Gerechtshof Den Haag 17-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1796

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Erfgenaam ([appellant]) vordert nader onderzoek door de vereffenaar naar verkoop onroerend goed, ontbrekende schilderijen en vermeende patenten/kwekersrechten. Het hof oordeelt dat na machtigingen en rekening en verantwoording onder bewind geen concrete aanknopingspunten bestaan voor onderzoek; grief faalt. In incidenteel appel wordt de verdeling opnieuw vastgesteld conform productie HB14. [appellant] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten en kosten van de vereffenaar wegens onrechtmatig procederen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Neef erflater veroordeeld tot betaling aan vereffenaar van werkelijke proceskosten ad € 44.919
Erfgenaam vordert nader onderzoek door vereffenaar naar verkoop onroerend goed, ontbrekende schilderijen en vermeende bloembollenpatenten. Grief faalt. Veroordeling in werkelijke proceskosten wegens onrechtmatig procederen.

Datum publicatie07-08-2026
Zaaknummer200.346.529/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht; Vereffening nalatenschap;
Familieprocesrecht; Proceskosten
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Vordering erfgenaam tot nader onderzoek door vereffenaar. Afwijzing. Veroordeling erfgenaam in werkelijke proceskosten en kosten vereffenaar.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.346.529/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/656936 / HA ZA 23-1025

Arrest van 17 februari 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.I. Zaad, kantoorhoudend in Den Haag,

tegen

1 [verweerder 1] ,

in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] (hierna: de erflater),

wonend in [woonplaats] ,

hierna: de vereffenaar,

2. [verweerder 2],

wonend in [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 2] ,

3. [verweerder 3] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna te noemen: [verweerder 3] ,

4. [verweerder 4] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 4] ,

5. [verweerder 5] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 5] ,

6. [verweerder 6] (erfgenaam van [naam] , overleden op [datum] 2022),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [verweerder 6] ,

7. [verweerder 7] ,

wonend in [woonplaats] (Verenigde Staten),

hierna: [verweerder 7] ,

8. [verweerder 8] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 8] ,

9. [verweerder 9] ,

wonend in [woonplaats] (België),

10. [verweerder 10] ,

wonend in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

hierna: [verweerder 10] ,

11. [verweerder 11] ,

wonend in [woonplaats] (Italië),

hierna: [verweerder 11] ,

12. [verweerder 12] ,

wonend in [woonplaats] (Duitsland),

hierna: [verweerder 12] ,

13. [verweerder 13] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 13] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.H. Rodenburg, kantoorhoudend in Rotterdam.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en verweerders.

1De zaak in het kort

1.1

In eerste aanleg hebben verweerders gevorderd de verdeling van de nalatenschap van erflater vast te stellen omdat [appellant] weigerde zijn medewerking te verlenen. [appellant] heeft daar tegenin gebracht dat de vereffenaar nog nader onderzoek moest verrichten over de omvang van de nalatenschap. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen en de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van de nalatenschap vastgesteld. In hoger beroep vordert [appellant] nogmaals dit nadere onderzoek.

2Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 10 september 2024 waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna ook: de rechtbank) van 12 juni 2024 (hierna: het bestreden vonnis);

  • de memorie van grieven, met bijlagen;

  • de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep van verweerders;

  • de memorie van antwoord in het incidenteel appel;

  • de akte houdende overlegging producties tevens houdende eiswijziging, gedateerd 27 oktober 2025, die verweerders ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd;

  • de e-mail van 6 november 2025 van de zijde van verweerders met producties H1 tot en met H11

2.2

Op 7 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:

  • [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat;

  • aan de zijde van verweerders: de advocaat van verweerders, de vereffenaar, [verweerder 3] en [verweerder 4] .

De advocaat van verweerders heeft de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd.

3Feitelijke achtergrond

3.1

Op 29 december 2020 is erflater te [plaats van overlijden] overleden. Verweerders zijn de vereffenaar, zussen en erfgenamen van de (voor)overleden broers en zussen van erflater. [appellant] is de neef van erflater. Met uitzondering van de vereffenaar zijn alle partijen, al dan niet door plaatsvervulling, erfgenaam van erflater of erfgenaam van een erfgenaam van erflater.

3.2

Op 4 februari 2022 is de vereffenaar bij beschikking van de rechtbank Den Haag op de voet van artikel 4:203 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap.

4Procedure bij de rechtbank

4.1

Verweerders hebben [appellant] gedagvaard en gevorderd, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, dat de rechtbank:

I. de verdeling van de nalatenschap van erflater vaststelt op de door verweerders voorgestelde manier;

II. [appellant] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van het vonnis onvoorwaardelijk mee te werken aan de verdeling en alle stukken die voor deze verdeling nodig zijn te ondertekenen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag vanaf het vonnis dat [appellant] dat niet doet,

III. dit vonnis in de plaats stelt van de benodigde medewerking en handtekeningen van [appellant] als [appellant] niet binnen twee weken meewerkt, of (subsidiair) de vereffenaar als dwangvertegenwoordiger in de plaats van [appellant] te machtigen om de voor verdeling nodige feitelijke handelingen en rechtshandelingen namens [appellant] te verrichten, met het recht van substitutie,

IV. de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 BW bepaalt op vijf werkdagen,

V. [appellant] veroordeelt in de werkelijke kosten van deze procedure en te bepalen dat die kosten in mindering mogen worden gebracht op het erfdeel van [appellant] , of (subsidiair) bepaalt dat [appellant] die kosten moet voldoen binnen veertien dagen na dit vonnis, met veroordeling in de nakosten,

VI. bepaalt dat de kosten van eisers voor deze procedure ten laste komen van de nalatenschap en dat die kosten naar evenredigheid in mindering worden gebracht op de erfdelen van de erfgenamen.

4.2

[appellant] heeft op zijn beurt gevorderd (in reconventie) dat de rechtbank:

I. aan de vereffenaar de opdracht geeft om na te gaan in hoeverre er sprake is geweest van dubieuze handelingen van bewindvoerders en familieleden van erflater wat betreft de verkoop en levering van onroerend goed van erflater, om na te gaan wat er met niet bij erflater aangetroffen schilderijen is gebeurd en om na te gaan wat de status is van door erflater verkregen royalty-rechten op door hem ontwikkelde bloemen ,

II. bepaalt dat de personen die als bewindvoerder of mentor van erflater hebben opgetreden, nadere inlichting moeten geven over het verloop van het bewind en met name over verkoop van onroerende zaken van erflater tijdens het bewind, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW,

III. verweerders veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.3

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

in conventie:

  • de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld als overwogen in 2.33 en 2.34 van het bestreden vonnis;

  • bepaald dat partijen elk gehouden zijn om hun deel van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen;

  • [appellant] veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de in overweging 2.33 en 2.34 van het bestreden vonnis weergegeven verdeling en alle eventuele stukken die voor deze verdeling nodig zijn, te ondertekenen;

  • bepaald dat als [appellant] niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking aan verdeling verleent, het bestreden vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de wilsverklaringen en rechtshandelingen van [appellant] die nodig zijn voor de verdeling en de ondertekening van de daarmee verband houdende stukken;

  • dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt met inachtneming van hetgeen onder 2.32 van het bestreden vonnis is geoordeeld;

  • het meer of anders gevorderde afgewezen;

in reconventie:

  • de vorderingen van [appellant] afgewezen;

  • de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellant] vordert het hof het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de reconventionele vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen, althans te bepalen dat de vereffenaar naar het artikel 3:296 BW wordt verplicht de door [appellant] aangedragen stellingen nader te onderzoeken, onder veroordeling van geïntimeerden in de kosten van procedure in beide instanties.

5.2

[appellant] voert in hoger beroep één grief aan. Kort gezegd stelt hij het volgende. De rechtbank heeft ten onrechte de door [appellant] verzochte nadere onderzoeken door de vereffenaar afgewezen, want de voormalige percelen van erflater aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats] zijn onder de marktwaarde verkocht. De vereffenaar heeft daar te weinig onderzoek naar gedaan, waardoor de nalatenschap is benadeeld. Verder betoogt [appellant] dat de boedelbeschrijving incompleet/onjuist is, aangezien schilderijen ontbreken. Als laatste stelt [appellant] dat de patenten die erflater heeft verworven op bloemen en bloembollen ontbreken als vermogensbestanddeel in de boedelbeschrijving. [appellant] wenst alsnog nader onderzoek naar deze patenten. [appellant] biedt uitdrukkelijk bewijs aan van het door hem gestelde, door middel van het overleggen van stukken of verklaringen en/of het (doen) horen van getuigen/deskundigen.

5.3

Verweerders voeren gemotiveerd verweer. Zij eisen dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad de grieven van appellant afwijst en – na wijziging – in incidenteel hoger beroep dat [appellant] in de werkelijke kosten van deze procedure wordt veroordeeld - waaronder begrepen de door de vereffenaar gemaakte extra kosten, alles bij elkaar een bedrag van € 44.918,79 dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag - en de verdeling opnieuw zal vaststellen, primair conform het als productie HB14 overgelegde overzicht en subsidiair conform het als productie HB13 overgelegde overzicht.

6Beoordeling in hoger beroep

Nader onderzoek vereffenaar

6.1

Van 7 oktober 2008 tot zijn overlijden zijn de goederen die toebehoren aan erflater onder bewind gesteld. Aanvankelijk zijn een broer ( [broer van de erflater] ) en een zuster ( [zuster van de erflater] ) van erflater benoemd tot bewindvoerder. Onder andere door het overlijden van de broer zijn in 2013 en in 2017 twee andere bewindvoerders benoemd ( [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] ). Zij hebben tijdens het leven van erflater de onroerende zaken gelegen aan de [adres 1, 2 en 3] te [plaats] , op dat moment eigendom van erflater, verkocht en geleverd aan derden. [appellant] stelt dat de voormalige percelen van erflater aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats] onder de marktwaarde zijn verkocht en dat de vereffenaar daar nader onderzoek naar moet doen.

6.2

Artikel 4:211 lid 1 BW bepaalt dat de vereffenaar tot taak heeft de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen. Voor de vereffenaar geldt dat hij dient te handelen als een redelijk en/of vakbekwaam handelend vereffenaar. In beginsel moet de vereffenaar dan ook onderzoek doen naar de omvang van de nalatenschap, waarbij ook hoort dat als er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat de nalatenschap vorderingen heeft op erfgenamen of derden uit (onrechtmatige) daad, de vereffenaar een redelijke inspanning levert om die vorderingen te onderzoeken.

6.3

Echter, in dit geval is er geen enkele aanleiding voor nader onderzoek door de vereffenaar. Het hof legt dit hierna uit.

6.3.1

Al tijdens het leven van erflater heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (bij beschikking van 23 december 2015) machtiging verleend aan de bewindvoerders (destijds [broer van de erflater] en [bewindvoerder 1] ) tot verkoop en levering van de onroerende zaken gelegen aan de [adres 1, 2 en 3] te [plaats] . De kantonrechter heeft daarbij uitvoerig gemotiveerd waarom deze toestemming is verleend gezien de bezwaren van [verweerder 5] . Voor een tweede taxatie, zoals [verweerder 5] verzocht, heeft de kantonrechter geen aanleiding gezien. Dat de door de bewindvoerders gemaakte keuzes niet in het belang waren van erflater, is de kantonrechter toen niet gebleken. Drie jaar later is het de kantonrechter (bij beschikkingen van 1 juni 2018 en 12 maart 2019) geweest die naar aanleiding van drie door de bewindvoerders voorgestelde opties heeft beslist hoe de grondkavel gelegen tussen de [Woning 1] en [Woning 2] te [plaats] moest worden verkocht en ook machtiging tot verkoop en levering heeft verleend. Voor kosten die zijn gemaakt ten behoeve van deze verkopen heeft de kantonrechter een machtiging verleend.

6.3.2

Op grond van artikel 1:445 lid 1 BW hebben de bewindvoerders jaarlijks rekening en verantwoording moeten afleggen aan de rechthebbende (d.w.z. erflater) ten overstaan van de kantonrechter. Bij het overlijden van erflater hebben de bewindvoerders op grond van artikel 1:445 lid 1 BW jo. art. 1:373-374 BW, rekening en verantwoording af moeten leggen aan de erfgenamen ten overstaan van de kantonrechter (vgl. HR 22 december 2017, ECLI:NLHR:2017:3262, NJ 2018/276). De vereffenaar heeft deze rekening en verantwoording voorgelegd aan [appellant] bij brief van 12 mei 2022 met de mededeling dat als zij niets van hem zou vernemen, zij namens de erfgenamen voor akkoord zal tekenen. Gesteld, noch gebleken is dat [appellant] het op dat moment niet eens was met de rekening en verantwoording en dat hij een eventueel geschil daarover heeft voorgelegd aan de kantonrechter.

6.3.3

[appellant] heeft aangevoerd dat het onroerend goed voor een hogere waarde verkocht had kunnen worden. De door [appellant] aangedragen stukken zijn onduidelijk en leiden niet tot de conclusie dat het onroerend goed voor een hoger bedrag had kunnen worden verkocht. Deze stukken bevatten voornamelijk ongefundeerde aantijgingen richting de bewindvoerders en de vereffenaar.

Schilderijen

6.4

Verder is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat erflater op het moment van overlijden nog andere schilderijen had naast het schilderij zoals vermeld in de boedelbeschrijving. Geïntimeerden hebben betoogd dat toen de woning van erflater aan de [Woning 2] is verkocht de roerende zaken in de woning, waaronder de schilderijen, bij inschrijving zijn verkocht en [appellant] toen op de hoogte is gebracht en in de gelegenheid is gesteld mee te bieden. [appellant] heeft dit betoog niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. De enkele foto van een schilderij zoals dat ooit bij erflater in huis hing, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een nader onderzoek.

Patenten op bloembollen

6.5

Als laatste betoogt [appellant] dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar patenten op bloembollen . [appellant] heeft dit in het geheel niet onderbouwd. De brief van de vereffenaar van 12 mei 2022 waar [appellant] naar verwijst gaat over de boedelbeschrijving en over de verdeling van de boeken waarvoor ieder van de erfgenamen kan laten weten of hij/zij interesse heeft, waaronder de verzameling bloemen / bolgewassen . Dit gaat in het geheel niet over patenten op bloembollen . Verder bieden de enkele pagina’s met informatie over [bollensoort] en de inschrijving van [naam] als kwekersrechthouder van deze soort, onvoldoende aanknopingspunten voor enig nader onderzoek.

6.6

De slotsom van het voorgaande is dat de grief van [appellant] faalt.

Incidenteel hoger beroep

6.7

Verweerders vorderen de verdeling opnieuw vast te stellen, primair conform het als productie HB14 overgelegde overzicht en subsidiair conform het als productie HB13 overgelegde overzicht. Verweerders betogen dat er aanleiding is om [appellant] in de werkelijke proceskosten te veroordelen en te bepalen dat hij de kosten van de vereffenaar moet voldoen.

6.8

Artikel 241 Rv bepaalt dat geen vergoeding voor de werkelijke proceskosten open staat, maar dat een forfaitair liquidatietarief geldt. Alleen in bijzondere omstandigheden, in geval van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door één van de partijen, is afwijking van deze regel mogelijk. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het EVRM.

6.9

Het hof is van oordeel dat in dit geval [appellant] moet worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Het hof overweegt daartoe als volgt. Al jarenlang voert [appellant] strijd over het onroerend goed en de bezittingen die erflater ooit heeft gehad. Nog tijdens het leven van erflater heeft [appellant] veelvuldig mails en brieven verstuurd naar de bewindvoerders waarin hij schrijft het niet eens te zijn met de wijze waarop het onroerend goed aan de [adres 1, 2 en 3] te [plaats] zou worden verkocht en geen toestemming te verlenen, en het eveneens niet eens te zijn met de benoemingen van de bewindvoerders. In die mails en brieven worden ongefundeerde beweringen gedaan zoals dat de bewindvoerders zwendelaars zijn en dat sprake is van verduistering, en worden zij door [appellant] gewezen op mogelijke strafrechtelijke procedures en aansprakelijk gesteld. Ook thans is hij het nog steeds niet eens met de wijze waarop bij leven van erflater is gehandeld en heeft hij geprobeerd de vereffenaar aansprakelijk te stellen voor een bedrag hoger dan de waarde van de nalatenschap, terwijl hij slechts voor 1/27e deel aanspraak maakt op de erfenis. [appellant] miskent dat de kantonrechter in deze zaak meerdere malen is aangezocht door de bewindvoerders, dat de kantonrechter machtigingen heeft verleend en er ten overstaan van hem rekening en verantwoording is afgelegd aan zowel de rechthebbende bij het leven als aan de erfgenamen na het overlijden van erflater. Hoewel [appellant] anders lijkt te denken, was hij als neef van erflater tijdens leven van de erflater geen belanghebbende in de procedures over de verkoop van het onroerend goed en was er voor de verkoop en overdracht daarvan geen toestemming van [appellant] nodig. De door [appellant] ingenomen stellingen over het voor een te laag bedrag verkopen van het onroerend goed door de bewindvoerders, het ontbreken van (een) schilderij(en) en patenten op bloembollen in de boedelbeschrijving zijn, zoals hiervoor weergegeven, in deze procedure – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - in het geheel niet onderbouwd. Sterker nog, tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] een zeer onsamenhangend verhaal verteld. Ondanks dat [appellant] door de rechtbank in het bestreden vonnis uitdrukkelijk erop is gewezen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het door hem gevraagde nadere onderzoek, is [appellant] in hoger beroep gegaan zonder nieuwe relevante onderbouwing. Bij het instellen van de vordering in eerste aanleg was deze al evident ongegrond. Dit is niet anders geworden in hoger beroep. Gelet op de belangen van de overige erfgenamen, die inmiddels meer dan vijf jaar deelgenoot zijn van een onverdeelde nalatenschap en belang hebben bij de daadwerkelijke afwikkeling van de nalatenschap en het belang van de vereffenaar die al jarenlang wordt geconfronteerd met ongefundeerde aantijgingen, had [appellant] zich moeten onthouden van het instellen van het hoger beroep. Het instellen van het hoger beroep is dan ook onrechtmatig. Dit betekent dat [appellant] zal worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten van deze procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

6.10

Dan resteert de vraag of [appellant] ook moet worden veroordeeld in de kosten die de vereffenaar – naast de kosten van de advocaat en het griffierecht – extra heeft moeten maken vanwege deze procedures. Deze kosten komen in beginsel op grond van artikel 4:7 lid 1 sub c BW ten laste van de nalatenschap. Aangezien het hof het voeren van deze procedures als onrechtmatig heeft aangemerkt, is het hof van oordeel dat [appellant] ook in deze kosten die eveneens het gevolg zijn van het onrechtmatig procederen door [appellant] moet worden veroordeeld.

6.11

Dit betekent dat het hof [appellant] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 44.918,79 aan proceskosten, waaronder begrepen de door de vereffenaar gemaakte extra kosten. Verder zal het hof, zoals verweerders onweersproken hebben gevorderd, de verdeling opnieuw vaststellen, conform het als productie HB14 overgelegde overzicht.

7Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat het hof opnieuw de verdeling vaststelt conform het als productie HB14 overgelegde overzicht, te weten;

  • veroordeelt [appellant] tot betaling aan geïntimeerden in de werkelijke proceskosten en de kosten van de vereffenaar, totaal begroot op € 44.918,79;

  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. Lückers, mr. G.G.B. Boelens en mr. J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733