Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht. Verzoekschrift. De kantonrechter neemt op grond van art. 96 Rv bevoegdheid aan om het testament van erflater uit te leggen. Hoewel het testament taalkundig duidelijk is (erflater overlijdt ongehuwd en kinderloos; [A] benoemd), is uitleg nodig omdat partijen na het testament zijn gehuwd en later gescheiden. De kantonrechter past art. 4:52 BW naar analogie toe, oordeelt dat de verzorgingsgedachte is vervallen en verklaart dat de erfstelling geen effect sorteert; de versterferfgenamen erven.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 11-08-2026 |
| Zaaknummer | 11373712 UB VERZ 24-640 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht. Verzoekschrift. De kantonrechter neemt op grond van artikel 96 Rv bevoegdheid aan om het testament van erflater uit te leggen. Het testament is in woordelijke zin duidelijk. Immers is erflater ongehuwd en zonder achterlating van afstammelingen overleden. Aangezien erflater en belanghebbende echter na het maken van het testament gehuwd zijn geweest en ook weer zijn gescheiden, is uitleg van de uiterste wil toch nodig. De kantonrechter legt het (laatste) testament van erflater uit in die zin dat de erfstelling geen effect sorteert en verklaart voor recht dat de versterferfgenamen de erfgenamen van erflater zijn.Volledige uitspraak
Kantonrechter
Bureau Erfrecht
locatie Utrecht
zaaknummer: 11373712 UB VERZ 24-640
Beschikking van 23 april 2026
Inzake het verzoek van:
Partiar B.V.,
gevestigd te gemeente Teylingen,
verder te noemen: Partiar.
Partiar heeft het verzoek gedaan in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van:
[erflater] , geboren te [geboorteplaats 1] op [1946] , overleden te [plaats 1] op [2022] , laatst gewoond hebbende te [plaats 2] , verder te noemen: erflater.
In deze zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:
[A] ,
wonende te [plaats 3] ,
hierna: mevrouw [A] ,
en
1 [B] ,
wonende te [plaats 4] ,
2 [C] ,
wonende te [plaats 5] ,
3 [D] ,
wonende te [plaats 6] ,
4 [E] ,
wonende te [plaats 7] ,
5 [F] ,
wonende te [plaats 8] ,
6 [G] ,
wonende te [plaats 9] ,
7 [H] ,
wonende te [plaats 9] ,
8 [I] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
9 [J] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
10 [K] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
11 [L] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
12 [M] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
13 [N] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
14 [O] ),
niet als ingezetene geregistreerd,
15 [P] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
16 [Q] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
17 [R] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
18 [S] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
19 [T] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
20 [U] ,
niet als ingezetene geregistreerd,
hierna: de overige belanghebbenden.
1De procedure
Partiar is op 4 maart 2024 benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater.
De griffie heeft op 18 oktober 2024 een verzoek van Partiar ontvangen dat strekt tot de uitleg van een uiterste wilsbeschikking. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 96 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Een mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. Hierbij waren aanwezig:
- [V] , als gevolmachtigde van Partiar;
- mevrouw [A] ;
- [W] , toehoorder.
Tijdens de zitting heeft mevrouw [A] extra documenten aan de kantonrechter overhandigd, zijnde een nadere schriftelijke verklaring, een kopie van haar eigen (eerdere) testament en een rouwkaart.
De kantonrechter heeft op 5 juni 2025 een beschikking gegeven waarin de kantonrechter onder meer aan Partiar de gelegenheid heeft gegeven om schriftelijke verklaringen te overleggen van alle overige belanghebbenden waarin zij aangeven in te stemmen met de keuze om onderhavig verzoek aan de kantonrechter voor te leggen en waarbij zij eventueel hun zienswijze kunnen uiten. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Mevrouw [A] heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met deze wijze van procederen. Van mevrouw [A] heeft de griffie op 24 juni 2025 een brief ontvangen waarin zij aangeeft zich het recht voor te behouden tegen de beslissing van de kantonrechter in hoger beroep te gaan.
De kantonrechter heeft op 8 juli 2025 van 18 van de overige belanghebbenden een verklaring ontvangen waaruit volgt dat zij instemmen met deze wijze van procederen.
Van genoemde [Q] en [T] heeft de kantonrechter geen reactie ontvangen. De griffier heeft hen op 31 juli 2025 brieven gezonden waarin staat dat zij zonder reactie worden geacht in te stemmen met deze wijze van procederen en zullen worden opgeroepen voor een zitting.
De griffier heeft op 25 februari 2026 oproepen gezonden voor de mondelinge behandeling aan Partiar, mevrouw [A] , genoemde [B] , [Q] en [T] . De andere van de overige belanghebbenden hebben verklaard niet opgeroepen te willen worden voor de zitting.
Een mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Hierbij waren aanwezig:
- [X] , namens Partiar;
- [Y] , namens Partiar
- Mevrouw [A] ;
- [B] .
2De feiten
Erflater is overleden op [2022] . Hij was ten tijden van zijn overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Hij is gehuwd geweest met mevrouw [A] . Dit huwelijk is gesloten op [1992] en is door echtscheiding ontbonden op [2000] .
Erflater heeft geen afstammelingen achtergelaten.
Erflater heeft voor het laatst op 23 september 1986 bij testament over zijn nalatenschap beschikt.
Op 25 september 1986 hebben verzoeker en mevrouw [A] een registergoed (woning) verkregen, ieder voor de onderverdeelde helft.
In het testament staat onder II opgenomen:
“Voor het geval ik ongehuwd en zonder nakomelingen achter te laten kom te overlijden, benoem ik mede ter voldoening aan mijn verzorgingsplicht jegens haar, tot enige erfgename van mijn gehele nalatenschap mevrouw [A] , afhandelings-employe, geboren te [geboorteplaats 2] (Canada) op [1953] , thans wonende te [plaats 10] , [adres] .”
Na de ontbinding van het huwelijk is de ontbonden huwelijksgemeenschap bij notariële akte verdeeld op 8 februari 2001.
Mevrouw [A] is hertrouwd op [2006] .
3Het verzoek
Partiar verzoekt op grond van artikel 96 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 4:46 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de kantonrechter om het testament uit te leggen en vast te stellen wie de erfgenaam is dan wel de erfgenamen zijn van erflater.
Het is volgens Partiar onbekend of het de bedoeling van erflater was om de benoeming van mevrouw [A] tot erfgenaam in stand te houden na de scheiding of dat hij vergeten is het testament te herzien. De meningen van de (mogelijke) erfgenamen zijn verdeeld. Mevrouw [A] meent dat zij erfgenaam is. Er zijn ook andere belanghebbenden die dat menen. Sommige menen juist dat de erfstelling geen effect sorteert en anderen geven alleen aan dat ze willen dat de rechter zich uitspreekt.
4De beoordeling
Wijze van procederen
Op grond van artikel 96 lid 1 Rv kunnen partijen alle zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan zich samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden en zijn beslissing inroepen. Uit artikel 96 lid 2 Rv volgt dat indien slechts een van partijen zich tot de kantonrechter wendt, aan haar keuze slechts gevolg wordt gegeven indien alle andere partijen de kantonrechter berichten dat zij instemmen met deze keuze.
Mevrouw [A] , Partiar en 18 van de overige belanghebbenden hebben ingestemd met de keuze om de vraag wie de erfgenaam is dan wel erfgenamen zijn aan de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland voor te leggen.
Genoemde [Q] en [T] zijn in de gelegenheid gesteld om bezwaar te maken tegen deze wijze van procederen en zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze wijze van procederen.
Hoewel feitelijk niet alle partijen uitdrukkelijk hebben ingestemd met deze wijze van procederen, zal de kantonrechter toch bevoegdheid aannemen en dus een inhoudelijke beslissing nemen. De reden hiervoor is mede van proceseconomische aard. De vraag wie de erfgenaam is dan wel erfgenamen zijn, ligt sinds 18 oktober 2024 bij de kantonrechter voor, de kantonrechter heeft al een (tussen)beschikking gegeven op 5 juni 2025 en géén van de partijen heeft bezwaar gemaakt tegen deze wijze van procederen. Bovendien zou het niet bevoegd verklaren door de kantonrechter betekenen dat een dagvaardingsprocedure gestart moet worden bij de rechtbank met de daarbij horende kosten en het daarbij horende tijdsverloop. Een tweede reden is dat de twee procespartijen die niet uitdrukkelijk hebben ingestemd met deze procedure, gelet op de uitkomst daarvan niet in hun belangen worden geschaad.
Wie is de erfgenaam / wie zijn de erfgenamen?
Volgens mevrouw [A] en enkele van de overige belanghebbenden is mevrouw [A] de enige erfgename van erflater. Mevrouw [A] voert daartoe onder meer aan dat erflater mevrouw [A] in zijn testament tot erfgename heeft benoemd. Erflater is er altijd vanuit gegaan dat mevrouw [A] zijn enige erfgename was, omdat zij woordelijk in het testament tot erfgenaam is benoemd.
Mevrouw [A] stelt verder dat zij en haar echtgenoot nog altijd een grote rol in het leven van erflater speelden ten tijde van het overlijden van erflater. Erflater bracht feestdagen door bij mevrouw [A] , zij gingen samen naar de camping en mevrouw [A] heeft de uitvaart van erflater geregeld.
De kantonrechter overweegt dat in taalkundige (letterlijke) zin de bewoordingen van de uiterste wil duidelijk zijn. Immers is erflater ongehuwd en zonder achterlating van afstammelingen overleden. Mevrouw [A] wordt in het testament ook niet aangeduid als ‘mijn echtgenote …’, maar gewoon bij haar naam. Dit komt omdat erflater en mevrouw [A] op het moment waarop het testament werd opgemaakt nog niet gehuwd waren. Woordelijk gezien zou daardoor mevrouw [A] de enige erfgename zijn. Aangezien erflater en mevrouw [A] echter na het maken van het testament gehuwd zijn geweest en ook weer zijn gescheiden, is uitleg van de uiterste wil toch nodig.
Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen worden genomen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen tevens van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen.
1
Erflater heeft zijn testament gemaakt op 23 september 1986. Twee dagen later hebben erflater en mevrouw [A] samen een woning in eigendom verkregen. De erfstelling ten behoeve van mevrouw [A] heeft erflater mede ter voldoening aan zijn verzorgingsplicht jegens haar gemaakt.
Vervolgens zijn erflater en mevrouw [A] op [1992] met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden op [2000] . Op 8 februari 2001 is de ontbonden huwelijksgemeenschap verdeeld en op [2006] is mevrouw [A] hertrouwd.
De kantonrechter acht het op basis van de feiten aannemelijk dat erflater de erfstelling ten behoeve van mevrouw [A] heeft gemaakt, omdat zij op dat moment een relatie met elkaar hadden en zij kort na het testament gezamenlijk een woning zouden verkrijgen waarin zij samen zouden gaan wonen. De in het testament genoemde verzorgingsverplichting van erflater ten aanzien van mevrouw [A] wijst erop dat erflater mevrouw [A] , met wie hij op dat moment nog niet gehuwd was, verzorgd achter wilde laten als erflater tijdens de relatie zou overlijden. De aanname dat mevrouw [A] de enige erfgename zou zijn zolang de relatie zou duren, wordt versterkt door het feit dat erflater en mevrouw [A] na het verbreken van hun relatie de ontbonden huwelijksgemeenschap hebben verdeeld. Daarmee hebben zij hun financiën definitief gescheiden Zo nadien nog sprake zou zijn geweest van een verzorgingsverplichting van erflater ten aanzien van mevrouw [A] was die in ieder geval verbroken na het hertrouwen van mevrouw [A] . Immers heeft zij vanaf het hertrouwen een nieuwe echtgenoot die de wettelijke plicht heeft om op grond van artikel 1:81 BW mevrouw [A] het nodige te verschaffen.
Uit artikel 4:52 BW volgt voorts dat een beschikking, getroffen ten voordele van degene met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.
Bij een strikte lezing van artikel 4:52 BW is dat artikel niet van toepassing, omdat erflater en mevrouw [A] niet reeds met elkaar waren gehuwd of trouwbeloften hadden gewisseld toen erflater het testament opgestelde. De kantonrechter is echter van oordeel dat deze bepaling analoog dient te worden toegepast op de situatie dat partners na het opstellen van een testament zijn gehuwd en daarna gescheiden.
De kantonrechter heeft geen enkele twijfel aan de stellingen van mevrouw [A] waarbij zij aangeeft altijd zeer betrokken te zijn geweest in het leven van erflater. Het is het echter niet de vraag wie de erfenis het meest ‘verdient’, maar wat de verhoudingen zijn die de erflater kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter voor recht verklaren dat de erfstelling in de uiterste wilsbeschikking van erflater geen effect sorteert en dat de erfgenamen van erflater de versterferfgenamen zijn.
5De beslissing
De kantonrechter:
legt het (laatste) testament van 23 september 1986 van erflater uit in die zin dat de erfstelling geen effect sorteert en verklaart voor recht dat de versterferfgenamen de erfgenamen van erflater zijn.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 11 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
