Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3158

Essentie (gemaakt door AI)

Erfgenamen twisten over verdeling van percelen nabij de Efteling. In eerste aanleg is de wijze van verdeling gelast door openbare verkoop met reële executie, waarin is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van ontbrekende wilsverklaringen bij levering. Appellant stelt hoger beroep in maar schrijft dit niet tijdig in het rechtsmiddelenregister. Het hof oordeelt dat aan de eis van art. 3:301 lid 2 BW niet is voldaan en dat de grieven onlosmakelijk samenhangen met de levering, zodat appellant niet-ontvankelijk is.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Grieven erfgenaam betreffen de kern van de inschrijvingseis ex art. 3:301 lid 2 BW: niet-ontvankelijk
Erfgenaam komt met meerdere grieven op tegen vonnis vaststelling verdelingswijze door openbare verkoop en levering percelen erflaatster (reële executie). Niet voldaan aan eis inschrijving rechtsmiddel. Geen inhoudelijke behandeling.

Datum publicatie10-08-2026
Zaaknummer200.343.944_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenErfrecht; Verdeling;
Familievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling;
Familieprocesrecht; Hoger beroep; Ontvankelijkheid
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 3 301

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

vaststelling wijze van verdeling door openbare verkoop en levering percelen grond: reële executie. Niet voldaan aan eis inschrijving rechtsmiddel (artikel 3:301 lid 2 BW) : niet ontvankelijk

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.343.944/01

arrest van 4 november 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. F.A. van den Heuvel te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. P.M. Boiten te Dordrecht,

2 [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde 4] ,
wonende te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

6. [geïntimeerde 6] ,
wonende te [woonplaats] ,

7. [geïntimeerde 7] ,
wonende te [woonplaats] ,

8. [geïntimeerde 8] ,
wonende te [woonplaats] ,

9. [geïntimeerde 9] ,
wonende te [woonplaats] ,

10. [geïntimeerde 10] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden sub 2 t/m 10] ,

advocaat: mr. A.M. Hoppenbrouwers te Breda,

en

11 [geïntimeerde 11] ,
wonende te [woonplaats] ,

12. [geïntimeerde 12] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden sub 11 + 12] ,

advocaat: mr. N.M. Lindhout-Schot te Tilburg,

en

13 [geïntimeerde 13] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploten van dagvaarding van 17 juli 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 april 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [geïntimeerde 1] als eiser en [appellant] , [geïntimeerden sub 2 t/m 10] [geïntimeerden sub 11 + 12] en [geïntimeerde 13] als gedaagden.

1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/408425 / HA ZA 23-208)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaardingen in hoger beroep, met incidentele vordering;

  • de memorie van antwoord in het incident zijdens [geïntimeerde 1] ;

  • de memorie van antwoord in het incident zijdens [geïntimeerden sub 11 + 12] ;

  • het bericht in het roljournaal waaruit blijkt dat partijen niet hebben gefourneerd in het incident;

  • de memorie van grieven, met producties 14 tot en met 17;

  • de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde 1] , met producties 1 tot en met 3;

  • de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerden sub 2 t/m 10] ;

  • de memorie van antwoord zijdens [geïntimeerden sub 11 + 12] ;

  • de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;

  • de akte overlegging producties 1 tot en met 5 zijdens [geïntimeerden sub 2 t/m 10] , die bij de mondelinge behandeling in het geding is gebracht;

  • de akte overlegging producties 4 tot en met 6 zijdens [geïntimeerde 1] , die bij de mondelinge behandeling in het geding is gebracht;

  • de akte overlegging producties 18 tot en met 21 zijdens [geïntimeerden sub 11 + 12] , die bij de mondelinge behandeling in het geding is gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] de vordering in het incident (schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad totdat in hoger beroep is beslist) ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist. Over de proceskosten zal het hof gelijktijdig met de beslissing daarover in de hoofdzaak oordelen.

3De beoordeling in de hoofdzaak

De kern van het geschil

3.1.1.

Partijen zijn erfgenamen van hun in 2001 overleden moeder en oma. Deze zaak gaat over de verdeling van de nalatenschap en een tussen de erfgenamen bestaande eenvoudige gemeenschap, meer in het bijzonder om de verdeling van een aantal percelen in de (directe) omgeving van attractiepark de Efteling. Omdat de deelgenoten niet tot overeenstemming konden komen over de (wijze van) verdeling van deze percelen, is [geïntimeerde 1] deze procedure gestart. De overige dertien erfgenamen zijn verschenen en hebben verweer gevoerd. De rechtbank heeft [geïntimeerde 1] grotendeels gevolgd in zijn stellingen en heeft de wijze van verdeling gelast, kort gezegd de openbare verkoop op de vrije markt van alle percelen grond door de door [geïntimeerde 1] genoemde rentmeester [X] . [appellant] is het niet eens met dat oordeel en is in hoger beroep gekomen.

3.1.2.

[appellant] heeft echter verzuimd het rechtsmiddel (tijdig) te doen inschrijven in het daarvoor bestemde register. Dat leidt naar het oordeel van het hof tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Dat betekent dat het hof niet inhoudelijk op de zaak zal kunnen ingaan. Dat oordeel wordt hierna verder toegelicht.

De feiten

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.1.

Op 18 januari is overleden de [vader] (hierna: vader). Op 29 oktober 2001 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster).

3.2.2.

Tot aan het overlijden van vader waren vader en erflaatster met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn tien kinderen geboren te weten:

- [geïntimeerde 11] , geïntimeerde sub 13, [appellant] , [geïntimeerde 12] en geïntimeerde sub 3;

- wijlen [moeder geïntimeerde sub 4] , met achterlating van één afstammeling, te weten geïntimeerde sub 4;

- wijlen [vader geïntimeerden 1 + 5 t/m 7] , met achterlating van vier afstammelingen, te weten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] ;

- wijlen [moeder geïntimeerden sub 8 t/m 10] , met achterlating van drie afstammelingen, te weten geïntimeerden sub 8, 9 en 10;

- één kind dat is vooroverleden zonder achterlating van afstammelingen.

3.2.3.

De nalatenschap van erflaatster is vereffend en verdeeld, behoudens de volgende zeven onroerende zaken in de kadastrale gemeente Loon op Zand :

- [sectie 1, nummer 1]

- [sectie 1, nummer 2]

- [sectie 1, nummer 3]

- [sectie 1, nummer 4]

- [sectie 2, nummer 1]

- [sectie 2, nummer 2]

- [sectie 4, nummer 2]

3.2.4.

Erflaatster heeft in 1990 drie percelen geschonken aan de toen nog levende kinderen. Dit betreft de volgende onroerende zaken in de kadastrale gemeente Loon op Zand:

- [sectie 3, nummer 1]

- [sectie 3, nummer 2]

- [sectie 4, nummer 1] .

3.2.5.

Voornoemde onroerende zaken zijn gelegen aan de rand van het gebied waarop de Efteling is gevestigd.

3.2.6.

Het aandeel in de nalatenschap en in de eenvoudige gemeenschap is voor:

- [geïntimeerde 11] , geïntimeerde sub 13, [appellant] , [geïntimeerde 12] en geïntimeerde sub 3: ieder 1/9e;

- [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 5] , [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7] : ieder 1/36e;

- geïntimeerden sub 8, 9 en 10: ieder 1/27e.

3.2.7.

De percelen zijn verpacht en er is een zogenaamde ‘pachtpot’ gecreëerd.

3.2.8.

Op 24 juni 2022 zijn de percelen [sectie 3, nummer 1] , en [sectie 3, nummer 2] , verkocht aan TennT TSO BV en geleverd. De netto verkoopopbrengst is conform ieders aandeel verdeeld.

3.2.9.

Partijen kunnen niet in onderling overleg tot een verdeling van de resterende acht onroerende zaken komen.

De vorderingen van partijen en de beslissingen van de rechtbank

3.3.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde 1] gevorderd bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor zover in hoger beroep van belang:

I. de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster (zeven percelen) alsmede de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap (één perceel) te gelasten door te bepalen dat:

- alle tot de tussen partijen bestaande gemeenschappen behorende onroerende zaken met de volgende kadastrale aanduiding:

[sectie 1, nummer 1]

[sectie 1, nummer 2]

[sectie 1, nummer 3]

[sectie 1, nummer 4]

[sectie 2, nummer 1]

[sectie 2, nummer 2]

[sectie 4, nummer 2]

[sectie 4, nummer 1]

door de heer [X] , rentmeester, makelaar en taxateur, verbonden aan Aelmans Rentmeesters Makelaars althans door een door de rechtbank te benoemen makelaar op de vrije markt worden verkocht aan de hoogst biedende (rechts)persoon,

waarbij voornoemd makelaarskantoor de vanaf vraagprijs bindend zal bepalen en dat partijen in het kader van het verkooptraject de redelijke aanwijzingen van de makelaar in het kader van de uitoefening van zijn opdracht dienen op te volgen (zoals bijvoorbeeld met betrekking tot het door de makelaar noodzakelijk c.q. wenselijk geachte beheer met het oog op het maken van fotorapportages en/of bezichtigingen, het plaatsen van verkoopaanduidingen rondom de onroerende zaken etc.) en dat, indien de makelaar partijen adviseert om een door een gegadigde uitgebracht bod te aanvaarden partijen dienen mee te werken aan de totstandkoming van een op een dergelijk te baseren verkoopovereenkomst met die gegadigde mits zijn bod ten minste gelijk is aan de vooraf bepaalde laatprijs;

waarna de netto-verkoopopbrengst (dus na aftrek van de kosten van de makelaar, notaris en eventuele andere noodzakelijke kosten) tussen partijen wordt verdeeld zodanig dat ieder van de deelgenoten het hem of haar toekomende deel ontvangt van de netto-verkoopopbrengst;

- en het geldbedrag dat in depot staat bij DGF Notarissen met nummers [1.1] en [1.2] te verdelen zodanig dat ieder van de deelgenoten het hem of haar toekomende deel ontvangt van het na aftrek van de door de notaris gemaakte kosten in depot staande geldbedrag;

II. gedaagden te veroordelen om:

• binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de overeenkomst van opdracht met makelaar de heer [X] , rentmeester, makelaar en taxateur, verbonden aan Aelmans Rentmeesters Makelaars dan wel een andere makelaar te ondertekenen en deze makelaar de vanaf vraagprijs bindend te laten bepalen en deze makelaar toestemming te verlenen de gebruikelijke werkzaamheden m.b.t. de verkoop uit te laten voeren, waaronder doch niet uitsluitend beperkt het toelaten van de makelaar tot de onroerende zaken, het maken van foto’s door of namens de makelaar, het toestaan van het plaatsen van ‘te koop’-borden en -biljetten in en bij de onroerende zaken en deze te laten staan c.q. hangen, toestemming geven tot het publiceren van de onroerende zaken op websites, het toelaten van bezichtigingen, het beschikbaar zijn voor overleg met de makelaar op diens verzoek, en te bepalen dat indien een deelgenoot zijn medewerking weigert te verlenen aan de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht met de makelaar, het te dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van zijn instemmende verklaring;

• indien de makelaar partijen adviseert om een door een gegadigde uitgebracht bod te aanvaarden, partijen dienen mee te werken aan de totstandkoming van een op een dergelijk bod te baseren verkoopovereenkomst met die gegadigde mits zijn bod ten minste gelijk is aan de vooraf door de makelaar bepaalde laatprijs en te bepalen dat indien een deelgenoot weigert zijn medewerking te verlenen aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst (op de gebruikelijke, door de ingeschakelde makelaar gehanteerde voorwaarden) dit vonnis in de plaats treedt van de instemmende verklaring van die deelgenoot;

• na betekening van dit vonnis mee te werken aan het notarieel transport van de onroerende zaken en te bepalen dat voor het geval een deelgenoot weigert zijn medewerking te verlenen aan de levering van de onroerende zaak aan de koper, dit vonnis voor wat betreft de verklaring van die deelgenoot in de notariële transportakte in de plaats treedt;

III. in het geval de rechtbank een proceskostenveroordeling uitspreekt, gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure,

althans zodanig te oordelen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.3.2.

De andere erfgenamen hebben verweer gevoerd. Zij hebben allen meer of minder omvattende voorstellen voor een andere wijze van verdeling gedaan. [appellant] enerzijds, en geïntimeerden sub 2, 3, 4, 8, 9, 10 en 13 anderzijds, hadden dit -anders dan [geïntimeerden sub 11 + 12] - in de vorm van reconventionele vorderingen gedaan. In het vonnis waarvan beroep (in rov. 1.1) staat te lezen dat de beide advocaten tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven dat deze vorderingen als een verweer moeten worden beschouwd, zodat de rechtbank er van is uitgegaan dat de vorderingen zijn ingetrokken. Dat is ook voor het hof het uitgangspunt.

3.3.3.

In het eindvonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank -voor zover in hoger beroep relevant- overwogen:

- dat naar billijkheid rekening houdend met zowel de belangen van partijen als het algemeen belang, geen toedeling van een of meer onroerende zaken aan [appellant] (en verkoop van de rest) als wijze van verdeling wordt gelast, maar verkoop van alle onroerende zaken met verdeling van de netto-opbrengst (rov. 4.13);

- dat het door [geïntimeerde 1] geformuleerde stappenplan voor de wijze van verkoop als uitgangspunt zal worden genomen, waarbij aan de geuite bezwaren ten aanzien van rentmeester [X] (hierna: ( [X] ) voorbij is gegaan (rov. 4.20 en 4.22);

- dat de door [geïntimeerde 1] genoemde termijn (vordering sub III) moet worden gesteld op vier weken (rov. 4.24), dat de onroerende zaken minimaal een half jaar te koop moeten hebben gestaan voordat een bod kan worden geaccepteerd (rov. 4.25) en dat, omdat alle partijen gehouden zijn aan de veroordeling mee te werken, de vordering sub III ook ten aanzien van [geïntimeerde 1] zal worden toegewezen (rov. 4.26).

3.3.4.

Op grond daarvan heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster (zeven percelen), alsmede de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap (één perceel) in rov. 5.2 als volgt gelast:

“5.2.1. bepaalt dat alle tot de tussen partijen bestaande gemeenschappen behorende onroerende zaken met de volgende kadastrale aanduiding:

[sectie 1, nummer 3]

[sectie 1, nummer 4]

[sectie 2, nummer 1]

[sectie 2, nummer 2]

[sectie 4, nummer 2]

[sectie 4, nummer 1]

door de heer [X] , rentmeester, makelaar en taxateur, verbonden aan Aelmans Rentmeesters Makelaars, op de vrije markt worden verkocht aan de hoogst biedende (rechts)persoon,

5.2.2.

bepaalt dat de heer [X] de laatprijs en de vraagprijs bindend zal bepalen en dat partijen in het kader van het verkooptraject de redelijke aanwijzingen van hem in het kader van de uitoefening van zijn opdracht dienen op te volgen (zoals bijvoorbeeld met betrekking tot het door de makelaar noodzakelijk c.q. wenselijk geachte beheer met het oog op het maken van fotorapportages en/of bezichtigingen, het plaatsen van verkoopaanduidingen rondom de onroerende zaken etc.) en dat, indien voornoemde makelaar partijen adviseert om een door een gegadigde uitgebracht bod te aanvaarden partijen dienen mee te werken aan de totstandkoming van een op een dergelijk bod te baseren verkoopovereenkomst met die gegadigde mits zijn bod ten minste gelijk is aan de vooraf door de heer [X] bepaalde laatprijs,

5.2.3.

bepaalt dat de onroerende zaken minimaal een half jaar te koop moeten hebben gestaan voordat een bod kan worden geaccepteerd,

5.2.4.

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst (dus na aftrek van de kosten van de makelaar, notaris en eventuele andere noodzakelijke kosten) tussen partijen wordt verdeeld naar rato van ieders gerechtigdheid daarin,

5.2.5.

veroordeelt partijen om alle nodige medewerking te verlenen aan de verkoop van het onroerend goed, onder meer door:

- binnen vier weken na betekening van het vonnis de overeenkomst van opdracht met de heer [X] , rentmeester, makelaar en taxateur, verbonden aan Aelmans Rentmeesters Makelaars te ondertekenen;

- deze makelaar de laatprijs en vraagprijs bindend te laten bepalen;

- deze makelaar toestemming te verlenen de gebruikelijke werkzaamheden m.b.t. de verkoop uit te laten voeren, waaronder doch niet uitsluitend het toelaten van de makelaar tot de onroerende zaken, het maken van foto’s door of namens de makelaar, het toestaan van het plaatsen van ‘te koop’-borden en -biljetten in en bij de onroerende zaken en deze te laten staan c.q. hangen, het toestemming geven tot het publiceren van de onroerende zaken op websites, het toelaten van bezichtigingen, het beschikbaar zijn voor overleg met de makelaar op diens verzoek;

- indien de makelaar partijen conform 5.2.2. adviseert om een door een gegadigde uitgebracht bod te aanvaarden, mee te werken aan de totstandkoming van een op een dergelijk bod te baseren verkoopovereenkomst (op de gebruikelijke, door [X] gehanteerde voorwaarden) met die gegadigde, mits zijn bod ten minste gelijk is aan de vooraf door de makelaar bepaalde laatprijs;

- mee te werken aan het notarieel transport van de onroerende zaken; en

bepaalt dat, voor het geval een deelgenoot weigert zijn medewerking te verlenen, dit vonnis in de plaats zal treden van de ontbrekende wilsverklaring van (/de rechtshandelingen te verrichten door) alle deelgenoten (het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar, het ondertekenen van de verkoopovereenkomst en het meewerken aan het opstellen en ondertekenen van de notariële akte)”.

Het vonnis is voor wat betreft (onder meer) deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kosten van de procedure zijn tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het geschil in hoger beroep

3.4.1.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zijn grieven richten zich kort gezegd tegen de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling van de percelen. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog vaststellen van de wijze van verdeling waarbij aan hem primair -kort gezegd- zijn 1/9e erfdeel in grond wordt toegewezen, en subsidiair tot het vaststellen van de wijze van verdeling door openbare verkoop volgens het door hem in het petitum geformuleerde stappenplan.

3.4.2.

[geïntimeerden sub 11 + 12] hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, het incident daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4.3.

[geïntimeerden sub 2 t/m 10] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente. Tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is echter geen expliciete grief (in incidenteel hoger beroep) geformuleerd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.

3.4.4.

[geïntimeerde 1] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] en veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.5.1.

Alvorens het hof toekomt aan de beoordeling van de grieven van [appellant] , dient het hof ambtshalve te beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aangekondigd dat deze vraag besproken zou worden en partijen zijn daar in hun pleitnotities op ingegaan.

3.5.2.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW moet het hoger beroep tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen daarvan worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 433 Rv. De sanctie van niet-ontvankelijkverklaring in geval van niet-tijdige inschrijving betreft ook de andere onderdelen van het dictum die, blijkens het dictum, onlosmakelijk met het onderwerp van de inschrijvingseis zijn verbonden (vgl. HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, en 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531).

Het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW strekt ertoe dat bij inschrijving in de openbare registers van een uitspraak die in de plaats treedt van (een deel van) een tot levering bestemde akte als bedoeld in artikel 3:89 BW, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek, geen rechtsmiddel is ingesteld. Dit is van belang voor de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen (vgl. onder meer HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538).

3.5.3.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit hoger beroep gelden de volgende uitgangspunten.

a. De eis van inschrijving in het rechtsmiddelenregister geldt slechts voor gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden.

b. Verder strekt een niet-ontvankelijkheid op de voet van artikel 3:301 lid 2 BW zich alleen uit tot de grieven of klachten die zich richten tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van (een deel van) de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.

c. Dit voorschrift strekt ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist; het strekt niet ter bescherming van het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld. Verweren en vorderingen die niet strekken tot waarborging van de betrouwbaarheid van de openbare registers, maar tot behartiging van andere belangen van partijen, vallen niet onder het bereik van 3:301 lid 2 BW. Dat artikel strekt immers niet tot bescherming van die partijbelangen.

3.5.4.

Om te kunnen vaststellen of sprake is van een uitspraak als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW is uitleg nodig van de beslissing van de rechtbank zoals in het dictum is opgenomen onder 5.2.5. In dit geval kan het dictum niet anders worden begrepen -en daarover bestaat tussen partijen ook geen discussie- dan dat de rechtbank heeft bepaald dat 1) partijen dienen mee te werken aan het notariële transport en 2) indien één van de partijen niet meewerkt aan (onder meer) het opstellen en ondertekenen van de notariële akte, de uitspraak in de plaats zal treden van ‘een deel van de akte’ in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW, namelijk van de in de leveringsakte vereiste wilsverklaring van de niet-meewerkende deelgeno(o)t(en) (vgl. ook HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647). Partijen hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg leiden. Het hof is dan ook van oordeel dat het dictum aldus moet worden uitgelegd dat het vonnis in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW en de medewerking daaraan door een of meer deelgeno(o)t(en).

3.5.5.

Niet in geschil is dat niet aan de eis van inschrijving is voldaan. [appellant] voert aan dat deze eis slechts geldt voor de gevallen waarin de bestreden uitspraak op het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld daadwerkelijk in de plaats van de akte is getreden of nog kan treden (zie rov. 3.5.3 onder a.). Volgens hem is dat niet het geval omdat alle deelgenoten in de wachtstand zijn gegaan. Dat betoog faalt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Vaststaat dat partijen nog geen uitvoering hebben gegeven aan de veroordeling. Dat [X] de verkoop nog niet ter hand heeft genomen, sluit niet uit dat hij dat alsnog kon/kan doen met als mogelijk gevolg dat de uitspraak alsnog ter vervanging van de akte van levering of een deel daarvan kan worden ingeschreven. Op het moment dat [appellant] zijn hoger beroep instelde, kon het vonnis van de rechtbank nog daadwerkelijk in de plaats treden van de akte van levering of een deel daarvan. Die mogelijkheid bestaat nog steeds. In die gevallen is de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen wel degelijk in het geding. Er is geen plaats voor onderzoek door de rechter naar de vraag of de belangen van partijen zijn geschaad (zie rov. 3.5.3 onder c.). Het beroep op redelijkheid en billijkheid is niet toegelicht.

3.5.6.

Ten aanzien van de onlosmakelijkheidseis (zie rov. 3.5.3. onder b.) overweegt het hof tot slot nog als volgt. Het hoger beroep van [appellant] ziet op de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling van de percelen. In het kader van die vaststelling heeft de rechtbank zijn verzoek om toedeling van een of meer perce(e)l(en) grond afgewezen (grief 1) en de wijze waarop de openbare verkoop ter hand moet worden genomen (grief 2) bepaald. Grief 3 is gericht tegen het dictum. De door de rechtbank in rov. 5.2 van het dictum bepaalde wijze van verdeling betreft een complex van door partijen te verrichten rechtshandelingen dan wel daarmee onlosmakelijk verbonden stappen die moeten leiden tot de verkoop en levering van de percelen. Dit betreft dan ook de kern van de inschrijvingseis van artikel 3:301 lid 2 BW. De door de rechtbank in rov. 5.2.5 uitgesproken voor reële executie vatbaar verklaarde veroordeling tot medewerking aan levering staat daarmee in onlosmakelijk verband met alle in rov. 5.2 opgenomen eindoordelen waartegen het hoger beroep zich richt, te weten de wijze van verdeling (zoals volgt uit rov. 4.9 tot en met 4.14 van het vonnis waarvan beroep) en de wijze van verkoop (zoals volgt uit rov. 4.15 tot en met 4.28 van het vonnis waarvan beroep).

Conclusie

3.6.1.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De overige stellingen en weren behoeven geen verdere bespreking.

2.6.2.

De rechtbank ziet in de familierelatie aanleiding om te bepalen dat ieder de eigen kosten draagt, ook die in het incident. Op dat gebruik kan een uitzondering worden gemaakt als een vordering (in incident) nodeloos is ingesteld, maar daarvan is onvoldoende gebleken.

4De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;

compenseert de proceskosten in de hoofdzaak en het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, C.M.J. Peters en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025.

griffier rolraadsheer



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733