Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 10-08-2026 |
| Zaaknummer | C/16/602513 / BE ZA 25-56 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Tuchtrecht / aansprakelijkheid |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
onbevoegd afwikkelen nalatenschap door niet-erfgenaamVolledige uitspraak
Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602513 / BE ZA 25-56
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[procesgevolmachtigde] ,
in persoon en in haar hoedanigheid van procesgevolmachtigde van
de heer [eiser/gedaagde],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij, gedaagde in verzet,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [procesgevolmachtigde]
advocaat: mr. J.B. de Bruin.
tegen
[gedaagde/eiser] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij, eiser in verzet,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde/eiser] ,
advocaat: mr. J.P. den Besten,
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van deze rechtbank van 24 september 2025;
- de verzetdagvaarding, tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 6;
- de conclusie van antwoord op de eis in reconventie met producties 1 t/m 35, waarbij productie 30 later wordt overgelegd;
- aanvullende productie 30 van [procesgevolmachtigde] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij zijn partijen met hun advocaat verschenen. Van deze zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Op [datum overlijden] 2020 is [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater is de vader van [procesgevolmachtigde] . [procesgevolmachtigde] en haar broer [eiser/gedaagde] zijn de erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap beiden beneficiair aanvaard. [gedaagde/eiser] is de broer van erflater.
Erflater woonde in Duitsland en heeft op enig moment een woning gekocht aan [adres] te [plaats 1] , Duitsland. De woning stond in het kadaster alleen op zijn naam en staat nu op naam van de erven, [procesgevolmachtigde] en haar broer. [gedaagde/eiser] heeft deze woning na het overlijden van erflater leeggehaald en verhuurd en de huurpenningen ontvangen en behouden. Verder heeft [gedaagde/eiser] een uitkering uit een overlijdensrisicoverzekering bij Nationale Nederlanden, die bestemd was voor de erfgenamen, aan zich laten overmaken en een tot de nalatenschap behorende auto verkocht. [gedaagde/eiser] heeft de koopsom behouden. Daarnaast heeft [gedaagde/eiser] een geldbedrag van de rekening van erflater aan zichzelf overgemaakt.
[gedaagde/eiser] is bij verstek veroordeeld om een bedrag van € 80.201,81 te betalen. Dit bedrag is samengesteld uit verschillende (schade)componenten.
3Het geschil
[procesgevolmachtigde] vordert, samengevat, dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde/eiser] jegens [procesgevolmachtigde] en haar broer/de nalatenschap onrechtmatig heeft gehandeld;
II. [gedaagde/eiser] veroordeelt tot vergoeding van de door [procesgevolmachtigde] en haar broer/de nalatenschap hierdoor geleden schade van € 80.201,81, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. [gedaagde/eiser] veroordeelt om na betekening van dit vonnis binnen veertien dagen na een schriftelijk verzoek van [procesgevolmachtigde] en haar broer, medewerking te verlenen aan het tekenen van een akte voor overneming door [procesgevolmachtigde] en haar broer van de tussen [gedaagde/eiser] en de huidige huurders geldende overeenkomst van de woning aan de [adres] , [postcode] te [plaats 1] (Duitsland), met ongewijzigde voortzetting van de huurovereenkomst, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag voor elke dag dat [gedaagde/eiser] niet voldoet aan het verlenen van medewerking, met een maximum van € 50.000,--;
IV. bepaalt dat indien [gedaagde/eiser] dertig dagen na betekening van dit vonnis de akte voor de contractovername nog niet getekend heeft, dit vonnis in de plaats treedt voor de vereiste medewerking van [gedaagde/eiser] ;
V. [gedaagde/eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[gedaagde/eiser] vordert, in de verzetdagvaarding, ontheffing van de veroordeling en [procesgevolmachtigde] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen, met veroordeling van [procesgevolmachtigde] en haar broer in de kosten van deze procedure.
[gedaagde/eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde/eiser] in de gelegenheid stelt om de broer van [procesgevolmachtigde] in het geding op te roepen, indien de rechtbank dit noodzakelijk acht;
II. voor recht verklaart dat [gedaagde/eiser] een vordering heeft op de nalatenschap ter grootte van zijn investering in de woning van € 15.000,--, te vermeerderen met de waardestijging van deze investering t/m de datum van dit vonnis, welke waardestijging door de rechtbank dient te worden bepaald;
III. voor recht verklaart dat [gedaagde/eiser] een vordering heeft op de nalatenschap van € 8.541,42 vanwege de door hem betaalde uitvaartkosten van erflater en diens vriendin;
IV. [procesgevolmachtigde] en haar broer hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het onder II en III gevorderde;
V. Voor recht verklaart dat [procesgevolmachtigde] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard;
VI. [procesgevolmachtigde] en haar broer veroordeelt in de kosten van deze procedure.
[procesgevolmachtigde] voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijk verklaren van [gedaagde/eiser] in zijn vorderingen dan wel de vorderingen ongegrond te verklaren, met veroordeling van [gedaagde/eiser] in de kosten van dit geding.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Procesvolmacht
Ter zitting heeft [gedaagde/eiser] verklaard dat hij de procesvolmacht van [eiser/gedaagde] aan [procesgevolmachtigde] niet langer betwist. Nu de geldigheid van de procesvolmacht wordt erkend, heeft [gedaagde/eiser] geen belang meer bij zijn vordering onder I in reconventie. Die vordering zal dus worden afgewezen.
Huurovereenkomst
Vaststaat dat de huurovereenkomst inmiddels door de huurders is opgezegd. [procesgevolmachtigde] heeft daarom geen belang meer bij haar vorderingen onder III en IV. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Onrechtmatig handelen
[procesgevolmachtigde] baseert haar eerste vordering op onrechtmatige daad en stelt dat [gedaagde/eiser] zich ten onrechte heeft voorgedaan als erfgenaam en onbevoegd over de nalatenschap heeft beschikt. Ter onderbouwing verwijst [procesgevolmachtigde] naar de hierboven onder 2.2. vermelde vaststaande feiten. In aanvulling hierop stelt zij dat [gedaagde/eiser] zich de inhoud van de door hem geopende kluis van erflater, alsmede het deel van erflater in de nalatenschap van diens ouders heeft toegeëigend. Volgens [procesgevolmachtigde] is dan ook voldaan aan de vereisten voor onrechtmatige daad.
[gedaagde/eiser] betwist dat er sprake is van een onrechtmatige daad. [gedaagde/eiser] voert aan dat hij zich niet heeft voorgedaan als erfgenaam en evenmin onbevoegd heeft gehandeld. Hij was gemachtigd tot de kluis van erflater en mocht deze dus openen. Bovendien heeft [procesgevolmachtigde] niet onderbouwd dat er een causaal verband is tussen het onrechtmatig handelen en de geleden schade.
Vaststaat dat [gedaagde/eiser] na het overlijden van erflater zonder bevoegdheid diverse handelingen heeft verricht met betrekking tot de nalatenschap, waaronder het verhuren van de woning van erflater, het leeghalen daarvan, het verkopen van diens auto en het opnemen van contact met Nationale Nederlanden ter uitbetaling aan hem van de aan de erfgenamen toekomende uitkering uit een levensverzekering. Deze handelingen zijn verricht zonder dat [gedaagde/eiser] daartoe bevoegd was. [gedaagde/eiser] heeft daarmee inbreuk gemaakt op de rechten van de erven, hetgeen [gedaagde/eiser] zeer wel wist althans had behoren te weten. [gedaagde/eiser] is immers jurist en heeft een juridisch adviesbureau in [plaats 2] . Deze inbreuk kan [gedaagde/eiser] worden toegerekend en is dus onrechtmatig jegens de erven. Onderdeel I van de vordering van [procesgevolmachtigde] is dan ook toewijsbaar.
Vervolgens dient de vraag zich aan of en in hoeverre de nalatenschap daar schade van heeft geleden. De rechtbank zal in het hierna volgende eerst op de verschillende door [procesgevolmachtigde] gestelde en bij verstek toegewezen schadecomponenten ingaan en daarna ingaan op de tegenvorderingen.
Inhoud kluis
Ten aanzien van de door [procesgevolmachtigde] gestelde contante gelden van € 40.000,-- in de kluis van erflater, die [gedaagde/eiser] zich zou hebben toegeëigend, overweegt de rechtbank dat [procesgevolmachtigde] onvoldoende heeft onderbouwd dat er contant geld, laat staan een bedrag van € 40.000,- in de kluis lag. Haar wetenschap daarvan berust hoofdzakelijk op niet onderbouwde en niet te verifiëren mededelingen van derden, terwijl door [gedaagde/eiser] gemotiveerd is betwist dat er geld in de kluis lag. Hij heeft verklaard dat er enkel documenten in de kluis lagen. Voor zover de vordering van [procesgevolmachtigde] is gebaseerd op de toe-eigening door [gedaagde/eiser] van een bedrag van € 40.000,- uit de kluis van erflater is dit niet toewijsbaar.
Nalatenschap ouders
Ook ten aanzien van het aan [gedaagde/eiser] overgemaakte bedrag afkomstig van de nalatenschap van de ouders van erflater is onvoldoende duidelijk geworden dat daarvan een deel toekwam aan erflater. Dat blijkt nergens uit en [gedaagde/eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Dit deel van de vordering van [procesgevolmachtigde] is om die reden evenmin toewijsbaar.
Auto
Met betrekking tot de auto staat vast dat [gedaagde/eiser] een auto die tot de nalatenschap behoorde heeft verkocht en de koopsom heeft ontvangen en behouden. In geschil is echter of dit een Jaguar was of een Peugeot. Volgens [procesgevolmachtigde] ging het om een Jaguar van € 15.000, volgens [gedaagde/eiser] betrof het een Peugeot van weinig waarde, die hij voor € 800,- heeft verkocht.
[procesgevolmachtigde] heeft een foto in het geding gebracht van een Jaguar, terwijl [gedaagde/eiser] een foto in het geding heeft gebracht van een Peugeot, overigens met hetzelfde kenteken. Dat kenteken stond op naam van erflater. Op grond hiervan en de stellingen van partijen kan worden vastgesteld dat erflater op enig moment zowel een Jaguar als een Peugeot in bezit heeft gehad. Echter staat onvoldoende vast dat erflater ten tijde van zijn overlijden nog in het bezit was van de Jaguar en dat dit de auto is die [gedaagde/eiser] heeft verkocht.
Vooralsnog staat dus uitsluitend vast dat [gedaagde/eiser] een auto van erflater heeft verkocht en dat de nalatenschap daardoor een schade van (tenminste) € 800,- heeft geleden. [procesgevolmachtigde] heeft aangeboden nog schriftelijk bewijs te willen leveren van haar stelling dat de Jaguar ten tijde van het overlijden van erflater nog tot de nalatenschap behoorde, onder meer door het overleggen van verklaringen. [procesgevolmachtigde] zal, overeenkomstig haar bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld die stelling te bewijzen. De rechtbank staat [procesgevolmachtigde] tevens toe bewijs te leveren van de door haar gestelde waarde van de Jaguar.
Saldo bankrekening
[gedaagde/eiser] heeft bekend dat hij een bedrag van € 5.846,-- van de rekening van erflater heeft opgenomen. Hij heeft ter zitting echter gesteld dat hij dit bedrag heeft aangewend voor betaling van schulden van de nalatenschap, te weten een schuld aan [naam 2] en belastingschulden. [procesgevolmachtigde] heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist.
Op dit moment ontbreken voldoende stukken waaruit blijkt dat voornoemd bedrag daadwerkelijk voor die schulden is aangewend. [gedaagde/eiser] heeft aangeboden daarvan bewijs te leveren. De rechtbank zal hem overeenkomstig dat bewijsaanbod toelaten tot het leveren van bewijs dat het bedrag van € 5.846,-- daadwerkelijk is aangewend voor betaling van schulden van de nalatenschap, in het bijzonder aan [naam 2] en belastingschulden. Mocht [gedaagde/eiser] hier niet in slagen dan kan worden aangenomen dat hij de nalatenschap voor een bedrag van € 5.846,-- heeft benadeeld.
Huurpenningen
Vasstaat dat [gedaagde/eiser] de woning van erflater na diens overlijden heeft verhuurd en de huurpenningen heeft gehouden. Het gaat volgens [procesgevolmachtigde] om € 12.000,-- aan huurpenningen. [gedaagde/eiser] betwist dat er voor € 12.000,-- aan huurpenningen is geïnd. Volgens hem is de woning slechts zeven maanden door hem verhuurd. Dit komt neer op een totaal van € 3.500,--.
Daarnaast stelt [gedaagde/eiser] dat hij gerechtigd was de woning te verhuren, omdat hij eigenaar van de woning geworden is of in ieder geval voor de helft eigenaar van de woning is. Hij verwijst daarvoor door een document gedateerd 16 oktober 2017, waarin een overeenkomst is vastgelegd die hij met erflater zou hebben gesloten. In die overeenkomst staat dat [gedaagde/eiser] € 15.000,- heeft geleend aan erflater, welk bedrag zal worden geïnvesteerd in de woning aan de [adres] te [plaats 1] , Duitsland. Verder staat er dat de woning door deze lening voor de helft in eigendom over zal gaan op [gedaagde/eiser] en dat indien een van de partijen bij deze overeenkomst zal overlijden de eigendom van de woning voor het geheel zal overgaan op de langstlevende.
[procesgevolmachtigde] heeft de authenticiteit van het desbetreffende document, dat is opgesteld op briefpapier van het adviesbureau van [gedaagde/eiser] , betwist. Zij stelt dat [gedaagde/eiser] in het verleden al eerder documenten heeft vervalst. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een beslissing van de officier van justitie uit 2012 in het geding gebracht, waarin deze, op basis van een ingekomen proces-verbaal van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), bureau Veiligheid en Integriteit, vaststelt dat [gedaagde/eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal of verduistering van geld en valsheid in geschrift, maar dat hij, de officier, afziet van vervolging omdat het feit in de familiekring heeft plaatsgevonden en het geld inmiddels is terugbetaald. Verder heeft zij een whats-app bericht in het geding gebracht van een broer van erflater en van [gedaagde/eiser] , haar oom [naam 1] , waarin deze refereert aan het desbetreffende delict en verklaart dat [gedaagde/eiser] om die reden oneervol ontslagen is bij het KLPD.
[procesgevolmachtigde] betwist ook dat [gedaagde/eiser] erflater geld heeft geleend. Verder wijst zij erop dat met een dergelijke overeenkomst de overdracht van de helft van de woning niet gerealiseerd kan worden, wat [gedaagde/eiser] , als jurist zeer wel wist.
Vaststaat dat de woning alleen op naam stond van erflater en nu op naam van de erven. De rechtbank komt niet tot het oordeel dat deze woning op enig moment een eenvoudige gemeenschap is geworden van erflater en [gedaagde/eiser] . Daarvoor is een overeenkomst van geldlening niet geschikt. Een dergelijke overeenkomst biedt immers geen titel voor eigendomsovergang. Er heeft bovendien geen levering aan [gedaagde/eiser] van de onverdeelde helft van de woning plaatsgevonden. Omdat niet aangenomen kan worden dat een eenvoudige gemeenschap is ontstaan kan aan het ‘verblijvingsbeding’ vanwege het ontbreken van wederkerigheid niet die betekenis worden toegekend die [gedaagde/eiser] daaraan kennelijk toegekend wenst te zien. Voor zover het beding moet worden aangemerkt als een schenking ter zake des doods geldt dat deze bij notariële akte had moeten worden vastgelegd. Nu dit niet is gebeurd is die schenking vervallen met de dood van erflater. [gedaagde/eiser] vordert ook geen verklaring voor recht dat hij (mede)eigenaar is van de woning noch levering van de woning, maar slechts terugbetaling van de geldlening c.q. het door hem geïnvesteerde bedrag. De vraag of en in hoeverre het document vals is kan om hier vermelde redenen in het midden blijven.
Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde/eiser] de huurpenningen onbevoegd heeft geïnd en behouden. Hij heeft daarmee de nalatenschap benadeeld. Wat dan rest is het geschil tussen partijen over het aantal maanden huur waarover het gaat. Bij de stukken bevindt zich een huurovereenkomst waaruit blijkt dat [gedaagde/eiser] de woning verhuurd heeft met ingang van 1 juni 2023. Vaststaat verder dat de huurovereenkomst door de huurders per 1 april 2025 is opgezegd. Daaruit volgt dat de woning 22 maanden verhuurd is geweest. Over de hoogte van de huur bestaat geen geschil. Dat was € 500,- per maand. Hieruit volgt dat [gedaagde/eiser] € 11.000,- aan huur zou moeten hebben ontvangen. [gedaagde/eiser] heeft aangeboden met nadere stukken te bewijzen dat de woning desalniettemin slechts zeven maanden verhuurd is geweest voor in totaal € 3.5000,-. De rechtbank zal [gedaagde/eiser] toelaten tot het leveren van het aangeboden bewijs.
Van de overige posten die deel uitmaken van het toegewezen bedrag van € 80.201,80 heeft [gedaagde/eiser] betwist dat deze in causaal verband staan met zijn handelen. Het gaat dan om door [procesgevolmachtigde] gemaakte notariskosten, advocaatkosten in Turkije omdat erflater ook in Turkije onroerend goed bezat, kosten van tolken en kosten van het opvragen van stukken in Duitsland. Het verweer van [gedaagde/eiser] dat deze kosten hoe dan ook gemaakt moesten worden, omdat het om een internationale erfenis gaat, treft doel. Deze kosten zijn kosten van de nalatenschap en kunnen niet op [gedaagde/eiser] verhaald worden. Dit deel van de vordering van [procesgevolmachtigde] zal dus worden afgewezen.
Ten aanzien van de door [gedaagde/eiser] ten onrechte geinde uitkering uit levensverzekering zij vermeld dat [procesgevolmachtigde] en haar broer daar geen nadeel van hebben ondervonden, omdat Nationale Nederlanden alsnog ook aan hen heeft uitgekeerd, zonder overigens het aan [gedaagde/eiser] uitgekeerde bedrag bij hem terug te vorderen.
De rechtbank zal vervolgens ingaan op de tegenvorderingen van [gedaagde/eiser] .
Uitvaartkosten
[gedaagde/eiser] stelt dat hij de uitvaartkosten van erflater en diens vriendin heeft betaald. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde/eiser] stelt dat hij uit dien hoofde regres heeft op de nalatenschap c.q. de erven. Betalingsbewijzen ontbreken, omdat hij de uitvaarten cash zou hebben betaald. [procesgevolmachtigde] betwist dat [gedaagde/eiser] de uitvaartkosten heeft betaald. De facturen staan namelijk op naam van erflater en uit de stukken blijkt niet dat [gedaagde/eiser] deze daadwerkelijk heeft voldaan.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [procesgevolmachtigde] en het ontbreken van een betalingsbewijs heeft [gedaagde/eiser] onvoldoende onderbouwd dat hij de uitvaartkosten heeft betaald. [gedaagde/eiser] heeft geen nader bewijs aangeboden, zodat zijn regresvordering als ongegrond zal worden afgewezen.
Geldlening/Investering woning
De door [gedaagde/eiser] gestelde geldlening c.q. investering van € 15.000,-- in de woning van erflater is door [procesgevolmachtigde] gemotiveerd betwist. Een betalingsbewijs ontbreekt en ook de gestelde contante betaling is niet nader onderbouwd. De verklaring van de vriendin van [gedaagde/eiser] kan niet als onderbouwing gelden, omdat zij geen onafhankelijke bron is. [gedaagde/eiser] heeft geen nader bewijs aangeboden van de geldlening c.q. investering, zodat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [gedaagde/eiser] aan erflater € 15.000,- heeft geleend of beschikbaar heeft gesteld. De gevorderde vermeerdering gerelateerd aan de waardestijging van de woning ontbeert bovendien wettelijke grondslag. De vordering van [gedaagde/eiser] met betrekking tot de door hem gestelde lening/investering zal dus worden afgewezen.
Hoofdelijkheid
Ook de gestelde hoofdelijkheid van de vermeende betalingsverplichting ontbeert wettelijke grondslag. Als er al een vordering zou zijn is dit er een op de nalatenschap en niet op de erven, mede gezien hetgeen hierna over de beneficiaire aanvaarding zal worden overwogen.
Beneficiaire aanvaarding
[gedaagde/eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat [procesgevolmachtigde] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de overgelegde akte blijkt dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard. De stelling dat [procesgevolmachtigde] eerder handelingen heeft verricht die tot zuivere aanvaarding zouden moeten leiden, is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van zuivere aanvaarding. De gevorderde verklaring voor recht zal dus worden afgewezen.
Zoals uit het bovenstaande volgt zal de rechtbank [procesgevolmachtigde] en ook [gedaagde/eiser] in de gelegenheid stellen nader bewijs te leveren conform hun beider aanbod. Beiden hebben verklaard dit schriftelijk te willen doen, dus zonder het horen van getuigen. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank nu geen eindbeslissingen opnemen in het dictum, ook niet op de onderdelen waarop wel al definitief is beslist. Iedere verdere beslissing wordt dus aangehouden.
5De beslissing
De rechtbank
laat [procesgevolmachtigde] toe tot het leveren van uitsluitend schriftelijk bewijs van haar stelling dat de Jaguar op het moment van overlijden nog in het bezit van erflater was en tot haar stelling dat deze € 15.000,- waard was;
laat [gedaagde/eiser] toe tot het leveren van uitsluitend schriftelijk bewijs van zijn stelling dat het bedrag van € 5.846,-- dat hij van de rekening van erflater heeft opgenomen, daadwerkelijk is aangewend voor betaling van belastingschulden van erflater en diens schuld aan [naam 2] ;
laat [gedaagde/eiser] toe tot het leveren van uitsluitend schriftelijk bewijs van zijn stelling dat de woning niet meer dan zeven maanden is verhuurd voor in totaal € 3.500,--;
bepaalt dat partijen de schriftelijke bewijsstukken in het geding dienen te brengen op de rol van woensdag 15 juli 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
