Rechtbank Noord-Holland 30-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7955

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking over gezag waarin de moeder minderjarig is en daarom onbevoegd is (en nooit is geweest) tot het gezag. De Raad verzoekt de vader met het gezag te belasten op grond van artikelen 1:253q en 1:253r BW en stelt voor dat gezamenlijk gezag herleeft zodra moeder meerderjarig is. De rechtbank oordeelt dat artikel 1:253q BW toepassing mist omdat het ziet op aanvankelijk bestaand gezag dat later wegvalt. Vader verkrijgt niet van rechtswege gezag. Juridische grondslag ontbreekt; het verzoek van de Raad wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Moeder minderjarig, Raad voor de Kinderbescherming wil dat vader het gezag krijgt: kan dat?
RvdK verzoekt vader te belasten met het gezag op grond van artt. 1:253q en 1:253r BW en staat voor dat gezamenlijk gezag herleeft zodra moeder meerderjarig is. Art. 1:253q BW mist toepassing; moeder heeft nooit het gezag gehad.

Datum publicatie07-08-2026
ZaaknummerC/15/376331
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Gezag
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beschikking van de rechtbank over het gezag. De moeder is minderjarig en daarom niet bevoegd tot het gezag (en ook nooit geweest). De Raad verzoekt de vader te belasten met het gezag op grond van artikelen 1:253q en 1:253r BW. Artikel 1:253q is echter niet van toepassing omdat daarvoor sprake moet zijn van de situatie dat de moeder aanvankelijk wel bevoegd was tot het gezag. De rechtbank wijst het verzoek van de Raad af omdat de juridische grondslag ontbreekt.

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/376331 / FA RK 26-1676

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Beschikking van de rechtbank over het gezag

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

[de grootmoeder moederszijde] ,

hierna te noemen: de grootmoeder moederszijde,

wonende in [land] , thans gedetineerd in [land] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de grootmoeder vaderszijde] ,

hierna te noemen: de grootmoeder vaderszijde.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van 30 maart 2026 met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.

1.2.

Het verzoek is gelijktijdig met het verzoek inzake C/15/377059 / FA RK 26-2101 behandeld op de zitting met gesloten deuren op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • de vader;

- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;

  • [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI, aanwezig via videoverbinding;

  • de grootmoeder vaderszijde;

- [de tante vaderszijde] , de tante vaderszijde, aan wie bijzondere toestemming is verleend om de zitting bij te wonen.

De grootmoeder moederszijde was niet aanwezig. De rechtbank stelt vast dat zij juist is opgeroepen.

2De feiten

2.1.

De vader heeft [de minderjarige] erkend.

2.2.

[de minderjarige] woont bij de ouders.

3Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt de vader te belasten met het gezag over [de minderjarige] . De moeder is vanwege haar minderjarigheid onbevoegd. De Raad stelt voor om gelijk vast te stellen dat de ouders gezamenlijk met het gezag zullen zijn belast zodra de moeder niet langer onbevoegd is om het gezag over het ongeboren kind uit te oefenen, zodra zij meerderjarig is.

3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Doordat de moeder minderjarig is, is zij onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag waardoor er nu een gezagsvacuüm bestaat. De Raad acht het in belang van [de minderjarige] dat de vader het gezag over hem krijgt. Hij zal, samen met de moeder en ondersteund door zijn familie, zorg dragen voor [de minderjarige] . De vader laat zien dat hij gemotiveerd is om de zorg voor [de minderjarige] te dragen en heeft hem erkend.

4De standpunten

4.1.

De ouders zijn akkoord met het verzoek. Als de vader niet het gezag kan krijgen over [de minderjarige] , moet de grootmoeder vaderszijde met de voogdij worden belast. De ouders willen niet dat de GI wordt belast met de voogdij over [de minderjarige] .

4.2.

De grootmoeder vaderszijde is het eens het met verzoek. Als het niet mogelijk is om de vader te belasten met het gezag over [de minderjarige] , kan de grootmoeder de voogdij over [de minderjarige] uitoefenen.

5De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

Door de omstandigheid dat de moeder de Kroatische nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de Raad. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. 1 Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op de verzoeken van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht. 2

Juridisch kader

5.2.

De voor dit verzoek relevante wettelijke bepalingen uit boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luiden als volgt:

Artikel 233

“Minderjarigen zijn zij die de leeftijd van achttien jaren niet hebben bereikt en evenmin met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn verklaard.”

Artikel 246

“Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen (…).”

Artikel 253q, lid 1-4

“1. Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag.

2. Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechtbank een voogd.

3. Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Alsdan benoemt zij een voogd.

4. De in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, een rechtspersoon een daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, eerste lid, en artikel 302, tweede lid, of ambtshalve.”

Inhoudelijke behandeling

5.3.

De Raad baseert haar verzoek op artikelen 1:253q en 1:253r BW. Artikel 1:253q BW geeft een regeling voor het geval één of beide ouders onbevoegd is/zijn tot uitoefening van het gezag. Daarbij moet het gaan om een situatie waarin aanvankelijk één of beide ouders bevoegd was/waren tot het gezag, maar dat nadien op een van de in artikel 1:246 BW genoemde gronden niet meer is/zijn.

5.4.

De moeder is minderjarig. Dit betekent dat zij op grond van artikel 1:246 BW niet bevoegd is tot het gezag en derhalve ook nooit het gezag over [de minderjarige] heeft uitgeoefend. Er is geen andere ouder die het gezag uitoefent; hoewel de vader [de minderjarige] heeft erkend heeft hij op grond van artikel 1:251b, eerste lid, onder b BW na de erkenning niet van rechtswege het ouderlijk gezag over [de minderjarige] verkregen. Artikel 1:253q BW is niet van toepassing, omdat – zoals gezegd – daarvoor sprake moet zijn van de situatie dat de moeder aanvankelijk bevoegd was tot het gezag.

5.5.

De rechtbank stelt vast dat de juridische grondslag voor het verzoek ontbreekt. De rechtbank zal het verzoek van de Raad dan ook afwijzen.

6De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Voskens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

1

Artikel 7 Brussel II ter.

2

Artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733