Essentie (gemaakt door AI)
Afwijzing van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter stelt vast dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging door de conflicten tussen ouders en dat daarmee aan het wettelijke criterium voor verlenging is voldaan. Verlenging wordt toch geweigerd omdat de GI geen haalbare, concrete doelen voor de komende periode formuleert en niet meer inzet op veiligheid, diagnostiek of contactherstel. Zonder realistisch plan zijn geen resultaten te verwachten, zodat afwijzing volgt.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 06-08-2026 |
| Zaaknummer | C/03/353210 / JE RK 26-1048 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling. Voldaan aan wettelijke criterium voor een verlenging, maar door de GI geen haalbare doelen gesteldVolledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/353210 / JE RK 26-1048
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
hierna te noemen de GI
gevestigd in Roermond,
over
[minderjarige] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] (België).
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. B.H.S. Brinkman, kantoorhoudend in Heerlen,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland.
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;
-
het aanvullende stuk van de GI, inhoudend de reactie van de moeder op het evaluatieverslag, ontvangen op 26 juni 2026;
-
het aanvullende stuk van de GI, ontvangen op 20 juli 2026;
-
de stukken van de moeder, ontvangen op 21 juli 2026;
-
het stuk van de moeder, ontvangen op 21 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
Ter zitting van 22 juli 2026 heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.
2De feiten
De ouders zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, dus tot 12 augustus 2026.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is op jonge leeftijd blootgesteld aan spanningen en huiselijk geweld tussen de ouders. Dit heeft zijn gevoel van veiligheid en emotionele ontwikkeling aangetast. [minderjarige] ervaart nog altijd last van deze spanningen, mede gelet op de strijd tussen de ouders die nog steeds aanwezig is. Ook zijn er zorgen over de (zichtbare) loyaliteitsproblematiek waarbij [minderjarige] het risico loopt klem te raken tussen de ouders. De GI acht een aanvullend en breed diagnostisch onderzoek noodzakelijk. Volgens de GI is het nog onduidelijk in hoeverre de ontwikkelingsvragen (waaronder de taal- en spraakontwikkeling) samenhangen met de kindeigen kenmerken, eerdere traumatische ervaringen of de huidige opvoedsituatie. De ouders zijn onvoldoende in staat om gezamenlijk, stabiel en consistent invulling te geven aan hun ouderlijke verantwoordelijkheid. De moeder heeft eerder een locatie- en contactverbod aangevraagd voor de vader, maar tegelijkertijd blijft er sprake van een jarenlang patroon van aantrekken en afstoten tussen de ouders. Ondanks interventie door meerdere instanties heeft dit nog niet geleid tot een duurzame verandering. Tussen de ouders is sprake van terugkerende conflicten, wisselende standpunten over de noodzakelijke zorg voor [minderjarige] en een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . De hierdoor ontstane spanningen werken door in de beslissingen rondom de opvoeding, contact en ontwikkeling van [minderjarige] . Hoewel de ouders aangeven het belang van [minderjarige] voorop te stellen, lukt het hen onvoldoende hun onderlinge strijd te scheiden van hun ouderrol. Hulpverlening in het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend. De ouders werken niet consequent mee aan noodzakelijke hulpverlening en besluitvorming rondom [minderjarige] . De voortgang van hulpverlening blijft afhankelijk van actieve sturing door de gezinsvoogd. Zonder regie en monitoring vanuit het verplichtende kader bestaat het risico op stagnatie van hulpverlening, voortduring van ouderlijke conflicten en is er onvoldoende bescherming voor de ontwikkeling van [minderjarige] .
Tijdens de mondelinge behandeling stelt de GI aanvullend dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ongewijzigd is ondanks inzet van verschillende trajecten. De ouders werken niet tot onvoldoende mee en zien zichzelf als slachtoffer. De GI overweegt de ouders een schriftelijke aanwijzing te geven. De schriftelijke aanwijzing zou voor de vader zien op het meewerken aan volwassen hulpverlening en meewerken aan contact met [minderjarige] . Voor de moeder zou de schriftelijke aanwijzing zien op meewerken aan contact tussen [minderjarige] en de vader en de GI toestaan alleen contact te hebben met [minderjarige] . Over het contact tussen [minderjarige] en de vader stelt de GI dat zij de opdracht van de rechtbank in de beschikking van 12 augustus 2025 onder overweging 5.5. heeft begrepen als het starten van een onderzoek en daarbij aandacht hebben voor onder meer mogelijk trauma en kindfactoren van [minderjarige] . De GI is toen in gesprek gegaan met de moeder en [zorginstelling] , waar de moeder eerst niet aan mee wilde werken. [zorginstelling] heeft een verslag opgesteld, welke ook door de GI is overgelegd. De GI is het niet eens met de inhoud van dit verslag omdat de visie van de GI niet is meegenomen. [zorginstelling] is enkel uitgegaan van informatie van de moeder en de school van [minderjarige] . Daarbij vindt de GI het wel positief te benoemen dat daarin is vastgesteld dat bij [minderjarige] geen sprake is van een trauma. Desgevraagd stelt de GI over de onveiligheid van de moeder en [minderjarige] dat dit een subjectieve beleving is van de moeder. De rechtbank heeft op 4 september 2025 een locatie- en contactverbod aan de vader opgelegd. Volgens de GI houdt de moeder zich ook niet aan dit locatie- en contactverbod en zoekt zij zowel direct als indirect contact met de vader. Zo heeft de moeder onder meer in november 2025 via WhatsApp contact gehad met de vader, waar de GI van op de hoogte is. Ondanks deze situatie heeft de GI toch ingezet op contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. De moeder heeft daarbij als eis gesteld dat zij aanwezig wil zijn bij de overdrachtsmomenten. Dat begrijpt de GI niet. De GI vraagt zich af hoe van onveiligheid kan worden gesproken als de moeder wel bij de overdrachtsmomenten aanwezig wil zijn. Ook heeft de GI middels een screenshot gezien dat de moeder contact heeft met de partner van de vader via WhatsApp. Hoewel de GI erkent dat sprake is van doodsbedreigingen van de vader richting de moeder, stelt de GI dat de moeder zelf de onveiligheid in stand houdt. Verder stelt de GI dat is gebleken dat de mogelijkheden voor contactherstel tussen de vader en [minderjarige] op dit moment beperkt zijn. Dat komt enerzijds door het weigeren van medewerking door de moeder en anderzijds door het wisselende contact van de vader met de GI. Er hebben sinds november 2025 drie begeleide contactmomenten plaatsgevonden. Van deze drie momenten is een contactmoment (het eerste) goed verlopen. Het tweede contactmoment is niet doorgegaan omdat de vader niet verscheen. Bij het derde contactmoment is de situatie tussen de ouders geëscaleerd in het bijzijn van [minderjarige] en heeft de moeder met [minderjarige] het pand via de achteruitgang verlaten. Desgevraagd stelt de GI dat voor de vader zowel volwassenen hulpverlening als hulpverlening bij het contact met [minderjarige] nodig is. Op dit moment wordt er echter niets ingezet voor de vader omdat de GI niet (meer) met hem in contact komt en de vader geen hulpverlening voor zichzelf nodig vindt. De vader heeft geen vertrouwen in de Nederlandse maatschappij als zodanig. Na de mondelinge behandeling over het verzoek eenhoofdig gezag van de moeder, heeft de GI nog lang gesproken met de vader. Twee weken geleden heeft de GI voor het laatst telefonisch contact gehad met de vader en zijn partner, waarbij de vader en zijn partner hebben aangegeven klaar te zijn met de situatie, verder niets met te willen en dat juist de moeder hen blijft bedreigen. Sindsdien is de vader voor de GI niet meer bereikbaar.
4De standpunten van de belanghebbenden
De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de GI. Daartoe stelt de moeder allereerst dat bij [minderjarige] geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Bij [minderjarige] zijn geen gedragsproblemen of loyaliteitsproblemen vastgesteld. Zowel volgens school als [zorginstelling] gaat het goed met [minderjarige] en is er geen verder onderzoek nodig. [minderjarige] gaat naar logopedie vanwege zijn taal- en spraakontwikkeling. Mocht de kinderrechter vinden dat er toch sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, dan heeft de moeder in het afgelopen jaar alles gedaan en overal aan meegewerkt wat binnen haar macht ligt om een eventuele ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Zo heeft de moeder meegewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, ondanks meerdere (doods)bedreigingen van de vader jegens de moeder. Inmiddels heeft de moeder ook een AWARE-knop in verband met de bedreigingen door de vader. De moeder voelt zich als schuldige neergezet door de GI en dat ondermijnt haar vertrouwen in deze gezinsvoogd. Dat is volgens haar niet terecht gelet op de medewerking die zij heeft verleend. Ze begrijpt ook niet waarom de GI stelt dat zij niet meewerkt aan contact, nu zij aan alle door de GI georganiseerde contactmomenten heeft meegewerkt en zij [minderjarige] daar ook daadwerkelijk naartoe heeft gebracht. De moeder heeft het gevoel dat niet meer naar haar wordt geluisterd door de GI. Volgens de moeder heeft de GI geen navraag gedaan over de bedreiging van de vader jegens de moeder op 10 april 2026. Verder geeft de moeder over het aanwezig willen zijn bij de overdracht voor het contactmoment met de vader aan dat zij [minderjarige] een veilig gevoel wil geven en dat het haar niet gaat om het weerzien met de vader. Ze voelt zich niet veilig, maar ze stelt de veiligheid van [minderjarige] boven die van haar. Op de momenten dat zij contact had met de vader of zijn partner, was dit om de situatie te managen en heeft de moeder dit steeds ook gemeld aan de GI. Volgens de moeder stelt de GI zich op het standpunt dat de rechtbank opdracht heeft gegeven om koste wat kost contact te arrangeren tussen de vader en [minderjarige] . In de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 augustus 2025 staat duidelijk dat moet worden gekeken naar de mogelijkheden. De GI stelt dat deze er nu beperkt of niet zijn. De GI wil ondanks deze bevindingen zowel de vader als de moeder een schriftelijke aanwijzing geven om mee te werken aan contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder begrijpt dat niet omdat zij heeft meegewerkt aan de contacten. Wat is dan het nut van een schriftelijke aanwijzing aan haar? Daar komt bij dat de vader geen volwassenen hulpverlening wil accepteren voor hemzelf en ook uit contact is getreden met de GI. Zij vraagt zich af wat maakt dat zij moet worden verplicht tot medewerking als de vader niet meewerkt en als geen aandacht wordt besteed aan de veiligheid. Daarbij komt de vraag wat de moeder doet wat niet in het belang van [minderjarige] zou zijn. En mag van de moeder in de gegeven omstandigheden worden verwacht dat zij meewerkt aan hetgeen de GI voor ogen heeft?
De vader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
5De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De vader heeft de Jamaicaanse nationaliteit. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kinderrechter is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op het verzoek van toepassing.
De ondertoezichtstelling
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) in samenhang gelezen met artikel 1:255 BW, kan de kinderrechter een ondertoezichtstelling verlengen, indien de minderjarige nog zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen.
Op basis van de inhoud van ingediende stukken en het gestelde tijdens de mondelinge behandeling oordeelt de kinderrechter dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Deze ontwikkelingsbedreiging is voornamelijk gelegen in de situatie tussen de ouders, waarbij sprake is van een langdurige en complexe problematiek die wordt gekenmerkt door conflicten, doodsbedreigingen en huiselijk geweld. Positief is dat [minderjarige] het, ondanks deze situatie, goed lijkt te doen en zich goed ontwikkelt. Hoewel de kinderrechter wel ziet dat, anders dan de GI stelt, de moeder bereid is mee te werken aan de nodige hulpverlening voor [minderjarige] , is een vrijwillig kader nog onvoldoende. De vader is wisselend in het accepteren en meewerken met hulpverlening. Zo is gebleken dat de vader recent het contact met de GI opnieuw heeft verbroken. Daarbij heeft de vader bij de GI aangegeven “er klaar mee te zijn”. Hij is nergens meer toe bereid. Dit maakt dat hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend is.
Hoewel daarmee wordt voldaan aan het wettelijk kader voor verlenging van de ondertoezichtstelling, oordeelt de kinderrechter dat niet te verwachten is dat de verlenging van de ondertoezichtstelling ertoe zal leiden dat de door de GI genoemde doelen in het plan van aanpak zullen worden gerealiseerd.
In het plan van aanpak van de GI zijn de volgende doelen en subdoelen geformuleerd:
“Doel: 1. [minderjarige] ontwikkelt zich leeftijd en sociaal emotioneel adequaat.
Wie doet wat, wanneer?
[minderjarige] wordt niet meer blootgesteld aan welke vorm van huiselijk geweld dan ook.
[minderjarige] kan erop vertrouwen dat er zicht komt op de oorsprong van zijn taal- en sociaal-emotionele achterstand, zodat hij de Nederlandse taal correct leert en op een adequate manier zijn emoties kan uiten en leert omgaan met leeftijdgenoten. Psychodiagnostiek ( [zorginstelling] ) voor [minderjarige] is nodig om te onderzoeken of de taalachterstand en de sociaal-emotionele achterstand van [minderjarige] voortkomen uit kindfactoren, de systemische sfeer of beiden.
[minderjarige] heeft op structurele basis contact met zijn vader. Begeleide omgang via [hulpverlening] .
Doel: 2. De ouders van [minderjarige] weten, in zijn belang, samen te werken binnen de mogelijkheden die er zijn.
Wie doet wat, wanneer?
[minderjarige] kan erop blijven vertrouwen dat ouders zorgen voor een veilige leefomgeving waarbij hij niet meer wordt geconfronteerd met ruzies tussen ouders, waardoor hij zonder stress of spanning verder op kan blijven groeien;
[minderjarige] kan erop vertrouwen dat hij zijn vader regelmatig ziet, waardoor hij zelf een beeld kan vormen van zijn vader en hij een band met hem kan opbouwen. Begeleide omgang via [hulpverlening] .
Doel: 3. De vader van [minderjarige] ontvangt en werkt mee aan hulpverlening.
Wie doet wat, wanneer?
Er dient contact te komen tussen vader en [minderjarige] in de vorm van een omgangsregeling.
Vader werkt mee aan volwassenen hulpverlening zodat deze hem praktisch kunnen ondersteunen.”
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat aan doel 1.1 en 2.1 niet meer wordt gewerkt. Hoewel er sprake is van een door de rechtbank opgelegd contactverbod tussen de ouders, de GI erkent dat de vader doodsbedreigingen uit richting de moeder, de moeder een AWAREknop heeft en sprake is van een achtergrond van huiselijk geweld, stelt de GI dat de moeder deze situatie zelf in stand houdt en zet de GI niet in op veiligheid. Zelfs de conclusie van [zorginstelling] dat sprake is van de onveiligheid wordt door de GI betwist en daarop wordt door de GI actie ondernomen richting [zorginstelling] onder andere door aan [zorginstelling] te schrijven: “Ook wordt er gesproken over structurele onveiligheid voor moeder en [minderjarige] . Wij kunnen uit het verslag niet goed halen waar deze conclusie op gebaseerd is. Voor ons is onvoldoende duidelijk welke concrete feiten hieraan ten grondslag liggen.”
De GI lijkt niet open te staan voor de gedachte dat het gedrag van de moeder, waar zij soms ook contact lijkt te zoeken met de vader, uit iets anders kan voortkomen dan dat zij niet onveilig zou zijn. Op de uitleg van de moeder dat zij soms contact zoekt om de situatie te managen en dat zij dat altijd met de GI heeft besproken is door de GI niet gereageerd, anders dan door uitingen van frustratie van de GI waarbij het gestelde door de GI persoonlijk lijkt te worden genomen.
Daarbij overweegt de kinderrechter ook dat de GI niet heeft gesteld dat nog wordt ingezet op verbetering van de samenwerking tussen de ouders en dat niet is gesteld dat dat nog mogelijk is.
Aan het doel onder 1.2 wordt ook niet meer actief gewerkt, anders dan dat door de GI de uitkomsten van het onderzoek van [zorginstelling] worden betwist. Uit het verslag van [zorginstelling] blijkt dat [minderjarige] het goed doet. Ook de school heeft geen actieve zorgen. Daarnaast gaat [minderjarige] naar logopedie om te worden geholpen met het wegnemen van zijn taalachterstand. Wat betreft de doelen onder 1.3, 2.2 en 3.1 heeft de GI ter zitting gesteld dat er op dit moment geen mogelijkheden meer zijn om te komen tot contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader heeft zich teruggetrokken uit contact met de GI en de GI heeft gesteld dat de vader niets meer wil. Verder blijkt ook uit het verloop van de door de GI tot stand gebrachte contactmomenten met de vader dat er op dit moment geen mogelijkheden zijn. De vader kwam bij het eerste contact te laat, maar had daarna nog wel een goed contact met [minderjarige] , bij het tweede contactmoment was de vader niet aanwezig en bij het derde contactmoment heeft de moeder met [minderjarige] het pand moeten verlaten via de achterdeur vanwege onveiligheid.
Ook het doel genoemd onder 3.2 is niet meer haalbaar. De vader heeft het afgelopen jaar hulpverlening voor zichzelf geweigerd, heeft aldus de GI geen vertrouwen in de Nederlandse maatschappij als zodanig en geeft nu aan helemaal niets meer te willen. Het is niet waarschijnlijk dat het nu nog geven van een schriftelijke aanwijzing hieraan nog in positieve zin kan bijdragen.
Andere doelen zijn door de GI niet gesteld. Nu de GI geen haalbare doelen heeft geformuleerd voor de aankomende periode, zal de kinderrechter het verzoek afwijzen. De gronden van artikel 1:255 BW worden immers niet langer vervuld als bij een verlenging van de ondertoezichtstelling geen verdere resultaten zijn te verwachten.
De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI afwijzen.
6De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling af.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 door mr. Van der Salm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Bosch als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
