Rechtbank Oost-Brabant 18-05-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5673

Essentie (gemaakt door AI)

Wijziging kinderalimentatie waarin, na hertrouwen vader en geboorte kind, gewijzigde omstandigheden worden aangenomen. Behoeften van drie kinderen vastgesteld, inclusief stiefouderverplichting jegens stiefkind. Draagkracht van vader en echtgenote berekend in twee periodes, met correctie voor werkelijke woonlasten en DUO-aflossing. Verdeling beperkte draagkracht naar rato van behoefte; in periode 2 wordt geen aandeel meer voor stiefkind gevraagd. Bijdrage vader voor [minderjarige 1] wordt €140 p/m vanaf 16-9-2025, €146,44 p/m vanaf 1-1-2026 en €256 p/m vanaf 2-4-/

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Eigen kinderen gaan voor: geen aandeel vader richting stiefkind is "meest redelijk"
Rb staat voor keuze als het gaat om stiefouderverplichting man. Er is een tekort en de ouders van het stiefkind kunnen volledig in haar behoefte voorzien. Daarom hoeft man daarin geen bijdrage te leveren. Verdeling over eigen kinderen.

Datum publicatie10-08-2026
ZaaknummerC/01/408567 / FA RK 24-3878
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Samengestelde gezinnen
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 1 401; Burgerlijk Wetboek Boek 1 395

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging kinderalimentatie. Samengesteld gezin. Verdeling van de beperkte draagkracht van de ouders over meerdere kinderen.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/408567 / FA RK 24-3878

Uitspraak : 18 mei 2026

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna mede te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.R.M. Linders,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna mede te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Cortet,

als vervolg op de beschikking van deze rechtbank van 24 februari 2026.

1De (verdere) procedure

1.1.

Bij voormelde beschikking van 24 februari 2026 heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van de zorgregeling aangehouden en de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen met betrekking tot [minderjarige 1] . De behandeling van het verzoek strekkende tot wijziging van de kinderalimentatie is hierbij pro forma aangehouden.

1.2.

Ter beoordeling van het verzoek strekkende tot wijziging van de kinderalimentatie heeft de rechtbank, voor zover nog niet genoemd in voornoemde beschikking van 24 februari 2026, kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • een verweerschrift van de man tegen zelfstandig verzoek, ter griffie ingekomen op 27 oktober 2025;

  • een F9D-formulier (met producties) van mr. Linders, gedateerd 3 maart 2026;

  • een F9D-formulier (met als bijlage een brief met producties) van mr. Cortet, gedateerd 23 maart 2026;

  • een F9-formulier (met als bijlage een brief met producties) van mr. Linders, gedateerd 29 maart 2026;

  • een F9D-formulier (met als bijlage een brief met producties) van mr. Cortet, gedateerd 30 maart 2026;

  • een F9D-formulier (met als bijlage een brief met producties) van mr. Linders, gedateerd 30 maart 2026;

  • een F9D-formulier van mr. Cortet, gedateerd 7 april 2026.

1.3.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 april 2026. Verschenen zijn partijen en hun advocaten.

2Feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2017 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 6 juli 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is in [woonplaats] op [datum] de minderjarige [minderjarige 1] geboren.

2.3.

De man en de vrouw hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

2.4.

Op dit moment verblijft [minderjarige 1] , in het kader van de zorgregeling, elke zaterdag vanaf 13.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man.

2.5.

Bij voormelde beschikking van 27 februari 2017 is bepaald dat de man aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] een bedrag van € 25,00 per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage per 1 januari 2025 € 32,59 per maand.

2.6.

De man is op [datum] gehuwd met [de echtgenote van de man] .

2.7.

Uit het huwelijk van de man en zijn huidige partner is op [datum] een zoon geboren, [minderjarige 2] .

2.8.

Door het huwelijk is aan de zijde van de man een stiefouderverplichting ontstaan jegens [minderjarige 3] , de dochter van de echtgenote van de man.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2017, voor zover het betreft de daarin bepaalde kinderalimentatie, en de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van 16 september 2025 nader te bepalen op € 262,00 per maand.

Zij stelt dat voormelde beschikking als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

3.2.

De man voert hiertegen op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven verweer en betwist primair de door de vrouw gestelde wijzigingsgrond. Subsidiair betwist hij de behoefte van [minderjarige 1] aan een bijdrage als verzocht en beroept zich voorts op een gemis aan draagkracht om een dergelijke bijdrage te betalen. Voorts maakt hij bezwaar tegen de verzochte ingangsdatum.

4De verdere beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.2.

Vast staat dat de man opnieuw vader is geworden en is hertrouwd. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van wijziging van omstandigheden hetgeen een hernieuwde beoordeling van de geldende kinderalimentatie rechtvaardigt.

Ingangsdatum

4.3.

De door de vrouw verzochte ingangsdatum, 16 september 2025, is niet in geschil tussen partijen, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten.

Onderhoudsverplichtingen

4.4.

Vast staat dat door het huwelijk van de man en zijn echtgenote een stiefouderverplichting is ontstaan van de man jegens [minderjarige 3] . De wijze waarop de man zijn draagkracht moet aanwenden om een bijdrage te leveren in de kosten van [minderjarige 3] is evenwel in geschil tussen partijen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de omstandigheid dat de man stiefouder is van [minderjarige 3] , niet betekent dat hij ook gehouden is om daadwerkelijk een deel van de kosten van [minderjarige 3] te dragen. Eerst moeten de ouders van [minderjarige 3] in de behoefte voorzien en als er dan sprake is van een tekort dient de man een deel van de kosten te dragen, aldus de vrouw. De man heeft verweer gevoerd.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de man op grond van artikel 1:395 BW als stiefouder onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] , omdat [minderjarige 3] deel uitmaakt van het gezin van de man en zijn echtgenote. Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze artikelen volgt dat als de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van een kind, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn.

Uit vaste rechtspraak volgt verder dat indien de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van het kind op grond van artikel 1:397 lid 2 BW geldt dat de omvang van ieders onderhoudsverplichting afhangt van de omstandigheden van het geval. Of er van dergelijke omstandigheden sprake is zal de rechtbank hierna beoordelen.

Behoefte

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van hun gezamenlijke zoon, [minderjarige 1] , in 2025 € 349,00 per maand bedroeg.

4.7.

Verder is tussen partijen niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 3] , zijnde de dochter van echtgenote van de man, in 2023 € 635,00 per maand bedroeg. Geïndexeerd naar het jaar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige 3] , afgerond, € 718,00 per maand.

4.8.

De behoefte van [minderjarige 2] is in geschil tussen partijen, zodat de rechtbank daarover een beslissing dient te nemen.

Behoefte van [minderjarige 2]

4.9.

Voor het bepalen van de behoefte van [minderjarige 2] is het netto besteedbare gezinsinkomen van de man en zijn echtgenote relevant. Het inkomen van de man in 2025, het jaar waarin [minderjarige 2] is geboren, bedroeg in totaal € 30.755,00 bruto per jaar en was als volgt opgebouwd:

  • uit [dienstverband 1] : € 2.450,00 bruto per jaar (productie 20),

  • uit [dienstverband 2] : € 24.102,00 bruto per jaar (productie 18),

  • op [dienstverband 3] : € 4.203,00 bruto per jaar (productie 21).

De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting). Gelet hierop becijfert de rechtbank het netto besteedbare inkomen (NBI) van de man op een bedrag van € 2.324,00 per maand. De door de rechtbank gemaakte berekening ‘NBI man behoefte [minderjarige 2] ’ wordt gehecht aan deze beschikking.

4.10.

Door de man zijn als productie 31 inkomensgegevens van zijn echtgenote overgelegd. Blijkens de jaaropgaaf 2025 bedroeg haar inkomen € 40.586,00. Rekening houdend met de relevante fiscale aspecten, te weten de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, becijfert de rechtbank het NBI van de echtgenote van de man op een bedrag van € 2.821,00 per maand. De door de rechtbank gemaakte berekening ‘NBI echtgenote man behoefte [minderjarige 2] ’ wordt gehecht aan deze beschikking.

4.11.

Op het netto besteedbare gezinsinkomen (NBG) strekt in mindering het bedrag dat de man aan (kinder)alimentatie heeft voldaan aan de vrouw, namelijk € 32,59 per maand in 2025, omdat dit bedrag niet beschikbaar was voor het gezin van de man.

4.12.

Dit betekent dat het NBG van de man en zijn echtgenote in 2025 afgerond € 5.112,00 per maand bedroeg (€ 5.145 -/- € 32,59). Dit NBG, rekening houdend met de omstandigheid dat tot het gezin van de man twee kinderen behoorden, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarige [minderjarige 2] op van, afgerond, € 588,00 per maand.

Draagkracht

4.13.

Vervolgens dient de draagkracht van partijen te worden vastgesteld. Gelet op de ingangsdatum en de omstandigheid dat de man sinds 2 april 2026 geen ouderschapsverlof meer geniet zal de rechtbank de draagkracht van de onderhoudsplichtigen in twee periodes berekenen, namelijk:

  • periode 1: vanaf 16 september 2025 (tarieven 2025-2);

  • periode 2: vanaf 2 april 2026 (tarieven 2026-1).

4.14.

Bij het bepalen van het aandeel van partijen in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin eenieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

Draagkracht van de vrouw

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw zowel in periode 1 als in periode 2 een draagkracht heeft van € 25,00 per maand.

Draagkracht van de man

4.16.

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomsten

4.17.

Voor periode 1 is niet in geschil tussen partijen dat de man een inkomen genoot van in totaal € 30.755,00 bruto per jaar (bestaande uit een inkomen uit arbeid en een uitkering), zodat de rechtbank dit als vaststaand overneemt.

4.18.

Voor periode 2 gaat de rechtbank uit van het inkomen dat de man geniet vanaf 2 april 2026. Omdat de man geen loonstroken over deze maand heeft overgelegd zal de rechtbank uitgaan van de financiële gegevens zoals die blijken uit de door de man overgelegde loonstroken over de maanden januari en februari 2026. De man heeft gesteld dat uitgegaan dient te worden van een inkomen van € 41.318,00 bruto per jaar. De vrouw heeft verweer gevoerd en is van mening dat aan de zijde van de man rekening gehouden dient te worden met een bruto maandsalaris van € 3.508,90, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering. Verder dient rekening te worden gehouden met structurele inkomensbestanddelen, te weten een ploegentransitie van € 60,00 bruto per maand, een ploegentoeslag van € 1.007,05 bruto per maand, uurloon-/urencomponenten van gemiddeld € 51,14 bruto per maand, een feestdagentoeslag van gemiddeld € 301,00 bruto per maand en een overwerktoeslag van gemiddeld € 38,14 bruto per maand.

4.19.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door de man is als productie 19 een drietal salarisspecificaties in het geding gebracht, namelijk van december 2025, januari en februari 2026. Voor periode 2 zal de rechtbank uitgaan van de salarisspecificaties die betrekking hebben op de maanden januari en februari 2026 waaruit een maandsalaris volgt van € 3.508,90 bruto. Omdat de man vanaf 2 april jl. niet langer gebruik maakt van ouderschapsverlof is de inhouding op zijn salaris van € 2.386,44 met als omschrijving ‘Ouderschapsverl. 1-9 weken’ komen te vervallen (productie 19: salarisspecificaties van januari en februari 2026). Verder is tussen partijen niet in geschil dat de man een eindejaarsuitkering ontvangt. Uit de door de man overgelegde salarisspecificatie van januari 2026 blijkt dat de man € 123,95 bruto per maand opbouwt, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

Verder zal de rechtbank de vrouw volgen en rekening houden met een ploegentransitie van € 60,00 bruto per maand en een ploegentoeslag van € 1.007,05 bruto per maand. Dat dit slechts incidentele inkomensbestanddelen zijn heeft de man niet onderbouwd. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van januari en februari 2026 blijkt dat hij deze toeslagen heeft ontvangen.

Ook zal de rechtbank de vrouw volgen in haar standpunt voor wat betreft de uurloonuren, de feestdagentoeslag en toeslag overuren, omdat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt welke inkomsten hij gemiddeld per jaar ontvangt uit deze toeslagen. De rechtbank begroot na te noemen inkomensbestanddelen op een gemiddeld maandbedrag van:

  • uurloon-uren: € 152,47 (€ 93,75 en € 211,18);

  • feestdagentoeslag overuren: € 300,95 (€ 255,69 en € 346,20);

  • overwerk-toeslag (toeslag overuren en toeslaguren): € 19,07 (€ 22,65 en € 15,49).

Heffingskortingen (periode 1 en 2)

4.20.

De rechtbank houdt rekening met de navolgende heffingskortingen:

  • de algemene heffingskorting;

  • de arbeidskorting;

  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting (periode 1).

Verder houdt de rechtbank in periode 1 rekening met een kindgebonden budget van € 2.622,00 per jaar.

Woonbudget (periode 1 en 2)

4.21.

De rechtbank begrijpt de primaire stelling van de vrouw aldus dat aan de zijde van de man rekening moet worden gehouden met de helft van het woonbudget, omdat hij zijn woonlast kan delen met zijn echtgenote. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

4.22.

De rechtbank overweegt als volgt.

Hierna zal de rechtbank beoordelen of er, uitgaande van het standaard woonbudget, sprake is van een tekort aan de zijde van de man en de vrouw om te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en of er, gelet daarop, aanleiding is uit te gaan van een aangepaste woonlast.

Schuld bij DUO (periode 1 en 2)

4.23.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een studieschuld heeft bij DUO (productie 23). De man heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met een aflossing van € 256,00 per maand. De vrouw heeft zich tijdens de mondelinge behandeling gerefereerd. Gelet hierop zal de rechtbank met het door de man opgevoerde termijnbedrag rekening houden.

Conclusie draagkracht man

4.24.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het NBI van de man in 2025 (periode 1) berekend op een bedrag van € 2.737,00 per maand. De door de rechtbank gemaakte berekening zal worden gehecht aan deze beschikking als ‘NBI man draagkracht 2025’.

4.25.

Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert de rechtbank aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1310 + 256)] de draagkracht van de man in 2025 op € 245,00 per maand.

4.26.

Voor periode 2 heeft de rechtbank het NBI van de man in 2026 berekend op een bedrag van € 3.914,00 per maand. De door de rechtbank gemaakte berekening zal worden gehecht aan deze beschikking als ‘NBI man draagkracht 2026’.

4.27.

Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert de rechtbank aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1365 + 256)] de draagkracht van de man in 2026 op € 783,00 per maand.

Samenloop onderhoudsverplichtingen man

4.28.

De voor [minderjarige 1] beschikbare draagkracht van de man wordt mede bepaald door:

  • zijn onderhoudsverplichting ten aanzien van [minderjarige 3] , in de behoefte van wie ook de vader van [minderjarige 3] en zijn huidige echtgenote dienen bij te dragen, en,

  • zijn onderhoudsverplichting ten aanzien van [minderjarige 2] , in de behoefte van wie ook de echtgenote van de man dient bij te dragen.

Draagkracht van de echtgenote van de man

4.29.

De draagkracht van de echtgenote van de man is tijdens de mondelinge behandeling besproken. Door de man zijn inkomensgegevens overgelegd als productie 31.

Voor periode 1 zal de rechtbank als uitgangspunt hanteren de door de man als productie 31 overgelegde jaaropgaaf waaruit een inkomen blijkt van € 40.586,00 bruto per jaar.

4.30.

Voor periode 2 zal de rechtbank het onweersproken standpunt van de vrouw volgen en uitgaan van een inkomen van € 4.069,45 bruto per maand, nog te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Verder zal de rechtbank rekening houden met de door de man onweersproken gestelde pensioenpremie van € 286,00 per maand en een AOP-premie van € 9,00 per maand.

Fiscale aspecten

4.31.

De rechtbank houdt rekening met de volgende fiscale aspecten:

  • de algemene heffingskorting;

  • de arbeidskorting;

  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting (periode 2).

Woonbudget (periode 1 en 2)

4.32.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de zijde van de echtgenote van de man rekening dient te worden gehouden met de helft van het woonbudget, omdat zij haar lasten kan delen met de man. De man heeft verweer gevoerd stellende dat zijn echtgenote feitelijk niet bijdraagt in de woonlasten omdat zij, zo begrijpt de rechtbank de stelling van de man, andere hoge lasten voor haar rekening neemt.

4.33.

Hierna zal de rechtbank beoordelen of er, uitgaande van het standaard woonbudget, sprake is van een tekort aan de zijde van partijen om te voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en of er gelet daarop aanleiding is om ten aanzien van de echtgenote van de man uit te gaan van een aangepaste woonlast.

Conclusie draagkracht

4.34.

Rekening houdend met het voorgaande berekent de rechtbank het NBI van de echtgenote van de man op een bedrag van € 2.821,00 per maand. Uitgaande van dit NBI bepaalt de rechtbank de draagkracht in periode 1 aan de hand van de volgende formule:

70% [2821 – (0,3 * 2821 + 1310)] op afgerond € 466,00 per maand. De door de rechtbank gemaakte berekening ‘NBI echtgenote van de man draagkracht 2025’ wordt gehecht aan deze beschikking.

4.35.

Voor periode 2 berekent de rechtbank het NBI van de echtgenote van de man op een bedrag van € 3.482,00 per maand. Uitgaande van dit NBI bepaalt de rechtbank de draagkracht aan de hand van de volgende formule:

70% [3.482 – (0,3 * 3.482 + 1365)] op afgerond € 750,00 per maand. De door de rechtbank gemaakte berekening ‘NBI echtgenote van de man draagkracht 2026’ wordt gehecht aan deze beschikking.

Samenloop onderhoudsverplichtingen echtgenote

4.36.

Het aandeel van de echtgenote in de kosten van [minderjarige 3] wordt mede bepaald door het aandeel van de vader van [minderjarige 3] . Gelet op de invloed van deze onderhoudsplicht betrekt de rechtbank ook de draagkracht van de vader van [minderjarige 3] in haar beoordeling.

Draagkracht vader van [minderjarige 3]

4.37.

Door de man zijn geen gegevens in het geding gebracht om de draagkracht van de vader van [minderjarige 3] te beoordelen. Wel heeft de man een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2023 overgelegd (productie 32) waaruit volgt dat de vader van [minderjarige 3] met ingang van 1 augustus 2023 € 94,00 per maand voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] . Aan de beschikking is een draagkrachtberekening gehecht waaruit volgt dat de vader van [minderjarige 3] een draagkracht had in 2023 van € 160,00 per maand. Bij gebrek aan recente gegevens zal de rechtbank, conform hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald 1, de draagkracht van de vader van [minderjarige 3] over 2025, anders dan door de vrouw is bepleit, begroten op een bedrag van € 160,00 per maand. Vermeerderd met de indexering beloopt de draagkracht van de vader van [minderjarige 3] over 2025 afgerond € 181,00 per maand en over 2026 op

€ 189,00 per maand.

Verdeling van de draagkracht

4.38.

De rechtbank verdeelt, alvorens over te gaan tot vergelijking van de draagkracht, de draagkracht van partijen over de kinderen voor wie een onderhoudsplicht bestaat, naar rato van behoefte.

Periode 1

4.39.

De man is onderhoudsplichtig voor drie kinderen. Zijn draagkracht dient naar rato van behoefte van de kinderen verdeeld te worden:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 1] € 349,00 349/1655 * 245 = € 51,66

[minderjarige 3] € 718,00 718/1655 * 245 = € 106,29

[minderjarige 2] € 588,00 588/1655 * 245 = € 87,05

Totaal € 1.655,00 € 245,00

4.40.

De echtgenote van de man is onderhoudsplichtig voor twee kinderen. Haar draagkracht dient naar rato van behoefte van de kinderen verdeeld te worden:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 3] € 718,00 718/1306 * 466 = € 256,19

[minderjarige 2] € 588,00 588/1306 * 466 = € 209,81

Totaal € 1.306,00 € 466,00

4.41.

En zoals hiervoor als is overwogen bedraagt de draagkracht van de vader van [minderjarige 3] in 2025 € 181,00 per maand.

Periode 2

4.42.

De man is onderhoudsplichtig voor drie kinderen. Zijn draagkracht dient naar rato van de behoefte van de kinderen verdeeld te worden. De rechtbank heeft de behoefte van de kinderen per 1 januari 2026 geïndexeerd. Hierna zal de rechtbank het aandeel van de man naar rato van behoefte berekenen:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 1] € 365,00 365/1731 * 783 = € 165,10

[minderjarige 3] € 751,00 751/1731 * 783 = € 339,71

[minderjarige 2] € 615,00 615/1731 * 783 = € 278,19

Totaal € 1.731,00 € 783,00

4.43.

De echtgenote van de man is onderhoudsplichtig voor twee kinderen. Haar draagkracht dient naar rato van behoefte van de kinderen verdeeld te worden:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 3] € 751,00 751/1366 * 750 = € 412,34

[minderjarige 2] € 615,00 615/1366 * 750 = € 337,66

Totaal € 1.366,00 € 750,00

4.44.

En zoals hiervoor als is overwogen bedraagt de draagkracht van de vader van [minderjarige 3] in 2026 € 189,00 per maand.

Periode 1

Bijdrage voor [minderjarige 1]

4.45.

De draagkracht van de man bedraagt, afgerond, € 52,00 en de draagkracht van de vrouw bedraagt € 25,00. Dit betekent dat de gezamenlijke draagkracht van partijen afgerond € 77,00 per maand bedraagt en zij dus niet volledig in de kosten van [minderjarige 1] kunnen voorzien. De rechtbank zal, gelet op het door de vrouw gestelde, de woonlasten van de man en zijn echtgenote daarom nader beoordelen.

4.46.

In de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:286) is bepaald dat de rechter, indien met de berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het woonbudget, steeds dient na te gaan of de draagkracht van de ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Nu sprake is van een draagkrachttekort om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, dient de rechtbank te beoordelen of de werkelijke woonlasten van de man en zijn echtgenote duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Indien dat het geval is, zal de rechtbank de draagkracht van de man en zijn echtgenote nogmaals berekenen en rekening houden met de werkelijke woonlasten. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in dit kader onweersproken gesteld dat zijn huidige huurlast € 900,00 per maand bedraagt. Omdat de man samenwoont zal de rechtbank uitgaan van de helft van de door de man gestelde huurlast, te weten € 450,00 per maand.

4.47.

De draagkracht van de man in periode 1 wordt aan de hand van de formule 70% x [2737 – (450 + 1310 + 256)] berekend op afgerond € 505,00 per maand. De berekening met kenmerk ‘draagkracht man 2025 werkelijke woonlast’ wordt aan deze beschikking gehecht. Dit betekent dat de rechtbank opnieuw het aandeel van de man in de kosten van de kinderen dient te berekenen en dit leidt tot de volgende berekening:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 1] € 349,00 349/1655 * 505 = € 106,49

[minderjarige 3] € 718,00 718/1655 * 505 = € 219,09

[minderjarige 2] € 588,00 588/1655 * 505 = € 179,42

Totaal € 1.655,00 € 505,00

4.48.

Omdat de echtgenote van de man ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] , zal de rechtbank ook voor haar opnieuw haar aandeel berekenen:

4.49.

De draagkracht van de echtgenote van de man in periode 1 wordt aan de hand van de formule 70% x [ 2821 – (450 + 1310)] berekend op afgerond € 743,00 per maand. De berekening met kenmerk ‘draagkracht echtgenote van de man 2025 werkelijke woonlast’ wordt aan deze beschikking gehecht.

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 3] € 718,00 718/1306 * 743 = € 408,48

[minderjarige 2] € 588,00 588/1306 * 743 = € 334,52

Totaal € 1.306,00 € 743,00

Draagkrachtvergelijking met werkelijke woonlast

4.50.

De draagkracht van de man voor [minderjarige 1] bedraagt afgerond € 106,00 per maand en het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige 1] bedraagt € 25,00 per maand. Dit betekent dat de gezamenlijke draagkracht van partijen € 131,00 per maand bedraagt en dus nog steeds niet toereikend is om daarmee in de volledige behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 218,00 per maand.

4.51.

Voor [minderjarige 3] is de gezamenlijke draagkracht € 808,00 (€ 219,00 + € 408,00 + € 181,00) en voor [minderjarige 2] is de gezamenlijke draagkracht € 514,00 (€ 179,00 + € 335,00). Dit betekent dat de man, nu de gezamenlijke draagkracht van alle onderhoudsplichtigen de behoefte van [minderjarige 3] overstijgt, niet zijn volledige draagkracht voor [minderjarige 3] hoeft aan te wenden. Het restant van € 90,00 zal de rechtbank naar rato van behoefte verdelen volgens de formule:

  • ieders behoefte gedeeld door de gezamenlijke behoefte, vermenigvuldigd met beschikbare draagkracht;

  • voor [minderjarige 1] : € 349 / € 937 x € 90 = € 33,52

  • voor [minderjarige 2] : € 588 / € 937 x € 90 = € 56,48.

4.52.

Hiermee komt de totale beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] op € 106,00 + € 34,00 = € 140,00 per maand. De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw, te weten € 165,00 per maand, is nog steeds lager dan de behoefte van [minderjarige 1] , zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Zorgkorting

4.53.

Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken zal voor de berekening van de kinderalimentatie van een zorgkorting worden uitgegaan van 25%, gebaseerd op de zorgregeling waaraan partijen op dit moment uitvoering geven. Voor zover de definitieve beslissing over de zorgregeling leidt tot een andere zorgkorting dan zullen (de advocaten van) partijen in onderling overleg treden om te bepalen wat dit betekent voor de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] .

4.54.

Gelet op de hoogte van de behoefte van € 349,00 per maand bedraagt de zorgkorting, afgerond, € 87,00 per maand (25% van € 349,00). Nu de ouders van [minderjarige 1] onvoldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van hem te voorzien, zal de rechtbank de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage. Het tekort van € 184,00 (€ 349,00 minus € 165,00) dient gelijkelijk te worden verdeeld tussen de ouders, zodat aan ieder van partijen wordt toegerekend een bedrag van afgerond € 92,00 per maand. Nu dit bedrag hoger is dan de zorgkorting kan de man geen zorgkorting verzilveren. Dit betekent dat de man dient bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] met een bedrag van € 140,00 per maand.

Conclusie kinderalimentatie periode 1

4.55.

De rechtbank bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor periode 1 op een bedrag van € 140,00 per maand. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025 zal de rechtbank deze bijdrage per 1 januari 2026 indexeren en bepalen op een bedrag van € 146,44. 2

Periode 2

Bijdrage voor [minderjarige 1]

4.56.

Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] in periode 2 bedraagt afgerond € 165,00 en het aandeel van de vrouw bedraagt € 25,00. Dit betekent dat de gezamenlijke draagkracht van partijen afgerond € 190,00 per maand bedraagt en zij dus niet volledig in de kosten van [minderjarige 1] kunnen voorzien. De rechtbank zal, gelet op het door de vrouw gestelde, de woonlasten van de man en zijn echtgenote daarom nader beoordelen.

4.57.

Uitgaande van het eerder genoemde NBI van € 3.914,00 per maand in 2026 becijfert de rechtbank aan de hand van de formule 70% x [3914 – (450 + 1365 + 256)] de draagkracht van de man in 2026 op € 1.290,00 per maand. De berekening met kenmerk ‘draagkracht man 2026 werkelijke woonlast’ wordt aan deze beschikking gehecht.

4.58.

Dit betekent dat de rechtbank opnieuw het aandeel van de man in de kosten van de kinderen dient te berekenen en dit leidt tot de volgende berekening:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 1] € 365,00 365/1731 * 1.290 = € 272,01

[minderjarige 3] € 751,00 751/1731 * 1.290 = € 559,67

[minderjarige 2] € 615,00 615/1731 * 1.290 = € 458,32

Totaal € 1.731,00 € 1.290,00

4.59.

Omdat de echtgenote van de man ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] , zal de rechtbank ook opnieuw haar aandeel berekenen:

4.60.

De draagkracht van de echtgenote van de man wordt aan de hand van de formule 70% x [ 3482 – (450 + 1310)] berekend op afgerond € 1.167,00 per maand. De berekening met kenmerk ‘draagkracht echtgenote 2026 (werkelijke woonlast)’ wordt aan deze beschikking gehecht.

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 3] € 751,00 751/1366 * 1.167 = € 641,59

[minderjarige 2] € 615,00 615/1366 * 1.167 = € 525,41

Totaal € 1.366,00 € 1.167,00

Draagkrachtvergelijking met werkelijke woonlast

4.61.

Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] bedraagt afgerond € 272,00 per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt € 25,00 per maand. Dit betekent dat de gezamenlijke draagkracht van partijen € 297,00 per maand bedraagt en dus nog steeds niet toereikend is om daarmee in de volledige behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 68,00 per maand.

4.62.

Voor [minderjarige 3] is de gezamenlijke draagkracht € 1.391,00 (€ 560,00 + € 642,00 + € 189,00) en voor [minderjarige 2] is de gezamenlijke draagkracht € 983,00 (€ 458,00 + € 525,00). De draagkracht voor beide kinderen is dus hoger dan hun behoefte. Dit betekent dat de man niet zijn volledige draagkracht voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] hoeft aan te wenden.

4.63.

De rechtbank staat voor de keuze om ofwel bij de draagkracht van de man het overschot dat er is bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te tellen dan wel, nu er een tekort is in de draagkracht voor [minderjarige 1] en de ouders van [minderjarige 3] volledig in haar behoefte kunnen voorzien, te bepalen dat de man geen bijdrage behoeft te betalen voor [minderjarige 3] . De rechtbank kiest voor de laatste oplossing nu zij deze, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de meest redelijke vindt. Dit betekent dat de draagkracht van de man wordt verdeeld over twee kinderen.

Berekening aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1]

4.64.

Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank aldus rekening met een onderhoudsverplichting van de man jegens twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De draagkracht van de man in periode 2 bedraagt € 1.290,00 per maand.

Dit betekent dat de rechtbank opnieuw het aandeel van de man in de kosten van de kinderen dient te berekenen en dit leidt tot de volgende berekening:

Kind Behoefte verdeling naar rato behoefte aandeel

[minderjarige 1] € 365,00 365/980 * 1.290 = € 480,46

[minderjarige 2] € 615,00 615/980 * 1.290 = € 809,54

Totaal € 980,00 € 1.290,00

4.65.

De draagkracht van de man voor [minderjarige 1] bedraagt € 480,00 per maand en de draagkracht van de vrouw € 25,00 per maand. Dit betekent dat een draagkrachtvergelijking gemaakt dient te worden. De rechtbank begroot het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] als volgt:

480 / 505 x 365 = € 346,93.

Zorgkorting

4.66.

Gelet op de hoogte van de behoefte van € 365,00 per maand bedraagt de zorgkorting, afgerond, € 91,00 per maand. Nu de ouders van [minderjarige 1] voldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van hem te voorzien, zal de rechtbank de zorgkorting in mindering brengen op de bijdrage. Dit betekent dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 256,00 per maand (€ 347,00 -/- € 91,00).

Conclusie kinderalimentatie periode 2

4.67.

De rechtbank bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor periode 2 op een bedrag van € 256,00 per maand.

4.68.

Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2017, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- [minderjarige 1] , geboren te [woonplaats] op [datum] ,

aldus, dat deze bijdrage met ingang van:

  • 16 september 2025 nader wordt bepaald op € 140,00 per maand;

  • 1 januari 2026 nader wordt bepaald op € 146,44 per maand;

  • 2 april 2026 nader wordt bepaald op € 256,00 per maand,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af ten aanzien van de kinderalimentatie;

5.3.

houdt, in afwachting van de rapportage van de raad voor de kinderbescherming, de beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aan tot 21 november 2026;

5.4.

verklaart de beslissing over de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de tot op heden gemaakte proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 18 mei 2026.

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

1

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664.

2

Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733