw is toegedeeld en, als gevolg daarvan, het bedrag dat zij uit hoofde van overbedeling verschuldigd is aan de man, geldt het navolgende. In deze zaak bestaat er een onlosmakelijk verband tussen de in het dictum van het vonnis in eerste aanleg opgenomen veroordeling van de man tot medewerking aan de (toedeling en) levering van de woning aan de vrouw en de in dat dictum bepaalde waarde waartegen die toedeling en levering dient plaats te vinden (en het bedrag dat de vrouw uit hoofde van overbedeling daarom verschuldigd is aan de man). Voor een hernieuwde discussie over de koopprijs is dan geen plaats omdat dit impliceert dat ook de levering weer ter discussie komt te staan. Dat is niet te verenigen met de ratio van de in art. 3:301 lid 2 BW bedoelde niet-ontvankelijkheid (vergelijk onder meer HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, rov. 3.4).

3.4.4.3 De grieven 13 en 14 zien op de door de man gevorderde gebruiksvergoeding. In zijn toelichting (randnr. 92 tot en met 94 van de dagvaarding in hoger beroep) stelt hij dat de gebruiksvergoeding moet worden bepaald op de helft van de ‘lasten’ van de woning. De man laat echter na om deze stelling te onderbouwen en te concretiseren, hoewel dat gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw wel op zijn weg had gelegen. Ook laat de man na om in zijn petitum ten aanzien van deze grieven een vordering te formuleren, die meer inzicht had kunnen geven omtrent hetgeen hij concreet vordert. Dit betekent dat deze grieven falen.

3.4.4.4 Grief 1 ten slotte heeft geen zelfstandige betekenis.

3.4.5

Gelet op het voorgaande is de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover hij met zijn grieven opkomt tegen de beslissingen weergegeven in het bestreden vonnis onder 5.1 en 5.2 (dictum) en wijst het hof zijn vordering voor het overige af. Het hof zal met toepassing van art. 237 juncto art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

4De uitspraak

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover de man daarin opkomt tegen de in het dictum van het bestreden vonnis onder 5.1 en 5.2 weergegeven beslissingen;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en H.J. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.

griffier rolraadsheer



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733