Rechtbank Oost-Brabant 29-07-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5611

Essentie (gemaakt door AI)

Wijziging kinderalimentatie waarin wordt vastgesteld dat de eerder vastgestelde bijdrage vanaf 4 mei 2020 evident niet aan de wettelijke maatstaven voldoet wegens onjuiste/onvolledige gegevens art. 1:401 lid 4 BW. Ingangsdatum met terugwerkende kracht gekoppeld aan 4 mei 2020 art. 1:402 BW; vastgesteld op feitelijk betaald/verhaald, en vanaf heden nihil. Draagkracht vader hooguit €25 p/m; behoefte uithuisgeplaatst kind onvoldoende onderbouwd door moeder. Professionele bewindvoerder heeft onvoldoende oog voor alimentatieplicht vader gehad.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Bewindvoerder man ziet kinderalimentatieschuld over het hoofd: nihilstelling met terugwerkende kracht tot 2020
Eerder door Rb vastgestelde bijdrage voldoet "evident" niet aan de wettelijke maatstaven. Kinderalimentatieschuld vader per ongeluk niet gesaneerd. Kind woont niet meer bij vrouw; geen inzicht in kosten. Nihilstelling met ingang van 2020.

Datum publicatie06-08-2026
ZaaknummerC/01/423346 FA RK 26-557
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Minimum draagkracht; Onjuiste gegevens en wijziging alimentatie;
Meerderjarigenbescherming; Bewind
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging kinderalimentatie; van aanvang af evident niet voldaan aan de wettelijke maatstaven, professionele bewindvoerder onvoldoende oog voor verplichting kinderalimentatie, ingangsdatum met terugwerkende kracht, behoefte uithuisgeplaatst kind is niet (voldoende) aangetoond.

Volledige uitspraak


RECHTBANK OOST-BRABANT

Familierecht

Zaaknummer: C/01/423346 FA RK 26-557

Kinderalimentatie

Beschikking van 29 juli 2026

in de zaak van:

[verzoeker],
hierna te noemen: de bewindvoerder van de vader,

gevestigd in [plaats],

in de rol van bewindvoerder over de goederen van:

[vader],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.H.P. de Jongh,

e n

[verweerster],

hierna te noemen: de bewindvoerder van de moeder,

gevestigd in [plaats],

in de rol van bewindvoerder over de goederen van:

[moeder],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.A. Knopper.

In het vervolg worden de procespartijen aangeduid als de vader respectievelijk de moeder.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

    het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1 tot en met 13, ingediend op 11 februari 2026;

    het bericht van de vader van 13 februari 2026 met bijlage 14;

    het verweerschrift van de moeder met bijlagen 1 tot en met 5;

    het bericht van de moeder van 13 juli 2026 met bijlagen 6 en 7, en

    het bericht van de vader van 15 juli 2026 met bijlagen 15 tot en met 20.

1.2.

Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
23 juli 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt.

1.3.

Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat en zijn bewindvoerder, en

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar bewindvoerder.

1.4.

De rechtbank heeft aan [minderjarige], de zoon van de vader en de moeder, gevraagd wat hij van het verzoek vindt. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2Waar gaat het over?

Wat staat vast?

2.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige],
geboren op [datum].

2.2. [

[minderjarige] woont bij een pleeggezin en staat daar ook ingeschreven.

2.3.

De ouders hebben afspraken gemaakt toen zij uit elkaar gingen. De afspraken over [minderjarige] hebben zij opgenomen in het ouderschapsplan dat zij op 26 januari 2018 hebben ondertekend. Daarin zijn zij overeengekomen dat de vader met ingang van 20 januari 2018 een bedrag van € 25 per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder.

2.4.

De rechtbank heeft op 14 juli 2020 beslist dat de vader met ingang van 4 mei 2020 een bedrag van € 178 per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen.

Wat ligt voor?

2.5.

De vader wil dat de kinderalimentatie over de periode van 4 mei 2020 tot en met de datum van deze beschikking wordt gesteld op een bedrag van € 4.049,84 en voor het overige op nihil. Daarnaast verzoekt de vader om de kinderalimentatie met ingang van de datum van indienen van zijn verzoek (11 februari 2026) op nihil te stellen. Volgens de vader heeft hij nooit de draagkracht gehad om een bijdrage te leveren aan de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en bovendien was [minderjarige] ook niet meer bij de moeder woonachtig.

2.6.

De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de verzoeken van de vader worden afgewezen. Zij vindt dat het op de weg van de vader had gelegen om eerder een wijzigingsverzoek bij de rechtbank in te dienen. Een wijziging met dusdanige terugwerkende kracht is volgens de moeder niet redelijk.

3De beoordeling

Conclusie

3.1.

De rechtbank zal de door de vader te betalen kinderalimentatie over de periode van
4 mei 2020 tot aan de datum van deze beschikking vaststellen op het bedrag dat door hem is betaald of op hem is verhaald en de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op nihil (€ 0 per maand).

Reden voor de wijziging

3.2.

De rechtbank kan de kinderalimentatie wijzigen en opnieuw vaststellen als deze nooit goed is berekend, omdat de rechtbank eerder is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. 1 Daarvan is hier sprake, want uit de stukken blijkt dat de vader al jarenlang leeft van een minimaal inkomen en bij hem geen/nauwelijks draagkracht aanwezig was en is. Dat het aan de vader zelf te wijten is dat die bijdrage eerder verkeerd is vastgesteld, zoals de moeder stelt, vormt volgens vaste jurisprudentie geen beletsel om de alimentatie nu te wijzigen.

Ingangsdatum en draagkracht vader

3.3.

De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. 2 De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

3.4.

Hier hanteert de rechtbank 4 mei 2020 als ingangsdatum. Dit is de datum met ingang van wanneer de door de vader te betalen kinderalimentatie is gewijzigd en is vastgesteld op een (veel) hoger bedrag. De rechtbank sluit bij deze datum aan, omdat uit de huidige stukken blijkt dat de vader vanaf die tijd een minimaal inkomen had. Het is evident dat de bijdrage op een veel te hoog bedrag is vastgesteld als gevolg waarvan er forse schulden zijn ontstaan. De rechtbank vindt het in strijd met de belangen van de vader (de menselijke maat) om deze bijdrage eerst met ingang van een latere datum te wijzigen, omdat als gevolg daarvan er een grote schuldenlast (als gevolg van achterstallige kinderalimentatie) zou blijven bestaan. De gevolgen van deze ingangsdatum zijn voor de moeder beperkt, omdat de rechtbank de door de vader te betalen bijdrage zal vaststellen op hetgeen feitelijk al door hem is betaald en/of op hem is verhaald. Dat betekent dat de moeder geen kinderalimentatie aan de vader hoeft terug te betalen.

3.5.

Bij deze beslissing weegt de rechtbank mee dat uit de stukken blijkt dat medio 2024/2025 de schulden van de vader met hulp van de Kredietbank zijn gesaneerd en dat toen, kennelijk per ongeluk, de schuldenlast als gevolg van de achterstallige kinderalimentatie over het hoofd is gezien. Gelet op het feit dat de goederen van de vader ook toen al onder bewind stonden (vanwege een lichamelijke of geestelijke stoornis), vindt de rechtbank dat niet goed te begrijpen. Op de vader rust een wettelijke verplichting om naar vermogen in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Van een professionele bewindvoerder mag worden verwacht dat die zich actief op de hoogte stelt van de situatie ten aanzien van de behoefte van dat minderjarige kind en hetgeen daarin van de vader wordt of mag worden verwacht. Dat heeft de bewindvoerder kennelijk onvoldoende gedaan met als gevolg dat de vader, die nu juist bescherming behoeft, opnieuw is geconfronteerd met een schuld.

3.6.

Voor wat betreft de draagkracht van de vader staat vast dat hij gelet op zijn minimale inkomen hooguit een draagkracht had/heeft van € 25 per maand.

3.7.

Voor de vraag of van de vader kan worden verwacht dat hij met een bedrag van € 25 per maand bijdraagt in de kosten van [minderjarige], is van belang wat de kosten van [minderjarige] zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Voor wat betreft [minderjarige] geldt dat hij al jarenlang niet meer bij de moeder woont. Het ligt daarom op de weg van de moeder om te onderbouwen welke kosten zij nog voor hem maakt. De rechtbank begrijpt dat zij kosten maakt op de dagen dat [minderjarige] bij haar is en ook dat zij de kosten draagt voor onder andere zijn vervoer, kapper, kleedgeld en verzorgingsproducten. De moeder heeft alleen onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat zij die kosten niet kan betalen uit de kinderbijslag die zij (onbetwist) nog voor [minderjarige] ontvangt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vader geen kinderalimentatie voor [minderjarige] hoeft te betalen.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.8.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie niet meer betaald hoeft te worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

Proceskosten

3.9.

De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2020, en:

- bepaalt de hoogte van deze kinderalimentatie over de periode vanaf 4 mei 2020

tot op heden op het bedrag dat feitelijk door de vader is betaald of op hem is verhaald, en

- stelt deze kinderalimentatie met ingang van heden op nihil (€ 0 per maand);

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, en

4.4.

wijst de verzoeken voor het overige af.

Dit is de beslissing van rechter mr. M.P. den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met mr. T. Öztoprak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Bosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733