Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep over bruidsgave en een overgeslagen goed. Centraal staat of Nederlandse openbare orde zich verzet tegen toepassing van art. 1146 Iraans Burgerlijk Wetboek bij een khul’-scheiding, waarin compensatie aan de man is voorgeschreven. Het hof oordeelt dat toepassing niet strijdig is met de openbare orde en bekrachtigt de afwijzing van de bruidsgave. Voorts is sprake van een overgeslagen bankrekening op naam van vrouw; zij dient de helft van het saldo per peildatum aan man te vergoeden. Proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 12-08-2026 |
| Zaaknummer | 200.349.815_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Het geschil gaat over de bruidsgave, in het bijzonder over de vraag of de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen toepassing van de bepaling (in het Iraanse recht) dat als de echtscheiding op initiatief van de vrouw wordt uitgesproken (khul’-scheiding), de man recht heeft op compensatie (bestaande uit de bruidsgave of het geldelijk equivalent daarvan). Daarnaast ligt de vraag voor of sprake is van een overgeslagen goed.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.349.815/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als: de vrouw,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: de man,
advocaat: mr. R.P. den Hoed te Eindhoven,
op het bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 27 november 2024, gewezen door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
’s-Hertogenbosch, tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerder in reconventie, en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.
De zaak in het kort
Het geschil gaat over de bruidsgave, in het bijzonder over de vraag of de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen toepassing van de bepaling (in het Iraanse recht) dat als de echtscheiding op initiatief van de vrouw wordt uitgesproken (khul’-scheiding) de man recht heeft op compensatie (bestaande uit de bruidsgave of het geldelijk equivalent daarvan). Daarnaast ligt de vraag voor of sprake is van een overgeslagen goed.
1. Het geding in eerste aanleg (met zaaknummers C/01/381888 / HA ZA 22-269 en C/01/382069 / HA ZA 22-288)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 januari 2025 met daarin de grieven;
-
de memorie van antwoord d.d. 1 april 2025.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
-
Partijen zijn op 12 mei 2011 te [A] in de Islamitische Republiek Iran met elkaar gehuwd. Zij hadden toen beiden uitsluitend de Iraanse nationaliteit. De man woonde op dat moment in Nederland. De vrouw is in maart 2012 naar Nederland gekomen.
-
Partijen hebben naast de Iraanse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit verkregen; de man in 2013 en de vrouw in 2016.
-
Het verzoek tot echtscheiding is op 8 maart 2019 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, ontvangen.
-
Bij beschikking van die rechtbank van 4 maart 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Uit die beschikking volgt verder (rov. 2.17) dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat tussen partijen sprake is van de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast.
-
Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld als gevolg waarvan zij in kracht van gewijsde is gegaan.
-
De echtscheidingsbeschikking is op 30 maart 2022 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
-
In de Engelse vertaling van de huwelijksakte van partijen (de zgn. Marriage certificate) staat opgenomen:
“(…) MARRIAGE PORTION
A copy of the Holly [sic] Koran, a piece of candy, a mirror and a pair of candle stick, 14 boughs of rose flower worth Rls. 5,000,000/- in addition to 2500 gold coins of Azadi should be given to the wife at her request.
(…)”
De 2.500 gouden munten zijn door de vrouw tijdens het huwelijk niet opgeëist en zijn door haar evenmin opgeëist in de door haar aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure.
De procedure voor de rechtbank
(C/01/382069 / HA ZA 22-288)
In deze procedure heeft de vrouw haar vorderingen (strekkende tot medewerking door de man aan een religieuze echtscheiding en de aanvraag van een paspoort) ingetrokken nadat de rechtbank, bij vonnis in incident van 3 augustus 2022, de zaak met zaaknummer C/01/382069 / HA ZA 22-288 had gevoegd bij de zaak met zaaknummer C/01/381888 / HA ZA 22-269.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
(C/01/381888 / HA ZA 22-269)
In deze procedure vorderde de vrouw (in conventie) de man te veroordelen:
‘1) tot overdracht van vijfentwintighonderd (2.500) Iraanse Bahar Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8.13598 gram, een nettogewicht van 7.32238 gram puur goud, een diameter van 22 millimeter en puurheid van 0.9000, of een equivalent daarvan in euro's ter hoogte van EUR 1.266.750,00 aan de vrouw te voldoen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking;
2) in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.’
Aan haar vorderingen heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat partijen in hun huwelijksakte contractuele afspraken hebben opgenomen. Deze afspraken kunnen worden aangemerkt als een overeenkomst tot betaling van een bruidsgave. Uit de huwelijksakte blijkt dat de man op verzoek van de vrouw de bruidsgave aan haar dient te overhandigen. Deze bepaling heeft een financiële betekenis en betreft niet slechts een vormvereiste bij de huwelijkssluiting.
De man heeft de vorderingen van de vrouw in conventie weersproken en in reconventie (na wijziging van eis) gevorderd:
‘de rekening ten name van de vrouw bij Bank [B] te [A] toe te delen aan de vrouw, met veroordeling van de vrouw om aan de man te betalen primair een bedrag van € 10.000,-- in hoofdsom, en subsidiair tot betaling van een bedrag van € 5.000,-- in hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente van 6,5 % over de hoofdsom vanaf 4 januari 2018 tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding’
Aan zijn vordering heeft de man ten grondslag gelegd dat de rechtbank in haar beschikking van 4 maart 2022 geen voorziening heeft gegeven voor dit saldo. Het is een vergeten vermogensbestanddeel. Primair stelt de man dat de vrouw op grond van art. 3:194 lid 2 BW haar aandeel in dit saldo aan hem verbeurd heeft, subsidiair vordert hij dat de verdeling daarvan alsnog dient plaats te vinden.
De vrouw heeft de vordering in reconventie weersproken.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van de vrouw afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de saldi op de ten name van de vrouw gestelde bankrekeningen bij Bank [B] aan haar toegedeeld. De vrouw is veroordeeld om vanwege overbedeling aan de man te voldoen € 5.000,-- te vermeerderen met een rente van 6,5% vanaf 4 januari 2018. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.
De proceskosten in conventie zijn gecompenseerd. In reconventie is de vrouw veroordeeld in de proceskosten.
De procedure in hoger beroep
De vrouw is van dit vonnis met zes grieven in hoger beroep gekomen. De grieven zien op:
- de bruidsgave (grief 1)
- het toepasselijk recht (grief 2)
- de verdeling (grief 3)
- de bewijslastverdeling (grief 4)
- de rente (grief 5)
- de proceskostenveroordeling (grief 6)
De vrouw concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:
a. haar vorderingen (het hof begrijpt: in eerste aanleg) alsnog toe te wijzen;
b. de man te veroordelen om inzage te geven in de saldi van zijn bankrekeningen, waaronder zijn zakelijke bankrekeningen en zijn Iraanse bankrekeningen, in de periode vanaf één jaar voorafgaande aan de peildatum tot de peildatum;
c. de man te veroordelen om inzage te geven in de waarde van zijn onderneming, waaronder mede wordt verstaan de waarde van zijn handelsvoorraad, in de periode vanaf één jaar voorafgaande aan de peildatum tot de peildatum;
d. de man te veroordelen om een bedrag ter hoogte van de saldi van zijn bankrekeningen en de waarde van zijn onderneming op de peildatum aan de vrouw te vergoeden;
e. de man te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.
De man weerspreekt de grieven. Hij concludeert dat het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat dit aan haar moet worden ontzegd als ongegrond en/of onbewezen, met bekrachtiging van de in eerste aanleg gewezen vonnissen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zo nodig met verbetering van gronden en met veroordeling van de vrouw in de kosten van het proces in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf veertien dagen na het wijzen van het arrest.
Vooraf
De man heeft in zijn memorie van antwoord gesteld dat de vrouw in haar petitum van de dagvaarding (tevens houdende de grieven) slechts de vernietiging vordert van het vonnis van de rechtbank van 27 november 2024. Daarom dient het hof af te zien van een beoordeling van de grieven die geen betrekking hebben op dat vonnis maar [zo begrijpt het hof] op het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 10 januari 2024.
Aan deze stelling van de man gaat het hof voorbij. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient geïntimeerde er in beginsel vanuit te gaan dat de omlijning van het hoger beroep vorm krijgt door de tegen het vonnis gerichte grieven. Omdat de grieven van de vrouw niet anders begrepen kunnen worden dan dat zij ook gericht zijn tegen het hiervoor genoemde tussenvonnis, zal het hof die grieven ook als zodanig behandelen (HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 665).
Rechtsmacht
Het hof stelt voorop dat de kwestie van de bruidsgave niet los kan worden gezien van het huwelijk en de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan omdat de bruidsgave een vermogensrechtelijke aanspraak creëert als gevolg van het huwelijk en/of de ontbinding daarvan.
Dit betekent dat, omdat de inleidende vordering van de vrouw is ingediend na 29 januari 2019 (namelijk op 3 mei 2021), de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de vordering kennis te nemen, wordt bepaald aan de hand van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwVermVo). De Nederlandse rechter heeft op grond van art. 6 sub a van de HuwVermVo daarom rechtsmacht.
Bruidsgave / Toepasselijk recht / Openbare orde (grieven 1 en 2)
In het tussenvonnis van 10 januari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vraag of de vrouw recht heeft op een bruidsgave moet worden beoordeeld naar Iraans recht (rov. 4.13). Omdat de vrouw de echtscheidingsprocedure heeft ingeleid, en er geen sprake was van een naar Iraans recht erkende echtscheidingsgrond, heeft de man recht op compensatie en oordeelde de rechtbank dat de door de vrouw gevorderde bruidsgave op die grond moest worden afgewezen. Vervolgens heeft de rechtbank art. 10:6 BW toegepast. Deze bepaling houdt in dat vreemd recht niet wordt toegepast voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Die toepassing heeft ertoe geleid dat de rechtbank, bij de beoordeling van de vordering van de vrouw, is teruggevallen op Nederlands recht en zij de door de vrouw gevorderde bruidsgave heeft afgewezen omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de man te verplichten 2.500 gouden munten aan de vrouw te voldoen.
Tegen deze overwegingen richten zich de grieven 1 en 2 van de vrouw. In haar toelichting merkt zij het volgende op. Ten onrechte heeft de rechtbank Nederlands recht toegepast. Uit art. 4 lid 1 en lid 2 jo 19 lid 3 Rome I volgt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende presentatie van de overeenkomst moet verrichten, zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip van het aangaan van de overeenkomst. Gelet op het bepaalde in art. 4 lid 3 Rome I dient beoordeeld te worden of de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland. Dit is niet het geval. De overeenkomst in de huwelijksakte is gesloten in Iran met inachtneming van de Iraanse wettelijke en religieuze bepalingen. Beide partijen hadden op dat moment de Iraanse nationaliteit. Dat partijen daarna in Nederland zijn gaan wonen en de vrouw haar vordering bij de Nederlandse rechter heeft ingesteld, leidt er niet toe dat er sprake is van een kennelijk nauwere band van de overeenkomst met Nederland.
Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de door de vrouw gevorderde bruidsgave moet worden afgewezen omdat zij de echtscheidingsprocedure heeft ingeleid. Dat het in Iran niet ongebruikelijk is dat een vrouw afstand doet van haar aanspraak op een bruidsgave, betekent niet dat zij daartoe gehouden is. Bovendien is een dergelijke voorwaarde in strijd met de Nederlandse openbare orde. De omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de vordering heeft afgewezen, kunnen – zo blijkt uit de jurisprudentie – slechts reden zijn om de bruidsgave te matigen. De gangbare lijn in de jurisprudentie is dat een vordering tot 110 gouden munten direct opeisbaar is en dat over het meerdere moet worden geprocedeerd (randnr. 3.2. appeldagvaarding)
De grieven worden door de man weersproken. Hij wijst erop dat de rechtbank naar Iraans recht heeft beoordeeld of de vrouw recht heeft op de bruidsgave. Vervolgens komt de rechtbank via de openbare orde toets van art. 10:6 BW tot de toepassing van Nederlands recht.
Het Islamitische c.q. Iraanse recht beschikt over ‘checks and balances’ met betrekking tot de verschuldigdheid van de bruidsgave. De functie van de bruidsgave (Mahr), waarvan het ontstaan zijn oorsprong vindt in pre-islamitische tijden, is om de vrouw te behoeden voor armoede en gebrek in geval van echtscheiding door verstoting of vooroverlijden van de man terwijl de Mahr voor de man de functie heeft van financiële prikkel om af te zien van een echtscheiding door middel van eenzijdige verstoting (Talaq). Staande huwelijk heeft de vrouw wettelijke en sterke aanspraken op levensonderhoud door de man, zodat er geen recht en belang is om tijdens de duur van het huwelijk de bruidsgave op te eisen. Indien de vrouw uitsluitend op grond van persoonlijke antipathie jegens de man wenst te scheiden staat de weg van een khul’-scheiding open, waarbij zij afstand doet van haar aanspraak op de bruidsgave. Dit spreekt voor zich, aangezien de vrouw er door de echtscheiding zelf voor kiest om niet langer door de man te worden onderhouden.
De clausule in de huwelijksakte over de bruidsgave heeft voor partijen geen enkele reële betekenis gehad en hun wil en verklaring zijn er niet op gericht geweest om een rechtens afdwingbare verbintenis in het leven te roepen. Dit was voor beide partijen kenbaar (randnr. 12 mva).
Het behoort niet tot de fundamentele waarde van de Nederlandse rechtsorde dat een vrouw recht heeft op een bruidsgave. Daarom kan bij de toetsing van het Iraans recht qua inhoud en rechtsgevolg niet worden geconcludeerd dat de toepassing van dit recht onaanvaardbaar is.
Het hof stelt voorop dat de rechtbank de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op de bruidsgave, heeft beoordeeld naar Iraans recht (rov. 4.13 vs 14 januari 2024). Daartegen richten de grieven van de vrouw zich niet.
Niet in geschil is dat de vrouw de echtscheiding heeft verzocht. Naar Iraans recht kan de vrouw de echtscheiding alleen bewerkstelligen met medewerking van de man tenzij sprake is van een, naar Iraans recht, erkende echtscheidingsgrond. Om medewerking te verkrijgen, moet de vrouw aan de man op grond van art. 1146 Iraans Burgerlijk Wetboek (IBW) een compensatie aanbieden (de zgn. khul-scheiding). Dat in deze zaak sprake is van een erkende echtscheidingsgrond is niet gesteld en ook anderszins niet komen vast te staan. Dat betekent dat naar Iraans recht sprake is van een khul-scheiding. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de toepassing van Iraans recht dan tot een recht op compensatie voor de man en tot afwijzing van de vordering van de vrouw. De stelling van de vrouw (grief 1) dat zij naar Iraans recht niet gehouden is om afstand te doen van haar aanspraak op de bruidsgave als zij zelf de echtscheidingsprocedure inleidt, is door haar niet toegelicht en door de man gemotiveerd weersproken. Daar komt bij dat de rechtbank bij haar beslissing niet tot uitgangspunt heeft genomen dat de vrouw naar Iraans recht gehouden zou zijn om afstand te doen van haar aanspraak. De rechtbank oordeelde slechts dat de vrouw gehouden is om de man te compenseren. Daartegen richt de grief van de vrouw zich niet en dat neemt het hof dan ook tot uitgangspunt. Waarom die compensatie zich niet kan uitstrekken tot de volledige bruidsgave, wordt door de vrouw niet toegelicht terwijl dat wel volgt uit art. 1146 (IBW). Dat artikel bepaalt immers dat, in het geval van een khul-scheiding, de vrouw aan de man een compensatie dient te betalen die bestaat uit de bruidsgave of het geldelijk equivalent daarvan (of meer of minder). De stelling van de vrouw dat de gangbare lijn in de jurisprudentie inhoudt dat een vordering tot 110 gouden munten direct opeisbaar is en dat over het meerdere moet worden geprocedeerd, is te algemeen en wordt door haar slechts onderbouwd met een verwijzing naar een deskundigenrapport (van het Internationaal Juridisch Instituut) in een andere zaak. Dat is onvoldoende alleen al omdat door haar niet wordt toegelicht dat de jurisprudentie waarnaar zij verwijst, en het deskundigenrapport waarop zij zich beroept, zien op een khul’-scheiding. Daarmee faalt de grief op dit punt. Voor zover de vrouw haar grief heeft willen onderbouwen met een beroep op de openbare orde, komt dat hierna aan bod.
In rov. 4.16 – 4.29 (vs 14 januari 2024) toetst de rechtbank ambtshalve of de hiervoor genoemde beperkende mogelijkheden aan de zijde van de vrouw om een procedure echtscheiding in te dienen, in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde. Artikel 10:6 BW bepaalt immers dat vreemd recht niet wordt toegepast voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarvan sprake is. Zij past vervolgens Nederlands recht toe en wijst de vordering van de vrouw alsnog af.
3.6.6.1 Het hof dient eerst zelf ambtshalve te beoordelen of de toepassing van Iraans recht op dit punt in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Voor die beoordeling acht het hof van belang dat de bruidsgave een rechtsfiguur van het islamitische recht is. Het is een verplicht onderdeel bij het aangaan van een huwelijk waarbij het gaat om een (op ieder moment vanaf de huwelijkssluiting opeisbare) vordering van de vrouw op de man ter gelegenheid van de huwelijkssluiting en bedoeld om de vrouw te beschermen tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. De achtergrond hiervan is dat naar islamitisch recht door het huwelijk in beginsel geen huwelijksgemeenschap tussen echtgenoten ontstaat, zodat de vrouw na de ontbinding van het huwelijk geen recht heeft op een deel van het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van echtscheiding (andersom kan de man bij echtscheiding geen recht doen gelden op een deel van het vermogen van de vrouw).
3.6.6.2 Van strijd met de openbare orde is naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake. Weliswaar leidt toepassing van de bepaling in art. 1146 IBW in het geval van een khul’-scheiding tot negatieve financiële consequenties voor de vrouw (zij kan geen onverkorte nakoming vorderen van de overeenkomst in de huwelijksakte) maar daar staat tegenover dat, nu in de echtscheidingsprocedure Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen is toegepast, zij, anders dan naar Iraans recht het geval zou zijn geweest, gerechtigd is tot een deel van het vermogen van de man. In die situatie valt niet zonder meer te begrijpen waarom het gevolg van de bepaling in art. 1146 IBW voor de vrouw niet kan worden geduld (en het gevolg van de terzijdestelling van deze bepaling voor de man – het moeten betalen van de bruidsgave – wel aanvaardbaar zou zijn).
Dit betekent dat grieven 1 en 2 falen en dat het vonnis van de rechtbank op dit punt, zij het op andere gronden, wordt bekrachtigd.
De verdeling / de bewijslast (grief 3 en 4)
Grief 3 van de vrouw richt zich tegen rov. 2.14 (vs 27 november 2024). Daarin heeft de rechtbank geoordeeld, omdat in de echtscheidingsbeschikking geen rekening is gehouden met ten name van de vrouw gestelde bankrekeningen, er sprake is van een overgeslagen goed in de zin van art. 3:179 lid 2 BW dat alsnog verdeeld kan worden.
In haar toelichting wijst de vrouw erop dat in de echtscheidingsbeschikking van 4 maart 2022 de omvang van de huwelijksgemeenschap is vastgesteld, waarbij de (saldi van de) bankrekeningen expliciet zijn meegenomen. Tegen die beschikking is geen hoger beroep ingesteld. Daarom bestaat er geen enkele grond om de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde omvang en verdeling van de huwelijksgemeenschap op dit punt te heroverwegen. De vrouw is destijds akkoord gegaan met de toewijzing van de eenmanszaak aan de man, zonder verdere verrekening, ervan uitgaande dat zij niets meer aan de man verschuldigd zou zijn. Indien de man nu alsnog aanspraak maakt op verdeling, dient de gehele verdeling te worden heroverwogen, althans dienen ook de saldi op de Iraanse bankrekeningen van de man en de waarde van (de handelsvoorraad van) zijn onderneming (opnieuw) te worden verdeeld.
In haar vierde grief richt de vrouw zich op (naar het hof begrijpt) de rov. 2.10 en 2.11 van het vonnis van 27 november 2024. Daarin oordeelt de rechtbank ten onrechte dat de vrouw de door de man in het geding gebrachte bescheiden (die zijn stellingen ondersteunen) onvoldoende heeft weersproken. In haar toelichting stelt zij dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. Zij heeft de verklaring van de man, en de door hem overgelegde bewijsstukken, voldoende gemotiveerd betwist. De man dient bewijs te leveren van het bestaan van het gestelde saldo op een Iraanse bankrekening. De vrouw kon daarom volstaan met een blote betwisting. De verklaring van de man en de door hem overgelegde bewijsstukken zijn echter niet verifieerbaar. Daarom kan aan de getuigenverklaring van de man niet de waarde worden toegekend die de rechtbank daaraan heeft toegekend en heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de man is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs. Het hof begrijpt dat de vrouw hiermee wenst te bewerkstelligen dat de reconventionele vordering van de man in eerste aanleg alsnog dient te worden afgewezen.
De man weerspreekt deze grieven en wijst erop dat in de echtscheidingsbeschikking van 4 maart 2022 slechts de verdeling van de saldi van de bankrekeningen die op zijn naam staan, zijn betrokken. Van een verdeling (of toedeling) van ten name van de vrouw staande bankrekeningen blijkt uit die beschikking niet.
Het enkele uitspreken van twijfels over de bewijsmiddelen door de vrouw is onvoldoende om geen waarde toe te kennen aan de getuigenverklaring van de man, mede omdat de door hem in het geding gebrachte bescheiden in alle opzichten zijn stellingen over de reis naar Iran, het openen van de rekening en de aankoop van de tegels bevestigen, zoals de rechtbank in rov. 2.11 (vs 27 november 2024) terecht overweegt. De vrouw heeft in het geheel niet consistent verklaard, aangezien zij zich wanneer zij wordt geconfronteerd met de mogelijkheid van een onderzoek naar de echtheid van de door haar op de bankdocumenten geplaatste handtekeningen, ineens uitlaat dat het niet uit te sluiten is dat de man de vrouw in de betreffende periode het document heeft laten ondertekenen, zonder dat zij zich bewust was van het bestaan van deze bankrekening en de hoogte van het saldo. De verklaringen van de vrouw zijn geheel ongeloofwaardig.
3.7.3.1 Het hof stelt voorop dat de rechtbank de man heeft opgedragen te bewijzen dat er door of namens de man op 4 januari 2018 bij de Bank [B] een bedrag van € 10.000,-- is gestort op een ten name van de vrouw gestelde bankrekening, waarbij door die bank een rente van 6,5% wordt vergoed (nr. 5.1 vs 10 januari 2024). In de levering van dat bewijs is de man geslaagd (rov. 2.13 vs 27 november 2024).
3.7.3.2 Artikel 3:179 lid 2 BW bepaalt dat indien één of meerdere goederen bij een verdeling zijn overgeslagen, dit slechts tot gevolg heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. De verdeling die reeds heeft plaatsgevonden, is niet nietig en hoeft ook niet overgedaan te worden. Het is voorts niet relevant of opzettelijk of onbewust een of meerdere goederen zijn overgeslagen (Asser/Perrick 3-V 2023/115 en 205 en HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762). Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat sprake is van een ten name van de vrouw staande bankrekening. Uit de echtscheidingsbeschikking van 4 maart 2022 blijkt dat alleen de (saldi van de) bankrekeningen op naam van de man in de verdeling zijn betrokken en dat (het saldo van) de ten name van de vrouw gestelde bankrekening buiten de verdeling is gebleven. Daarvan kan dus nadere verdeling worden gevorderd. Dit betekent dat grief 3 faalt.
3.7.3.3 De vraag of daarmee de (subsidiaire) vordering van de man, inhoudende dat de vrouw dient te worden veroordeeld tot betaling aan hem van € 5.000,--, te vermeerderen met een rente van 6,5% vanaf 4 januari 2018, kan worden toegewezen, moet evenwel ontkennend worden beantwoord. Daartoe overweegt het hof dat de man weliswaar heeft aangetoond dat op 4 januari 2018 op een bankrekening bij de Bank [B] ten name van de vrouw een bedrag van € 10.000,-- is gestort, maar dat daaruit niet volgt dat dit bedrag op de peildatum (8 maart 2019) nog steeds aanwezig was. Daarbij neemt het hof in aanmerking de stelling van de man dat het saldo op de betrokken rekening inmiddels is opgenomen. Hieruit volgt dat de man of de vrouw, althans één van partijen, de beschikking heeft gehad over het saldo op die rekening. Wanneer de opname precies heeft plaatsgevonden, is echter niet vast komen te staan. Dat dit na 7 februari 2024 zou zijn geweest, zoals door de man in eerste aanleg is gesteld, wordt door de vrouw weersproken en door de man niet nader onderbouwd. Dat de vrouw sinds 5 januari 2018 niet meer in Iran is geweest, is niet van belang gelet op de omstandigheid dat het saldo op de betrokken rekening niettemin is opgenomen. Dit betekent dat de vierde grief van de vrouw gedeeltelijk slaagt (nl. op het punt van de omvang van het saldo op de betreffende rekeningen bij Bank [B]). De vrouw dient de helft van het saldo per peildatum van de rekeningen bij Bank [B] aan de man te vergoeden. In die zin zal het bestreden vonnis worden vernietigd. Hetgeen de man in eerste aanleg nog naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Rente (grief 5)
Omdat de vierde grief gedeeltelijk slaagt, hoeft de vijfde grief van de vrouw geen nadere bespreking.
De proceskosten (grief 6)
Deze grief van de vrouw richt zich tegen haar veroordeling in de proceskosten in de zaak met nr. 22-288 en (in reconventie) in de zaak met nr. 22-269. Ter toelichting wijst de vrouw erop dat de rechtbank deze beslissing in de zaak met nr. 22-288 ondeugdelijk en in de zaak met nr. 22-269 in het geheel niet heeft gemotiveerd.
De man heeft deze grief weersproken.
Het hof stelt voorop dat art. 237 Rv bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. Vast staat dat de vrouw in eerste aanleg in de zaak met nr. 22-288 in het ongelijk is gesteld en dat haar vorderingen zijn afgewezen. In de zaak met nr. 22-269 is de vrouw in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld. Dit betekent dat zij op grond van art. 237 lid 1 Rv in beginsel zowel in de zaak met nr. 22-288 als in de zaak met nr. 22-269 (in reconventie) in kosten dient te worden veroordeeld. Dat partijen ex-echtgenoten zijn, maakt dit niet anders omdat de compensatie van kosten in dat geval niet dwingend wordt voorgeschreven maar een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. Dit leidt tot het oordeel dat grief 6 faalt.
4De slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat grief vier gedeeltelijk slaagt en dat de grieven van de vrouw voor het overige falen. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels vernietigen en deels bekrachtigen.
Het hof zal de proceskosten compenseren omdat partijen gewezen echtgenoten zijn.
5De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 27 november 2024, maar uitsluitend ten aanzien van de veroordeling van de vrouw wegens overbedeling;
bepaalt dat de vrouw de helft van het saldo per peildatum (8 maart 2019) van de op haar naam staande bankrekening(en) bij Bank [B] aan de man dient te vergoeden;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 november 2024 voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.F. Manders, P.P.M. van Reijsen en M.J. van Laarhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
