Essentie (gemaakt door AI)
ERF. Belanghebbende bestrijdt in beroep de (verlaagde) aanslag erfbelasting omdat zij een hogere waarde van aandelen in de nalatenschap wenst, gelet op een legaat aan broer met uitkeerplicht aan haar. Rechtbank oordeelt dat zij procesbelang heeft, maar dat het verbod op reformatio in peius verhindert dat haar beroep tot verhoging van de aanslag leidt. Beroep ongegrond. art. 54 SW biedt haar geen extra rechtsingang. Immateriële schade wegens termijnoverschrijding toegekend; inspecteur en Staat worden afzonderlijk veroordeeld tot vergoeding en proceskosten.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 07-08-2026 |
| Zaaknummer | ARN 24/5753 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Bestuursrecht; Belastingrecht |
| Trefwoorden | Fiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
ERFVolledige uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5753
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.
en
de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 februari 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd naar een te betalen bedrag van € 52.507.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot € 29.253, berekend naar een belaste verkrijging van € 209.631.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende bijgestaan door de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon 1] .
Feiten
-
Op 25 februari 2020 is de moeder van belanghebbende (erflaatster) overleden. Erflaatster heeft in haar haar testament belanghebbende (dochter) en de broer van belanghebbende aangewezen als erfgenamen.
-
In het testament van erflaatster (in het hierna opgenomen citaat genoemd: testatrice) is onder meer het volgende opgenomen:
(…)
Als waarde zal gelden de waarde, waarvoor de aldus gelegateerde en aangenomen zaken voor de berekening van het terzake van de nalatenschap van testatrice verschuldigde successierecht in aanmerking zullen worden genomen (…)
3. Voor het geval zij, testatrice, gelijktijdig met- of na haar voornoemde echtgenoot mocht komen te overlijden, te legateren aan haar zoon [zoon] (…) alle tot de nalatenschap van testatrice behorende aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] , statutair gevestigd te [plaats] , zulks onder de verplichting om één/vierde gedeelte van de waarde die aandelen uit te keren binnen één jaar na het overlijden van testatrice (…) aan de dochter van testatrice, mevrouw [dochter] (…) de waarde zal worden vastgesteld
overeenkomstig hetgeen hierboven sub II is bepaald.
In sub II is bepaald:
Als waarde zal gelden de waarde, waarover de aldus gelegateerde en aangenomen zaken
voor de berekening van het terzake van de nalatenschap van testatrice verschuldigde
successierecht in aanmerking zullen worden genomen (…)
3. De inspecteur heeft de waarde van de aandelen [bedrijf] (de aandelen) gewaardeerd op € 500.000. Op grond van deze waarde van de aandelen is de aanslag erfbelasting opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag erfbelasting, zoals gewijzigd met de uitspraak op bezwaar, naar een juist bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat de rechtbank daaraan toekomt beoordeelt zij of belanghebbende een procesbelang heeft bij het instellen van beroep tegen de aanslag.
5. Belanghebbende betwist de juistheid van de ingediende aangifte erfbelasting,deze vindt zij te laag, en in het bijzonder de vastgestelde waarde van de aandelen [bedrijf] die op basis van de aangeleverde gegevens van de adviseur van haar broer, door hem in compromis met de vereffenaar is vastgesteld op € 500.000. Zij bepleit een waarde van de aandelen van € 800.000. Belanghebbende neemt voor lief dat deze beroepsgrond voor haar zou leiden tot een hogere belastingaanslag. Haar broer dient de waarde van de aandelen aan haar over te dragen tegen de waarde zoals opgenomen in de aanslag erfbelasting, om die reden heeft zij belang bij een juiste (hogere) waarde. Over de waarde van de aandelen is in het kader van de belastingheffing en de vereffening uitsluitend gesproken met de broer van belanghebbende, maar belanghebbende is hierbij nimmer betrokken geweest. Op grond van artikel 54 van de Successiewet 1956 (SW) heeft zij een belang. Daarnaast wijst zij op een uitspraak van de Raad van State waarin is geoordeeld dat er uitzonderingen zijn op het verbod op reformatio in peius.
6. De inspecteur is van mening dat belanghebbende met bezwaar en beroep niet in een nadeligere fiscale positie kan komen te geraken.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is.
1
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende ontvankelijk is, omdat zij een procesbelang heeft. De door belanghebbende aangevoerde gronden kunnen echter niet leiden tot een gegrond beroep, omdat zij een hogere aanslag erfbelasting bepleit. Een belanghebbende mag, gelet op het verbod op reformatio in peius, met betrekking tot de aanslag niet in een slechtere positie komen. Het door belanghebbende gestelde belang betreft een civielrechtelijk belang en is niet gelegen in de hoogte van de aanslag. Het beroep is dan ook ongegrond.
10. De rechtbank overweegt verder dat artikel 54 van de SW een rechtsingang biedt voor een verkrijger die belang heeft bij de aan een andere verkrijger uit dezelfde nalatenschap opgelegde aanslag. Aan belanghebbende is een aanslag erfbelasting opgelegd, zodat zij al een rechtsingang heeft. Een beroep instellen op grond van artikel 54 van de SW is dan ook niet nodig.
11. Met betrekking tot de door de gemachtigde genoemde uitspraak van de Raad van State merkt de rechtbank op, dat belanghebbende desgevraagd de vindplaats van de uitspraak niet kan noemen. De rechtbank gaat er vanuit dat gedoeld wordt op de uitspraak van 22 mei 2024 met vindplaats ECLI:NL:RVS:2024:2141. Hoewel in die zaak sprake was van een nadelig gevolg van een door belanghebbende ingenomen standpunt kon dat standpunt belanghebbende ook in een betere positie brengen met betrekking tot het bestreden besluit. De rechtbank ziet in deze uitspraak dan ook niet de door belanghebbende gestelde afwijking van de onder punt 8. genoemde vaste jurisprudentie in fiscale zaken.
12. Het beroep van belanghebbende is dan ook ongegrond.
13. Aan het argument van belanghebbende dat de rekening-courant-schuld had moeten worden opgegeven, hetgeen (los van de waarde van de aandelen) zou leiden tot een lager bedrag aan erfbelasting, komt de rechtbank niet toe. Gesteld nog gebleken is dat dit argument te samen met haar standpunt over de waarde van de aandelen kan leiden tot een lagere aanslag, zodat het beroep nog steeds ongegrond is.
Immateriële schadevergoeding14. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.
2
15. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid
3 is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
16. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 31 maart 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 1 jaar en vier maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 16 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat drie keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 1.500 (drie keer een half jaar ad € 500). De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 15 februari 2024. Dit is vijf maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van vijf maanden gedeeld door 15 maanden keer € 1.500 is (afgerond) € 500. De Staat moet de rest betalen, dus € 1.000. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag erfbelasting in stand blijft. Wel krijgt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.
4 Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om immateriële schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor van 0,25).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 aan belanghebbende;
-
veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.000 aan belanghebbende;
-
veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 116,75;
-
veroordeelt de Staat in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 31 juli 2026
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
|
griffier |
rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878 r.o. 3.4.2.
Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
