Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 10-08-2026 |
| Zaaknummer | C/15/372245 / HA ZA 25-770 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Tussenvonnis verdeling huwelijkse voorwaarden met bepaling wijze van verdeling activa en draagplicht passiva. Partijen dienen zich uit te laten over de waarde van de alimentatievordering van de vrouw op een eerdere ex-echtgenoot.Volledige uitspraak
Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372245 / HA ZA 25-770
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.C. Tijsterman,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 1],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. B. Wernik.
De zaak in het kort
Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Daarin zijn zij een gemeenschap van goederen met uitzondering van verervingen, schenkingen en bedrijfsvermogen overeengekomen. Na hun echtscheiding is de huwelijksgemeenschap niet verdeeld. In dit tussenvonnis bepaalt de rechtbank de wijze van verdeling van de activa en de draagplicht van de passiva. Ook de alimentatievordering van [gedaagde] op een eerdere partner zal, anders dan zij wil, in de verdeling worden betrokken. Partijen hebben hun standpunten over de waarde van die alimentatievordering nog niet duidelijk genoeg naar voren gebracht. De rechtbank zal hen daartoe alsnog in de gelegenheid stellen, te beginnen met [gedaagde], waarna [eiser] mag reageren.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 16 en producties S1 tot en met S15
- de conclusie van antwoord met 7 producties
- het tussenvonnis van 18 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte met producties 17 tot en met 33 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarbij mr. Tijsterman gebruik heeft gemaakt van overgelegde spreekaantekeningen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.
2De feiten
Partijen zijn op 17 april 2015 te [plaats 2] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is één kind geboren, [minderjarige].
Partijen zijn op 10 april 2015 huwelijkse voorwaarden overeengekomen (hierna: de huwelijkse voorwaarden). In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is het volgende opgenomen:
Tussen echtgenoten zal, met uitzondering van de goederen die hen krachtens erfrecht of schenking zijn toegekomen danwel zullen toekomen, alsmede met uitzondering van een door een echtgenoot uitgeoefend beroep of bedrijf, met inbegrip van de roerende en onroerende zaken en rechten aan toonder die behoren tot dat beroeps- of bedrijfsvermogen, en al hetgeen voor bedoeld bedrijf/bedoelde goederen in de plaats treedt/treden, een gemeenschap van goederen bestaan, één en ander voor zover hierna niet anders is bepaald. De behaalde resultaten uit de onderneming van een echtgenoot behoren uitdrukkelijk niet tot de gemeenschap van goederen.
Partijen hebben in 2020 samen de woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning) gekocht.
Op 20 augustus 2021 heeft [eiser] een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.
Bij beschikking van 6 september 2021 heeft deze rechtbank (bij wijze van voorlopige voorziening) onder andere bepaald dat [eiser] bij uitsluiting gerechtigd was tot het gebruik van de gezamenlijke woning en dat [minderjarige] aan [eiser] werd toevertrouwd. Ook is bepaald dat [eiser] vanaf 6 september 2021 € 770,- per maand – en vanaf 29 december 2021 € 1.235,- per maand – aan partneralimentatie aan [gedaagde] moest voldoen.
Bij beschikking van 25 juli 2022 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In deze uitspraak staat onder meer dat partijen waren overeengekomen om de woning zo spoedig mogelijk te verkopen en dat zij hun vorderingen aangaande de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dan wel de verdeling ter zitting hebben ingetrokken. Deze beschikking is op 18 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te [plaats 2].
Op 2 februari 2024 is de woning geleverd aan derden. De transporterend notaris houdt sindsdien de netto-verkoopopbrengst van € 207.446,57 in depot. Vermeerderd met rente en verminderd met kosten was het door de notaris in depot gehouden bedrag op
12 juni 2025 € 209.183,70.
Bij beschikking van 13 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat [gedaagde] met ingang van 31 juli 2024 € 25,00 per maand aan [eiser] moet betalen als bijdrage in de kosten van de opvoeding van [minderjarige]. In deze uitspraak staat ook dat [gedaagde] haar verzoek om ten laste van de man een partnerbijdrage vast te stellen ter zitting heeft ingetrokken, dat [eiser] zijn verzoek om afwikkeling van de huwelijkse schulden ter zitting heeft ingetrokken en dat partijen hebben afgesproken dat zij op zeer korte termijn in een viergesprek onder begeleiding van advocaten over de afwikkeling van hun huwelijkse schulden afspraken gaan maken. In de beschikking heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet ter discussie staat dat sprake is van een aanzienlijke schuldenlast van in ieder geval € 180.000,00 die tijdens het huwelijk is ontstaan in verband met de echtelijke woning.
Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dan wel de verdeling.
3Het geschil
[eiser] vordert, samengevat, om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen binnen 2 dagen na de datum van het vonnis de notaris opdracht te geven het depotbedrag volledig uit te keren aan [eiser], opdat hij het depotbedrag kan aanwenden om de door hem genoemde gezamenlijke schulden af te lossen voor zover het saldo dat toelaat, met bepaling dat [gedaagde] de vertragingsrente over de hoofdsom voldoet, en
II. daarbij te bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde],
III. [gedaagde] te veroordelen de saldi van de bankrekeningen te verdelen en opgave te doen van de saldi op haar bankrekeningen,
IV. [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het opheffen van de gezamenlijke bankrekening bij ASN,
V. [gedaagde] te veroordelen de waarden van de gezamenlijke auto’s te verdelen, waarbij [gedaagde] wordt veroordeeld voor de overbedeling € 2.406,- aan [eiser] te betalen,
VI. [gedaagde] te veroordelen informatie aan de rechtbank te verstrekken over de waarde van haar grond in Nigeria en de daarop gebouwde villa en tot verdeling van de waarde over te gaan, onder toedeling van de onroerende zaak aan [gedaagde],
VII. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] de helft van haar alimentatievordering op [betrokkene 1] te betalen,
VIII. [gedaagde] te veroordelen de proceskosten te betalen.
[eiser] voert aan dat de verdeling van de bij de huwelijkse voorwaarden overeengekomen beperkte gemeenschap nog niet heeft plaatsgevonden en dat de huwelijkse schulden nog steeds niet zijn ingelost. Omdat [gedaagde] geen medewerking wil verlenen aan het betalen van de schulden uit het bedrag dat in depot staat, ziet hij zich nu genoodzaakt om een procedure tot verdeling te starten. De te verdelen gemeenschap bevat de volgende activa:
|
Activa |
Bedrag/gebod |
|
Bedrag in depot echtelijke woning |
€ 209.183,70 + PM |
|
Privébankrekeningen |
€ 173,00 van rekeningen [eiser], [gedaagde] moet opgave doen van saldo op haar rekeningen. |
|
Gezamenlijke bankrekening bij ASN |
Moet worden opgeheven |
|
Auto’s: Peugeot 205, Opel Meriva en Nissan Juke |
€ 469,00, € 3.250,00 en € 9.000,00 |
|
Land met villa in Nigeria |
Ten minste € 10.000,00 |
|
Alimentatievordering op de heer [betrokkene 1] |
Ten minste € 193.000,00 |
Daarnaast zijn er de volgende gezamenlijke schulden (inclusief kosten voor herfinanciering) die alle voldaan moeten worden uit het bedrag dat bij de notaris in depot staat.
|
Passiva |
|
|
Aanslag IB 2020 |
€ 8.285,00 |
|
Aanslag OB 2020 |
€ 5.253,00 |
|
Aanslag IB 2021 |
€ 4.537,00 |
|
Hypotheekachterstand |
€ 2.708,00 |
|
Persoonlijke lening Rabobank/FREO |
€ 23.960,00 |
|
Lening Pro Amice Blue Holding B.V. |
€ 41.345,00 + € 8.940,00 rente |
|
Lening RTWI |
€ 52.938,00 + € 11.185,00 rente |
|
Lening M. [betrokkene 3] |
€ 25.206,00 + € 5.060,00 kosten |
|
Lening familie [eiser] |
€ 41.590,00 + € 7.866,00 kosten |
|
Rekeningen gezamenlijke accountant |
€ 3.951,00 |
|
Aanslagen Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland |
€ 1.025,00 |
|
Gemeentelijke belastingen |
€ 3.460,00 |
|
Rekening Greenchoice |
€ 381,00 |
|
Onderhoudscontract cv-ketel |
€ 361,00 |
|
BSS Slotenmaker 2021 |
€ 252,00 |
[eiser] voert het volgende aan. De activa waren op de peildatum allemaal aanwezig in de gemeenschap en moeten nog worden verdeeld. De passiva zijn allemaal gezamenlijke schulden. De leningen die [eiser] tijdens het huwelijk is aangegaan waren volledig bedoeld als consumptief krediet, om de omvangrijke verbouwing van de woning te bekostigen of om gezamenlijke schuldeisers te kunnen betalen. Voor verschillende van de schulden heeft [eiser] herfinancieringskosten moeten maken. Om aan de verplichtingen te blijven voldoen was hij genoodzaakt nieuwe leningen af te sluiten. Op grond van de huwelijkse voorwaarden is [gedaagde] net als [eiser] verantwoordelijk voor het inlossen van de huwelijkse schulden én van de schulden die na de peildatum zijn ontstaan en betrekking hebben op de gezamenlijke woning (zoals de gemeentelijke belastingen). Om die reden vordert hij [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan een opdracht aan de notaris om het volledige bedrag dat in depot staat aan [eiser] te betalen onder de verplichting voor [eiser] om de schulden te voldoen en/of het uit te betalen bedrag te verrekenen met door hem voorgeschoten bedragen. Omdat [gedaagde] willens en wetens weigert mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en [eiser] daardoor gedwongen is een dure procedure te starten vordert hij ook om [gedaagde] in de werkelijk door hem gemaakte proceskosten te veroordelen.
[gedaagde] stemt ermee in dat het bedrag dat in depot staat in de verdeling wordt betrokken. Zij overlegt gegevens van de bankrekeningen op haar naam en verklaart bereid te zijn mee te werken met de opheffing van de gezamenlijke bankrekening. Zij zegt dat zij het ermee eens is dat de Opel Meriva voor een waarde van € 3.250,00 in de verdeling wordt betrokken en dat zij bereid is de belasting teruggaven van 2020 en 2021 te delen.
Zij voert verweer tegen de andere (onderdelen van de) vorderingen van [eiser] en brengt het volgende naar voren. De Peugeot 205 had een waarde van € 3.000,00 en de Nissan Juke is nooit van [gedaagde] geweest, zodat die niet in de verdeling kan worden betrokken. Wel moet de waarde van de gemeenschappelijke BMW X5 nog verdeeld worden. Het land in Nigeria is tijdens het huwelijk al verkocht voor 3 miljoen Nigeriaanse naira, zodat verdeling daarvan niet aan de orde is. De alimentatievordering op de heer [betrokkene 1] is een verknochte vordering en hoeft daarom niet te worden verdeeld. De door [eiser] opgevoerde schulden zijn merendeels zakelijk en moeten volledig [eiser] zelf worden gedragen, omdat zakelijke schulden zijn uitgesloten van de gemeenschap. Daarbij komt dat de lening bij [betrokkene 3] zonder haar medeweten is aangegaan. [gedaagde] is niet draagplichtig voor de kosten van de woning na haar vertrek, omdat [eiser] tot de verkoop het uitsluitend gebruik van de woning had, aldus nog steeds [gedaagde].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap
De rechtbank begrijpt uit het lichaam van de dagvaarding en hetgeen is besproken ter zitting dat [eiser] onderliggend aan – en met – zijn vorderingen ook verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vordert. [gedaagde] verzet zich niet tegen verdeling als zodanig, maar wel tegen de wijze waarop [eiser] die wil vormgeven.
De beperkte gemeenschap van goederen is door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden. Als de deelgenoten in een (ontbonden) gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling kunnen bereiken, kan de rechter de wijze van verdeling gelasten of de verdeling zelf vaststellen.
1 Vaststaat dat partijen geruime tijd in gesprek zijn over verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat zij niet tot afspraken over verdeling zijn gekomen. De rechtbank zal daarom de (wijze van) verdeling vaststellen.
Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang.
2 De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
3
Peildatum
Partijen zijn het erover eens dat de tussen hen bestaande (beperkte) huwelijksgemeenschap door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op 20 augustus 2021 is ontbonden
4. Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap kan niet worden afgeweken van het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap. Daarom is de peildatum 20 augustus 2021. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet voor zover nodig worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
Als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt in beginsel de datum van de verdeling, oftewel de datum van dit vonnis, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
Omvang van de ontbonden gemeenschap
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed uiteenzetten hoe zij de verdeling zal vaststellen of de wijze van verdeling zal gelasten en zal de rechtbank per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.
Uitbetaling depotbedrag
In het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vordert [eiser] met zijn vordering I dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om de notaris opdracht te geven om het totale depotbedrag aan [eiser] uit te keren opdat [eiser] schulden kan inlossen en bedragen kan verrekenen met al door hem betaalde schulden.
[gedaagde] stemt ermee in dat het depotbedrag verdeeld wordt, maar zij verzet zich tegen uitbetaling van het volledige bedrag aan [eiser] omdat de opgevoerde schulden volgens haar niet tot de gemeenschap behoren.
De rechtbank zal verderop in dit vonnis beslissen of de opgevoerde schulden tot de gemeenschap behoren. Ook als de door [eiser] opgevoerde schulden gemeenschappelijk zijn, kan vordering I van [eiser] (volledige uitbetaling van het depotbedrag aan [eiser]) niet zonder meer worden toegewezen. Voor deze gemeenschappelijke schulden zijn partijen in beginsel voor gelijke delen draagplichtig, maar die draagplicht alleen geeft geen rechtsgrond voor uitbetaling van het depotbedrag aan [eiser]. [eiser] kan een regresvordering op [gedaagde] hebben, als hij meer heeft afgelost dan hem in de interne draagplicht aangaat (zoals hierna zal worden besproken bij de schulden). De door [eiser] opgevoerde schulden moeten echter veelal nog worden betaald. Daarmee heeft [eiser] geen groter deel van die schulden voldaan dan hem in de onderlinge verhouding met [gedaagde] aangaat. Voor die schulden heeft hij dan ook in beginsel (nog) geen vordering op [gedaagde] die [gedaagde] uit de in depot staande gelden aan [eiser] moet betalen.
De rechtbank zal daarom in het eindvonnis deze vordering grotendeels afwijzen en bepalen dat het depotbedrag aan partijen gezamenlijk zal toekomen, ieder voor de helft. De rechtbank zal op dat uitgangspunt hierna correcties aanbrengen, voor zover [eiser] zijn (regres)vordering op [gedaagde] heeft onderbouwd.
Omdat [gedaagde] geen (afzonderlijk) verweer heeft gevoerd tegen vordering II, zal de rechtbank verder bepalen dat het eindvonnis in de plaats zal treden van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] in de opdracht aan de notaris tot uitbetaling van het depotbedrag als beschreven in het eindvonnis, als zij niet binnen 14 dagen na de datum van het eindvonnis vrijwillig daaraan meewerkt.
Bankrekeningen ASN, Rabobank en ABN AMRO
De rechtbank zal nu oordelen over de gevorderde verdeling van de overige activa van de gemeenschap. Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende bankrekeningen tot de gemeenschap behoorden, met de volgende saldi:
|
Rekeningnummer |
Saldo |
Op naam van |
|
XXXX RABO XXXX XX41 70 |
€ 169,95 |
[eiser] |
|
XXXX ASNB XXXX XX22 31 |
€ 1,84 |
Partijen gezamenlijk |
|
XXXX ASNB XXXX XX33 91 |
€ 1,24 |
[eiser] |
|
XXXX ABNA XXXX XX85 62 |
€ 52,45 |
[gedaagde] |
|
XX.XX.XX.538 (ABN AMRO) |
€ 60,22 |
[gedaagde] |
De bankrekeningen op naam van [eiser] zullen aan hem worden toebedeeld, waarbij [eiser] wegens overbedeling een bedrag gelijk aan de helft van saldi aan [gedaagde] verschuldigd is. De bankrekeningen op naam van [gedaagde] zullen aan haar worden toebedeeld, waarbij [gedaagde] wegens overbedeling een bedrag gelijk aan de helft van saldi aan [eiser] verschuldigd is. Het saldo van de gezamenlijke rekening komt partijen ieder voor de helft toe. Dat houdt in dat [eiser] wordt overbedeeld voor een bedrag van € 58,52 (171,19 – 112,67). [eiser] moet daarom de helft van dat bedrag, namelijk € 29,26, aan [gedaagde] betalen.
Omdat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord al opgave heeft gedaan van de saldi van haar bankrekeningen zal vordering III van [eiser] worden afgewezen.
Vordering IV van [eiser] ziet op de veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan de opheffing van de gezamenlijke ASN-rekening. Hoewel [gedaagde] zich volledig bereid heeft verklaard om mee te werken aan de opheffing van deze rekening, staat tussen partijen vast dat [gedaagde] hieraan tot nu toe ondanks aanschrijving daartoe niet heeft meegewerkt. De rechtbank zal [gedaagde] daarom veroordelen tot medewerking aan het opheffen van de gezamenlijke rekening, zoals gevorderd, en bepalen dat het saldo van rekening partijen ieder voor de helft toekomt.
Auto’s
Vordering V gaat over de verdeling van (de waarden van) de auto’s die partijen op de peildatum in eigendom hadden. [eiser] voert aan dat op de peildatum een Peugeot 205, een Opel Meriva en een Nissan Juke tot de gemeenschap behoorden. [gedaagde] zegt dat ook een BMW X5 in de verdeling moet worden betrokken.
Tussen partijen staat vast dat op de peildatum een Peugeot 205 met bouwjaar 2007 tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Deze stond op naam van [eiser]. [eiser] zegt dat de Peugeot aan een derde is verkocht voor € 1.500,00. [gedaagde] gaat uit van een waarde van
€ 3.000,00.
[eiser] onderbouwt de door hem gestelde waarde met een schriftelijke overeenkomst van
1 maart 2022. Uit die overeenkomst blijkt dat [eiser] bij de verkoop in eerste instantie ook is uitgegaan van een waarde van € 3.000,00, maar dat de koper vanwege verschillende gebreken aan de Peugeot een bod van € 1.500,00 heeft gedaan dat [eiser] heeft geaccepteerd. Bij deze onderbouwing is de kale betwisting van [gedaagde] van de door [eiser] gestelde waarde niet voldoende. De rechtbank gaat dan ook uit van een waarde van € 1.500,00. [eiser] voert aan dat op dit bedrag in totaal € 1.031,00 aan kosten in mindering moet worden gebracht. [gedaagde] zegt dat zij niet gehouden is bij te dragen in deze kosten, omdat de auto na de peildatum uitsluitend door [eiser] is gebruikt en dit ook kosten van na de peildatum zijn.
[eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat de door hem aangevoerde kosten alle noodzakelijk waren voor de verkoop van de Peugeot. De kosten zien op wegenbelasting, verzekering en een APK-keuring. De wegenbelasting en verzekering zijn betaald voor het gebruik van de auto. Niet betwist is dat enkel [eiser] het gebruik van de auto had. Deze kosten komen dan ook niet in mindering op de te verdelen waarde. Dat is anders voor de kosten van een APK-keuring van € 136,00. De rechtbank gaat ervan uit dat deze gemaakt zijn in het kader van de verkoop of dat het feit dat de auto APK gekeurd was in ieder geval heeft bijgedragen aan de prijs die voor de auto ontvangen is. Per saldo resteert daarmee een bedrag van € 1.364,00 om te verdelen tussen partijen. Omdat [eiser] de verkoopopbrengst op zijn rekening gestort heeft gekregen, is hij gehouden om ter zake van de Peugeot de helft daarvan (€ 682,00) aan [gedaagde] te voldoen.
Partijen zijn het erover eens dat Opel Meriva tot de ontbonden gemeenschap behoort en dat de waarde van die auto € 3.250,00 is. Vaststaat dat [eiser] deze auto nog altijd gebruikt. De Opel zal bij het eindvonnis daarom aan [eiser] worden toebedeeld onder de verplichting van [eiser] om wegens overbedeling € 1.625,00 aan [gedaagde] te voldoen.
[eiser] heeft ook gesteld dat [gedaagde] op 27 augustus 2021 (dus na de peildatum) met gemeenschapsgelden voor € 9.000,- een Nissan Juke heeft gekocht. [eiser] heeft dat niet voldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze Nissan niet haar eigendom is (geworden). De Nissan is eigendom van de heer Klein. Ter zitting heeft mr. Tijsterman erkend dat [eiser] deze stukken niet kan weerleggen. [eiser] heeft ook geen stukken overgelegd waaruit naar voren komt dat [gedaagde] gemeenschappelijke gelden heeft gebruikt om voor deze auto te betalen. Bij deze stand van zaken is er ter zake van de Nissan Juke (of de daarvoor betaalde gelden) niets te verdelen.
[gedaagde] vindt dat de waarde van de BMW X5 moet worden verdeeld, omdat de verkoopopbrengst daarvan niet ten goede is gekomen aan de gemeenschap. [eiser] heeft onderbouwd dat de BMW al op 7 augustus 2021 is verkocht voor € 5.500,00. Dat is vóór de peildatum. Daarmee kan de BMW niet in de verdeling worden betrokken. Dat de opbrengst van BMW niet aan de gemeenschap ten goede is gekomen heeft [gedaagde] verder niet onderbouwd. Bij deze stand van zaken is er ter zake van de BMW (of de daarvoor betaalde gelden) niets te verdelen.
Resumerend zal in het eindvonnis de Opel Meriva aan [eiser] worden toebedeeld, met de bepaling dat [eiser] in het kader van de verdeling van de Peugeot en de Opel Meriva wegens overbedeling een bedrag van € 2.307,00 aan [gedaagde] moet voldoen.
Land Nigeria
[gedaagde] vindt dat de vordering van [eiser] om tot verdeling van (de waarde van) het stuk grond met de daarop gebouwde villa in Nigeria moet worden afgewezen. Zij betoogt dat de grond al op 10 juni 2020 – en dus voor de peildatum – met medeweten van [eiser] is verkocht, zodat er niets meer te verdelen is. [eiser] betwist dit.
[gedaagde] heeft een akte van levering overgelegd. Daarmee heeft zij voldoende onderbouwd dat de grond met (onafgebouwde) villa inmiddels is verkocht voor een prijs van 3 miljoen Nigeriaanse naira. Uit de akte komt ook naar voren dat de grond en onafgebouwde villa in dezelfde toestand zijn verkocht als toen ze in 1996 door [gedaagde] werden gekocht voor 300.000,00 naira.
Met deze informatie heeft [gedaagde] al voldaan aan de vordering van [eiser] om adequate informatie over de waarde van de grond en de villa over te leggen aan de rechtbank. Dat deel van de vordering van [eiser] zal om die reden niet worden toegewezen.
De door [gedaagde] overgelegde akte van levering van de grond is echter ongedateerd. In de aanhef van de akte van levering staat: “This deed of conveyance is made this ___ day of ____, 2022”. Hieruit leidt de rechtbank af dat de grond niet eerder dan 2022 is verkocht en dus na de peildatum. Het ligt niet voor de hand dat een (concept)akte een vooraf ingevuld jaartal 2022 bevat als deze al in 2021 zou zijn gepasseerd. [gedaagde] wijst er in dit verband op dat in de akte een datum van 10 juni 2020 wordt genoemd. In de akte wordt het verkochte omschreven door te verwijzen naar een “Survey Plan” van die datum. Dat maakt echter niet dat de grond en villa op die datum geleverd zijn. Het betekent enkel dat de levering niet voor die datum kan hebben plaatsgevonden.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de grond en onafgebouwde villa op de peildatum nog eigendom van [gedaagde] waren en deel uitmaakten van de onverdeelde gemeenschap en zal daarom bepalen dat [gedaagde] wegens overbedeling de helft van de verkoopopbrengst aan [eiser] moet voldoen. [eiser] heeft niet betwist dat 3 miljoen Nigeriaanse naira ongeveer overeenkomt met € 1.800,00, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. [gedaagde] zal ter zake daarom € 900,00 aan [eiser] moeten voldoen.
Alimentatievordering
[eiser] betoogt dat de alimentatievordering die [gedaagde] op haar eerdere partner [betrokkene 1] had, moet worden verdeeld. Hij vordert dat [gedaagde] veroordeeld wordt om de helft van het bedrag dat zij op de peildatum van [betrokkene 1] te vorderen had aan [eiser] te voldoen. [gedaagde] zegt dat verdeling van de alimentatievordering niet aan de orde is omdat het om een verknochte vordering gaat.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Partijen zijn in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden een algehele gemeenschap van goederen overeengekomen, enkel met uitzondering van verervingen, schenkingen en bedrijfsvermogen. Een alimentatievordering op een ex-partner valt niet onder een van die uitzonderingen, zodat deze in beginsel tot de gemeenschap behoort. Dat kan anders zijn als de vordering op enige bijzondere wijze verknocht is aan [gedaagde]. Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
5
Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad
6 volgt dat het recht op alimentatie op bijzondere wijze verknocht is. Uit de overgelegde echtscheidingsbeschikking van 28 oktober 2002 tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] en het overzicht van de vordering van [betrokkene 2] blijkt dat de partneralimentatieaanspraak in 2014 is geëindigd en de kinderalimentatieaanspraak in 2017. De vordering van [gedaagde] ziet daarom uitsluitend op achterstallige termijnen. Het recht tot het vorderen van verschenen alimentatietermijnen valt echter wel in de huwelijksgemeenschap.
Volgens de hoofdregel van artikel 1:100 lid 1 BW hebben partijen een gelijk deel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders afgesproken. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn. De rechtbank neemt daarom aan dat de volledige vordering op [betrokkene 1] bij de peildatum een bate van de gemeenschap is die verdeeld zal moeten worden. Het ligt het meest voor de hand, gelet op de aard van de vordering, om de vordering toe te delen aan [gedaagde] onder de verplichting om de helft van de waarde daarvan te vergoeden aan [eiser] vanwege haar overbedeling.
De vervolgvraag is wat de waarde van de vordering is. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de vordering van [gedaagde] op [betrokkene 1] op 2 augustus 2019 € 208.537,43 bedroeg en op de peildatum € 193.000,00.
Naar oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden aangesloten bij de hoogte van de vordering op de peildatum. Duidelijk is dat er – ondanks inspanningen betalingen te verkrijgen, onder meer door inzet van een deurwaarder – door de jaren heen een aanzienlijke betalingsachterstand is ontstaan. Daarmee is de waarde van de vordering in sterke mate afhankelijk van de mogelijkheden [betrokkene 1] tot betaling te bewegen (en de verhaalsmogelijkheden). Daarbij komt dat de vordering, bij het ontbreken van verhaalsmogelijkheden anders dan zijn pensioen, niets meer waard zal zijn als [betrokkene 1], komt te overlijden.
[eiser] stelt dat de vordering nog wel een significante waarde heeft, omdat er inmiddels € 12.000,- per jaar door de deurwaarder wordt geïnd via een beslag op de pensioenuitkering van de in het buitenland verblijvende [betrokkene 1]. [gedaagde] betwist dat. Volgens [gedaagde] komt er niets binnen. Zij overlegt een ongedateerde e-mail van de deurwaarder waarin staat dat de laatste tussentijdse afdracht van € 850,01 op 22 juni 2022 aan [gedaagde] is overgemaakt.
Gelet op deze uiteenlopende stellingen kan de rechtbank nog geen beslissing nemen over de waarde van de te verdelen vordering. Op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal de rechtbank [gedaagde] bevelen om bij akte:
-
haar stelling dat er sinds 22 juni 2022 niets meer wordt geïnd van [betrokkene 1] toe te lichten;
-
onderbouwd uiteen te zetten welke betalingen zij sinds de peildatum 20 augustus 2021 op haar alimentatievordering heeft ontvangen;
-
de actuele stand van de vordering te geven inclusief informatie over op dit moment lopende executiemaatregelen, zo mogelijk in een overzicht opgesteld door [betrokkene 2];
-
en zij zich nader uit te laten over de waarde die de vordering volgens haar heeft.
[eiser] mag daarop bij antwoordakte reageren. Daarna zal de rechtbank beoordelen of zij met deze gegevens de waarde van de vordering kan vaststellen of dat daarvoor meer (bijvoorbeeld een deskundigenoordeel) nodig is.
Aanslagen IB 2020 en 2021 van [gedaagde]
[eiser] heeft in de dagvaarding gevorderd om [gedaagde] te veroordelen haar aanslagen inkomstenbelasting over 2020 en 2021 te overleggen en de teruggaven met hem te delen. Ter zitting heeft [eiser] deze vordering ingetrokken. In het kader van de verdeling overweegt de rechtbank nog dat uit de door [gedaagde] overgelegde aanslagen geen bate blijkt die tussen partijen verdeeld moet worden.
Vaststelling draagplicht schulden van de huwelijksgemeenschap
Daarnaast begrijpt de rechtbank dat [eiser] met zijn vordering I ook vordert om de (verdeling van de) draagplicht voor de door [eiser] in het kader van die vordering opgevoerde schulden vast te stellen. [gedaagde] betoogt (onder meer) dat het om zakelijke schulden gaat, die op grond van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden zijn uitgesloten van de gemeenschap, zodat deze volledig voor rekening van [eiser] moeten blijven.
Per door [eiser] aangedragen schuld zal hierna worden beoordeeld of het om een gemeenschappelijke schuld gaat. Vervolgens zal beoordeeld worden wie welk deel van de gemeenschappelijke schuld moet dragen en of [eiser] door aflossing een (regres)vordering op [gedaagde] heeft verkregen.
Zoals benoemd is het uitgangspunt dat echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden. Als de baten van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, dragen beide echtgenoten de schulden voor een gelijk deel tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit.
7 Daarnaast geldt dat partijen als hoofdelijke schuldenaren in hun onderlinge verhouding verplicht zijn bij te dragen tot het gedeelte van de schuld dat hen aangaat. Dit betekent dat als een van hen meer heeft betaald dan het deel van de schuld dat hem of haar aangaat, de ander het verschil moet terugbetalen (ook wel: een regresvordering). Als een van de schuldenaren daarbij in redelijkheid kosten maakt, moet de andere schuldenaar naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem of haar aangaat bijdragen, tenzij de kosten de schuldenaar persoonlijk betreffen.
8
Aanslag inkomstenbelasting 2020
[eiser] vraagt te bepalen dat zijn aanslag inkomstenbelasting over belastingjaar 2020 van 24 juni 2022 voor rekening van beide partijen komt, ieder voor de helft. De aanslag bedraagt € 7.350,00 inclusief € 309,00 belastingrente. [eiser] vordert daarbovenop te bepalen dat [gedaagde] voor de helft draagplichtig is voor de door hem gemaakte herfinancieringskosten van € 923,00, oftewel in totaal € 8.285,00.
[gedaagde] heeft gesteld dat het uitsluitend gaat om zakelijke inkomsten van [eiser], zodat de aanslag als zakelijke schuld buiten de gemeenschap valt. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Het is juist dat [eiser] over 2020 mogelijk inkomsten uit onderneming heeft gehad, maar dit maakt niet dat de aanslag inkomstenbelasting als een zakelijke schuld is aan te merken. Het gaat om een belastingaanslag op inkomen dat (in beginsel) is aangewend om in het levensonderhoud te voorzien. Daarbij komt dat [eiser] met stukken heeft onderbouwd dat hij het eerste deel van 2020 in loondienst heeft gewerkt. Pas toen hij vanwege de gevolgen van de coronapandemie geen salaris uitgekeerd kreeg, heeft hij als zzp’er gewerkt om in het levensonderhoud van het gezin te kunnen blijven voorzien. Bij die stand van zaken kan de aanslag inkomstenbelasting niet worden aangemerkt als een zakelijke schuld. Dit maakt dat de aanslag inkomstenbelasting, die op de peildatum nog niet was voldaan, een gemeenschappelijke schuld van partijen is.
De rechtbank zal bepalen dat alleen het bedrag op de aanslag door partijen gezamenlijk gedragen moet worden. [eiser] heeft niet aangetoond dat hij € 12,- invorderingsrente heeft moeten betalen. Daarnaast heeft hij niet aangetoond dat hij specifiek voor de aflossing van deze gemeenschappelijke schuld geld heeft geleend van zijn ouders en ook niet dat hij daadwerkelijk herfinancieringskosten aan zijn ouders heeft moeten betalen. Dat had wel op zijn weg gelegen, met name omdat hij van alle andere leningen overeenkomsten heeft bijgevoegd. [eiser] heeft wel onderbouwd dat hij de schuld inmiddels in twaalf termijnen volledig heeft afgelost. Omdat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht dan bij helfte voortvloeit, is daarmee een regresvordering van [eiser] ontstaan op [gedaagde] voor de helft van de schuld van € 7.350,00, oftewel € 3.675,00. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen dat deze regresvordering zal worden voldaan uit het aandeel van [gedaagde] in het depotbedrag.
Aanslag omzetbelasting 2020
De tweede door [eiser] aangedragen schuld is de aanslag omzetbelasting 2020 van de eenmanszaak van [eiser] en/of zijn besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pro Amice Blue Holding B.V. [eiser] betoogt dat partijen in 2020 genoodzaakt waren om het vennootschapsvermogen aan te spreken voor hun levensonderhoud, zodat hij niet in staat was om de aanslag omzetbelasting te voldoen. Ook als dit het geval is, doet dit er niet aan af dat de aanslag omzetbelasting een zakelijke schuld is. Het is een belasting die de ondernemer moet afdragen (en overigens ook van zijn afnemers heeft ontvangen). Bij de uitdrukkelijke uitsluiting van het bedrijf van [eiser] van de gemeenschap, gaat het niet aan deze schuld ook aan [gedaagde] toe te rekenen. De draagplicht voor deze schuld ligt dus volledig bij [eiser].
Aanslag inkomstenbelasting 2021
De door [eiser] aangedragen aanslag inkomstenbelasting 2021 ziet voor een deel op deel op de huwelijkse periode. Daarnaast heeft de aanslag voor het merendeel betrekking op de periode voor de peildatum. De schuld zal daarom door partijen, ieder voor de helft, gedragen moeten worden. Net als bij de aanslag 2020 heeft [eiser] onvoldoende aangetoond dat hij invorderingsrente en herfinancieringskosten heeft betaald, zodat de rechtbank deze kosten buiten beschouwing laat. In tegenstelling tot bij de aanslag 2020 heeft [eiser] ook niet laten zien dat hij deze schuld inmiddels heeft afgelost. Daarom heeft hij niet onderbouwd dat hij voor deze schuld een regresvordering op [gedaagde] heeft. De rechtbank stelt daarom alleen vast dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft gehouden zijn deze schuld van € 4.419,00 te dragen.
Hypotheekachterstand gezamenlijke woning
[eiser] betoogt dat partijen al voor de peildatum een hypotheekachterstand hebben laten ontstaan en dat hij die achterstand van € 2.228,00 na de peildatum heeft betaald. Hij meent dat [gedaagde] gehouden is de helft van dit bedrag aan hem te betalen, omdat het om een gezamenlijke schuld gaat.
De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. In de beschikking van 6 september 2021 heeft de rechtbank in randnummer 3.19 bij de vaststelling van de draagkracht van [eiser] voor alimentatie rekening gehouden met de aflossingen op de betalingsachterstand. De rechtbank heeft vanwege deze aflossingen een lagere draagkracht vastgesteld. Dit betekent dat [gedaagde] vanwege de aflossingen al minder alimentatie van [eiser] heeft ontvangen en zo indirect heeft meebetaald aan de aflossingen. De rechtbank ziet daarom reden om af te wijken van toedeling van de draagplicht van deze schuld bij helfte en oordeelt dat [eiser] volledig draagplichtig is voor deze schuld.
Persoonlijke lening Rabobank/FREO
[eiser] draagt verder een lening bij Rabobank aan (die inmiddels is overgenomen door FREO) als schuld die tot de huwelijksgemeenschap behoort. [eiser] betoogt dat partijen een rekening, een creditcard en een krediet hadden bij Rabobank, maar dat partijen in 2020 en 2021 in betalingsproblemen zijn gekomen. Rabobank heeft vervolgens in januari 2021 alle lopende kredietfaciliteiten ondergebracht in één persoonlijke lening, aldus [eiser].
[gedaagde] beroept zich op de uitzondering in de huwelijkse voorwaarden en zegt dat het om een zakelijke lening van [eiser] gaat.
De rechtbank oordeelt dat deze lening geen zakelijke schuld is. In de door [eiser] overgelegde leningsovereenkomst van 22 januari 2021 staat dat het om een consumptief krediet gaat waarin naast een bankrekening ook een creditcard en een bestaand krediet zijn opgegaan. [eiser] heeft toegelicht dat dat krediet is aangegaan om de verbouwing van de woning te bekostigen en voor algemeen levensonderhoud vanwege het wegvallen van inkomen. Ook heeft [eiser] laten zien dat de lening, althans de kredietfaciliteiten, op de gezamenlijke aangiftes van partijen hebben gestaan. Bij die onderbouwing heeft [gedaagde] onvoldoende aangevoerd om tot het oordeel te komen dat de schuld zakelijk is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat dit een gezamenlijke schuld is waarvoor beide partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Ter zitting heeft [eiser] onbetwist gesteld dat de lening inmiddels volledig is afgelost. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Omdat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat uit de eisen van redelijkheid een andere draagplicht dan bij helfte voortvloeit is daarmee een regresvordering van [eiser] op [gedaagde] ontstaan voor de helft van de schuld van € 21.901,00, zijnde € 10.950,50. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen dat deze regresvordering zal worden voldaan uit het aandeel van [gedaagde] in het depotbedrag.
[eiser] heeft de door hem genoemde extra kosten van € 2.059,00 enkel benoemd in zijn als productie 6 overgelegde overzicht. Hij heeft deze verder niet onderbouwd. Ook heeft hij niet laten zien dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. De rechtbank zal daarom niet oordelen dat (in de onderlinge relatie) [gedaagde] een deel van deze door [eiser] gestelde kosten moet dragen en/of betalen.
Lening Pro Amice Blue Holding B.V.
[eiser] draagt ook een schuld uit een lening van zijn besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pro Amice Blue Holding B.V. (verder: PABH) aan als schuld die tot de gemeenschap behoort. [gedaagde] zegt dat dit een zakelijke lening betreft.
De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. [eiser] heeft een schriftelijke overeenkomst van geldlening met PABH van 31 maart 2020 overgelegd. In die overeenkomst is vastgelegd dat PABH een geldlening van € 40.337,25 verstrekt aan de familie [eiser], die bedoeld is voor de betaling van de kosten koper bij de overdracht van de woning en ook gebruikt kan worden voor verbouwing daarvan. De overgelegde stukken onderbouwen voldoende concreet dat er sprake is van een krediet van partijen in privé. [gedaagde] heeft niet of niet voldoende uitgelegd wat maakt dat deze lening die – in ieder geval op papier – is aangegaan om kosten ter zake van de gezamenlijke woning te voldoen als zakelijke schuld heeft te gelden. [eiser] heeft ook voldoende onderbouwd dat er rente verschuldigd is over deze lening. Deze is vastgelegd in artikel 3.1 van de leningsovereenkomst.
Daarmee zijn partijen ieder draagplichtig voor de helft van de opgevoerde schuld van € 50.285,00. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat deze schuld voor meer dan de helft door hem is afgelost, heeft hij ter zake echter nog geen (regres)vordering op [gedaagde].
Lening RTW Investment Management B.V.
[eiser] heeft een leningsovereenkomst met RTW Investment Management B.V. Daarin staat dat hij op 10 mei 2020 € 50.000,- heeft geleend om de verbouwingen van de woning te financieren. In artikel 1.1 van de leningsovereenkomst staat dit ook uitdrukkelijk als enig doel van de lening vermeld. Ook is in artikel 3.1 van de leningsovereenkomst vermeld dat [eiser] over deze lening 5% rente op jaarbasis is verschuldigd.
[gedaagde] voert aan dat de lening niet is aangewend voor de verbouwingen, omdat deze op 10 mei 2020 al gereed waren. Zij zegt dat [eiser] de lening uitsluitend heeft gebruikt om zijn onderneming levensvatbaar te maken. [eiser] betwist dit. Hij brengt naar voren dat hij in die tijd arbeidsovereenkomsten had die hem niet toestonden om voor zichzelf te werken.
De rechtbank is van oordeel dat de lening van RTW Investment Management B.V. niet als zakelijke lening kan worden aangemerkt. Het staat vast dat de woning op 1 april 2020 is geleverd. Dat maakt niet aannemelijk dat de (uitgebreide) werkzaamheden aan de woning op 10 mei 2020 al gereed waren. Daarbij komt dat [eiser] facturen heeft overgelegd van werkzaamheden die van na 10 mei 2020 zijn. Op welke wijze [eiser] deze gelden voor zijn onderneming zou hebben gebruikt heeft [gedaagde] – ook rekening houdend met het betoog van [eiser] dat hij in deze periode niet actief bezig was met zijn onderneming – niet voldoende onderbouwd.
De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld van € 64.123,00 aan RTW Investment.
Lening [betrokkene 3]
[eiser] heeft ook een vrijwel gelijkluidende leningsovereenkomst met de heer [betrokkene 3]. Daarin staat dat [betrokkene 3] op 10 juni 2020 een lening van € 26.400,00 aan [eiser] heeft verstrekt tegen een rente van 5% op jaarbasis en een looptijd van 2,5 jaar. Ook deze lening hoort volgens [eiser] tot de huwelijksgemeenschap. [gedaagde] zegt dat deze lening zonder haar medeweten, betrokkenheid of instemming is aangegaan en dat het een zakelijke lening betreft.
Dat [gedaagde] zegt dat zij niet geweten heeft van de lening, maakt op zichzelf niet dat deze schuld geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap. Overigens betwist [eiser] dat [gedaagde] niet van de overeenkomst wist. Hij wijst erop dat [betrokkene 3] in 2024 zowel [eiser] als [gedaagde] heeft aangeschreven tot terugbetaling.
De overeenkomst vermeldt dat de lening bedoeld is om de (verbouwings-)verplichtingen voor de nieuwe woning te financieren en alleen voor dat doel zal worden aangewend. [betrokkene 3] benadrukt nog eens in zijn e-mail van 29 augustus 2024 dat de lening bedoeld was om de woning af te bouwen. Tegenover de overgelegde stukken heeft [gedaagde] onvoldoende aangevoerd om ervan uit te gaan dat deze lening als zakelijke lening is uitgesloten van de gemeenschap van goederen.
Het had gelet op haar beroep op de uitzondering in de huwelijkse voorwaarden op haar weg gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld van € 30.571,00 aan [betrokkene 3]. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat hij deze lening voor meer dan zijn deel heeft afgelost, is er (nog) geen sprake van een regresvordering van [eiser].
Lening familie [eiser]
draagt als laatste lening een door zijn ouders verstrekte lening van € 42.000,00 aan. [eiser] overlegt een leningsovereenkomst van 15 december 2020. Daarin staat onder meer dat de lening uitsluitend zal worden aangewend om (verbouwings-) verplichtingen voor de nieuwe woning te financieren, dat 5% rente op jaarbasis is verschuldigd en dat de looptijd van de lening 5 jaar is.
[gedaagde] zegt dat een deel van de transacties ziet op zakelijke betalingen en uitgaven van de onderneming en dat voor het overige de lening niet is gebruikt voor verbouwingskosten. Daarop heeft [eiser] verbouwingsfacturen (voor de woning) en rekeningafschriften met betalingen voor deze facturen overgelegd. Net als bij de andere leningen heeft [gedaagde] tegenover de leningsovereenkomst en de door [eiser] overgelegde rekeningafschriften en verbouwingsfacturen onvoldoende onderbouwd dat de lening is aangegaan voor kosten van de onderneming van [eiser] die buiten de gemeenschap vallen. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld van € 49.812,00. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat hij deze lening voor meer dan zijn deel heeft afgelost, is er (nog) geen sprake van een regresvordering van [eiser].
Rekeningen accountant
[eiser] betoogt dat [gedaagde] gehouden is de helft te dragen van de door de accountant gefactureerde werkzaamheden over de boekjaren 2018, 2019 en 2020. Hij zegt dat deze werkzaamheden mede zien op privé-aangiftes. Ook voert hij aan dat hij deze facturen had kunnen voldoen als er geen gelden uit zijn onderneming waren gehaald om privé-uitgaven te betalen.
De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Het ligt voor de hand dat [eiser] een inkomen uit zijn onderneming heeft gehaald en mogelijk ook anderszins gelden uit zijn onderneming heeft getrokken om privé-uitgaven te kunnen doen. Dat maakt echter niet dat openstaande facturen op naam van de onderneming tot de gemeenschap behoren. Dit is juist wat partijen niet hebben beoogd met hun afspraak in de huwelijkse voorwaarden. Deze rekeningen vallen daarom buiten de gemeenschap en dienen volledig voor [eiser] te worden gedragen. Dat de facturen mogelijk (voor een klein deel) zien op privé-aangiften van [gedaagde] doet daar niet aan af. De facturen zijn gericht aan de onderneming van [eiser] en daarmee in beginsel zakelijk.
Aanslagen Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland
[eiser] draagt ook vier aanslagen van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland aan. [eiser] betoogt dat met de aanslagen eigenaarslasten in rekening worden gebracht die zijn die partijen vanwege hun gemeenschappelijk eigendom bij helfte moeten dragen. [gedaagde] erkent slechts dat zij moet bijdragen aan de nota over 2021, naar rato van de maanden die zij in de woning woonachtig was. Voor het overige betwist zij dat zij draagplichtig is, omdat [eiser] tot de verkoop van de woning uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad.
In beginsel dient [gedaagde] als mede-eigenaar van de woning de helft van de eigenaarslasten te dragen. Onder randnummer 3.18 van de beschikking van 6 september 2021 heeft de rechtbank de draagkracht van [eiser] voor partneralimentatie verlaagd met overige eigenaarslasten van € 95,00 per maand. Daarmee is de rechtbank ervan uitgegaan dat [eiser] de eigenaarslasten voor zijn rekening nam. Daarbij past niet dat [gedaagde] alsnog moet de aanslagen van Gouwe-Rijnland voor een gedeelte moet dragen, omdat zij dan twee keer zou bijdragen. De rechtbank bepaalt daarom dat partijen gezamenlijk draagplichtig zijn tot een bedrag van € 343,46, zoals door [gedaagde] erkend. [eiser] heeft met betaalbewijzen aangetoond de schuld volledig te hebben voldaan, zodat voor de helft van dit bedrag een regresvordering op [gedaagde] is ontstaan. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen dat deze regresvordering kan worden voldaan uit het aandeel van [gedaagde] in het depotbedrag. De rest van de aanslagen komen voor rekening van [eiser]. De door [eiser] genoemde herfinancieringskosten zijn niet onderbouwd. [gedaagde] hoeft daar daarom niet in bij te dragen.
Gemeentelijke belastingen Gemeente Haarlemmermeer
Voor de door [eiser] aangedragen gemeentelijke belastingen geldt hetzelfde. Omdat in de berekening van de draagkracht van [eiser] voor de partneralimentatie er rekening mee is gehouden dat [eiser] de eigenaarslasten voor zijn rekening neemt, gaat het niet aan dat [gedaagde] alsnog moet bijdragen in deze lasten. Partijen zijn daarmee enkel samen draagplichtig voor het door [gedaagde] erkende bedrag van € 814,06. De rest van de aanslagen komen voor rekening van [eiser]. [eiser] heeft niet aangetoond dat hij meer heeft betaald van de factuur 2021 dan zijn draagplicht, zodat er geen regresvordering op [gedaagde] is ontstaan.
Rekening Greenchoice
[gedaagde] erkent dat de rekening van Greenchoice een schuld is die tot de gemeenschap hoort. Daarom zal de rechtbank bepalen dat partijen in hun onderlinge relatie voor gelijke delen draagplichtig zijn voor deze factuur. [eiser] heeft aangetoond dat hij de factuur heeft betaald. Daarmee heeft hij een regresvordering verkregen voor de helft van € 381,00, dus € 190,50. De rechtbank zal in het eindvonnis bepalen dat deze regresvordering kan worden voldaan uit het aandeel van [gedaagde] in het depotbedrag.
Onderhoudscontract cv-ketel
[eiser] heeft daarnaast twee facturen voor cv-ketelreparatie en -onderhoud over de jaren 2021 en 2022 als schulden opgevoerd. De som van deze facturen is € 361,00. [gedaagde] erkent deze vordering voor zover deze betrekking heeft op de periode dat zij in de woning heeft gewoond. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] draagplichtig is voor de helft van beide facturen, omdat onderhoud en reparatie aan de cv-ketel vallen onder kosten tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed die door [eiser] zelfstandig konden worden verricht.
9 [eiser] heeft dus een regresvordering op [gedaagde] voor € 180,50 die kan worden voldaan uit het aandeel van [gedaagde] in het depotbedrag.
BSS Slotenmaker 2021
[eiser] zegt dat hij kosten heeft moeten maken om de sloten te vervangen om te voorkomen dat [gedaagde] de woning onrechtmatig zou betreden. Hij heeft in dat kader onder meer een foto overgelegd waaruit zou moeten blijken dat [gedaagde] (zonder dat daar afspraken over waren) inboedel heeft verwijderd. [gedaagde] heeft dit betwist. Zij zegt dat de foto is gemaakt toen zij bij het verlaten van de woning in goed overleg haar eigen spullen meenam. Daarmee heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd dat de kosten voor het vervangen van de sloten moeten worden aangemerkt als schade ten gevolge van een onrechtmatige gedraging die door [gedaagde] moet worden vergoed. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Hypotheekrente van 20 juli 2021 tot september 2023
[eiser] betoogt verder dat hij een (regres)vordering heeft op [gedaagde] voor de rentetermijnen van de hypothecaire lening bij MUNT Hypotheken over de periode 20 juli 2021 tot september 2023. De rechtbank wijst deze vordering af. De te betalen hypotheekrente is al meegenomen in de draagkrachtberekening voor de door [eiser] te betalen partneralimentatie, zodat [gedaagde] hier feitelijk al aan heeft bijgedragen. Op basis hiervan zal de rechtbank bepalen dat [eiser] geen (regres)vordering heeft met betrekking tot de door hem betaalde hypotheekrente. Daarbij neemt de rechtbank ook mee dat – als door [gedaagde] aangevoerd – [eiser] na het vertrek van [gedaagde] de woning met uitsluiting van [gedaagde] heeft gebruikt. [eiser] heeft zelf aangegeven dat hij de sloten van de woning heeft vervangen om [gedaagde] de toegang te ontzeggen.
Proceskosten
Anders dan door elk van beide partijen gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in het eindvonnis af te wijken van de hoofdregel om de proceskosten gelet op de (voormalige) relatie tussen partijen tussen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Hoe nu verder?
In afwachting van de aktewisseling zoals bepaald onder 4.27 zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden. In het eindvonnis zal dan vervolgens over alle punten een beslissing volgen, met verwijzing naar de overwegingen uit dit tussenvonnis.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 5 augustus 2026 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over wat is vermeld onder 4.27, waarna [eiser] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
1949
Artikel 3:185 lid 1 BW
Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631
HR 26 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:71, NJ 1993/p. 797 en Kamerstukken II 2002/2003, 28867, nr. 3.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
