Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding tussen moeder, vader en GI over contactherstel tijdens ondertoezichtstelling. Moeder stelt dat eerdere beschikking geen ruimte biedt voor (begeleide) omgang en dat GI in strijd met art. 3.2 lid 2 Jeugdwet jeugdhulp verleent; zij vordert verboden en dwangsommen, mede wegens verdenking van intieme terreur en kindermishandeling. Vader vraagt voorlopige zorgregeling. Vzr. leest in eerdere beslissingen dat GI regie mag voeren over begeleid contact, acht start/herstel begeleide omgang verantwoord en wijst alle vorderingen af.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 06-08-2026 |
| Zaaknummer | C/10/721151 / KG ZA 26-566 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW; Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding. Verdenking van intieme terreur en kindermishandeling. Verbod voor de GI om contact te begeleiden tussen de man en de minderjarige? Is bij het begeleiden van omgang sprake van jeugdhulp a.b.i. art. 3.2 lid 2 JW? Vzr. wijst de vorderingen af.Volledige uitspraak
Team familie
Rolnummer: C/10/721151 / KG ZA 26-566
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing in kort geding van 1 juli 2026
in de zaak van
[naam vrouw] ,
te [woonplaats] ,
eiseres in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout,
tegen
[naam man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. N. Schuerman,
en
de Gecertificeerde Instelling JEUGDBESCHERMING ROTTRDAM RIJNMOND,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
gedaagden in conventie.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties van de vrouw, betekend op 17 juni 2026;
-
het bericht van de vrouw met een aanvullende eis in conventie van 26 juni 2026;
-
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties, van de man van 30 juni 2026;
-
het bericht met bijlagen van de GI van 1 juli 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
mr. S. Schuijs en [persoon A] , beiden namens de GI.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd. Verder heeft de man spreekaantekeningen overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan, omdat een zodanig spoedeisend belang bestond bij de beslissing dat een volledige schriftelijke uitwerking daarvan niet kon worden afgewacht. De reden daarvoor is dat de minderjarige mede als gevolg van het geschil tussen partijen niet naar school gaat en er behoefte is bij partijen om duidelijkheid te krijgen over de zorgregeling. Deze schriftelijke uitwerking is vervolgens opgemaakt op grond van artikel 29a lid 5 en 6 Rv.
2De feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
De minderjarige is sinds 19 maart 2024 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 11 maart 2026.
Tussen partijen zijn verschillende procedures geweest over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling). Van belang is dat bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 een opbouwende zorgregeling is bepaald, waarin uiteindelijk toegewerkt wordt naar een regeling die inhoudt dat de minderjarige op dinsdag en op donderdag om 11:45 uur door de man wordt opgehaald bij de peuterspeelzaal en om 15:45 uur wordt teruggebracht naar de vrouw. Dit is enkel het geval voor zover de GI dat in het belang van de minderjarige acht. Verder is bij beschikking van 24 februari 2026 het verzoek van de man afgewezen om een voorlopige zorgregeling te bepalen. Het verzoek om een definitieve zorgregeling te bepalen is aangehouden, in afwachting van de uitkomst van het KSCD-onderzoek en het onderzoek van Filomena naar intieme terreur en kindermishandeling.
Ten tijde van de mondelinge behandeling was er geen contact tussen de man en de minderjarige. Onder begeleiding van de GI hebben er contactmomenten plaatsgevonden, welke eind mei van dit jaar zijn stopgezet door de vrouw.
Bij deze rechtbank is door de vrouw een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 1:262b BW (de geschillenregeling), waarin daarnaast verzocht is om wijziging van de GI. De mondelinge behandeling van dit verzoek is gepland op 13 juli 2026 (bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/720564 / JE RK 26/1044).
3Het geschil
De vrouw vordert:
-
de man te verbieden om op de school van de minderjarige te komen gedurende een periode vanaf een half uur vóór aanvang van de schooltijd tot een half uur na afloop van de schooltijd, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding;
-
de GI te verbieden om aan te dringen op of mee te werken aan de totstandkoming van contact tussen de man en de minderjarige totdat door de rechtbank is beslist op het verzoek in het kader van de geschillenregeling ex art. 1:262b BW, eveneens onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding;
-
de GI te verbieden om jeugdhulp te verlenen ten aanzien van de minderjarige, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding;
-
te bepalen dat het de GI verboden is zelf jeugdhulp te verlenen in strijd met artikel 3.2 lid 2 Jeugdwet, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere overtreding.
De gedaagden voeren gemotiveerd verweer. Daarnaast vordert de man in reconventie dat een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld, inhoudende:
-
wekelijks één begeleid omgangsmoment van twee uur op een door de GI te bepalen locatie en tijdstip, met ingang van de eerste week na de datum van het vonnis
-
na twee positief verlopen begeleide omgangsmomenten: onbegeleide voortzetting, door de GI binnen de ondertoezichtstelling op te bouwen naar tweemaal vier uur per week, zijnde de regeling die tot begin 2026 feitelijk gold, zolang de observaties positief blijven;
telkens onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, althans per keer, dat de vrouw in gebreke blijft. Ook vordert hij de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zullen de stellingen van partijen in het hiernavolgende gelijktijdig worden besproken.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang is gelegen in de aard van de vorderingen, zoals hiervoor onder 1.4 al uiteen is gezet.
Inhoudelijke beoordeling
In de kern hebben de eiser en de gedaagden een geschil over de uitleg van de beschikking van 24 februari 2026, namelijk of daarin ruimte wordt gegeven aan de GI om (begeleide) omgang te starten tussen de man en de minderjarige. Het gaat in het bijzonder om de volgende passage uit de uitspraak:
“Contact in afwachtingresultaten KSCD-onderzoek en onderzoek Filomena
De vraag is nu of in afwachting van de resultaten van het KSCD-onderzoek en het onderzoek van Filomena naar intieme terreur en kindermishandeling contact tussen de man en de minderjarige kan plaatsvinden, ofwel of, zoals door de man verzocht, een voorlopige contactregeling kan worden vastgesteld. Bij beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat kinderen recht hebben op contact met hun ouders. De rechter kan het verzoek van de man slechts afwijzen als sprake is van een ontzeggingsgrond. Daarvan is, voor zover hier relevant, sprake als:
- contact ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van het kind,
- de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact of,
- contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De bezwaren van de vrouw komen erop neer dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van het kind en dat de man kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang.
De rechtbank volgt de bezwaren van de vrouw. Gelet op de huidige situatie waarbij de vrouw met de minderjarige in een crisisopvang verblijft met ‘code rood’, het incident dat daaraan vooraf is gegaan en de signalen van intieme terreur en kindermishandeling, ziet de rechtbank geen ruimte om op dit moment een tijdelijke zorgregeling vast te stellen zonder dat er meer duidelijkheid is over de situatie. De rechtbank acht vaststelling van een voorlopige zorgregeling dan ook niet in het belang van de minderjarige, zodat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Dat neemt evenwel niet weg dat, als de GI binnen de ondertoezichtstelling ruimte ziet voor contactherstel, dit kan plaatsvinden onder begeleiding en regie van de GI.”
Daarnaast is van belang hetgeen is overwogen in de verlengingsbeslissing van de ondertoezichtstelling van 11 maart 2026:
“5.2. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige]
nog steeds ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. De ouders hebben langdurig
een conflictueuze relatie waarmee [voornaam minderjarige] wordt belast. Er zijn zorgen over de
emotionele beschikbaarheid van beide ouders. De moeder en [voornaam minderjarige] hebben enige tijd
met code rood in een crisisopvang verbleven. Inmiddels woont de moeder weer
thuis en is ambulante spoedhulp aangevraagd voor in de thuissituatie bij de moeder.
Hoewel de zorgen niet geheel zijn verdwenen, is de GI (weer) gestart met begeleide
bezoeken tussen de vader en [voornaam minderjarige] . Positief is dat het eerste bezoek goed verlopen is. De GI zal de komende tijd nader onderzoek laten doen naar de wijze waarop de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige] verder vorm kan worden gegeven. Daarnaast zal Filomena nog onderzoek verrichten naar de relatie tussen de ouders en de veiligheid. De dynamiek tussen de ouders brengt met zich dat het een complexe situatie is. Nader onderzoek en de regievoering door de Gl dient te bewerkstelligen dat er rust komt en dat [voornaam minderjarige] een structureel en stabiel contact heeft met beide ouders. Gelet op dit alles is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang is van [voornaam minderjarige] dat een jeugdbeschermer ook de komende periode betrokken blijft en zijn ontwikkeling in de gaten houdt en de hulp inzet die voor [voornaam minderjarige] noodzakelijk is. Het
vrijwillig kader is voor dit gezin niet toereikend.”
De vrouw stelt – samengevat – dat de beschikking van 24 februari 2026 geen ruimte biedt voor contactherstel. Als dat wel het geval zou zijn, zou er in ieder geval geen ruimte zijn voor onbegeleide contacten terwijl de GI daar wel op aanstuurt. Verder zijn de contactmomenten ook niet goed begeleid. De rol van de GI zou ook in strijd zijn met de Jeugdwet, waarin een verbod is opgenomen voor de GI om jeugdzorg te verlenen en het begeleiden van de omgangsmomenten valt hieronder, aldus de vrouw. Om de minderjarige te beschermen, houdt zij hem thuis zodat voorkomen wordt dat de man de minderjarige gaat opzoeken op school.
De man en de GI benadrukken dat de betreffende beschikking wel ruimte biedt voor contactherstel door de GI. Zij benadrukken dat eerdere contactmomenten tussen de man en de minderjarige goed zijn verlopen en dat er juist gewerkt moet worden aan contactherstel. Ook andere betrokken instanties zien volgens hen geen onveiligheid in het contact. Zij achten het schadelijk dat de minderjarige niet naar school gaat. De GI betwist dat zij in strijd handelt met de Jeugdwet. Verder is van onbegeleide contactmomenten geen sprake geweest. Tot slot benadrukt de GI dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt om confrontaties tussen de ouders te voorkomen en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de man zich daar niet aan houdt.
De voorzieningenrechter benadrukt dat hij slechts voorlopige voorzieningen kan treffen. Hierbij wordt uitgegaan van terughoudendheid, met name vanwege het voorlopige karakter van het kortgedingvonnis en de beperkte waarborgen voor feitenvaststelling en bewijsvoering. De voorzieningenrechter moet zich bij zijn beoordeling richten op de waarschijnlijke uitkomst van een bodemprocedure (HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705). Een en ander brengt ook mee dat de voorzieningenrechter met zijn beslissingen niet lopende procedures moet doorkruisen.
In de hiervoor onder 4.2.1 geciteerde beschikking heeft de rechtbank in haar laatste zin expliciet overwogen dat als de GI binnen de ondertoezichtstelling ruimte ziet voor contactherstel, dit kan plaatsvinden onder begeleiding en regie van de GI. In de onder 4.2.2 genoemde verlengingsbeslissing is benoemd dat nader onderzoek en de regievoering door de Gl dient te bewerkstelligen dat er rust komt en dat de minderjarige een structureel en stabiel contact heeft met beide ouders. De voorzieningenrechter ziet geen reden om af te wijken van deze overwegingen. In beide uitspraken is enerzijds benadrukt dat er zorgen zijn over de veiligheid, maar anderzijds is ook uitdrukkelijk een rol voor de GI weggelegd bij de contacten tussen de man en de minderjarige. De voorzieningenrechter leest daarin niet dat eerst een bepaalde periode moet verstrijken voordat de GI contactmomenten kan opstarten. Ook worden er geen nadere eisen gesteld aan de vorm van de contacten.
Wat betreft de start en uitvoering van de contactmomenten heeft de GI voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de gegeven omstandigheden kon overgaan tot de start van begeleide omgangsmomenten en dat er nu ruimte is om die te hervatten. Daarbij is onder meer van belang dat eerdere contactmomenten begeleid hebben plaatsgevonden en dat daarbij geen concrete veiligheidsincidenten zijn voorgevallen. Verder is in de tussentijd een tussenrapportage van Filomena verschenen waarin geen zorgelijke signalen naar voren zijn gekomen over de man en waarin het belang wordt benadrukt van duidelijkheid, stabiliteit en een dagelijkse structuur die aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van de minderjarige (productie 6 van de GI). Ook is gebleken dat de politie geen concrete zorgen heeft geuit over de veiligheid van de minderjarige bij de man, maar zich vooral zorgen maakt over de gedragingen van beide ouders (productie 8 van de GI). Daarnaast is de eerdere ‘code rood’-situatie op enig moment teruggedraaid, in die zin dat de vrouw tijdelijk weer kon terugkeren naar de woning. Tot slot is van belang dat het de bedoeling is dat het KSCD-onderzoek wordt opgestart, zodat nader onderzoek plaatsvindt en er aanvullend zicht komt op de situatie.
Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat sprake is van (ongeoorloofde) jeugdhulpverlening door de GI, volgt de voorzieningenrechter die stelling niet. De GI voert hier een door de rechter opgedragen taak uit in het kader van de ondertoezichtstelling, waarbij de GI is belast met de regie over het contact tussen de man en de minderjarige. Dat daarnaast andere instanties betrokken zijn bij onderzoek en hulpverlening, maakt dat niet anders. Daarbij wijst de voorzieningenrechter ook op de achtergrond van art. 3.2 lid 2 Jeugdwet, die gelegen is in het voorkomen van een belangenverstrengeling (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 157). Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
Ook de vordering van de man om concrete contactmomenten vast te leggen wordt afgewezen. De verdere invulling van het contact hoort, gelet op wat hiervoor is overwogen, onder regie van de GI plaats te vinden binnen het kader van de lopende bodemprocedure. In de beschikking van 24 februari 2026 is ook uitdrukkelijk overwogen dat er geen ruimte is voor een concrete voorlopige zorgregeling.
Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat hij oog heeft voor de moeilijke situatie van partijen. Het is duidelijk geworden dat de vrouw oprechte zorgen heeft over de veiligheid van de minderjarige. Ook is duidelijk dat de man veel pijn ervaart, doordat hij momenteel geen contact heeft met de minderjarige. De voorzieningenrechter benadrukt dat het belang van de minderjarige vergt dat de contacten met de man op een veilige en begeleide manier hervat worden. Daarvoor is nodig dat de man wordt gehouden aan zijn toezegging om niet op de school van de minderjarige te verschijnen, behalve in het kader van door de GI georganiseerde contactmomenten. Om spanningen te voorkomen is het niet wenselijk dat partijen elkaar daar ontmoeten. De vrouw wordt gehouden aan haar toezegging dat de minderjarige vanaf de eerstvolgende dag (dit is vrijdag 2 juli 2026) weer naar school gaat. Ook dient zij, voor zover zij daar nog niet toe is overgegaan, haar contactgegevens aan de GI te verstrekken. Dit is nodig, omdat anders de GI niet in staat is haar wettelijke taak op een behoorlijke manier uit te voeren.
Benoemen bijzondere curator
Tijdens de mondelinge behandeling is het benoemen van een bijzondere curator ter sprake gekomen. De voorzieningenrechter ziet daarvoor geen aanleiding. Een beoordeling van de nut en noodzaak hiervan kan in de bodemprocedure plaatsvinden. Daarbij weegt ook mee dat er al meerdere instanties zijn betrokken. De voorzieningenrechter acht het toevoegen van een extra partij in dit stadium te belastend voor de minderjarige.
Proceskosten
De man heeft veroordeling van de vrouw in de proceskosten gevorderd. Gelet op de relatie tussen partijen en het feit dat beide partijen hun standpunten hebben toegelicht, waarvan de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen dat hij die voorstelbaar acht, ziet de voorzieningenrechter daar geen aanleiding toe. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
wijst de vorderingen van partijen af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026 en op 10 juli 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
